• Bodemkenmerken van het afdekkende pakket in relatie tot de kwetsbaarheid van het grondwater in Nederland. De niet met water verzadigde laag

      Groot Obbink DJ; Breeuwsma A; Wosten JHM (Stichting voor BedemkarteringWageningen, 1985-12-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Climate scenarios for semi-arid and sub-humid regions. A comparison of climate scenarios for the dryland regions, in West Africa from 1990 to 2050

      van den Born GJ; Schaeffer M; Leemans R; NOP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMICCDWageningen, 2001-02-23)
      The identification of climate scenarios for dryland areas in Sub-Saharan West Africa is part of a project to assess the impact of climate change on water availability, agriculture and food security in drylands (ICCD-project). The project is financed by Netherlands Research Programme on Global Air Pollution and Climate Change (NRP) and part of theme 'Vulnerability of Natural and Social Systems for Climate'. The report describes the development and description of climate scenarios by using results from both integrated assessement models (IAMs) and global atmospheric circulation models (GCMs) for climate change. The resulting scenarios will be appropriate for Sub-Saharan West Africa. The report describes a common definiton of drylands, their general characteristics and geographical distribution, and gives an introduction to climate change and its potential impacts on ecosystems, agro-systems and society. To improve the understanding of the existing methods, special attention is given to the various approaches commonly used to simulate the impact. The focus of the report is mainly the climate-change scenario development and the application of IAMs and GCMs, especially the use of comprehensive IMAGE scenarios to dynamically calculate transient impacts at global, regional and sub-regional scale. For most indicators the situation in 1990, the projection for 2050 and the absolute change are presented, both in table and map format. The last part of the report summarises the results for a set of climate indicators for Sub-Saharan West Africa.<br>
    • An environmental and economic model to assess the abatement costs of nitrate leaching in dairy farming

      Groeneveld RA; Kruitwagen S; Ierland E van; LBG; LUW (Landbouw Universiteit Wageningenvakgroep StaathuishoudkundeWageningen, 1998-06-30)
      Dit rapport beschrijft een analyse van de economische gevolgen van beperking van nitraatuitspoeling voor melkveehouderijsystemen. De analyse is gedaan voor de Achterhoek, waar nitraatuitspoeling een groot probleem is. Een niet-lineair optimaliseringsmodel is ontwikkeld, dat de productie en aankoop van veevoer (mais, gras en krachtvoer) beschrijft en de uitspoeling berekent voor verschillende beweidingssystemen en grondwatertrappen. Het model minimaliseert de kosten onder randvoorwaarden voor productie, veevoerbehoefte en maximale nitraatuitspoeling van 34 kg N ha exp. -1yr exp. -1. De economische kosten bij het steeds verder beperken van de nitraatuitspoeling tot de maximaal toelaatbare waarde worden toegeschreven aan de toename in kosten van veevoer en mestverwerking. Voor gronden met ondiep grondwater zijn de kosten van beperking van de uitspoeling verwaarloosbaar. Voor gronden met diep grondwater is het in sommige gevallen niet mogelijk om een reductie van nitraatuitspoeling tot de maximaal toelaatbare waarde te bereiken. De modelresultaten geven aan dat de kosten van beperking van nitraatuitspoeling varieren tussen Fl. 0 en Fl. 549 per hectare.
    • Exposure and ecological effects of toxic mixtures at field-relevant concentrations. Model validation and integration of the SSEO programme

      Posthuma L; Vijver MG; LER; SEC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMAlterraWageningenRadboud Universiteit NijmegenVrije UniversiteitAmsterdamWageningen University and Research Centre WURIMARES, 2007-12-14)
      Om de effecten te voorspellen van giftige stoffen die zich diffuus in het milieu verspreiden is het nodig om de lokale milieucondities in kaart te brengen. Dit blijkt uit een evaluatie van resultaten uit het Nederlandse Stimuleringsprogramma Systeemgericht Ecotoxicologisch Onderzoek (SSEO) die uitgevoerd is onder leiding van het RIVM.<br>De afgelopen zes jaar zijn op drie verontreinigde locaties in Nederland de effecten onderzocht van giftige stoffen op milieu, planten en dieren. De locaties betroffen de uitwaarden van een grote rivier (de Waal), een getijdegebied (de Biesbosch) en een veenweidegebied (nabij Vinkeveen). Op deze plekken hebben zich giftige stoffen verspreid over de omgeving. Van deze diffuse verontreinigingen werden de omvang en effecten gemeten en geanalyseerd.<br>Uit het onderzoek blijkt dat de effecten varieerden tussen niet-waarneembaar of zeer gering tot waarneembaar en groot. De grootte van de effecten hing af van de aanwezige stoffen en hun concentraties, de eigenschappen van bodem, water of sediment op de locatie, en de gevoeligheid van planten en dieren die werden blootgesteld aan de stoffen. Dit maakt duidelijk dat milieucondities voor een deel de effecten van de stoffenmengsels bepalen.<br>De meetmethoden en modelanalyses van het SSEO-programma blijken bruikbaar voor het beheersen van lokale risico's van verontreinigingen. Voor Nederland is het heel belangrijk om deze instrumenten op grotere schaal toe te passen gezien de vele diffuus verontreinigde locaties. Saneren is op die plekken geen oplossing. Om de risico's van deze verontreinigingen te beheren adviseert het RIVM een risicotoolbox te ontwikkelen. Toepassing daarvan is nodig voor een betere op ecologie gebaseerde effectbepaling. Dit kan uiteindelijk leiden tot een koppeling tussen stoffenbeleid en gebiedsbeheer.<br>
    • Integrated assessment of vulnerability to climate change and adaptation options in the Netherlands

      Ierland EC van; Groot RS de; Kuikman PJ; Martens P; Amelung B; Daan N; Huynen M; Kramer K; Szonyi J; Veraart JA; et al. (AlterraWageningenInternational Centre for Integrative Studies (ICIS)Maastricht University, 2001-11-23)
      Abstract niet beschikbaar
    • The integrated nitrous oxide and methane grassland project

      Leffelaar PA; Langeveld CA; Hofman JE; Segers R; Pol-Dasselaar van den A van; Goudriaan J; Rabbinge R; Oenema O; NOP (Wageningen Agricultural UniversityDepartment of Theoretical Production EcologyWageningen, 2000-03-29)
      Abstract niet beschikbaar
    • Long-term changes of chemistry and biota in moorland pools in relation to changes in atmospheric deposition

      Dam H van; Houweling H; Wortelboer FG; Erisman JW; Smeulders SM; LWD; LLO; IBN-DLO; AquaSense TEC (AquaSense TECWageningenDLO-Instituut voor Bosbouw en NatuuronderzoekWageningen, 1996-04-19)
      De voornaamste veranderingen in de chemie en biologie van drie vennen in de loop van 16 jaar zijn gemeten. Deze gegevens werden vergeleken met oudere waarnemingen (1912-1970) om verbanden te leggen tussen deze veranderingen en de veranderingen van de atmosferische depositie, in het bijzonder van zwavel- en stikstofverbindingen. Modelberekeningen werden toegepast. Tussen 1979 en 1994 is in twee van de drie onderzochte vennen het sulfaatgehalte sterk gedaald. Uit modelberekingen bleek dat dit veroorzaakt werd door de sterke afname van depositie van zwavelverbindingen in die periode. Dit had zeer positieve gevolgen voor de soortensamenstelling van de kiezelwieren, die sterk indicatief zijn voor de verzuringstoestand. Uit de modelberekingen blijkt dat er geen goede meetresultaten zijn van de depositie van stikstofverbindingen op oppervlaktewateren. Het is zeer noodzakelijk dat hiervoor metingen worden uitgevoerd.
    • Milieu-indicator 1999: Resultaten van een verkenning naar een indicator voor het gewasbeschermingsmiddelenbeleid

      Brouwer WWM; Marsman H; Luttik R; CSR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMPlantenziektenkundige Dienstafdeling FytofarmacieWageningen, 2000-02-01)
      In opdracht van het Ministerie van LNV is een milieu-indicator opgezet die het mogelijk maakt volumecijfers te koppelen aan milieubelasting. Er zijn verschillende milieu-indicatoren uitgewerkt, te weten voor aquatoxiciteit, alg, kreeftachtige, vis, uitspoeling naar grondwater en toxiciteit voor vogels. Trends per indicator zijn opgesteld voor gewasbeschermingsmiddelen, gewasbeschermingsmiddelen exclusief grondontsmettingsmiddelen, herbiciden, fungiciden en insecticiden. De uitgewerkte milieu-indicator maakt het mogelijk aan te geven waar knelpunten bestaan; zowel op het niveau van werkzame stoffen als op het niveau van gewassen. Uit deze studie zijn vele punten gevolgd op grond waarvan toekomstige indicatoren verbeterd kunnen worden.<br>
    • Milieukwaliteit en nutrientenbelasting : Achtergrondrapport milieukwaliteit van de Evaluatie Meststoffenwet 2007

      Klijne A de; Hooijboer AEJ; Bakker DJ; Schoumans OF; Ham A van den; LVM (RIZALelystadAlterraWageningenLandbouw Economisch InstituutDen Haag, 2007-10-29)
      Door het mestbeleid zijn de stikstof- en fosfaatoverschotten op landbouwbedrijven in Nederland tot 2001 afgenomen. Vanaf 2001 stabiliseren de overschotten. De kwaliteit van de bodem is gelijk gebleven of verslechterd. De kwaliteit van het grondwater is tot 2002 verbeterd, daarna globaal gelijk gebleven. De kwaliteit van oppervlaktewater is verbeterd, al is het voor de periode na 2001 niet duidelijk wat hiervan de reden is. Doordat meer meststoffen (stikstof en fosfaat) worden toegediend dan voor gewasgroei nodig is, ontstaan overschotten. Hierdoor wordt het milieu belast. Het RIVM heeft de invloed van deze overschotten op de kwaliteit van bodem, grond- en oppervlaktewater nabij landbouwbedrijven onderzocht. In het mestbeleid is tot op heden sprake van een fosfaatoverschot op de bodem. Hierdoor is de fosfaatverzadingsgraad van landbouwgronden de afgelopen jaren verder toegenomen. Inmiddels is meer dan 56 procent van de landbouwgronden verzadigd met fosfaat. De Europese norm voor nitraat in het grondwater op landbouwbedrijven wordt nog niet overal gehaald. In klei- en veengebieden is de gemiddelde nitraatconcentratie lager dan de Europese norm. In zand- en lossgebieden wordt deze norm gemiddeld nog overschreden. De concentraties stikstof en fosfaat in het oppervlaktewater blijven dalen, al neemt de daling ten opzichte van eerdere jaren wel af. Meer dan de helft van de locaties (57 procent) in regionale wateren voldoet aan de norm (Maximaal Toelaatbaar Risico) voor fosfaat. Circa 34 procent van de locaties voldoet aan deze norm voor stikstof.
    • Opzet voor een leidraad bodembeoordeling bij natuurontwikkeling; raamwerk van een ecotoxicologische risicobeoordeling voor natuurontwikkeling binnen de Ecologische Hoofdstructuur

      Lijzen JPA; ter Meulen GRB; de Vries W; LBG; ECO; SC-DLO; Wageningen (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMDienst Landbouwkundig Onderzoek-Staring CentrumWageningen, 1997-06-30)
      Deze Leidraad kan gebruikt worden bij begrenzing, inrichting, beheer en eventueel aankoop van landbouwgronden, bestemd voor natuurontwikkeling binnen de EHS. Deze gronden zijn vaak licht verontreinigd, mogelijk zodanig dat de nagestreefde natuurdoelen niet haalbaar zijn. Daarom beoogt de Leidraad op basis van een ecotoxicologische risico-inschatting een uitspraak te doen over of een locatie vanuit het oogpunt van bodemverontreiniging kansrijk genoeg is voor de ontwikkeling van een natuurdoeltype en of deze kansrijkdom zo nodig vergroot kan worden via inrichtings- of beheersmaatregelen. De kerngedachte binnen de Leidraad is dat de risicobeoordeling rekening houdt met 'beschikbare gehalten' in de bodem, aangezien de blootstelling van organismen kan veranderen bij veranderende bodemcondities (pH, redox, organische stof) welke op kunnen treden bij de overgang van landbouw naar natuur. Het raamwerk van de Leidraad bestaat uit de volgende modules: definitie van de huidige situatie en basisgegevens, gewenste natuurdoeltypen en scenario's, prognose van de toekomstige bodemcondities, prognose van de toekomstige (metaal)concentraties, beoordeling van ecotoxicologisch risico, integratie en eindbeoordeling. Er zijn aanbevelingen opgenomen om de modules concreet in te vullen tot een operationeel systeem.<br>
    • Representation of the seasonal hydrological cycle in climate and weather prediction models in West Europe

      Dolman AJ (eds); NOP (Alterra Research Instituut voor de Grone RuimteWageningen, 2000-05-25)
      Abstract niet beschikbaar
    • Terrestrial carbon sinks and the Kyoto protocol: the scientific issues

      Dolman H; Nabuurs GJ; Kuikman P; Vleeshouwers L; Verhagen J; Kruijt B; Brinkman S; NOP (AlterraWageningen, 2001-06-29)
      Abstract niet beschikbaar
    • Typeringen van bodemecosystemen in Nederland met tien referenties voor biologische bodemkwaliteit

      Rutgers M; Mulder C; Schouten AJ; Bloem J; Bogte JJ; Breure AM; Brussaard L; de Goede RGM; Faber JH; Jagers op Akkerhuis GAJM; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMAlterraWageningenWageningen UniversiteitPraktijkonderzoek Plant en OmgevingWageningenLouis Bolk Instituut, 2007-12-14)
      Het RIVM heeft samen met diverse kennisinstituten tien veel voorkomende bodems gekarakteriseerd waar de bodemkwaliteit op orde is, zogeheten referenties voor biologische bodemkwaliteit (RBB). Hier bestonden nog geen criteria voor. Deze referenties kunnen als streefbeeld gebruikt worden om bodemgebruik duurzamer te maken. De referenties zijn bepaald voor tien combinaties van bodemgebruik (onder andere melkveehouderij, akkerbouw en heide) en bodemtype (zand, veen, klei en loss). Dit is representatief voor driekwart van het bodemoppervlak van Nederland. Diverse onderzoekers, onder andere op het gebied van bodemecologie, microbiologie en agrarisch bodembeheer, hebben locaties geselecteerd die volgens hun maatstaven een relatief goede bodemkwaliteit hebben. Hiervoor maakten zij gebruik van de gegevens van het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB) over de toestand van de bodem. Op basis van deze informatie zijn de tien referenties bepaald. Het rapport bevat ook gemiddelde waarden van de biologische, chemische en fysische eigenschappen van de bodem, evenals een maat voor de spreiding van de gegevens. De mate waarin bodemorganismen voorkomen en hun diversiteit zijn ook beschreven.
    • Typeringen van bodemecosystemen- Duurzaam bodemgebruik met referenties voor biologische bodemkwaliteit

      Rutgers M; Mulder C; Schouten AJ; Bogte JJ; Breure AM; Bloem J; Jagers op Akkerhuis GAJM; Faber JH; van Eekeren N; Smeding FW; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMAlterraWageningenLouis Bolk InstituutDriebergenBedrijfslaboratorium voor grond- en gewasanalyseOosterbeekSectie BodemkwalitieitWageningen Universiteit, 2006-02-24)
      Twee kwaliteitsreferenties voor een 'gezonde' bodem werden opgesteld, als onderdeel van het raamwerk voor duurzaam bodemgebruik, namelijk voor melkveehouderij op zandgrond en voor halfnatuurlijk grasland op zandgrond. De referenties bestaan uit getalswaarden voor chemische, fysische, biologische en andersoortige parameters. Een stapsgewijze aanpak werd ontwikkeld voor de selectie van de krachtigste indicatoren waarmee de gezondheid van de bodem bepaald kan worden. De aanpak gaat uit van de 'ecologische diensten' van de bodem zoals bodemvruchtbaarheid, weerstand tegen stress en flexibiliteit, de bodem als buffer en reactor, en biodiversiteit. De kwaliteitsreferenties en de stapsgewijze aanpak zijn in opdracht van het Ministerie van VROM opgesteld. De gegevens zijn afkomstig uit het databestand van de langjarige monitoring met de Bodembiologische indicator (Bobi) in het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB). De achtergrond is het veranderende bodembeleid: niet meer de bescherming van de bodem staat centraal, maar de duurzaamheid van het bodemgebruik.