• Aandacht voor 'ageing' binnen de chemische industrie : Bedrijven over de risico's als gevolg van het verouderen van chemische installaties

      Geus ECJ; Kieskamp KK; ABI; VLH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-07-10)
      Bij bedrijven die met chemische stoffen werken, kunnen incidenten ontstaan doordat installaties zijn verouderd. Dit aandachtspunt wordt in Nederland vaak benoemd met de Engelse terminologie: 'ageing of the process industry' of kortweg 'ageing'. Sinds 2015 zijn zogeheten Brzo-bedrijven (Besluit risico's zware ongevallen) verplicht om de veiligheidsrisico's die samenhangen met veroudering en corrosie van hun installaties in kaart te brengen en te beheersen. Vanaf 2017 besteden Brzo-inspectiediensten bij hun inspecties aandacht aan ageing van installaties. Als voorbereiding op de inspectie heeft het RIVM een enquête uitgezet om inzichtelijk te maken hoeveel aandacht Brzo-relevante branches besteden aan ageing. Van de zeventien benaderde brancheorganisaties hebben er negen inhoudelijk gereageerd. Uit de enquête bleek ten eerste dat ageing nog niet bij alle branches expliciet wordt meegenomen bij de beheersing van de risico's. Eind 2016 staan veel bedrijven nog aan het begin om ageing hierin mee te nemen. Bij de meeste brancheorganisaties wordt ageing wel intern besproken. Ten tweede blijken bedrijven verschillende definities van ageing te gebruiken. Bij de 'smallere' definitie gaat ageing alleen over materiaaldegradatie. De 'bredere' gaat niet alleen over het materiaaldegradatie zoals roest en slijtage, maar ook over het verouderden van de gebruikte technieken, procedures en kennis. De helft van de brancheorganisaties gebruikt de bredere. Inmiddels zijn verschillende initiatieven ondernomen om meer aandacht te krijgen voor ageing bij overheid en bedrijven.
    • Analyse van trends in stralingsbelasting als gevolg van beeldvormende diagnostiek

      Pruppers MJM; Waard-Schalkx IR de; Bijwaard H; IRV; ABI; M&V; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-06-10)
      Voor diagnoses waarbij een afbeelding van het inwendige lichaam wordt gemaakt (medische beeldvorming) kan röntgenapparatuur worden gebruikt waarbij ioniserende straling vrijkomt. De gemiddelde stralingsdosis per Nederlander als gevolg van deze diagnostiek is tussen 2002 en 2010 met ruim 70 procent gestegen (ongeveer 0,045 millisievert jaarlijks). De belangrijkste oorzaak daarvan is dat het aantal onderzoeken met computertomografie (CT) in ziekenhuizen in tien jaar is verdubbeld. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, toegespitst op het gebruik van CT-scanners in ziekenhuizen. Een eensluidende verklaring voor de gestegen inzet van CT ontbreekt echter. Voor de hand liggende verklaringen zoals de bevolkingsgroei en de vergrijzing blijken slechts een marginale bijdrage te leveren. Het is onduidelijk wat de toegenomen inzet van CT veroorzaakt. Vermoedelijk voeren ziekenhuizen steeds meer CT-verrichtingen uit, omdat ze over meer scanners beschikken die bovendien sneller scans kunnen maken. Daarnaast kunnen de richtlijnen voor diagnostiek en de behandelplannen in individuele ziekenhuizen de afgelopen jaren zodanig zijn veranderd dat vaker CT wordt aangewend om een diagnose te stellen. Ook kan het zijn dat nieuw, jonger personeel, dat met CT wordt opgeleid, hieraan bijdraagt. Een andere factor kan de toegenomen mondigheid van patiënten zijn, die zelf om een CT-scan vragen. Artsen kunnen er op hun beurt eerder toe neigen een CT-scan te laten maken uit angst voor juridische consequenties bij medische missers. Meer inzicht in de verklaringen kan bijvoorbeeld worden verkregen door mensen uit het veld daarover te laten discussiëren en er een rangorde in te laten aanbrengen. Daarnaast kan onderzoek naar alternatieven voor CT worden gestimuleerd, of naar een vermindering van de dosis per verrichting. Tevens kan een betere bewustwording bij artsen van de kosten en risico's van CT-onderzoek het aantal CT-verrichtingen helpen verminderen. Daarbij is het van belang de baten van dit type onderzoek, namelijk eerdere en betere diagnoses, niet uit het oog te verliezen.
    • Classificatie methode kabelafval

      Broekman MH; ABI; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-05-27)
      Uit recente chemische onderzoeken naar de samenstelling van kabelafval is gebleken dat nauwkeurige gehaltebepalingen van gevaarlijke stoffen in de kabelomhullingen niet goed mogelijk zijn. Deze onderzoeken zijn nodig om een juiste classificatie van het kabelafval vast te kunnen stellen als er twijfel bestaat hierover. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu heeft een stappenplan ontwikkeld voor de classificatie van het grensoverschrijdend kabelafval. Dit afval bestaat bijvoorbeeld uit afgedankte kabels voor telecommunicatie en elektriciteitsgeleiding. Ze zijn samengesteld uit een of meerdere metalen kernen voor de geleiding en uit een omhulling om die metalen kernen te beschermen. De omhulling kan bestaan uit verschillende soorten materialen, zoals papier, jute, kunststoffen en metalen. Het stappenplan is gemaakt in opdracht van de Inspectie Leefomgeving en Transport op basis van best practices. Het is een beslisboom waarmee de inspecteur kwalitatief en betrouwbaar volgens Europese voorschriften te werk kan gaan. De lidstaten van de Europese Unie zijn verplicht om volgens de Europese Verordening Overbrenging Afvalstoffen (EVOA) toe te zien dat het kabelafval correct is geclassificeerd. Op die manier wordt het afval op de juiste wijze verwerkt. Voor kabels met een kunststofomhulling is de EVOA-classificatie afhankelijk van de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen. Als de kunststofomhulling een bepaalde mate aan gevaarlijke stoffen bevat, zoals minerale olie, PCB, PAK, zware metalen en hun verbindingen, organohalogeenverbindingen of gebromeerde brandvertragers, wordt het geclassificeerd als een gevaarlijke afvalstof. Dergelijk kabelafval mag niet als een Groene lijst-afvalstof worden geduid.
    • Dosisbesparing bij radiologische apparatuur

      Stam R; ABI; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-01-24)
      De doses straling die patiënten in Nederland bij medische diagnostiek oplopen behoren tot de laagste in Europa. Desondanks valt er op dit gebied nog steeds winst te behalen. Dit is van belang omdat de totale medische stralingsbelasting voor diagnoses de laatste jaren toeneemt. Dat komt doordat Nederlanders jaarlijks gemiddeld steeds meer medische verrichtingen ondergaan waarbij straling wordt gebruikt, zoals CT-scans. Moderne radiologische apparatuur biedt steeds meer mogelijkheden om de dosis per verrichting zo laag mogelijk te houden. Het RIVM heeft daarom geïnventariseerd welke eigenschappen van de apparatuur zijn verouderd en welke juist zijn gewenst om de dosis te verlagen. Verouderd is bijvoorbeeld apparatuur waarbij het niet mogelijk is om de omvang van de röntgenbundel te beperken. Hetzelfde geldt voor apparatuur waarbij de dosis niet automatisch wordt aangepast aan de lichaamseigenschappen van de patiënt (zoals het gewicht). Voorbeelden van geavanceerde dosisbesparende technieken zijn 'magnetische navigatie', waarbij bijvoorbeeld een hartkatheter door bloedvaten wordt geleid met behulp van magnetische velden in plaats van met röntgenstralen. State of the art is het ook als de dosis kan worden aangepast aan de verschillende fases van de hartslag (ontspannen hart of juist niet). Daarnaast bestaan er detectoren met minder elektronische ruis, waardoor het apparaat gevoeliger is en met minder straling toe kan. Belangrijk zijn verder de nieuwste wiskundige methoden waarmee het beeld wordt gereconstrueerd (iteratieve reconstructie), waardoor een lagere dosis toereikend is. Voor de stralingsbelasting van patiënten door diagnostische verrichtingen is het van belang zowel het aantal verrichtingen als de dosis per verrichting te beperken. Het huidige rapport richt zich vooral op de dosis per verrichting. Deze is relatief hoog bij CT-scans en bij interventies met een lange blootstelling aan röntgenstraling. Om de mogelijkheden van state of the art apparatuur optimaal te benutten is het van belang dat de gebruikers goed worden opgeleid en nageschoold. Dosisbesparing is extra belangrijk bij kinderen, omdat die kwetsbaarder zijn voor nadelige effecten van straling. De inventarisatie is gemaakt op basis van literatuuronderzoek en interviews met experts uit diverse beroepsgroepen (radiologen, klinisch fysici, laboranten en fabrikanten). Het onderzoek werd verricht in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg.
    • Ernstige arbeidsongevallen 1999-2011 : Trends en ontwikkelingen

      Berkhout PHG; Damen M; Ameling CB; Sol VM; ABI; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-06-25)
      Het totale aantal ernstige arbeidsongevallen in Nederland daalt van circa 2600 in 1999 tot circa 2000 in 2011. Dat blijkt uit een analyse van de arbeidsongevallen uit 1999-2011. De ernst van de ongevallen verandert niet: per jaar overlijdt 3% van de slachtoffers (80 personen in 1999; 60 personen in 2011) en 4% wordt arbeidsongeschikt. Bijna een derde van de werknemers in loondienst loopt een bovengemiddelde kans op een ernstig ongeval. De kans op een arbeidsongeval verschilt De kans op een ernstig arbeidsongeval wordt beïnvloed door leeftijd, sekse, arbeidsverband, herkomst en bedrijfstak. Zo blijkt dat jongeren rond 19 jaar relatief veel risico lopen. Werknemers achter in de 50 lopen de grootste kans op een ernstig arbeidsongeval. Het lijkt er op dat uitzendkrachten meer risico lopen dan medewerkers met een vaste werkweek (en vast of tijdelijk contract). Mannen lopen meer risico dan vrouwen, zelfs als wordt gecorrigeerd voor de bedrijfstak. Ook allochtone werknemers van de eerste generatie lopen meer risico, maar de risico's van de tweede generatie zijn gelijk aan die van autochtone werknemers. Het aantal arbeidsongevallen daalt niet in alle sectoren Ondanks de algehele daling, blijft in vier sectoren het aantal ongevallen onveranderd hoog. Het gaat om 'textiel en kleding', 'landbouw, visserij en delfstoffen', 'vervaardiging van machines en apparaten', en 'gespecialiseerde bouw'. Tot de laatste sector behoren activiteiten zoals dakbouw, steigerbouw, heien en betonvlechten. Bij andere bouwgerelateerde sectoren als 'afwerken van gebouwen' en 'bouwen van infrastructuur (zoals bruggen en leidingen)' daalde het aantal ongevallen wel. De analyse is gebaseerd op informatie over arbeidsongevallen die door de Inspectie SZW zijn onderzocht, gekoppeld aan CBS-gegevens over persoonskenmerken van werknemers in loondienst, zoals leeftijd en bedrijfstak. Het onderzoek geeft geen verklaringen over de geschetste ontwikkelingen.
    • Feitenrelaas rond de aspecten 'Gezondheid en Veiligheid' van biovergisting

      Heezen PAM; Schalk JAC; Posthuma L; Wintersen AM; ABI; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-07-03)
      Biovergisting is de afbraak van organisch materiaal uit mest en andere restanten in speciaal daarvoor ingerichte installaties. Bij dit proces komt het energierijke biogas methaan (CH4) vrij. Daarnaast ontstaat een product ('digestaat') dat gebruikt kan worden als meststof in de landbouw. Wanneer niet alleen mest maar ook andere organische materialen worden verwerkt in een vergister, spreken we van covergisting. In 2014 heeft de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) in opdracht van het ministerie van Economische Zaken een evaluatie uitgevoerd van covergisting in Nederland. Het RIVM heeft hiervoor informatie verzameld over gezondheid en veiligheid. Hieruit blijkt dat de mensen bij mestvergisting niet in hogere mate aan pathogenen en antibiotica-resisente bacteriën blootstaan dan bij andere vormen van mestverwerking. Wel zijn incidenten en ongevallen met covergistingsinstallaties gevaarlijk geweest voor medewerkers, bijvoorbeeld vanwege explosie- en verstikkingsgevaar door gasvorming. Ook hebben ze omwonenden stankoverlast bezorgd. Verder blijkt dat de risico's onbekend zijn als de regelgeving voor co-vergisting niet wordt nageleefd, bijvoorbeeld door materialen bij te mengen die daarvoor niet zijn toegestaan. Een goede procescontrole is daarom van belang. De bevindingen, waar meerdere partijen aan bijdragen, worden in 2015 gepubliceerd. Onderliggende rapportage bevat de uitgebreide informatie van het RIVM die wordt samengevat in het CDM-rapport. Voor het onderwerp gezondheid zijn de microbiologische risico's van mestvergisting nader beschouwd. Het onderwerp veiligheid betreft Arboregelgeving en externe veiligheidsrisico's.
    • Gammastralingsniveaumetingen aan de terreingrens van COVRA N.V. te Borsele in 2015 en 2016 met het MONET-meetnet

      Tanzi CP; ABI; VLH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-02-12)
      Dit rapport bevat een erratum d.d. 08-10-2018 op pagina 41 Het gammastralingsniveau aan de terreingrens van de Centrale Organisatie voor Radioactief Afval (COVRA N.V.) te Borsele lag in 2015 en 2016 onder het toegestane maximum. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert jaarlijks in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) en toetst of COVRA N.V. aan de vergunningseis voldoet Volgens de kernenergiewetvergunning moet COVRA N.V. ervoor zorgen dat personen buiten de terreingrens maximaal blootstaan aan een stralingsdosis van ten hoogste 40 microsievert per jaar. Om dit te controleren wordt op twaalf locaties het gammastralingsniveau gemeten. Dit gebeurt met het door het RIVM beheerde MONET-meetnet. Van de metingen wordt de natuurlijke achtergrondwaarde afgetrokken. Om het resultaat te vergelijken met het toegestane niveau, wordt de zogeheten Actuele Blootstellings Correctiefactor (ABC-factor) toegepast. ABC-factoren hangen samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve gammastralingsdosis kan worden opgelopen. In dit rapport zijn de daggemiddelden van de twaalf MONET-monitoren aan de terreingrens van COVRA N.V. weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald. Over de jaren 2015 en 2016 is, na het gebruik van de ABC-factor, de hoogste berekende effectieve gammadosis per jaar 2,9 microsievert in 2015 en 3,0 microsievert in 2016.
    • Gammastralingsniveaumetingen aan de terreingrens van COVRA N.V. te Borsele in 2017 met het MONET-meetnet

      Tanzi CP; ABI; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-11-01)
      Het gammastralingsniveau aan de terreingrens van de Centrale Organisatie voor Radioactief Afval (COVRA N.V.) te Borsele lag in 2017 onder het toegestane maximum van 40 microsievert per jaar. De hoogste vastgestelde jaardosis is 3,0 microsievert. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert jaarlijks in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) en toetst of COVRA N.V. aan de vergunningseis voldoet <br> <br>COVRA N.V. moet ervoor zorgen dat de blootstelling van personen buiten de terreingrens maximaal 40 microsievert per jaar is. Dat is in de kernenergiewetvergunning vastgesteld. Om de maximale effectieve dosis te berekenen wordt het gammastralingsniveau op twaalf locaties langs de terreingrens gemeten. Dit gebeurt met het door het RIVM beheerde MONET-meetnet. Van de metingen wordt vervolgens de natuurlijke achtergrondwaarde afgetrokken. De resulterende meetwaarde wordt gecorrigeerd met de zogeheten Actuele Blootstellings Correctiefactor (ABC-factor). Een ABC-factor hangt samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve gammastralingsdosis kan worden opgelopen. Na de toepassing van de ABC-factor is de berekende maximale effectieve gammadosis 3,0 microsievert per jaar. Dit is ruim onder de maximaal toegestane jaarlijkse limiet. <br> <br>In dit rapport zijn de daggemiddelden van de metingen van de twaalf MONET-monitoren aan de terreingrens van COVRA N.V. in 2017 weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald. <br>
    • Gammastralingsniveaumetingen aan de terreingrens van COVRA N.V. te Borsele in 2017 met het MONET-meetnet

      Broek I van den; ABI; VLH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-11-01)
      Het gammastralingsniveau aan de terreingrens van de Centrale Organisatie voor Radioactief Afval (COVRA N.V.) te Borsele lag in 2017 onder het toegestane maximum van 40 microsievert per jaar. De hoogste vastgestelde jaardosis is 3,0 microsievert. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert jaarlijks in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) en toetst of COVRA N.V. aan de vergunningseis voldoet COVRA N.V. moet ervoor zorgen dat de blootstelling van personen buiten de terreingrens maximaal 40 microsievert per jaar is. Dat is in de kernenergiewetvergunning vastgesteld. Om de maximale effectieve dosis te berekenen wordt het gammastralingsniveau op twaalf locaties langs de terreingrens gemeten. Dit gebeurt met het door het RIVM beheerde MONET-meetnet. Van de metingen wordt vervolgens de natuurlijke achtergrondwaarde afgetrokken. De resulterende meetwaarde wordt gecorrigeerd met de zogeheten Actuele Blootstellings Correctiefactor (ABC-factor). Een ABC-factor hangt samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve gammastralingsdosis kan worden opgelopen. Na de toepassing van de ABC-factor is de berekende maximale effectieve gammadosis 3,0 microsievert per jaar. Dit is ruim onder de maximaal toegestane jaarlijkse limiet. In dit rapport zijn de daggemiddelden van de metingen van de twaalf MONET-monitoren aan de terreingrens van COVRA N.V. in 2017 weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald.
    • Gebromeerde brandvertragers in afgedankte elektrische apparatuur : Studie naar grenswaarden, het vóórkomen en de meting

      Broekman MH; ABI; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-05-09)
      Afval afkomstig van elektrische- en elektronische apparaten kan gebromeerde brandvertragers bevatten. De hoogste concentraties worden vooral aangetroffen in de kunststofkasten van oude televisies en computers. Ook kunststofonderdelen van bijvoorbeeld toetsenborden, computermuizen en telefoons kunnen hoge concentraties aan dergelijke brandvertragers bevatten. Gebromeerde brandvertragers kunnen vrijkomen als deze onderdelen van afgedankte apparaten opnieuw worden gebruikt. Ze kunnen dan een risico vormen voor mens en milieu. Gebromeerde brandvertragers zijn vanwege hun stofeigenschappen slecht afbreekbaar (persistent), schadelijk, giftig, mogelijk kankerverwekkend en gevaarlijk voor het milieu. Ook indirect vormen ze een risico als het elektronicaafval in de open lucht onvolledig verbrandt in plaats van in daarvoor geschikte afvalverbrandingsinstallaties. Bij een onvolledige verbranding worden gebromeerde brandvertragers namelijk omgezet in gevaarlijke gebromeerde dioxinen. Het is daarom van belang dat ze volgens Europese wetgeving worden verwerkt. Dit blijkt uit literatuuronderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), in opdracht van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Sinds 2002 zijn inzamelaars en verwerkers verplicht om gebromeerde brandvertragers uit elektronica-afval te verwijderen volgens Europese wetgeving. Om hierop te kunnen toezien en handhaven heeft de ILT behoefte aan grenswaarden voor gebromeerde brandvertragers. Hetzelfde geldt voor een effectieve meetmethode om te bepalen of een apparaat gebromeerde brandvertragers bevat. Op basis van de huidige inzichten blijkt slechts voor vier van circa tien veelgebruikte stoffen bindende grenswaarden zijn af te leiden. Verder blijken er meerdere meetmethoden te bestaan, waarvan de meeste echter nog nauwelijks zijn gevalideerd. Het RIVM stelt voor om de huidige screeningsmethode van de ILT voor broom, de zogeheten XRF-analyse, te combineren met een specifieke analyse om de aanwezigheid van broomhoudende brandvertragers te bepalen.
    • Handreiking voor inspectie van Brzo-bedrijven : Indicatoren en het veiligheidsbeheerssysteem

      Sol V; Bollen LAA; Kooi ES; Manuel HJ; ABI; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-12-04)
      Bedrijven die met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen werken, moeten aan specifieke regels voldoen om zware ongevallen met grote gevolgen voor mens en milieu te voorkomen. Onlangs is de wet waar deze bedrijven onder vallen, het Besluit risico's zware ongevallen (Brzo), veranderd. In het nieuwe besluit (Brzo 2015) wordt onder andere het gebruik van indicatoren geïntroduceerd die informatie geven over de veiligheid van een bedrijf. Ze kunnen helpen om de veiligheid van bedrijven te beoordelen. Naar aanleiding van de wetswijziging heeft het RIVM een handreiking opgesteld die inspecteurs laat zien welke indicatoren mogelijk zijn en hoe ze hiermee kunnen omgaan. Voorbeelden van indicatoren zijn het aantal bijna-ongevallen, de acties die daarop zijn genomen en hoe vaak een bedrijf onderhoudsacties uitvoert. De indicatoren zijn niet wettelijk verplicht en bedrijven worden gestimuleerd ze zelf op te stellen, zodat ze zijn toegesneden op het eigen productieproces. Deze handreiking geeft aan waar de indicatoren volgens de laatste wetenschappelijke inzichten aan zouden moeten voldoen. Daarnaast worden voorbeelden gegeven van goede en minder goede indicatoren. De Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (I-SZW, voorheen arbeidsinspectie) moet beoordelen of er een zogeheten veiligheidsbeheerssysteem (VBS) aanwezig is, of dit is toegesneden op de aanwezige risico's, en of het goed werkt. De indicatoren kunnen hierbij helpen. Ook kunnen de indicatoren bedrijven helpen om aan de overheid en burgers te laten zien dat de veiligheid onder controle is.
    • Interventieradiologie - Inventarisatie van de Nederlandse praktijk met speciale aandacht voor stralingsbescherming van de patiënt

      Bijwaard H; Valk D; ABI; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-07-04)
      Bij sommige medische ingrepen, zoals dotteren, wordt gebruikgemaakt van radiologie. Het RIVM doet enkele aanbevelingen om het stralingsniveau zo laag mogelijk te houden. Een daarvan is om altijd zogeheten Medisch Beeldvormings- en Bestralingsdeskundigen in te zetten om een optimale dosis te bereiken. Vooral bij ingrepen op afdelingen Cardiologie zijn zij vaak niet betrokken. Daarnaast is het verstandig om patiënten van tevoren te screenen op bijvoorbeeld straling gerelateerde gevoeligheden, en hen achteraf te volgen of er klachten zijn ontstaan. Dit gebeurt in Nederland weinig. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, als vervolg op een studie uit 2007. De aanbevelingen die toen zijn gegeven, blijken grotendeels te zijn opgevolgd. De ziekenhuizen gebruiken redelijk nieuwe apparatuur en de betrokken interventieradiologen bezitten doorgaans een diploma stralingsbescherming. Mogelijkheden om de stralingsdosis te beperken zijn in de ziekenhuizen ruim aanwezig en worden veel ingezet. Wel worden complicaties na de interventie, zoals rode huid en haaruitval, weinig opgenomen in een daarvoor opgezet register. Bovendien wordt in de helft van de onderzochte ziekenhuizen niet geprobeerd om minder vaak gebruik te maken van opties die de dosis verhogen. Het onderzoek is in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) uitgevoerd. Hiervoor is in de wetenschappelijke literatuur de state of the art van interventieradiologie onderzocht en een digitale enquête onder 18 ziekenhuizen gehouden.
    • Inventarisatie van het gebruik van Diagnostische Referentieniveaus voor röntgenstraling in Nederland

      Bijwaard H; ABI; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-02-13)
      In 2012 heeft de Nederlandse Commissie voor Stralingsdosimetrie (NCS) richtwaarden bepaald voor het gebruik van röntgenstraling bij een aantal radiologische handelingen. Ze zijn bedoeld als indicatie voor een aanvaardbare dosis waarmee een goed radiologisch beeld kan worden verkregen; afdelingen radiologie zijn niet verplicht zich aan de waarden te houden. Deze waarden gelden niet voor individuen maar worden vergeleken met de dosis die per groep patiënten met dezelfde behandeling is gemeten. De afdelingen blijken goed op de hoogte te zijn van deze zogeheten Diagnostische Referentieniveaus (DRN's). Ze zijn bezig de DRN's te implementeren of hebben dat inmiddels gedaan. De waarden zijn meestal nog niet in het kwaliteitssysteem van de afdeling en in de behandelprotocollen opgenomen. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM dat in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) is uitgevoerd. Hiervoor is een enquête gehouden onder 20 Nederlandse ziekenhuizen. Ook blijkt dat, voor zover bekend, de gebruikte hoeveelheid straling doorgaans onder de DRN's blijft. Als dat structureel niet het geval is, komt dat doordat patiënten gemiddeld een hoog gewicht hebben (wat een hogere dosis vergt) of door de complexiteit van de procedures. Verder zijn er grote verschillen in de manier waarop ziekenhuizen de gemeten dosiswaarden aan de DRN's toetsen. De DRN's zijn per behandeling opgesteld voor een theoretische standaardpatiënt. Voordat de dosiswaarden daaraan kunnen worden getoetst, is het per ziekenhuis nodig om eerst een dosiswaarde voor zo'n standaardpatiënt af te leiden. Hiervoor bestaat een voorgeschreven werkwijze, maar die wordt in de praktijk niet altijd gevolgd. Vooral bij kinderen is dit lastig, omdat de meeste algemene ziekenhuizen weinig kinderen diagnosticeren. Daardoor zijn er onvoldoende gegevens beschikbaar om de voorgeschreven werkwijze uit te kunnen voeren. Om het implementatieproces te verbeteren wordt de afdelingen radiologie aanbevolen naar elkaars ervaringen te kijken en daarvan te leren. Daarnaast moet worden onderzocht of de methodiek om de DRN's te toetsen voor kinderen aangepast kan worden. Dit is van belang omdat kinderen gevoeliger zijn voor röntgenstraling.
    • Inventory on the potential import of non-authorized genetically modified ornamentals in the Netherlands

      Scheepmaker JWA; ABI; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-04-17)
      Internationaal zijn veel ontwikkelingen gaande om sierplanten genetisch te modificeren. Op die manier is het bijvoorbeeld mogelijk om bloemen een kleur te geven die van nature niet voorkomt (zoals een blauwe roos), of zijn ze beter bestand tegen droogte, ziekten of het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Voordat genetisch gemodificeerde planten op de markt mogen worden toegelaten, moet eerst worden beoordeeld of ze een risico vormen voor mens of milieu. Uit verkennend onderzoek van het RIVM blijkt dat er in Nederland waarschijnlijk geen genetisch gemodificeerde siergewassen verkrijgbaar zijn die niet officieel zijn toegelaten. Het onderzoek is een opdracht van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). De ILT is verantwoordelijk voor het toezicht op en de handhaving van de regelgeving voor genetisch gemodificeerde organismen (GMO-regelgeving), inclusief de monitoring van niet-toegelaten genetisch gemodificeerde (GM) siergewassen. Het onderzoek geeft een overzicht van siergewassen waarvoor wereldwijd succesvolle genetische modificaties in het laboratorium zijn uitgevoerd. Vervolgens is weergegeven welke experimenten sinds 2000 binnen en buiten de EU zijn uitgevoerd om te testen of de nieuwe eigenschappen ook in de kas of het veld zichtbaar zijn. Daarna is beschreven welke GM-siergewassen binnen en buiten de EU zijn toegelaten, zoals in Australië, Nieuw Zeeland, USA, Canada, Japan. Hieruit zijn GM-sierplanten geselecteerd die mogelijk geïmporteerd kunnen worden in Nederland, nu of in de nabije toekomst. Voor deze 'kandidaten' (anjers, rozen, Petunia, het graszaad Agrostis stolonifera (creeping bentgrass), en Pelargonium (in de volksmond geranium)) zijn vier factoren gewogen, op basis waarvan de ILT kan aangeven welke GM sierplanten ze voorrang willen geven bij toezicht en handhaving. De belangrijkste factor is het (eventuele) risico voor mens en milieu, en dat bleek in de meeste gevallen laag. Alleen het GM-gras A. stolonifera, dat resistent is tegen het onkruidbestrijdingsmiddel glyfosaat, kan een potentieel risico vormen voor het milieu. Bij toepassing van glyfosaat heeft dit gras namelijk een reproductief voordeel en kan gaan woekeren. Het is echter nog niet als commercieel product op de markt gebracht.
    • De invloed van veroudering van installaties ('ageing') op de oorzaak van ongevallen met gevaarlijke stoffen

      Geus ECJ; Kieskamp KK; ABI; VLH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-07-10)
      Er zijn verschillende oorzaken voor incidenten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven die met grote hoeveelheden van deze stoffen werken. In Nederland is bij ongeveer 30% van de ongevallen bij dit type bedrijf veroudering van de installaties (mede)oorzaak van de incidenten. Dit concludeert het RIVM op basis van een analyse van incidentenrapportages van incidenten bij Brzo-bedrijven (Brzo; het Besluit risico's zware ongevallen). Aanleiding voor dit onderzoek is de Europese richtlijn Seveso-III, die bedrijven verplicht om aandacht te besteden aan veroudering van hun installaties. De richtlijn is in Nederland via het Brzo van 2015 ingevoerd. Deze regelgeving bevat geen definitie van veroudering. De Europese Unie hanteert een brede definitie van veroudering, die het RIVM voor dit onderzoek heeft gebruikt. Behalve door slijtage van materiaal kunnen incidenten bij dit type bedrijven ook zijn veroorzaakt door veroudering van de procedures, de organisatie en de kennis om veilig met de installatie te werken. Er is nog niet veel onderzoek gedaan naar veroudering. De geconstateerde 30% komt overeen met het percentage dat Engels onderzoek uit 2008 heeft aangetoond.
    • Invoer van NORM reststoffen

      Goemans P; Folkertsma E; ABI; VLH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-01-16)
      In binnen- en buitenland hebben verschillende niet-nucleaire industriële sectoren, zoals de olie- en gasindustrie, te maken met materialen die van nature radioactiviteit bevatten ('NORM'). Als gevolg van de productieprocessen kunnen reststoffen ontstaan die van nature radioactiviteit bevatten ('NORM reststoffen'). 'Reststoffen' zijn in dit onderzoek gedefinieerd als materialen die nog verder verwerkt kunnen worden voor (gedeeltelijk) hergebruik. In Nederland worden NORM reststoffen ingevoerd die in het buitenland zijn ontstaan en hier worden verwerkt. Hierbij kunnen afvalstoffen ontstaan die van nature radioactiviteit bevatten ('NORM afvalstoffen'). Deze afvalstoffen kunnen niet meer worden hergebruikt en moeten als radioactieve afvalstoffen worden afgevoerd voor opslag of stort. Op verzoek van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) heeft het RIVM de omvang en mogelijke groei van de invoer van NORM reststoffen onderzocht. Hieruit blijkt dat NORM reststoffen op dit moment op beperkte schaal worden ingevoerd voor verwerking in Nederland. Deze NORM reststoffen worden ingevoerd voor activiteiten die zijn gericht op hergebruik van goederen en producten, het schoonmaken van installatiedelen en de ontmanteling van productieplatformen. Hierbij ontstaan op kleine schaal NORM afvalstoffen die in Nederland blijven. In de toekomst zullen de invoer van NORM reststoffen en de hoeveelheid NORM afvalstoffen die na verwerking vrijkomen, mogelijk toenemen. Te denken valt aan een toename van het aantal in Nederland te ontmantelen productieplatformen van zowel Nederlandse als buitenlandse olie- en gasbedrijven. Ook de toename van het aantal geothermie installaties in binnen- en buitenland kan meer NORM reststoffen opleveren die mogelijk gedeeltelijk in Nederland verwerkt zullen worden. Tot slot kunnen door veranderingen in wet- en regelgeving in Nederland en in andere landen materiaalstromen toe- of afnemen die in Nederland als afval moeten worden beheerd.
    • Ketenanalyse impregneermiddelen

      de Groot GM; Bakker J; Luit RJ; ABI; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-12-24)
      Op verzoek van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft het RIVM een overzicht gemaakt van de branches die impregneermiddelen produceren, importeren, distribueren en op industriële schaal in materialen verwerken. Daarnaast is informatie over impregneermiddelen verzameld, zoals welk soort stoffen hiervoor worden gebruikt, en welke stoffen niet meer zijn toegestaan als impregneermiddel. Ten slotte is informatie verzameld over de naleving en eventuele problemen met de naleving van de Europese stoffenregelgeving. Met impregneermiddelen worden vooral stoffen en middelen aangeduid om materialen, zoals leer, textiel, papier, hout en steen, beter water-, vet- en vuilafstotend of -bestendig te maken. Stoffen die veel gebruikt worden als impregneermiddel zijn fluorkoolstofverbindingen, siliconen en siloxanen, en acrylaat- en andere kunstharsen. Impregneermiddelen worden op industriële schaal gebruikt in de textiel-, tapijt-, leer-, papier-, betonproducten- en houtverwerkende industrie en in industriële wasserijen. De fabrikanten van fluorkoolstofverbindingen en siliconen bevinden zich hoofdzakelijk buiten Nederland. Uit de inventarisatie blijkt dat producenten en importeurs de registratieverplichting van stoffen goed naleven. Brancheverenigingen van industriële gebruikers van impregneermiddelen geven aan dat leveranciers hun stoffen en het gebruik ervan zo goed als altijd hebben geregistreerd. Als dit niet het geval is, wenden zij zich tot een leverancier die de stof en het gebruik wel heeft geregistreerd. Daarnaast ervaren industriële gebruikers geen problemen als stoffen niet meer zijn toegelaten, omdat ze hiervoor tijdig alternatieven krijgen aangeboden. De algemene Veiligheidsinformatiebladen die verplicht worden bijgeleverd bij gevaarlijke stoffen en mengsels, worden zowel door producenten en industriële gebruikers vaak te ingewikkeld en te weinig sectorspecifiek gevonden. De branches geven aan vooral gebruik te maken van sectorspecifieke arbocatalogi over veilig werken met gevaarlijke stoffen. Deze informatie is verzameld op basis van literatuuronderzoek, interviews met brancheverenigingen en een bijeenkomst met inspecteurs.
    • Ketenanalyse smeermiddelen

      de Groot GM; Bakker J; Luit RJ; ABI; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-05-15)
      Op verzoek van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) heeft het RIVM een overzicht gemaakt van de branches die smeermiddelen produceren, importeren, distribueren, of deze op industriële schaal gebruiken bij de productie van machines, transportmiddelen, onderdelen, et cetera. Daarnaast is informatie over smeermiddelen en additieven verzameld, zoals welk soort stoffen hiervoor worden gebruikt en welke stoffen niet meer zijn toegestaan. Ten slotte is informatie verzameld over de naleving van de Europese stoffenregelgeving en eventuele problemen daarbij. De ILT wil de resultaten gebruiken om aandachtspunten in beeld te krijgen bij het toezicht op de naleving van stoffenregelgeving door de doelgroepen in de keten van smeermiddelen. Smeermiddelen bestaan doorgaans uit minerale basisoliën, vetten of wassen, met diverse additieven. Behalve in machines, apparaten en transportmiddelen worden smeermiddelen ook gebruikt in de vorm van metaalbewerkingsvloeistoffen en als kunststofadditieven in de kunststofverwerkende industrie. De belangrijkste grondstoffen voor smeermiddelen, namelijk minerale basisoliën, worden geproduceerd door raffinaderijen. Diverse bedrijven in Nederland maken vervolgens de smeermiddelen door deze basisoliën met additieven te vermengen (blenden). Het gaat om grote aardoliemaatschappijen, bedrijven die smeermiddelen voor diverse leveranciers onder eigen label maken, en een aantal kleine bedrijven die ze op kleine schaal produceren. Smeermiddelen worden in Nederland voor een groot deel via de brandstoffen- en oliehandel gedistribueerd. Afgewerkte (smeer)oliën worden door enkele bedrijven weer opgewerkt tot onder andere nieuw inzetbare basisolie voor smeermiddelen. Een aandachtspunt hierbij is te voorkomen dat daarbij ongewenste stoffen in de smeermiddelenketen worden gebracht. Bij de branchevereniging van smeerolieondernemingen in Nederland (VSN) zijn geen problemen bekend bij de registratie van stoffen en het opstellen van veiligheidsinformatiebladen. Zowel de Nederlandse als de Europese brancheverenigingen bieden de leden actieve voorlichting en ondersteuning op dit gebied. De kennis over de wettelijke verplichtingen over de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels, ligt bij de groothandel in smeermiddelen en oliën onder het gemiddelde ten opzichte van andere branches. Deze informatie is verzameld op basis van literatuuronderzoek en interviews met brancheverenigingen.
    • Leren van beroepsziekten? Een nieuw perspectief verkend : Verkenningsstudie Storybuilder voor Beroepsziekten

      van Guldener VR; Bellamy L; Chambon M; Manuel HJ; Melssen NZM; Proper KI; ABI; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-07-11)
      Jaarlijks overlijden naar schatting circa 4.100 mensen aan een beroepsziekte. Beter inzicht in de oorzaken van het ontstaan van beroepsziekten biedt kansen om ze eerder en beter te herkennen. Op basis van die informatie kunnen preventieve maatregelen worden opgesteld. Een onderzoeksmodel van het RIVM dat achterliggende oorzaken van ernstige arbeidsongevallen in kaart brengt (Storybuilder), blijkt ook voor beroepsziekten te kunnen worden gebruikt. Aanbevolen wordt de kennis uit deze verkenning te toetsen bij professionals uit de praktijk, om zicht te krijgen op de waarde ervan voor praktijk en beleid. Een beroepsziekte is een ziekte die mensen hebben opgelopen hoofdzakelijk als gevolg van het werk of de werkomstandigheden. Een voorbeeld is het ontstaan van mesothelioom door te werken met asbest. Het RIVM heeft voor deze verkenning twintig dossiers bekeken: tien dossiers van mensen met de schildersziekte (OPS/CTE) en tien dossiers van mensen met onherstelbare rugklachten. Het blijkt mogelijk om met Storybuilder bestaande casussen in beeld te krijgen. De eerste Storybuilder-modellen van de twee beroepsziekten zijn in dit rapport beschreven, maar deze werkwijze is nog niet gevalideerd of met praktijkprofessionals besproken. De onderzoekers constateren ook dat de bestudeerde dossiers niet alle informatie bevatten om een volledig feitenrelaas over het ontstaan van de beroepsziekten te kunnen beschrijven. Aanbevolen wordt om aanvullende informatiebronnen te inventariseren voor deze nog ontbrekende informatie. Als dit lukt, is het mogelijk om verdiepend onderzoek uit te voeren op de huidige Storybuilder-modellen voor beroepsziekten en ze mogelijk te verbreden naar andere typen beroepsziekten.
    • Milieurisico's van specifieke stoffen in bunkerolie in zeeschepen: : Onderzoek van de literatuur en de REACH-dossiers

      Broekman MH; Bakker J; ABI; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-09-13)
      Het is bekend dat de zeescheepvaart een substantiële bijdrage levert aan luchtvervuiling vanwege de uitstoot van zwaveldioxide, stikstofoxiden, fijnstof en zware metalen als nikkel. Minder bekend is dat de zeeschepen ook schadelijke stoffen uitstoten zoals ultra fijn stof en koolstof ('black carbon'). De forse uitstoot van milieugevaarlijke stoffen wordt voornamelijk veroorzaakt doordat zeeschepen veelal varen op zware stookolie. Stookolie (bunkerolie) is een brandstof die bestaat uit het restproduct van de raffinage van aardolie, gemengd met stoffen uit het raffinageproces of de chemische industrie. De bijgemengde stoffen zijn op hun beurt vaak bijproducten of restanten uit deze industrieën. In hoeverre de uitstoot van deze bijgemengde stoffen een extra risico vormt voor het milieu is niet bekend. Doordat de samenstelling van de scheepsbrandstof per zeeschip verschilt, is het niet te achterhalen wat de aard en omvang is van de uitstoot van de rookgassen. Dit blijkt uit een studie van het RIVM die in opdracht van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) is uitgevoerd. In eerdere RIVM-studies is kennis opgebouwd over de samenstelling van zware stookolie en is een lijst met stoffen opgesteld die niet in stookolie zouden mogen worden bijgemengd. In de huidige RIVM-studie is onderzocht of deze stoffen zijn geregistreerd bij REACH, de Europese wetgeving voor chemische stoffen. Van een enkele blijkt dat het geval te zijn maar ontbreekt een (verplichte) risicobeoordeling voor effecten op het milieu. In de wetenschappelijke literatuur is weinig tot niets over de milieueffecten van deze bijgemengde stoffen bekend. Door de enorme variëteit in de samenstelling van bunkerolie is het moeilijk om de milieueffecten van zowel bunkerolie als die van bijgemengde stoffen in de scheepsbrandstof per zeeschip te meten. Bovendien ontbreekt een gestandaardiseerde methode om de chemische samenstelling van milieuschadelijke stoffen in de stookolie en de emissie van schadelijke stoffen in de rookgassen te meten.