• Aandachtstoffen in het Nederlandse milieubeleid - Overzicht 1994

      Janus JA; Hesse JM; Rikken MGJ; van den Berg R; Canton JH; de Bruijn JH; Deelen A; Denneman CAJ; Diederen HSMA; van Duijvenbooden W; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-11-30)
      In dit rapport wordt een overzicht gegeven van de stand van zaken met betrekking tot aandachtstoffen, dat wil zeggen, de stoffen die zijn opgenomen in de Regeling aandachtstoffen Wet milieugevaarlijke stoffen 1992 (Staatscourant 138, 21 juli 1992). De aandachtstoffen omvatten ook de stoffen die prioritair zijn in het Nederlandse milieubeleid. De belangrijkste doelstellingen van het rapport zijn de volgende: 1. het geven van een overzicht van het onderzoek dat reeds aan aandachtstoffen is verricht of wordt verricht ; 2. het sturen en prioriteren van nieuw uit te zetten onderzoek aan aandachtstoffen ; 3. het doen van aanbevelingen ten aanzien van de doorvoer van stoffen in het aandachtstoffenwerk en de afvoer van stoffen van de aandachtstoffenlijst. Voor wat betreft de tweede doelstelling is het rapport in de eerste plaats gericht op het onderzoek dat in opdracht van de Directie Stoffen, Veiligheid en Straling van het Directoraat-Generaal Milieubeheer wordt uitgezet, zoals onderzoek in het kader van de nationale lijn van het project Bestaande Stoffen, maar deze doelstelling moet zo breed mogelijk worden gezien. Het rapport geeft per aandachtstof of aandachtstoffengroep een overzicht van de belangrijkste gegevens ten aanzien van emissies, voorkomen in milieucompartimenten en voeding, de vigerende milieukwaliteitsdoelstellingen en -eisen, onderzoek (monitoring/meetprogramma's en overig onderzoek dat relevant is in het kader van het aandachtstoffenwerk) en van beleidsontwikkeling en beleidsmaatregelen. Voor wat betreft de milieukwaliteitsdoelstellingen en -eisen wordt zowel een overzicht gegeven van toxicologische advieswaarden (maximaal toelaatbare risiconiveaus en verwaarloosbare risiconiveaus) als van de beleidsmatig vastgestelde waarden (streef-, richt- en grenswaarden; interventiewaarden bodemsanering). Uitgaande van de MTR's respectievelijk VR's en zo recent mogelijke blootstellingsgegevens is een risicobeoordeling voor mens en milieu gemaakt. Op basis van de beschikbare gegevens, maar vooral vanuit het oogpunt van het mogelijke risico voor mens en milieu, is per stof een aanbeveling gedaan voor handhaving als (prioritaire) aandachtstof of voor afvoer van de stof van de aandachtstoffenlijst. Bij een aanbeveling voor handhaving wordt aangeven welke verdere activiteiten gewenst zijn, toegespitst op onderzoek dat relevant is voor de (verdere) risicobeoordeling of beleidsontwikkeling. Op basis van het concept-rapport is in oktober jl. het "Onderzoeksplan aandachtstoffen 1995" uitgebracht. Dit adviesrapport is als bijlage in het onderhavige rapport opgenomen. Een deel van de in het onderzoeksplan opgenomen concrete onderzoeksvoorstellen is op basis hiervan reeds opgenomen in de planning van het RIVM-programma voor 1995.<br>
    • De accumulatie van zeldzame aardmetalen in planten. Een literatuurstudie

      Rikken MGJ; ACT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-12-31)
      This report summarizes literature data on the accumulation of rare earth metals (RE) in plants, as a part of the investigation of data on the transfer of rare earth metals in the chain artificial fertilizers - soil - crops - livestock and man. The concentration and accumulation in plants can differ as a consequence of both plant factors and soil factors. The concentrations in plants (dry weight) of RE are in general low: < 0.2 mg/kg for root- and leaf vegetables, < 0.05 mg/kg in most fruits and < 1 mg/kg in herbs/grasses. Bioconcentration factors (BCF) for RE are usually within the range of 0.001 to 0.1 for feed crops and 0.0001 to 0.01 for food crops, indicating a low accumulation potential, especially in food crops.
    • De accumulatie van zeldzame aardmetalen in planten. Een literatuurstudie

      Rikken MGJ; ACT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-12-31)
      Dit rapport bevat de resultaten van een literatuuronderzoek naar de accumulatie van zeldzame aardmetalen (ZA) in planten, als onderdeel van een inventariserend onderzoek naar de overdracht van ZA in de keten kunstmest - bodem - plant - vee en mens. De gehalten in planten kunnen sterk verschillen, waarbij zowel plantfactoren als bodemfactoren het gehalte bepalen. De gehalten (drooggewicht) van zeldzame aardmetalen in planten zijn over het algemeen laag: < 0,2 mg/kg voor wortel- en bladgroenten, < 0,05 mg/kg in de meeste vruchten en < 1 mg/kg in kruiden/grassen. Verder blijkt dat ZA in geringe mate worden geaccumuleerd in gewassen. De op grond van de gegevens voor (vee)voedergewassen bepaalde bioconcentratiefactoren (BCF) liggen meestal tussen de 0,001 en 0,1. Voor voedingsgewassen liggen de meeste BCF-waarden tussen de 0,0001 en 0,01, een factor 10 lager dan die voor voedergewassen.<br>
    • Achtergronddocument bij 'Cumulatie van milieurisico's voor de mens: geografische verschillen in Nederland'

      Pruppers MJM; LSO; ACT; CCM; LAE; LEO; LLO; TNO-MEP; TNO-PG; TNO-Voeding (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMNederlandse organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO), 1996-07-31)
      Het project 'Cumulatie van milieurisico's' is gericht op het ontwikkelen en toepassen van methoden voor het in kaart brengen van die locaties waar risico's voor de mens als gevolg van diverse typen milieuverontreinigingen samenvallen. Daartoe zijn er kaarten van Nederland vervaardigd met risico's die zijn uitgedrukt in de kans op overlijden (externe veiligheid, straling en diverse stoffen), de kans op overige gezondheidseffecten (andere stoffen) en de kans op hinder (geluid). De kaarten zijn opgenomen in rapport 610127001, 'Cumulatie van milieurisico's voor de mens: geografische verschillen in Nederland'. In dit achtergronddocument is de nodige informatie opgenomen over ondermeer de methoden die zijn gevolgd bij de keuze van in kaart te brengen bronnen en stoffen en bij het maken van de kaarten. Dit achtergronddocument gaat achtereenvolgens in op de achtergrondinformatie betreffende het berekenen van externe-veiligheidsrisico's, het berekenen van doses en risico's als gevolg van blootstelling aan straling, het berekenen van concentraties van diverse luchtverontreinigende stoffen op een schaal van 500 bij 500 m, de toxicologische gegevens van de beschouwde stoffen en het berekenen van de risico's als gevolg van blootstelling aan deze stoffen, een mogelijke methode voor het combineren van diverse typen effecten op de gezondheid van de mens, en tenslotte het berekenen van hinder als gevolg van geluid en geur. Het achtergronddocument heeft de vorm van een 'bundel' bijlagen, die elk zelfstandig kunnen worden gelezen.
    • Annex to: A model for environmental risk assessment and standard setting based on biomagnification. Top predators in terrestrial ecosystems

      Jongbloed RH; Pijnenburg J; Mensink BJWG; Traas TP; Luttik R; ACT; LWD; RIKZ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-10-31)
      Bodemverontreinigende stoffen kunnen via accumulatie in voedselketens toxische effecten hebben op vogels en zoogdieren (doorvergiftiging). In de huidige procedure voor doorvergiftiging in de normstelling wordt de maximaal toelaatbare concentratie (MTR) van een stof in de bodem alleen gebaseerd op de voedselketen: bodem --> worm --> vogel/zoogdier en berekend met MTR(bodem) = NOEC(vogel of zoogdier) / BAF(voedsel), waarbij BAF de bioaccumulatiefactor is, en NOEC is de hoogste concentratie in het voedsel waarbij nog geen effect optreedt. In het onderhavige onderzoek is het bovengenoemde algoritme uitgebreid met: 1. de belangrijkste terrestrische voedselketens, 2. correctiefactoren voor de NOECs met betrekking tot verschillen tussen laboratorium en veld omstandigheden, 3. het genereren van een kansverdeling voor de MTR uit stochastische, in plaats van constante, BCFs, BAFs en NOECs. Voedselwebben zijn gemodelleerd voor acht soorten roofvogels en twee soorten roofdieren met onderling verschillende voedselkeuze. Zes stoffen zijn geselecteerd op basis van de beschikbaarheid van gegevens voor bioaccumulatie en toxiciteit: DDT, dieldrin, lindaan, pentachlorofenol (PCP), cadmium en (methyl)kwik. Modelberekeningen zijn uitgevoerd met gemiddelde waarden voor voedselkeuze en correctiefactoren. Het model kan aangepast worden aan specifieke locaties, seizoenen en levensstadia door deze inputparameters te varieren. Uit literatuurgegevens kan afgeleid worden dat er gecorrigeerd moet worden voor calorische waarde en assimilatie-efficientie van voedseltypen, en bovendien voor metabolische snelheid (energieverbruik) van vogels en zoogdieren. Van de assimilatie-efficientie van stoffen en van soortsgevoeligheid is erg weinig bekend. De beschikbare informatie geeft geen aanleiding om te corrigeren voor deze beide factoren. Soorten die zich voor een belangrijk deel voeden met vogels (sperwer, havik) en kleine carnivore zoogdieren (buizerd, kerkuil) worden in grotere mate blootgesteld dan de soorten die zich bijna uitsluitend voeden met kleine herbivore zoogdieren (torenvalk, ransuil). De volgende aanbevelingen kunnen worden gedaan met betrekking tot de huidige procedure voor afleiding van normen op basis van het risico van doorvergiftiging. De voedselketen bodem --> worm --> vogel/zoogdier kan worden gebruikt voor de risicoschatting van doorvergiftiging. Daarnaast moet bij persistente en sterk lipofiele stoffen aandacht worden gegeven aan toppredatoren, vooral vogels, blootgesteld via de routes bodem --> worm en insekt --> vogel --> toppredator. De risico-analyse voor toppredatoren wordt voor de meeste stoffen echter bemoeilijkt door een gebrek aan QSARs en experimentele gegevens voor bioaccumulatie in zowel ongewervelde als gewervelde dieren. Correcties moeten worden aangebracht voor verschillen tussen laboratorium- en veldomstandigheden met betrekking tot metabolische snelheid, calorische waarde en assimilatie-efficientie van voedseltypen. De correctie voor assimilatie-efficientie is kwantitatief veel minder belangrijk dan de correcties voor metabolische snelheid en calorische waarde. NOECs, BCFs, BAFs moeten wanneer mogelijk als stochastische variabelen worden gebruikt, hetgeen waardevolle informatie over de variatie in de MTR oplevert.<br>
    • Benzeen: evaluatie advieswaarde

      Hesse JM; Kroese ED; ACT; LCM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-03-31)
      A number of recent publications concerning the human risk assessment of benzene was evaluated in order to check if the toxicological limit value derived in the Integrated Criteria Document on benzene (RIVM, 1987) needed to be revised. In the Integrated Criteria Document a non threshold extrapolation method was used, because of the carcinogenic and genotoxic properties of bezene. Using epidemiological data, it was calculated that a concentration of 0,12 mug.m-3 corresponds to a risk of one additional case of leukemia in one million persons exposed for lifetime. The Health Council of the Netherlands subsequently advised to increase this value by two orders of magnitude, because linear non threshold extrapolation would be an overestimation of the actual risk. On the basis of recent studies there is, however, no reason to deviate from the risk assessment approach adopted in the Integrated Criteria Document or to increase the previous derived toxicological limit value.
    • Characterization of human exposure patterns to environmental contaminants: possibilities of the USES approach

      Mennes WC; Hout KD van den; Plassche EJ van de; ACT; TNO-MW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-08-31)
      The exposure of humans to environmental contaminants is usually via more than one route at the same time (multi-route exposure). In order to prevent damage to health, environmental policy has to take into account dispersion through the environment and thus multi-route exposure. Additionally, for the evaluation of the risk of actual exposure to substances in the environment, recognition of multi-route exposure is a factor of relevance. For two research projects, "Setting Integrated Environmental Quality Objectives" (IEQO) and "Human Health and the Environment" (H&E) the characterization of multi-route exposure is important. For IEQO a toxicological admissible exposure level has to be allocated to the various environmental compartments (soil, water and air), on the basis of multi-route exposure patterns. However, till now, a methodology for this procedure is not available, because exposure patterns are not available for most chemicals. The programme H&E focuses on determination of cumulative exposures of humans to environment contaminating factors. For this programme insight in the environmental behaviour of contaminants is of interest as well as the routes of direct and indirect exposure of humans which are connected to this behaviour. Besides that, individual life-style an activity patterns and their influence on a persons exposure are of relevance. The H&E programme requires description of the aforementionted factors at a much higher level of differentiation than the IEQO programme does because H&E it looks into exposure at nation wide, regional and local scales, in relationship with the emitting sources. This report explores the possibilities for the development of a methodology for multi-route exposure pattern determination. Starting point is the USES computer model, which can perform risk evaluations for new and existing substances and pesticides. Additionally, it may be used for prioritisation purposes. While performing an evaluation USES generates a multi-route exposure pattern. The purpose of the research described in this report, is to determine to what extent the USES approach can be applied within IEQO and H&E. It should also indicate where the USES approach needs supplementation. The report must not be considered as a validation of USES. With USES the exposure patterns of 5 substances have been determined. These substances were highly different in physico-chemical characteristics and in the way they are used. Subsequently, the computed patterns have been compared to data derived from field studies. The USES approach is appropriate to support the derivation of IEQOs. The approach needs to be supplemented with an estimation of exposure via soil contact (e.g. ingestion) and dermal contact with contaminated water. For the H&E-programme more elaborate supplementation is required, because spatial and temporal variability are no major subjects in USES, while they are important aspects of the H&E research project.
    • Characterization of human exposure patterns to environmental contaminants: possibilities of the USES approach

      Mennes WC; van den Hout KD; van de Plassche EJ; ACT; TNO-MW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-08-31)
      De blootstelling van mensen aan stoffen in het milieu is meestal via verscheidene routes (multi-route blootstelling). Ter voorkoming van gezondheidsschade moet het milieubeleid rekening houden met verspreiding in het milieu en zodoende met multi-route blootstelling. Ook moet voor een beoordeling van mogelijke actuele risico's, die samenhangen met milieuverontreinigende stoffen, met multi-route blootstelling rekening worden gehouden. In twee onderzoeksprojecten "Mens en Milieu" (M&M) en "Integrale Normstelling Stoffen" (INS) speelt bepaling van multi-route blootstelling een belangrijke rol. Bij INS moet op basis van een multi-route blootstellingspatroon een toxicologische advieswaarde voor de mens worden toegerekend naar de te onderscheiden milieucompartimenten. Daartoe is tot op heden nog geen methodiek voorhanden, omdat van de meeste stoffen blootstellingspatronen ontbreken. Het programma M&M spitst zich toe op cumulatieve blootstelling van de mens aan milieuverontreinigende factoren. Voor dit programma is inzicht in het gedrag van milieucontaminanten interessant en de daarmee samenhangende routes van directe en indirecte blootstelling van de mens. Daarnaast is van belang de invloed die individuen middels life-style en activiteitenpatroon zelf op hun blootstelling uitoefenen. Het M&M programma vereist een beschrijving van bovengenoemde factoren op een veel hoger differentatieniveau dan voor INS vereist is omdat het aandacht besteedt aan blootstelling op nationale, regionale en lokale schaal, mede in afhankelijkheid van de veroorzakende bronnen. Dit rapport verkent de mogelijkheden voor de ontwikkeling van een methodiek ter bepaling van multi-route blootstellingspatronen. Daarbij is uitgegaan van het USES computermodel, dat voor nieuwe en bestaande stoffen en bestrijdingsmiddelen een risicoschatting kan genereren. Tevens kan het worden gebruikt voor prioritering van stoffen. Tijdens een evaluatie berekent USES een multi-route blootstellingspatroon. Het doel van het onderzoek, dat is beschreven in dit rapport, is vast te stellen in hoeverre de USES-benadering bruikbaar is binnen INS en M&M. Tevens is het er op gericht te signaleren waar eventueel nog aanvullingen op deze benadering nodig zijn. Dit rapport moet niet beschouwd worden als een validatie van USES. Met USES zijn de blootstellingspatronen van 5 verbindingen doorgerekend. Deze stoffen verschillen sterk in fysisch-chemische eigenschappen en in de wijze waarop ze worden gebruikt. De berekende patronen zijn vervolgens vergeleken met actuele meetgegevens. De USES benadering bleek geschikt om te worden gebruikt bij INS. Aanvulling is nog nodig voor blootstelling ten gevolge van contact met verontreinigde grond (bv. inslikken) en voor huidcontact met verontreinigd water. Voor M&M zijn uitgebreidere aanvullingen nodig, omdat ruimtelijke en temporele variabiliteit in USES vrijwel niet aan de orde komen en juist dat belangrijke aspecten zijn van dat onderzoeksprogramma.<br>
    • Concentrations of agricultural pesticides in the environment

      Tas JW; Tibosch H; Linders JBJH; ACT (1996-04-30)
      Betreft een inventarisatie van de concentraties van landbouwbestrijdingsmiddelen die in het milieu gevonden zijn. De concentraties zijn bepaald in oppervlaktewater, grondwater, lucht en regen, sediment, grond en gesuspendeerd materiaal. Het overzicht is beperkt tot metingen in Nederland. Informatie over deze concentraties kon gevonden worden voor minder dan de helft van de 270 actieve componenten, die in Nederland geregistreerd zijn. Het onderzoek toont aan dat stoffen worden aangetroffen in concentraties hoger dan het maximaal acceptabele niveau (0,1 mug/L) in voor de bereiding van drinkwater bedoeld oppervlaktewater.
    • Consumentenblootstelling: een overzicht van blootstellings- en opname-modellen

      van Veen MP; Vermeire TG; Olling M; BFT; ACT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-05-31)
      Blootstelling aan stoffen die in consumentenprodukten aanwezig zijn of daaruit vrijkomen vindt gedurende ons hele leven plaats. Om een voorspelling te kunnen maken van de hoogte van de blootstelling, dat wil zeggen van de concentratie van een stof op de grens met het lichaam, en de opnamesnelheid van stoffen zijn in de literatuur mathematische modellen beschreven. In deel 1 van dit rapport wordt een aanzet gegeven tot het vormen van modellen die blootstelling aan en opname uit consumentenprodukten kunnen beschrijven. In deel 2 van het rapport wordt een literatuuroverzicht gegeven van mathematische modellen die blootstelling en opname daadwerkelijk beschrijven. Deze modellen worden onderverdeeld naar de blootstellings- en opnameroute, te weten de inhalatoire, de dermale en de orale route. Deze modellen vormen de basis voor nieuw te ontwikkelen modellen ter schatting van de blootstelling en risico's van stoffen in consumentenprodukten.Ten aanzien van de inhalatoire route worden twee blootstellingsmodellen besproken. De eerste geeft een vaste concentratie in de ruimte, de tweede laat de concentratie afhangen van een bron van de stof en van ventilatie met buitenlucht. De opname kan vervolgens met fraktiemodellen of met diffusiemodellen beschreven worden. Fraktiemodellen zijn veelal op worst case aannamen gebaseerd, terwijl diffusiemodellen de fysiologie van het opnameproces in beschouwing nemen. Ten aanzien van de dermale route wordt de blootstelling bepaald door de hoeveelheid van het produkt, de concentratie van een stof in het produkt en een eventuele verdunning of verdikking van het produkt voor gebruik. De opname kan met fraktiemodellen en met diffusiemodellen beschreven worden.Bij de orale route wordt de blootstelling bepaald door de concentratie in de produkten die ingeslikt worden, of de hoeveelheid die vrijkomt uit produkten die wel in de mond genomen worden, maar die niet worden ingeslikt. De opname kan wederom beschreven worden door fraktiemodellen of door diffusiemodellen.<br>
    • Cumulatie van milieurisico&apos;s voor de mens: geografische verschillen in Nederland

      Pruppers MJM; van den Hout KD; Ale BJM; Buringh E; Miedema HME; LSO; ACT; CCM; LAE; LEO; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMNederlandse organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO), 1996-07-31)
      De aanleiding voor het project 'Cumulatie van milieurisico's' was de vraag of er relaties bestaan tussen geconstateerde geografische verschillen in gezondheid van mensen en geografische verschillen in risico's als gevolg van diverse typen milieuverontreinigingen. Het project beoogde eerst het ontwikkelen van methoden om deze geografische verschillen in risico's in kaart te brengen en vervolgens het toepassen van deze methoden. De methoden zijn toegepast voor de volgende agentia: mogelijke grote ongevallen (externe veiligheid), radioactieve stoffen en straling, luchtverontreinigende stoffen en geluid. Het onderzoek heeft geleid tot twee rapporten. Het hoofdrapport bevat een algemene beschrijving van de gevolgde methoden en de geproduceerde kaarten. Het bijbehorende achtergronddocument (rapportnr. 610127002) gaat nader in op de details van de gevolgde methoden en de gebruikte gegevens. Ondanks de complexiteit van de discussies rond de risico-problematiek is gebleken dat met de ontwikkelde methoden op basis van het risico-concept dat in het Nederlandse milieubeleid wordt gehanteerd, inzicht is verkregen in de geografische verdeling en de onderlinge verhoudingen van risico's. De geografische verdeling van de risico's verschilt sterk tussen enerzijds externe veiligheid en geluid en anderzijds straling en stoffen. De kaarten voor externe veiligheid en geluid tonen zeer lokaal hoge risico's; daarnaast zijn er gebieden waar het risico voor deze twee categorieen gelijk is aan nul, namelijk die gebieden waar zich geen gevaren- en/of geluidsbronnen bevinden. Vooral voor geluid is het werkelijke 'schone' gebied veel beperkter dan de hier opgenomen kaarten tonen, omdat bij gebrek aan informatie een significant deel van de belasting niet kon worden berekend. Ruimtelijk samenvallen van de externe-veiligheidsrisico's treedt nauwelijks op. Voor geluid treedt ruimtelijk samenvallen vooral op nabij knooppunten van transportwegen en nabij (grote) vliegvelden. De risico's als gevolg van straling en stoffen daarentegen strekken zich uit over grote delen van Nederland, met lokaal verhogingen rond grote (industriele) bronnen. Risicopieken op een schaal kleiner dan 500 of 100 m, bijvoorbeeld nabij wegverkeer, zijn niet zichtbaar op de kaarten.<br>
    • Cumulatie van milieurisico's voor de mens: geografische verschillen in Nederland

      Pruppers MJM; Hout KD van den; Ale BJM; Buringh E; Miedema HME; Nederlandse organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO); LSO; ACT; CCM; LAE; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-07-31)
      The question whether there are correlations between observed geographical differences in human health and risks due to several types of environmental contamination led to the project 'Accumulation of environmental risks'. The project aimed, firstly, at developing methods to illustrate these geographical differences and, secondly, at applying these methods. The methods are applied to map the risks due to possible severe accidents (external safety), radioactive substances and radiation, substances in air, and environmental noise. The investigation resulted in two reports. The main report contains a general description of the methods applied and the maps created. The accompanying background document (report no. 610127002) focuses on the details of the methods and on the data used. In spite of the complexity of the discussions on risk-related subjects, it appears that by applying the methods developed insight has been obtained into the geographical distribution and the proportions of risks. These methods are based on the risk concept which is implemented in the environmental policy in the Netherlands. The geographical distribution of risks differs greatly between external safety and noise on the one hand and radiation and substances on the other hand. The maps for external safety and noise show high risks on a local scale ; there are areas where risk for these two categories is equal to zero (areas without sources of danger or disturbing noise). Spatial coincidence of external safety risks rarely occurs. Especially for noise the areas of zero risk are smaller than those shown by the maps because the lack of information made a significant part of the risk incalculable. Spatial coincidence of environmental noise occurs mainly near junctions of transport lines and near (large) airports. The risks due to radiation and substances, on the contrary, cover large parts of the Netherlands, with local increases near large (industrial) sources. Peaks in risks on scales less than 500 or 100 m, e.g. near road traffic, are not visible on the maps.
    • Derivation of the ecotoxicological serious soil contamination concentration, substances evaluated in 1993 and 1994

      Crommentuijn GH; Posthumus R; Kalf DF; ACT (1995-08-31)
      De interventiewaarde voor bodemsanering is gebaseerd op de integratie van een humaan toxicologisch ernstige verontreinigings bodem concentratie humane-EVBC en ecotoxicologisch ernstige bodemverontreinings concentratie of ecotox-EVBC. In dit rapport zijn voorstellen voor eco-EVBC's gedaan voor stoffen die in 1993 en 1994 zijn geevalueerd. De methodologie is beschreven in een serie eerder gepubliceerde rapporten.
    • Derivation of the ecotoxicological serious soil contamination concentration, substances evaluated in 1993 and 1994

      Crommentuijn GH; Posthumus R; Kalf DF; ACT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-08-31)
      The intervention value for soil clean-up is based on the integration of a separately derived human toxicological serious soil contamination concentration or HUMAN-SCC as well as an ecotoxicological serious soil contamination concentration or ECOTOX SCC. In this report proposals are done for the ECOTOX SCC for substances evaluated in 1993 and 1994 or the second and third series of substances. The methodology used is described in a number of earlier published reports.
    • Environmental risk characterization of 4 major surfactants used in the Netherlands

      Feijtel TCJ; Plassche EJ van de; ACT; NVZ (1995-09-30)
      In het kader van het in 1990 tussen VROM en NVZ overeengekomen "Plan van Aanpak Was- en Reinigingsmiddelen Huishoudelijk Gebruik" is een risico-evaluatie ten aanzien van het milieu uitgevoerd voor 4 detergenten: LAS, AE, AES en zeep. De evaluatie is enerzijds gebaseerd op door de industrie verzamelde en geevalueerde literatuurgegevens en anderzijds op een monitoring programma op 7 representatieve locaties in Nederland. Uit de verhouding tussen het MTR (Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau) en de PEC (Predicted Environmental Concentration) kan geconcludeerd worden dat voor LAS, AE en AES het risico laag is: de PEC/MTR is kleiner dan 0,05 voor deze detergenten. Voor zeep is de PEC/MTR ratio ongeveer gelijk aan 1. Dit betekent dat er een mogelijk risico is voor het aquatisch milieu. De MTR is echter gebaseerd op acute gegevens. Voorlopige resultaten van een chronische studie met zeep geven aan dat de toxiciteit van zeep vergelijkbaar is met LAS, AE en AES. Dit betekent dat het risico van zeep waarschijnlijk lager is.
    • Environmental risk characterization of 4 major surfactants used in the Netherlands

      Feijtel TCJ; Plassche EJ van de; ACT; NVZ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-09-30)
      An environmental risk assessment is carried out for 4 surfactants: LAS, AE, AES and soap. Framework of the report is the "Plan of Action Laundry and Cleaning Products for Households" agreed on between the Dutch Ministry of Housing, Physical Planning and Environment (VROM) and the Dutch Soap Association (NVZ) in 1990. The assessment is based on data gathered from literature and evaluated by industry and on a monitoring programme on 7 representative locations in the Netherlands. From the ratio between the MPC (Maximum Permissible Concentration) and the PEC (Predicted Environmental Concentration) it can be concluded that the risk for LAS, AE and AES is low: PEC/MPC ratios are less than 0.05. For soap the ratio is almost equal to 1. This means that there may be a risk due to soap for the aquatic environment. However, the MPC is based on acute toxicity data. Preliminary results of a chronic study with soap indicate that the toxicity of soap is similar to LAS, AE and AES. This means that the risk posed by soap is probably lower.
    • Evaluation of PCB fluxes in the environment

      Annema JA; Beurskens JEM; Bodar CWM; Baart AC; Bakker DJ; Berdowski JJM; Duijvenbooden W van; Klein AE; Liem AKD; Linden AMA van der; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-04-30)
      Since the early seventies a variety of stringent measures have been taken by (international) governments to reduce the risks posed by the presence of polychlorinated biphenyls (PCBs) in the environment. A crucial question is whether these measures have achieved the desired result. The present report reviews, for the Netherlands, the major PCB flows in the (abiotic) environment during the period 1980-1993. In addition, PCB flows in the year 2000 have been calculated for two scenarios: with and without additional policy measures. Sources of PCB emissions have been inventoried extensively in the Netherlands and the surrounding countries. Over the period 1980-1990 there has been a major decline in PCB emissions to the air, water and soil. Today the main influx of PCBs to the Netherlands is from other countries, viz. transboundary influx via the major rivers and via atmospheric deposition. PCB concentrations in the major rivers have also clearly decreased over the period 1980-1990. It is noteworthy, however, that this decline has not subsequently continued. Since 1989 PCB concentrations in nationally administered Dutch waterways have fluctuated around a virtually constant level. This level exceeds the current statutory limit value for PCBs. A similar pattern holds for the coastal waters of the Netherlands. The scarce monitoring data available for soil indicate that wide-scale transgression of the target value for PCBs is unlikely. Expectations are that, under the terms of current policy, the main PCB flows will continue to decrease during the period 1990-2000. An accelerated decline could be achieved if additional measures were taken in neighbouring countries. The most effective approach to reducing foreign PCB emissions to the atmosphere would be to tackle (unintentional) emissions from a variety of industrial processes. A clean-up of upstream river sediments would reduce the PCB influx via the major rivers. Because a substantial proportion of PCBs ultimately enters the North Sea via these rivers, upstream clean-up would also have a positive impact on the Dutch input of PCBs to the marine ecosystem. Further tightening-up of policy in the Netherlands, including accelerated collection of fluorescent lighting ballasts and capacitors, will have scarcely any effect on the situation in the year 2000, because of the relatively small share of these sources in aggregate PCB flows. The present report provides an inventory of PCB flows in the abiotic environment. On its own, though, this inventory does not answer the key question of whether the PCB concentrations currently observed in the Netherlands imply a risk for the human population or for ecosystems. It is therefore recommended that a supplementary risk assessment be carried out, as an important follow-up to this study. This is fully in line with scheduled Dutch policy to re-evaluate the environmental quality standards for PCBs on the basis of new insights in the environmental chemistry and toxicology of this group of substances.
    • Evaluation of PCB fluxes in the environment

      Annema JA; Beurskens JEM; Bodar CWM; Baart AC; Bakker DJ; Berdowski JJM; van Duijvenbooden W; Klein AE; Liem AKD; van der Linden AMA; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNO, 1995-04-30)
      Sinds het begin van de jaren zeventig heeft de (internationale) overheid een aantal stringente maatregelen genomen om de risico's van polychloorbifenylen (PCB's) in het milieu te verminderen. Een belangrijke vraag is of deze maatregelen tot het gewenste resultaat hebben geleid. Het voorliggende rapport geeft voor Nederland een overzicht van de belangrijkste PCB-stromen in het (abiotische) milieu gedurende de periode 1980-1993. Voorts is een tweetal scenario's doorgerekend voor de PCB-stromen in het jaar 2000, respectievelijk met en zonder aanvullende beleidsmaatregelen. De bronnen van PCB-emissies in Nederland en de omringende landen zijn uitgebreid geinventariseerd. In de periode 1980-1990 zijn de emissies van PCB's naar lucht, water en bodem sterk gedaald. De aanvoer van PCB's in Nederland is momenteel vooral afkomstig uit het buitenland. Het gaat dan om grensoverschrijdende instroom via de grote rivieren en via atmosferische depositie. De PCB-concentraties in de grote rivieren zijn eveneens duidelijk afgenomen in de periode 1980-1990. Opvallend is echter dat deze daling zich niet heeft doorgezet. Sinds 1989 fluctueren de PCB-gehalten in de rijkswateren rond een nagenoeg constant niveau. Dit niveau bevindt zich boven de huidige grenswaarde voor PCB's. Eenzelfde patroon is zichtbaar voor de Nederlandse kustwateren. De schaarse meetgegevens voor de landbodem laten zien dat de streefwaarde voor PCB's waarschijnlijk niet op grote schaal wordt overschreden. De verwachting is dat met het thans gevoerde beleid de belangrijkste PCB-stromen verder zullen afnemen in de periode 1990-2000. Een versnelde sanering zou mogelijk zijn door het treffen van aanvullende maatregelen in het buitenland. Voor het terugdringen van de PCB-emissies naar lucht zou men zich hierbij kunnen richten op het (ongewenst) vrijkomen van deze stoffen bij diverse industriele processen. Waterbodemsanering in bovenstroomse gebieden kan de PCB-instroom via de grote rivieren verminderen. Omdat een aanzienlijk deel van de PCB's uit de grote rivieren uiteindelijk in de Noordzee terecht komt, heeft zo'n bovenstroomse waterbodemsanering ook invloed op de Nederlandse aanvoer van PCB's naar het mariene ecosysteem. Een verdere aanscherping van de beleidsmaatregelen in Nederland, zoals een versnelde inzameling van TL-armaturen en condensatoren, zal nauwelijks invloed hebben op het beeld voor het jaar 2000. Dit vanwege het relatief geringe aandeel van deze bronnen op de totale PCB-stromen. Het voorliggende rapport heeft de PCB-stromen in het abiotische milieu in kaart gebracht. De belangrijke vraag of de thans waargenomen PCB-concentraties in Nederland risicovol zijn voor mens of ecosystemen is daarmee echter nog niet beantwoord. Een nadere risicoschatting dient dan ook een belangrijke vervolg-stap te zijn op dit project. Dit sluit direct aan bij het beleidsvoornemen in Nederland om op basis van nieuwe inzichten in de milieuchemie en toxicologie van PCB's, de milieukwaliteitseisen voor deze groep van stoffen te her-evalueren.<br>
    • Evaluation of the health risk resulting from exposure to polycyclic aromatic hydrocarbons in coal-tar shampoo

      Mennes WC; Veen MP van; Kroese ED; Speijers GJA; ACT; LEO; LBO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-09-30)
      Because several PAHs, among which benzo(a)pyrene (BaP), are considered to be carcinogenic substances, the safety of these products has been questioned. An estimate of external dermal exposure to BaP has been generated by application of a mathematical model. This estimate was the starting point in an assessment of the additional risk on local skin tumours. In this assessment risk estimates were derived for two different contact times and for two different periods of use. In the most optimistic scenario a concentration of about 1000 mug BaP/kg product results in an additional risk on dermal tumours of 1 per 10 exp.6 exposed persons. In the most pessimistic scenario, the same risk level (1 per 10 exp.6) is reached at about 100 mug BaP/kg product. Because of several uncertainties, the risk of the entire mixture of PAHs in coal-tar shampoos cannot be assessed. In order to compensate for these uncertainties, an additional factor of 10 can be applied to the concentrations of BaP which are associated with the accepted levels of additional risk. Thus, in the most optimistic scenario a maximal concentration of 100 mug BaP as indicator for total PAH/kg product would be advisable, while for the most pessimistic scenario a maximal concentration of 10 mug BaP as indicator for total PAH/kg product would be advisable. Therefore, the estimates of concentrations for total PAH in coal-tar shampoos which are associated with the accepted risk level of 1 per 10 exp.6 exposed persons may implicate an underestimation of the risk on systemic tumours.
    • Evaluation of the health risk resulting from exposure to polycyclic aromatic hydrocarbons in coal-tar shampoo

      Mennes WC; van Veen MP; Kroese ED; Speijers GJA; ACT; LEO; LBO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-09-30)
      Omdat verscheidene PAK, waaronder benzo(a)pyrene (BaP) worden beschouwd als carcinogene stoffen, zijn er vraagtekens gesteld bij de veiligheid van deze producten. Een schatting van de externe dermale blootstelling aan BaP is afgeleid door toepassing van een mathematisch model. Deze schatting was het uitgangspunt in een beoordeling van het additionele risico op huidtumoren. Er werden risicoschattingen afgeleid voor twee verschillende contacttijden en voor twee perioden waarover de shampoo wordt gebruikt. In het meest optimistische scenario resulteert een concentratie van ongeveer 1000 mug BaP/kg product in een additioneel risico op huidtumoren van 1 per 10 exp.6 blootgestelden en in het meest pessimistische scenario wordt dit risiconiveau (1 per 10 exp.6) bereikt bij een concentratie van 100 mug BaP/kg product. In verband met een aantal onzekerheden kan het kankerrisico van het gehele mengsel van PAK in koolteershampoo niet precies worden vastgesteld. Om voor deze onzekerheden te compenseren kan een extra factor van 10 worden toegepast op de concentratie van BaP die samenhangt met het geaccepteerde niveau van additioneel risico. Uitgaande van het meest optimistische scenario zou een maximale concentratie van 100 mug BaP als indicator voor totaal PAK/kg product raadzaam zijn, terwijl in het meest pessimistische scenario een maximale concentratie van 10 mug BaP als indicator voor totaal PAK/kg product raadzaam zou zijn. De schatting van de concentraties aan totaal PAK die een acceptabel risico inhouden op huidtumoren kunnen een onderschatting betekenen voor het risico op systemische tumoren.<br>