• Bioavailability of lead from Dutch made grounds : A validation study

      van Kesteren PCE; Walraven N; Schuurman T; Dekker R; Havenaar R; Maathuis A; Bouwmeester H; Kramer E; Hoogenboom R; Slob W; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMGeoconnectASGTNO ZeistRIKILTBritish Geological Survey, 2014-07-03)
      In Nederland zijn de bodems van oude binnensteden (ophooglagen) in het verleden gevormd door stadsafval en puin, onder andere afkomstig van industriële activiteiten. Dit materiaal is vaak verontreinigd met lood, en zo ook de bodems. Vooral kinderen zijn gevoelig voor de schadelijke effecten van lood als zij dat via de mond binnenkrijgen. Een te hoge blootstelling aan lood kan de ontwikkeling van de hersens verstoren. Er bestaan meerdere laboratoriummodellen die schatten hoeveel lood uit de bodem in het maag-darmkanaal vrijkomt en vervolgens bij kinderen in het bloed kan terechtkomen (biobeschikbaarheid). Het RIVM heeft onderzocht hoe goed drie van deze modellen deze schatting kunnen maken. Hieruit blijkt dat al deze methoden sterke én zwakke punten hebben, maar dat het zogeheten Unified BARGE Model het meest geschikt is om biobeschikbaarheid van lood in ophooglagen te schatten. Met de drie modellen is de biobeschikbaarheid van lood in zes bodems geschat. De uitkomsten zijn vervolgens vergeleken met de resultaten van biobeschikbaarheidsonderzoek met jonge varkens. De manier waarop lood zich in het maag-darmkanaal van deze dieren gedraagt, is vergelijkbaar met het gedrag in dat van kinderen. Het Unified BARGE Model en het Tiny-TIM model laten eenzelfde patroon zien als de dierproeven, maar de uitkomsten van Tiny-TIM leiden tot een onderschatting van de werkelijke biobeschikbaarheid. Het IVDmodel blijkt alleen geschikt als wordt gecorrigeerd voor het kalkgehalte in de bodem. Een relatief eenvoudige methode om de hoeveelheid beschikbaar lood in een bodem te schatten is extractie met verdund salpeterzuur. Deze methode kan als een eerste screening worden gebruikt om de hoeveelheid biobeschikbaar lood in een bodem te schatten. Uit de resultaten van de dierproeven kan een standaardwaarde voor de biobeschikbaarheid van lood in stedelijke ophooglagen worden afgeleid. Beleidsmakers kunnen deze waarde als maatstaf gebruiken om te bepalen hoeveel lood beschikbaar is om door het menselijk lichaam te kunnen worden opgenomen. Op basis van de standaardwaarde en het totaalgehalte aan lood in de bodem wordt bepaald of er een onacceptabel risico voor de gezondheid is en maatregelen nodig zijn. Het gebruik van deze standaardwaarde heeft als voordeel dat er geen experimenten met de testmodellen nodig zijn, wat geld en tijd bespaart. De bevindingen van dit onderzoek geven aan dat er meer lood in de bodem beschikbaar is dan eerder werd verondersteld. Dit kan aanleiding zijn om de normstelling van lood in bodem opnieuw te bekijken.
    • Mutagenicity of chemicals in genetically modified animals

      Willems MI; van Benthem J; LEO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNO Zeist, 2001-02-05)
      The strategy for assessing human health risks of chemicals consists of a large number of tests in different research disciplines. Tests include acute and chronic toxicity, genotoxicity, reproduction toxicity and carcinogenicity. Genotoxic properties of chemicals are assessed in short-term in vitro and in vivo genotoxicity tests. There are two main endpoints for genotoxicity: gene mutations and chromosome aberrations. Under in vitro conditions, there are sufficient assays for both endpoints. Testing under in vivo conditions is essential to confirm in vitro data since it is impossible to mimic, in a petri dish, all the complex factors determining whether a chemical will induce mutations in a specific tissue in animals in vivo. Moreover, in a regulatory context, a relevant negative in vivo result from an adequately performed test overrules positive in vitro results. There are appropriate assays in existence to investigate in vivo chromosome aberration; however, problems occur when a compound induces gene mutations in vitro. In the absence of reliable in vivo gene mutation assays, a justified assessment of the genotoxic potential of chemicals may be hampered. Introduced in this report, based open literature data up to August 2000, are several promising new in vivo gene mutation assays. The report is not restricted to assays with the commercially available transgenic models; all assays - whether using transgenes or endogenous genes as reporter genes - are incorporated. In reviewing the current state of the art in evaluating these assays, the advantages and the disadvantages of the assays are discussed. This is to determine the feasibility of the routine use of these new in vivo gene mutation tests for health risk estimation. Gene mutation assays with transgenic animals have already been used on a small scale for legislation of chemicals. However, to allow the routine use of these assays for regulatory purposes, they will have to be validated further and an official OECD guideline prepared.<br>