• Health impact assessment of policy measures for chemicals in non-food consumer products

      Schuur G; Preller L; ter Burg W; Kroese D; van Engelen J; Bausch-Goldbohm S; van Kranen H; Kramers P; van Raaij M; SIR; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNO Kwaliteit van Leven, 2009-01-08)
      Beleidsmaatregelen op chemische stoffen in consumentenproducten leiden tot minder blootstelling aan deze stoffen bij mensen. Maar in hoeverre zijn deze maatregelen effectief om gezondheidseffecten te verminderen? Voor het eerst is van negen stoffen in consumentenproducten berekend hoe groot de gevolgen zijn voor de gezondheid. Inderdaad mag voor de meeste van deze stoffen worden verwacht dat minder Nederlanders negatieve gezondheidseffecten zullen ondervinden. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM en TNO Kwaliteit van Leven, in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). De gezondheidswinst is uitgedrukt in 'Disability Adjusted Life Years' (DALY's). Het aantal DALY's is het aantal gezonde levensjaren dat een bevolking verliest als gevolg van ziekte of vroegtijdig overlijden. Het onderzoek heeft ook duidelijk gemaakt dat het niet zonder meer mogelijk is gezondheidseffecten voor de bevolking te berekenen, ondanks uitgebreide kennis en ervaring met de risicobeoordeling van stoffen. Bepaalde schadelijke effecten die in proefdieren zijn waargenomen, zijn zeer geschikt voor risicobeoordeling en normstelling, maar zijn niet direct te vertalen naar 'ziekte' bij mensen. Ook het tijdstip waarop een 'ziekte' zich manifesteert is moeilijk vast te stellen. Soortgelijke berekeningen zouden vooral gebruikt moeten worden om prioriteiten bij maatregelen te stellen: onderscheid wordt gemaakt tussen beleidsmaatregelen die erg weinig en die veel gezondheidswinst opleveren. Behalve DALY's zijn andere aspecten van belang voor het beleid, zoals de afname van de blootstelling aan de stof, het aantal betrokken consumenten, maatschappelijke consequenties en de perceptie van het risico bij de consument.
    • Historische versus recente blootstelling aan stoffen onder arbeidsomstandigheden als oorzaak van gezondheidseffecten en ziektelast

      Dekkers S; Baars AJ; Preller EA; Peters SM; Raaij MTM van; SIR (TNO Kwaliteit van Leven, 2006-12-18)
      Gezondheidseffecten en ziektelast ten gevolge van blootstelling aan stoffen op de werkplek zijn voor een belangrijk deel terug te voeren op blootstellingen in het verleden. Aan de hand van gegevens over veranderingen in arbeidsgerelateerde blootstelling zijn daarom voorzichtige voorspellingen mogelijk over de toekomstige ziektelast voor bepaalde aandoeningen. In een eerder RIVM-rapport werd voor negen aandoeningen de ziektelast als gevolg van blootstelling aan stoffen op de werkplek geschat. In dit vervolgonderzoek is bekeken in hoeverre deze ziektelast wordt veroorzaakt door blootstellingen in het verleden of door meer recente blootstellingen. Wanneer de ziektelast voor een bepaalde aandoening in belangrijke mate wordt veroorzaakt door blootstellingen in het verleden, is bovendien onderzocht of de blootstelling aan enkele relevante stoffen op de werkplek in de loop van de tijd is veranderd. Op basis van de bevindingen luidt de voorzichtige voorspelling dat de ziektelast door blootstelling aan stoffen op de werkplek in de nabije toekomst zal afnemen voor hart- en vaatziekten, chronische toxische encefalopathie en huid- en longkanker. Voor andere aandoeningen blijft de ziektelast waarschijnlijk stabiel (COPD, rhinitis en rhinosinitis), of neemt die toe (mesothelioom, asbestlongkanker, asbestose). Voor astma en contact-eczeem is geen voorspelling mogelijk.
    • Identificatie van belangrijke beroepsgroepen en stoffen bij het ontstaan van gezondheidseffecten en ziektelast door blootstelling aan stoffen onder arbeidsomstandigheden

      Dekkers S; Preller EA; Baars AJ; Marquart J; Raaij MTM van; SIR (TNO Kwaliteit van Leven, 2006-12-18)
      De ziektelast als gevolg van astma, chronische bronchitis en longemfyseem (COPD), contact-eczeem en longkanker zal naar verwachting afnemen, wanneer arbeidsgerelateerde blootstelling aan een aantal stoffen (chemicalien) binnen bepaalde beroepsgroepen wordt teruggedrongen. In een eerder RIVM-rapport werd voor negen aandoeningen de ziektelast als gevolg van blootstelling aan stoffen op de werkplek geschat. In dit vervolgonderzoek is voor de vier genoemde aandoeningen onderzocht bij welke combinaties van beroepsgroep en stof een relevante gezondheidswinst zou kunnen worden bereikt bij vermindering van de blootstelling. Relevante gezondheidswinst lijkt met name te behalen in de volgende combinaties van beroepsgroep en stof: - meelstof bij bakkers, isocyanaten in de bouwnijverheid, latex in de gezondheidszorg, en dierlijke allergenen in de landbouw voor astma; - anorganisch stof in de bouwnijverheid, meelstof bij bakkers en werkers in de voedselproductie, en organisch stof in de landbouw voor COPD; - nat werk, ontvetters, zepen, en detergentia bij diverse beroepen in de gezondheidszorg, schoonmakers, kappers en schoonheidsspecialisten voor contact-eczeem; en - kwartsstof in de bouw en passief roken in de horeca voor longkanker (uitgezonderd asbest als oorzaak van longkanker). De bovengenoemde opsomming geeft een indicatie van de belangrijkste combinaties van beroepsgroepen en stoffen in het Nederlandse bedrijfsleven. Echter, ook in andere beroepsgroepen en branches kunnen werknemers genoemde aandoeningen ontwikkelen door blootstelling aan bepaalde stoffen op de werkplek.
    • JGZ-richtlijn 'Signalering van en verwijscriteria bij kleine lichaamslengte'

      Heerdink-Obenhuijsen N; van Dommelen P; Kamphuis M; van Buuren S; Coenen-van Vroonhoven EJC; Verkerk PH; CJG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNO Kwaliteit van Leven, 2010-05-27)
      In samenwerking met professionals uit de jeugdgezondheidszorg heeft TNO de JGZ-richtlijn 'Signalering van en verwijscriteria bij kleine lichaamslengte' ontwikkeld. De richtlijn draagt eraan bij dat kleine lichaamslengte bij kinderen tussen 0 en 10 jaar tijdig wordt opgespoord en behandeld. De richtlijn is in opdracht van het programmaministerie voor Jeugd en Gezin opgesteld. Het RIVM voert de regie over de ontwikkeling, implementatie en borging van JGZ-richtlijnen. Om een kleine lichaamslengte te signaleren en vast te stellen wordt de groei van kinderen gemonitord. Hierbij wordt onder andere de lengte van het kind afgezet tegen de gemiddelde lengte van leeftijdgenoten. Ook wordt gekeken naar de (medische) achtergrond van het kind. Wanneer een kleine lichaamslengte wordt vastgesteld, verwijst de JGZ het kind door. Afhankelijk van de vermoedelijke oorzaak wordt verwezen naar een kinderarts of psycholoog. De richtlijn beschrijft hiervoor de criteria. De oorzaken van kleine lichaamslengte zijn in de richtlijn onderverdeeld in drie categorieën. Ten eerste kan het zijn dat er geen medische oorzaak bekend is. Ten tweede kan een kleine lichaamslengte het gevolg zijn van een aandoening aan de bot- en steunweefsels, zoals bij het syndroom van Down. Ten slotte kan het een gevolg zijn van andersoortige aandoeningen, zoals chronische ziekten (bijvoorbeeld astma, taaislijmziekte en diabetes) en psychische aandoeningen als anorexia en emotionele verwaarlozing. Naast de oorzaken van kleine lichaamslengte geeft de richtlijn ook weer hoe de JGZ het kind en zijn ouders kan begeleiden, nadat een kleine lichaamslengte is vastgesteld. Dat kan bijvoorbeeld door hen te informeren over oorzaken en behandelingen en door vragen en zorgen te bespreken. Groeihormonen worden alleen ingezet als deze behandeling bewezen effectief is, bijvoorbeeld als een kind zelf te weinig groeihormoon aanmaakt.
    • Naar een nieuw Nederlands voedingspeilingsysteem

      Ocke MC; Hulshof KFAM; Bakker MI; Stafleu A; Streppel MT; CVG; TNO Kwaliteit van Leven; SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNO Kwaliteit van Leven, 2006-07-13)
      Dit rapport omvat een advies over de invulling van een nieuw voedingspeilingsysteem. De basis wordt gevormd door een (semi)continue gegevensverzameling onder de algemene bevolking van 4-69 jaar. Daarnaast worden aanvullende onderzoeken bij specifieke doelgroepen, naar specifieke producten, naar voedingsstatus en/of naar determinanten van voedselconsumptie aanbevolen. Een dergelijk nieuw systeem is essentieel voor een adequaat toekomstig beleid op het gebied van voeding en voedselveiligheid. De voedselconsumptiemethode voor de basisgegevensverzameling zal bestaan uit twee niet-aaneengesloten 24-uursvoedingsnavragen aangevuld met een schriftelijke vragenlijst; de deelnemers zullen geworven worden uit een consumentenpanel. Voor jonge kinderen, allochtonen, zwangere en lacterende vrouwen en (geinstitutioneerde) ouderen of voor specifieke belangrijke producten zijn aparte - aanvullende - voedselconsumptiepeilingen nodig. Om tijdtrendanalyses met het verleden mogelijk te maken wordt aanbevolen een ijkingsstudie uit te voeren. Bovendien is het belangrijk om inzicht in de validiteit van de voedselconsumptie-gegevens te krijgen. Wanneer uit de voedselconsumptiepeilingen indicaties van knelpunten in de voeding naar voren komen, kan gericht vervolgonderzoek naar bijvoorbeeld voedingsstatus of determinanten van voedingsgedrag belangrijk zijn. Geadviseerd wordt om ook dit vervolgonderzoek integraal onderdeel te laten uitmaken van het voedingspeilingsysteem. Het voorgestelde toekomstige voedingspeilingsysteem heeft een breed draagvlak. De hierboven beschreven opzet en inhoud van het systeem wordt onderschreven door vele ter zake kundigen.
    • Nanotechnologie in perspectief. Risico's voor mens en milieu

      Geertsma RE; Roszek BR; Herberts CA; Brouwer N; Wijnhoven SWP; van Engelen JGM; Dekkers S; van de Meent D; Peijnenburg WJGM; Linders JBHJ; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNO Kwaliteit van LevenWU Agrotechnologie en VoedingswetenschappenRIKILT, 2008-09-23)
      Het Kennis- en Informatiepunt Risico's van Nanotechnologie (KIR-nano) van het RIVM heeft de potentiele risico's van blootstelling van gefabriceerde, vrije, onafbreekbare en onoplosbare nanodeeltjes in kaart gebracht. In dit rapport worden de risico's voor de mens als werknemer, patient en consument behandeld, evenals risico's voor het milieu. Drie toepassingsgebieden zijn daarbij relevant: geneesmiddelen en medische technologie, voedselproductie en consumentenproducten. De huidige stand van zaken van de wetenschap laat zien dat risico's niet uit te sluiten zijn. Er ontbreekt echter nog veel kennis om de risico's even goed in te kunnen schatten als voor 'chemische stoffen niet in nanovorm'. Toch zijn er al vele honderden producten waarin nanomaterialen zijn verwerkt op de markt. Dit vereist op korte termijn veel onderzoek naar de blootstelling en toxiciteit van deze materialen. Helaas is het aantal onderzoeksvragen dusdanig groot en fundamenteel van aard dat het nog jaren zal duren voordat alle informatie is vergaard. KIR-nano adviseert daarom het onderzoek vooral te richten op die vragen die cruciale informatie voor de risicobeoordeling voor mens en milieu bieden. Afhankelijk van het perspectief van werknemer, consument, patient of milieu zijn oplossingsrichtingen gedefinieerd voor het beheersen van de risico's. Informatie die in de streng gereguleerde wereld van medische toepassingen wordt gegenereerd kan met name vanuit methodologisch oogpunt zeer waardevol zijn voor andere toepassingsgebieden, waar de dossiervereisten en dus veelal ook de informatievergaring (veel) beperkter voor zijn. Kernbegrippen voor de komende jaren zijn samen te vatten onder KOKOS: Kennis vergroten en uitwisselen om dubbeling van onderzoek te voorkomen, Oplossingsrichtingen en risicomanagement, Keuzes maken in bijdragen vanuit Nederland aan dit onderzoeksveld, Onderzoek & Ontwikkeling, en Samenwerking bevorderen tussen wet- en regelgevende kaders, wetenschap en bedrijfsleven.