• Methodiekontwikkeling en haalbaarheidsstudie voor onderzoek naar effecten van vliegtuiggeluid op cognitieve prestaties en gedrag van schoolkinderen. Een onderzoek in de regio Schiphol

      Emmen HH; Staatsen BAM; Deijen JB; CCM; TNO/Voeding; VU/Vakgroep Psychonomie (TNO VoedingVakgroep Psychonomie/Vrije Universiteit van Amsterdam, 1997-08-31)
      De centrale vraag van deze pilot-studie is of de gekozen meetinstrumenten betrouwbaar en geschikt zijn voor toekomstig onderzoek naar de invloed van geluidsbelasting door vliegverkeer op cognitieve prestaties en gedrag van kinderen. Het pilot-onderzoek werd in de periode mei-juni 1995 uitgevoerd bij 86 kinderen (8-12 jaar oud) uit een gebied met een relatief hoge geluidsbelasting door vliegverkeer (Zwanenburg, 8 km van Schiphol) en bij 73 kinderen uit een gebied met een relatief lage geluidsbelasting (Uitgeest). De kinderen werden tweemaal onder schooltijd getest met een interval van 4 tot 6 weken. Het testinstrumentarium bestond uit een vijftal cognitieve prestatietests en twee gedragsbeoordelingslijsten ter bepaling van aandachtsvermogen, motoriek, perceptuele verwerking, geheugen, leesvaardigheid en gedragsproblemen. Daarnaast zijn korte vragenlijsten over de slaapkwaliteit en de ervaren geluidhinder afgenomen. Geconcludeerd wordt dat een veldstudie met een dergelijke omvang zowel in technische als logistieke zin goed uitvoerbaar is. Het gebruikte testinstrumentarium blijkt grotendeels betrouwbaar en geschikt voor onderzoek naar de effecten van vliegtuiggeluid op het prestatievermogen en het gedrag van kinderen, en wees voorts op enkele groepsverschillen. De hoog geluidbelaste groep scoorde slechter op een motorische en een aandachtstest. De ouders van de geluidbelaste kinderen rapporteerden meer aandachts- en sociale problemen. Anderzijds werd hyperactiviteit juist minder vaak bij de aan vliegtuiggeluid blootgestelde groep waargenomen. Voor de overige gedragskenmerken en voor (ervaren) slaapkwaliteit zijn geen verschillen tussen de twee groepen gevonden. Het percentage kinderen dat hinder van geluid ondervond was bijna twee keer zo hoog in de groep met de hoge geluidbelasting (76%) vergeleken met kinderen uit het gebied met weinig vliegtuiggeluid (40%). Vanwege het verkennend karakter is het onderzoek uitgevoerd bij een beperkt aantal kinderen. Conclusies over de relatie tussen de geluidsbelasting door vliegverkeer en het prestatievermogen en het gedrag bij kinderen zijn daarom niet mogelijk. Aanbevelingen voor eventueel verder onderzoek zijn onder meer: een steekproef van ten minste 500 kinderen, afkomstig van vergelijkbare scholen (identiteit, schoolgrootte, klassegrootte, onderwijsmethode) ; 3-5 geluidbelaste groepen met een zo groot mogelijk contrast in geluidsbelasting ; en bepaling van de individuele geluidsbelasting.
    • Samenstelling van voedingsmiddelentabellen met gehalten aan transvetzuren ten behoeve van epidemiologisch onderzoek

      Oomen CM; Feskens EJM; Kok FJ; Brants HAM; van Erp-Baart AMJ; Kromhout D; CZE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMUniversiteit Wageningenafdeling Humane Voeding en EpidemiologieTNO Voeding, 2000-05-18)
      Om de transvetzuurinneming in de tijd te vergelijken en de grootte van het effect op o.a. plasmalipiden en coronaire hartziekten in de Zutphen Ouderen Studie te bestuderen, wordt een schatting van het gehalte van transvetzuren in voedingsmiddelen gemaakt voor de jaren 1985, 1990 en 1995. Voedingsmiddelentabellen zijn samengesteld met de gehalten in gram per 100 gram eetbaar product opgenomen voor de C18:1-transvetzuren, som van de transvetzuren met een keten-lengte van ->C18 en totaal transvetzuren. Het transvetzuurgehalte en informatie over de spreiding in gehalten van soortgelijk producten gedurende een bemonsteringsperiode per jaar werd bij voorkeur achterhaald uit een van de nationale bronnen. Voor de verschillende gebruikte analysemethoden die verschillen in nauwkeurigheid voor het bepalen van het transvetzuurgehalte zijn onderlinge correctiefactoren berekend. Na berekening van de transvetzuurinneming in de Zutphen Ouderen Studie bleek dat de personen overeenkomstig gerangschikt worden op basis van transvetzuurinneming ongeacht of er gecorrigeerd werd voor deze verschillen in nauwkeurigheid. Ook bleek de verschillende schattingen van inneming van transvetzuurisomeren (C18:1t, ->C18t, totaal) hoog te correleren. Indien een kwantitatieve uitspraak gedaan moet worden over de transvetzuurinneming, dient rekening gehouden te worden met de onderschatting van het transvetzuurgehalte door de gaschromatografische methode waarbij de vetzuren alleen worden omgezet naar methylesters.<br>