• Gedrag van zware metalen en nutrienten bij natuurontwikkeling in het Beerze-Reusel Stroomgebied: een probleemverkenning

      Meulen-Smidt GRB ter; Traas TP; Kros J; Bril J; Baveco H; Siepel H; Faber JH; LBG; ECO; AB-DLO; Haren; SC-DLO; Wageningen; IBN-DLO; Arnhem (1997-07-31)
      This study represents a survey into whether mobilisation of heavy metals and nutrients can be a restrictive factor for the development of natural areas in the Beerze-Reusel basin. General risks of soil contamination for development of natural areas are first described, followed by calculations for determining risks for two specific soil types in the Beerze-Reusel basin, by means of coupling models on hydrology, acidification, heavy-metal behaviour and bioaccumulation. Considering the uncertainties in the methodology, this study has been explicitly restricted to a survey. Calculations on the risks of the combination of soil contamination (cadmium and copper), acidification (business-as-usual and an improved scenario) and (no) seepage for a meadow turned into a grassland ecosystem showed that ongoing acid atmospheric deposition in combination with soil contamination can lead to problems for the development of the grassland ecosystem. This happens both directly through acidification effects on vegetation and indirectly through effects of cadmium and copper on different species, and on biological functions of the soil. Effects on soil fauna can also lead to accumulation of organic matter, which can finally result in low species diversity. Copper generally caused less risks than cadmium, but due to ongoing increasing copper concentrations in litter and hence in soil fauna, long-term effects can occur. A scenario in which acid deposition was improved usually showed decreased risks for future ecosystems, but showed that this could also cause higher risks for a longer period due to slower leaching. A scenario comprising seepage up to 20 cm below surface showed hardly any differences in risks for development of natural areas.
    • Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit ; Resultaten 1993

      Groot MSM; Bronswijk JJB; Willems WJ; Haan T de; Castilho P del; LBG; LEI-DLO; AB-DLO (1996-04-30)
      The first results of the National Soil Quality Monitoring Network of the Netherlands are described. The network is a cooperative effort of the National Institute of Public Health and the Environment (RIVM), the Agricultural Economic Research Institute (LEI-DLO) and the Research Institute for Agrobiology and Soil Fertility (AB-DLO). The primary objective of the network is to establish changes in soil quality over time. Secondary objective is to establish the actual quality of soil and upper groundwater. Attention is focussed primarily on the rural part of the country. The monitoring program is divided evenly in time units: about 40 locations are sampled yearly. The network started in 1993 with the sampling of soil and upper groundwater on 35 cattle farms in the sandy regions of the Netherlands. The farms are divided into two categories: extensive (19) and intensive (16). These farms represent 25% of the agricultural area in the sandy regions and 12% of the total agricultural area of the Netherlands. The report contains information on concentrations of heavy metals, polycyclic aromatic hydrocarbons (PAHs) and organochlorine pesticides in the topsoil (0-10 cm). Information on concentrations of macroparameters, nutrients and heavy metals in groundwater is also presented. The measured concentrations are compared with the Dutch objectives for soil and groundwater quality (target values). No exceedance of target values was observed for heavy metals in soil. Target values for a number of individual PAHs and organochlorine pesticides were exceeded in soil. The same holds for nitrate and for a number of metals in groundwater. There are no statistical significant differences between both categories with respect to heavy metal, PAH and organochlorine concentrations in the soil. Heavy metal balances have been computed at farm level for cadmium, copper, lead and zinc. There is a balance surplus for all metals involved due to the net result of input through atmospheric deposition and farming practice (feedstuff, manure and fertilizer) and output as a result of leaching to the groundwater. Therefore it is concluded that accumulation of heavy metals occurs. However, there is no correlation between the actual balance surplus and present metal concentrations in the soil. On the basis of these balance computations and taking into account the local variation in concentrations, 1998 is estimated to be the proper time to repeat the sampling on the farms in the categories visited in 1993.
    • Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit ; Resultaten 1993

      Groot MSM; Bronswijk JJB; Willems WJ; Haan T de; Castilho P del; LBG; LEI-DLO; AB-DLO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-04-30)
      Het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB) heeft als primaire doelstelling het nagaan van trendmatige veranderingen in de kwaliteit van de bodem ten gevolge van diffuse belasting van de bodem. In 1993 is met de bemonstering gestart van landbouwgrond op zandgrond (melkveebedrijven). De bemonsterde bedrijven beslaan een oppervlakte die representatief is voor 25% van het zandgebied in Nederland. Onderzocht zijn bedrijven met een lage veedichtheid (extensief ; aantal: 19) en bedrijven met een hoge veedichtheid (intensief ; aantal: 16 lokaties). Naast algemene kwaliteitsparameters zijn in de landbouwgronden parameters onderzocht die gerelateerd zijn aan de milieuthema's vermesting en verspreiding. Vermestingsparameters zijn fosfaat (bodem en grondwater), nitraat, kalium en ammonium (grondwater). Voor verspreiding zijn zware metalen onderzocht (bodem en grondwater). Voorts zijn bodemgehalten aan PAK en een aantal organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB) bepaald. Daarnaast is een verkennend onderzoek (scanning) naar antimoon uitgevoerd. Voor alle lokaties geldt dat de gemiddelde metaalgehalten in de bodem beneden de streefwaarde liggen. De gemiddelde concentraties van arseen en lood in het grondwater zijn bij alle lokaties beneden de streefwaarde gelegen. Overschrijding van de streefwaarde is waargenomen voor koper, cadmium, zink en chroom. Voor zink wordt op 1 lokatie zelfs de interventiewaarde benaderd. Voor een aantal individuele PAK's liggen de lokatiegemiddelde gehalten boven de streefwaarde. Van de 16 OCB's konden een 4-tal niet worden aangetoond. Voor lindaan wordt de streefwaarde op alle lokaties overschreden. Voor dieldrin en totaal-DDT geldt dat in een belangrijk deel van de mengmonsters gehalten boven de streefwaarde worden aangetroffen. De onderzochte categorieen onderscheiden zich statistisch gezien niet duidelijk van elkaar wat betreft gehalten metalen, PAK, OCB's en vermestende stoffen (fosfaat, nitraat en kalium). In het algemeen zijn de gehalten op de intensieve bedrijven wel hoger. In het rapport is beschreven in hoeverre er correlaties bestaan tussen de huidige belasting (zware metalen) en gehalten in bodem en grondwater. De gevonden verbanden zijn in het algemeen zwak. Het overschot (aanvoer min afvoer door oogst) aan N, P en K is op de intensieve bedrijven groter dan op de extensieve bedrijven. Hetzelfde geldt voor lood, koper en zink. Daarentegen is het gemiddelde cadmiumoverschot lager dan op de extensieve bedrijven. Aan de hand van het zware-metalenoverschot (belasting) en de categoriegemiddelde concentraties van zware metalen in het grondwater, blijkt dat cadmium, lood, koper en zink nog steeds accumuleren in de bodem. Op basis van de accumulatiecijfers voor zware metalen is berekend dat voor herhaling van de bemonstering van deze categorieen, met als doel het aantonen van significante veranderingen in de gehalten van de bodem, het jaar 1998 als een zinvol tijdstip aangemerkt kan worden.
    • Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit; Resultaten 1994

      Groot MSM; Bronswijk JJB; Willems WJ; Haan T de; Castilho P del; LBG; LEI-DLO; AB-DLO (1997-12-31)
      This report contains the results of the National Soil Monitoring Network of the Netherlands in 1994, the second year of sampling. The network represents a cooperative effort of the National Institute of Public Health and the Environment (RIVM), the Agriculture Economics Research Institute (LEI-DLO) and the Research Institute for Agrobiology and Soil Fertility (AB-DLO). The primary objective of the network is to identify changes in soil quality over time. The network's secondary objective is to identify the actual quality of soil and upper groundwater. Attention is focused primarily on rural areas. The monitoring program involves sampling 40 locations yearly over a period of five years. In 1993 the network started by sampling the soil and upper groundwater on 35 dairy-cattle farms in the sandy regions of the Netherlands. In 1994, 20 intensively managed cattle farms (i.e. farms with a high phosphate production) and 20 forest sites (deciduous, pine and mixed vegetation) on sandy soils were sampled. Concentrations of heavy metals, polycyclic aromatic hydrocarbons (PAHs), organochlorine pesticides and triazines in the topsoil (0-10 cm) and the litter layer of the forest sites have been reported. Concentrations of macroparameters, nutrients and heavy metals in the upper groundwater are also presented. The measured concentrations are compared with the Dutch objectives for soil and groundwater quality (target values).
    • Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit; Resultaten 1994

      Groot MSM; Bronswijk JJB; Willems WJ; Haan T de; Castilho P del; LBG; LEI-DLO; AB-DLO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-12-31)
      Het Landelijk Meetnet Bodemkwaliteit (LMB) heeft als primaire doelstelling de trendmatige veranderingen na te gaan in de kwaliteit van de bodem ten gevolge van diffuse belasting van de bodem. Het object van onderzoek is de toplaag van de bodem (0-10 cm); daarnaast wordt ook een diepere bodemlaag en het bovenste grondwater onderzocht. Het LMB wordt in samenwerking met LEI-DLO en AB-DLO uitgevoerd. Jaarlijks worden een 2-tal combinaties van bodemgebruik en grondsoort bemonsterd, bestaande uit ca. 20 locaties per combinatie. In 1993 is gestart met de bemonstering van landbouwgrond op zandgrond. Voor het bodemgebruik landbouw is het bedrijf de schaal van de locatie. De categorieen die in 1994 zijn onderzocht, zijn melkveehouderijbedrijven met een groot aandeel intensieve veehouderij op zandgrond en bos op zandgrond. Naast algemene kwaliteitsparameters zijn parameters onderzocht die gerelateerd zijn aan de milieuthema's vermesting en verspreiding. Vermestingsparameters zijn fosfaat (bodem en grondwater) , nitraat, kalium en ammonium (grondwater). Voor verspreiding zijn zware metalen onderzocht (bodem en grondwater). Voorts zijn bodemgehalten aan PAK en een aantal organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB) bepaald.
    • Nitrogen pollution on the local and regional scale: the present state of knowledge and research needs

      Erisman JW; Bobbink R; Eerden LJ van der (eds.); LLO; AB-DLO; KUN; SC-DLO; IKC; IMAG-DLO (1996-01-31)
      Concerns the results of a feasibility study on the realisation of a nitrogen research programme for the local scale. This study, initiated by the Ministries of Housing, Physical Planning and Environment (VROM) and of Agriculture, Nature Management and Fisheries (LNV), was executed by a project group of Dutch scientists to provide an outline of a research programme proposal. It will be based on an inventory of the main policy questions, and on overviews of the state of knowledge of different parts of the nitrogen causal chain, and of the main gaps in knowledge and present research. The end product of the programme should be a set of modules which will enable the assessment of the risk on negative effects on current nature conservation in the Dutch Mainframe of Natural Landscapes (EHS) and the nature conservation target types in the EHS to be realised in the future. The modules represent parts of the causal chain, i.e. emission, dispersion and deposition, effects on different terrestrial and aquatic ecosystems and on tree species, groundwater pollution and the marine environment. The research in the programme will focus on refining and validating existing models for the individual elements of the causal chain. Experiments and model development will be focused on better estimating (changes) in key factors necessary to describe the main processes of these elements.
    • Programmeringsstudie Veranderend Landgebruik ; Gedrag van geaccumuleerde stoffen in verband met veranderingen in landgebruik en herstelbaarheid van ecosystemen

      Meulen-Smidt GRB ter; Vries W de; Bril J; Ma W; LBG; AB-DLO; Haren; SC-DLO; Wageningen; IBN-DLO; Arnhem (Dienst Landbouwkundig Onderzoek (DLO), 1996-12-31)
      The aim of this Programming Study on 'Behaviour of Accumulated Contaminants in relation to Land Use Changes and Recoverability of Ecosystems' was to determine: 1) the available knowledge and 2) the short-, medium- and long-term research, needed to develop a risk assessment for the effects of mobilisation of nutrients and contaminants due to land-use changes from agriculture to nature or forest conservation. The most relevant changes in soil condition, which can take place after afforestation, are concluded to be acidification and increase in dissolved organic carbon. The development of wetlands can lead to decreases in redoxpotential and acidification. These changes in soil condition can result in mobilisation of phosphate and heavy metals. Risks from organic micropollutants are probably lower ; however, as yet not much is known about this. Increased contaminant mobility can lead to a decrease in decomposition, an increase in internal concentrations of toxicants in soil fauna and secondary poisoning of terrestrial fauna. The study also concludes that risk assessment for land-use changes will require integration of existing models. A 'quick-and-dirty' model integration is recommended as a 1 to 2-year research programme, along with research on existing nature-development projects to be used as model systems for medium-term research programmes. For long-term research priority will be given to monitoring, process research and model integration.