• Onderbouwing van het Nederlandse derogatieverzoek in het kader van de Europese nitraatrichtlijn

      Willems WJ; Vellinga TV; Oenema O; Schroder JJ; van der Meer HG; Fraters B; Aarts HFM; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMPraktijkonderzoek RundveeSchapen en Paarden (PR) te LelystadAlterraWageningen-URPlant Research InternationalWageningen-UR, 2000-04-05)
      Volgens de Europese nitraatrichtlijn mag in 2003 niet meer dan 170 kg/ha stikstof in de vorm van dierlijke mest op landbouwgrond gebracht worden. De richtlijn biedt de mogelijkheid om hiervan gemotiveerd af te wijken (derogeren) mits dit verantwoord is, gelet op de milieudoelstellingen van de richtlijn.<br>De regering heeft aangekondigd om voor grasland van deze mogelijkheid gebruik te maken. Hiertoe wordt gebruik gemaakt van twee objectieve criteria in de richtlijn, namelijk 'langer groeiseizoen' en 'hogere gewasopname'. Gras neemt meer en langer stikstof op dan akkerbouwgewassen. Op basis van proefveldonderzoek is nagegaan of de uitspoeling van stikstof als gevolg van het gebruik van dierlijke mest groter is dan bij toepassing van kunstmest. Dit blijkt niet het geval te zijn mits de dierlijke mest goed verdeeld in het groeiseizoen wordt toegediend. Dierlijke mest die tijdens beweiding op de bodem komt spoelt daarentegen wel in belangrijke mate uit.<br>In dit rapport is bij een traject van veebezettingen van 1- 3 melkkoeien per hectare (incl. het bijbehorend jongvee) onderzocht hoeveel stikstof met dierlijke mest op grasland kan worden gebracht, rekening houdend met de voorgenomen verliesnormen voor stikstof en fosfaat in 2003. Voorts geldt als uitgangspunt dat beweiding moet plaatsvinden.<br>Voor wat betreft de milieugevolgen voor grondwater is als maat voor de uitspoeling de nitraatconcentratie van 50 mg/l in het bovenste grondwater beschouwd. Uit modelberekeningen, die de stikstofstroom binnen een graasdierbedrijf beschrijven, blijkt dat bij gras op vochthoudende gronden een hoeveelheid stikstof met dierlijke mest tot ca. 360 kg/ha mogelijk is en bij gras op droge gronden ca. 290 kg/ha. De nitraatconcentratie van 50 mg/l in het bovenste grondwater wordt net bereikt (droge gronden) of blijft daaronder (vochthoudende gronden). Dit kan alleen als de stikstof in de dierlijke mest zo goed mogelijk wordt benut d.w.z. bij een systeem van beperkt weiden en als de kunstmestgift wordt beperkt.<br>
    • Review of recent literature concerning mixture toxicity of pesticides to aquatic organisms

      Verbruggen EMJ; van den Brink PJ; SEC; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMAlterraWageningen-UR, 2010-11-11)
      De eenvoudigste manier om effecten van mengsels van bestrijdingsmiddelen te beoordelen is om de effecten van de individuele stoffen bij elkaar op te tellen (concentratieadditie). In het algemeen laten experimenten zien dat de stoffen elkaars werking niet versterken (geen synergisme). Als er toch sprake is van versterking, is dat effect doorgaans gering. Het concept concentratieadditie is daarom geschikt om de schadelijke effecten van mengsels van bestrijdingsmiddelen te schatten. Dit blijkt uit een overzicht van recente literatuur over de toxiciteit van mengsels van bestrijdingsmiddelen dat het RIVM met het kennisinstituut Alterra heeft gemaakt. De inventarisatie is een update van een analyse uit 2000 en bevestigt het beeld van toen. Het ministerie van VROM wilde als opdrachtgever in kaart brengen welke ontwikkelingen spelen op het gebied van het beoordelen van mengsels van bestrijdingsmiddelen. De studie beschrijft daarom ook methodologische vernieuwingen die de risicoschatting van mengsels kunnen verfijnen. Zo is het mogelijk de effecten te bepalen van stoffen als ze achter elkaar worden gebruikt in plaats van tegelijkertijd. Dit concept is voor bestrijdingsmiddelen relevant aangezien deze middelen veelal achter elkaar worden gebruikt. Daarnaast zijn de zogeheten soortgevoeligheidsverdelingen nu ook geschikt gemaakt voor mengsels van stoffen. Deze verdelingen beschrijven de variatie waarin een groep van verschillende organismen gevoelig is voor effecten van stoffen. Op basis hiervan wordt bepaald welke concentraties veilig zijn voor het milieu. Voor deze methode zijn echter veel data nodig over de schadelijke effecten van stoffen op organismen, die in veel gevallen niet beschikbaar zijn. Ook blijkt uit zogeheten mesocosmstudies, waarin ecosystemen in laboratoria worden nagebootst, dat er geen synergisme is te verwachten bij het gebruik van meerdere soorten bestrijdingsmiddelen voor dezelfde biologische groepen, zoals planten of insecten. Bij het gebruik van meerdere bestrijdingsmiddelen worden voor verschillende biologische groepen wel vaak indirecte effecten waargenomen, die elkaar versterken, namelijk in het volgende niveau van de voedselketen. Als het praktijkgebruik van bestrijdingsmiddelen voor een bepaald gewas in het veld wordt nagebootst, zijn de effecten meestal niet groter dan die van de meest giftige stof. Ook worden in die situatie geen versterkende effecten waargenomen.