• Greenhouse Gas Emissions in The Netherlands 1990-2011

      Coenen PWHG; van der Maas CWM; Zijlema PJ; Arets EJMM; Baas K; van den Berghe ACWM; te Biesebeek JD; Brandt AT; Geilenkirchen G; van der Hoek KW; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMNetherlands Organisation for Applied Scientific Research TNONL AgencyStatistics Netherlands CBSDutch Emissions Authority NEaNetherlands Environmental Assessment Agency PBLAlterraWageningen URRijkswaterstaat, 2013-05-27)
      In 2011 is de totale emissie in Nederland van broeikasgassen, zoals CO2, methaan en lachgas, met ongeveer 7 procent gedaald ten opzichte van 2010. De daling komt vooral door een lager brandstofgebruik in de energiesector en de petrochemische industrie. Dit lijkt een gevolg van de economische recessie en van een geringere elektriciteitsproductie in Nederland. Daarnaast is in 2011 ten opzichte van 2010 minder energie verbruikt om huizen en kantoren te verwarmen. Dat kwam vooral doordat in 2010 zowel de eerste als de laatste maanden relatief koud waren. <br> <br>Totale uitstoot 9 procent lager dan basisjaar Kyoto<br>De totale uitstoot van broeikasgassen wordt uitgedrukt in CO2-equivalenten en bedroeg in 2011 voor Nederland 194,4 miljard kilogram (megaton of teragram). Ten opzichte van de uitstoot in het Kyoto-basisjaar (213,2 miljard kilogram CO2-equivalenten) is dit een afname van ongeveer 9 procent. Het basisjaar, dat afhankelijk van het broeikasgas 1990 of 1995 is, dient voor het Kyoto-protocol als referentie voor de uitstoot van broeikasgassen.<br> <br>Deze getallen zijn exclusief de zogeheten LULUCF-emissies (Land Use, Land Use Change and Forestry). Landen zijn voor het Kyoto-protocol verplicht om de totale uitstoot van broeikasgassen op twee manieren te rapporteren: met en zonder het soort landgebruik en de verandering daarin. Dit is namelijk van invloed op de uitstoot van broeikasgassen. Voorbeelden zijn natuurontwikkeling (dat CO2 bindt) of ontbossing (waardoor CO2 wordt uitgestoten). <br> <br>Overige onderdelen inventarisatie<br>Het RIVM stelt jaarlijks op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) de inventarisatie van broeikasgasemissies op. De inventarisatie bevat trendanalyses om ontwikkelingen in de uitstoot van broeikasgassen tussen 1990 en 2011 te verklaren, en een analyse van de onzekerheid in deze getallen. Ook is aangegeven welke bronnen het meest aan deze onzekerheid bijdragen. Daarnaast biedt de inventarisatie documentatie van de gebruikte berekeningsmethoden, databronnen en toegepaste emissiefactoren.<br> <br>Met deze inventarisatie voldoet Nederland aan de nationale rapportageverplichtingen voor 2012 van het Klimaatverdrag van de Verenigde Naties (UNFCCC), van het Kyoto-Protocol en van het hiermee vergelijkbare Bewakingsmechanisme Broeikasgassen van de Europese Unie.<br>
    • Leaching of plant protection products to field ditches in the Netherlands : Development of a PEARL drain pipe scenario for arable land

      Tiktak A; Boesten JJTI; Hendriks RFA; van der Linden AMA; LER; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMPlanbureau voor de Leefomgeving PBLAlterraWageningen UR, 2012-12-27)
      In de Nederlandse toelatingsbeoordeling voor gewasbeschermingsmiddelen wordt de blootstelling van waterorganismen te eenzijdig berekend. In de huidige beoordeling wordt namelijk geen rekening gehouden met belasting van het oppervlaktewater via drainagesystemen in de bodem van landbouwpercelen. Het RIVM heeft daarom in samenwerking met Wageningen UR een scenario ontwikkeld waarin wel rekening wordt gehouden met deze drainage. Dat is nodig om de toelatingsbeoordeling beter overeen te laten komen met Europese toelatingsprocedures voor dergelijke stoffen, waarin drainage al langer wordt meegenomen. Drainage via scheuren in kleigronden Drainage vindt vooral plaats via scheuren in kleigronden. Dergelijke scheuren ontstaan als de bodem uitdroogt en vervolgens krimpt. Het Nederlandse model PEARL, dat in de Nederlandse toelating van gewasbeschermingsmiddelen wordt gebruikt, hield nog geen rekening met drainage via scheuren. Het model is daarom uitgebreid met een module om stroming via kleischeuren te berekenen. Het nieuwe model is getoetst aan metingen. Hierbij bleek het model de stroming via kleischeuren goed te berekenen. Stofeigenschappen blijven belangrijk Net als in de oude versie van het model is de drainage van gewasbeschermingsmiddelen afhankelijk van de eigenschappen van het middel. Stoffen die langzaam afbreken en stoffen die slecht binden aan de bodem spoelen het meest uit. Omdat bij stroming via kleischeuren de bodem gepasseerd wordt, is de afhankelijkheid van stofeigenschappen in het nieuwe model echter minder groot.
    • Mineralen beter geregeld. Evaluatie van de werking van de Meststoffenwet 1998-2003

      MNP RIVM; LDL (AlterraWageningen URLandbouw Economisch InstituutWageningen UR (LEI)Plant Research InternationalWageningen URRijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbehandeling (RIZA)Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS)Wageningen Universiteit - BedrijfseconomieBureau HeffingenNederlands Instituut voor Toegepaste Geowetenschappen (TNO-NITG)Nutrienten Management Instituut (NMI)Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR), 2004-04-27)
      Binnen de huidige nationale en Europese context wijzen de resultaten van deze evaluatie uit dat het Nederlandse Mestbeleid in een beslissende fase is gekomen. De hoge concentraties van nitraat in grondwater zijn aanzienlijk gedaald, maar blijven in uitspoelingsgevoelige gronden boven de Europese doelstelling van 50 mg/l. De bodembelasting met stikstof zal daar nog met tientallen kg per hectare omlaag moeten voordat de doelen zijn gehaald. De landbouw heeft weliswaar de bodembelasting met fosfaat vanaf 1997 met 30% omlaag gebracht, maar de ophoping van fosfaat in de bodem gaat door. Hierdoor is de fosfaatbelasting van sloten en beken door de landbouw niet afgenomen. De MINAS-verliesnormen, de beleidsdoelen, zijn in hoge mate bereikt, evenwichtsbemesting echter nog niet. Het stelsel van Dierrechten was effectief omdat de grotere en vitale intensieve veehouderijbedrijven hun mestproductie hierdoor niet konden laten groeien. Het Europese Hof heeft zich in oktober 2003 tegen MINAS uitgesproken. Inmiddels heeft het kabinet besloten om MAO in 2005 en MINAS in 2006 af te schaffen. Nederland zal in 2008, wanneer het derde Actieprogramma voor implementatie van de Europese Nitraatrichtlijn afloopt, het nitraatprobleem moeten hebben opgelost. Doorrekening van een beleidsvariant met een gebruiksnorm van 105 kg/ha fosfaat op grasland en 85 kg/ha op bouwland, en gebruiksnormen voor stikstof van 170 kg/ha op bouwland en 250 kg/ha op grasland, laat zien dat in 2030 op ongeveer 20% van het landbouwareaal, niet wordt voldaan aan de 50 mg/l nitraatdoelstelling.Ook brengen deze varianten de fosfaatophoping niet tot stilstand en ontstaat een landelijk mestoverschot van 4-14 miljoen kg fosfaat.
    • Moleculaire risk assessment Escherichia coli O157 in Nederland

      Franz E; van der Wal FJ; Hoek A; Heuvelink A; LZO; cib (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMCentraal Veterinair InstituutWageningen URVWA, 2011-04-18)
    • Natuurbalans 2003

      Milieu- en Natuurplanbureau MNP - RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMWageningen UR, 2003-10-15)
      Belangrijkste conclusies uit de Natuurbalans 2003. Aanpassing van natuur aan klimaatverandering vraagt tijd en ruimte: 1/ Om soorten een kans te geven zich aan klimaatverandering aan te passen, zou het overheidsbeleid zich zowel moeten richten op het verlagen van het tempo van opwarming van de aarde als op het bieden van leefruimte. 2/Soorten waarvan de leefgebieden ongeschikt worden, moeten naar andere gebieden kunnen uitwijken anders sterven de populaties uit. Daarom is het van belang dat er een netwerk van samenhangende natuurgebieden beschikbaar is. Ecologische hoofdstructuur biedt op papier perspectief, maar praktijk blijkt weerbarstig. 1/ Met de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) zou een samenhangend netwerk van natuurgebieden moeten ontstaan. De realisatie ervan ligt echter achter op schema. 2/ Bovendien is de milieukwaliteit in en rond de EHS ongeschikt voor de gewenste natuur.
    • Natuurbalans 2004

      Milieu- en Natuurplanbureau MNP - RIVM; MNP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMWageningen UR, 2005-06-30)
      Dier- en plantensoorten profiteren van de verbeterde milieukwaliteit en van de bescherming door Europese regelgeving. Toch nemen de Nederlandse natuur- en landschapskwaliteit nog altijd af. Het kabinet legt meer verantwoordelijkheden neer bij provincies en gemeenten. Vooral van de provincies wordt daarmee een krachtige regie gevraagd.
    • Risk profile on antimicrobial resistance transmissible from food animals to humans

      Geenen PL; Koene MGJ; Blaak H; Havelaar AH; van de Giessen AW; LZO; cib (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMUniversiteit UtrechtWageningen URUniversitair Medisch Centrum UtrechtAcademisch Ziekenhuis Maastricht AZM, 2011-03-04)
    • Scenarios for exposure of aquatic organisms to plant protection products in the Netherlands : Part 1: Field crops and downward spraying

      Tiktak A; Adriaanse PI; Boesten JJTI; van Griethuysen C; ter Horst MMS; Linders JBJH; van der Linden AMA; van de Zande JC; LER; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMPlanbureau voor de Leefomgeving PBLctgbAlterraWageningen URPlant Research InternationalWageningen UR, 2012-12-27)
      In de Nederlandse toelatingsbeoordeling voor gewasbeschermingsmiddelen wordt de blootstelling van waterorganismen te eenzijdig berekend. In de huidige beoordeling wordt namelijk alleen rekening gehouden met de mate waarin deze stoffen het oppervlaktewater bereiken via de verwaaide nevel van de gewasbeschermingsmiddelen (drift). Deze nevel ontstaat nadat de middelen over het land zijn gespoten. Hoewel dit de belangrijkste 'route' is, blijken twee andere routes ook van belang: via de atmosfeer en via de drainagesystemen in de bodem van de landbouwpercelen. Het RIVM heeft daarom in samenwerking met het Planbureau voor de Leefomgeving, Wageningen UR en het College voor toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) deze twee routes aan de blootstellingsscenario's toegevoegd. Specifiek gaat het hierbij om neerwaartse bespuiting in veldgewassen (akkerbouw, bloembollen en vollegrondsgroenteteelt). Grote hoeveelheid oppervlaktewater in Nederland Deze aanpassing is onderdeel van een herziening van de Nederlandse methode om risico's van gewasbeschermingsmiddelen te berekenen. Dat is nodig om de methode beter overeen te laten komen met Europese toelatingsprocedures voor dergelijke stoffen, waarin drainage al langer wordt meegenomen. De specifiek Nederlandse omstandigheden zoals de ruime hoeveelheden oppervlaktewater en de eigen driftcijfers blijven gehandhaafd. Kenmerkend voor het nieuwe scenario is dat er sprake is van een lage stroomsnelheid in het Nederlandse slootwater, waardoor stoffen relatief lang in het water blijven. Uitgangspunten Een van de uitgangspunten van het voorstel is de beleidskeuze dat de berekende maximale concentratie van een stof in negentig procent van de sloten onder de norm ligt. In de berekeningsprocedure wordt ook uitgegaan van belasting van het oppervlaktewater door gebruik op alle naastliggende percelen. Driftreducerende maatregelen blijven belangrijk Momenteel zijn telers van veldgewassen verplicht maatregelen door te voeren om de drift langs sloten met minimaal 50 procent te verminderen. Voorbeeldberekeningen met vier stoffen laten zien dat dergelijke driftreducerende technieken belangrijk blijven. In sommige gevallen kunnen aanvullende maatregelen de hoeveelheid drift namelijk nog verder omlaag brengen.
    • Spillovers of Climate Policy - An assessment of the incidence of carbon leakage and induced technological change due to CO2 abatement measures

      Sijm JPM; Kuik OJ; Patel M; Oikonomou V; Worrell E; Lako P; Annevelink E; Nabuurs GJ; Elbersen HW (ECNWageningen URCopernicus InstituteVU-IvM, 2005-03-21)
      Abstract niet beschikbaar