• Bacillus cereus associated food borne disease. quantitative aspects of exposure assessment and hazard characterization

      Wijnands LM; LZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-01-26)
      Consumptie van voedsel besmet met de bacterie Bacillus cereus kan leiden tot ziekte. Omdat de symptomen (overgeven of diarree) vrij mild zijn, wordt nauwelijks een beroep gedaan op medische begeleiding. Dit leidt tot onderschatting van het aantal ziektegevallen. Om een betere schatting te kunnen maken van dit aantal, en om inzicht te krijgen in de factoren die de kans op ziekte bepalen, zijn de volgende aspecten onderzocht: het voorkomen van B. cereus in voedsel in Nederland, de overleving van B. cereus in nagebootst maagsap en de groeimogelijkheden in nagebootst darmsap, de wisselwerking met cellen die vergelijkbaar zijn met dunne-darmcellen, en de productie van gifstoffen, die verantwoordelijk zijn voor de uiteindelijke ziektesymptomen. De resultaten van deze onderzoeken zijn, samen met literatuurgegevens, gebruikt om de kans op ziekte door B. cereus te bepalen. In combinatie met een schatting van het aantal genuttigde maaltijden met B. cereus is het jaarlijkse aantal ziektegevallen in Nederland volgens verschillende scenario's geschat.
    • Bacillus cereus: characteristics, behaviour in the gastro-intestinal tract, and interaction with Caco-2 cells

      Wijnands LM; Dufrenne JB; Leusden FM van; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-06-09)
      The consumption of food contaminated with the bacterium Bacillus cereus may lead to diarrhoea. Investigation of characteristics of the bacterium and the pathogenesis increased knowledge regarding the onset of disease. Strains of Bacillus cereus were categorised according to specific characteristics. Besides artificial media to determine the growth characteristics of the strains, simulated intestinal fluid and human body temperature were used. Diarrhoeal disease is mainly caused by strains which grow well at 37 degrees Celsius and which adapt easily to small intestinal conditions. Adhesion of Bacillus cereus to the epithelium of the small intestine appears to be of vital importance for the onset of disease. Moreover, epithelial cells are able to induce germination of Bacillus cereus spores. These are forms of the bacterium able to withstand a variety of adverse conditions, such as dryness and heat. Data on the occurrence of Bacillus cereus in food commodities in The Netherlands will be published elsewhere.
    • Bacillus cereus: characteristics, behaviour in the gastro-intestinal tract, and interaction with Caco-2 cells

      Wijnands LM; Dufrenne JB; van Leusden FM; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-06-09)
      Door het eten van voedsel dat besmet is met de bacterie Bacillus cereus kan diarree ontstaan. Onderzoek naar de bacterie zelf en het ziekmakend proces hebben geleid tot meer kennis over het optreden van de ziekte. Allereerst zijn stammen van de bacterie op grond van specifieke karakteristieken ingedeeld. Hierbij is onder andere gebruik gemaakt van kunstmatig darmsap en lichaamstemperatuur om de groeimogelijkheden van de verschillende stammen Bacillus cereus goed te kunnen bepalen. Daarnaast bleek dat slechts een beperkt aantal stammen ziekte kunnen veroorzaken. Dit zijn voornamelijk stammen die goed groeien bij 37 graden Celsius en die zich goed kunnen aanpassen aan omstandigheden zoals die voorkomen in de dunne darm. Een essentiele stap in het ziekmakend proces blijkt de hechting van de Bacillus cereus aan de wand van de dunne darm te zijn. Dit proces is in het onderzoek nagebootst met Caco-2 cellen. Daarnaast kunnen de cellen van de dunne darm aanzetten tot ontkieming en vermenigvuldiging van Bacillus cereus sporen. Sporen zijn bacteriecellen die zich in een soort sluimerstand bevinden. In een wetenschappelijke publicatie zullen gegevens worden gepubliceerd ten aanzien van het voorkomen van Bacillus cereus bacterien in voedsel.
    • Background Report for the IMAGE 2.0 Energy-Economy Model

      Toet AMC; Vries HJM de; Wijngaart RA van den; MTV (1994-10-31)
      Dit rapport geeft achtergrond informatie over de structuur, historische invoergegevens (1970-1990) en calibratie van het Energy-Economy model van IMAGE 2.0. Ook worden de aannames voor het Energy-Economy model beschreven met betrekking tot het Conventional Wisdom scenario. Dit is het basis scenario voor IMAGE 2.0. Tenslotte beschrijft dit rapport een onzekerheidsanalyse van het model met het Conventional Wisdom scenario als basis. Het Energy-Economy model berekent de totale energievraag met de nadruk op finale energieconsumptie in de eindgebruikers sectoren, gebaseerd op economische activiteitenniveau's en het energie besparingspotentieel ("end-use approach"). Het model bevat verscheidene invoer variabelen en model parameters. Deze worden uitvoerig behandeld in dit rapport. Ook wordt beschreven hoe de data zijn verzameld voor de verschillende invoervariabelen. De belangrijkste bronnen voor de aan energie gerelateerde gegevens zijn de Energy Balances 1971-1990 van de IEA ; de belangrijkste bronnen voor de economische data zijn de World Tables van de World Bank. Het Conventional Wisdom scenario is deels gebaseerd op veronderstellingen op regio-niveau uit het IS92a scenario van de IPCC ; een wereldbevolking van 11.5 miljard mensen is verondersteld in het jaar 2100 en een economische groei van 2.9% p.j. (1990-2025) en 2.3% p.j. (2025-2100). De onzekerheidsanalyse is uitgevoerd met behulp van de Monte Carlo sampling techniek (een stochastische procedure gebaseerd op Latin Hypercube sampling). Dit gaf als resultaat een gemiddelde mondiale CO2-emissie van 16.7 Pg C in het jaar 2050 met een standaarddeviatie van 24%, uitgaande van onze veronderstellingen over de onzekerheid in de invoergegevens.
    • Bacterien in het grondwatervoerend pakket van de bodem. Een literatuuroverzicht gericht op de Nederlandse situatie

      van Beelen P (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1986-11-30)
      In de waterverzadigde zone van de Nederlandse bodem heerst vaak een gebrek aan zuurstof en aan voedingsstoffen en een constante tempera- tuur van 10 graden C.. In zure bodems stopt de afbraak bij afwezigheid van zuurstof zodat plantenresten zich kunnen ophopen tot veenlagen. Door de lage concentratie van beschikbare voedingsresten zijn in de ondergrond slechts bacterien aanwezig en zeer weinig andere microorganismen. De afbraak van organische microverontreinigingen gaat meestal via cometabolisme waarbij door de lage concentratie geen adaptatie van microflora kan optreden. Deze afbraak zal dus uitgevoerd moeten worden door de aanwezige autochtone microflora.<br>
    • Bacteriofagen : Huidige kennis, onderzoek en toepassingen

      Broek I van den; Broek I van den; Vlugt C van der; Beishuizen, B; LCI; I&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-05-28)
      Bacteriofagen (ofwel fagen) zijn virussen die bacteriën kunnen doden. Ze werden begin vorige eeuw ontdekt, ongeveer tegelijk met antibiotica. Fagen hebben een ander werkingsmechanisme dan antibiotica. In theorie zouden ze daarom kunnen worden ingezet om infecties te behandelen die ongevoelig zijn voor antibiotica. Er is echter nog te weinig onderbouwd klinisch onderzoek beschikbaar om de meerwaarde van bacteriofaagbehandeling te kennen en dit veilig en voor meerdere soorten infecties te kunnen doen. Dit blijkt uit een inventarisatie die het RIVM heeft gemaakt van de huidige kennis over bacteriofagen voor de behandeling van infecties bij mensen. Een faag werkt heel specifiek tegen één type bacterie, terwijl antibiotica werkzaam zijn tegen meerdere bacteriesoorten. Hierdoor kunnen fagen niet zo snel worden ingezet tegen infecties: eerst moet de ziekmakende bacterie geïdentificeerd en opgekweekt worden, waarna er een bijpassende faag of fagen bij moeten worden gezocht. Om deze praktische redenen hadden antibiotica meer succes en is het gebruik van fagen op de achtergrond geraakt. De kennis over de precieze werking van bacteriofagen bij behandeling van infecties, hoe ze zich gedragen in het lichaam, welke dosering en behandelduur nodig zijn, en de risico's van gebruik is nog beperkt. Door het tijdrovende en complexe bereidingsproces zijn bacteriofagen niet geschikt om acute infecties te behandelen. In theorie zouden ze wel bij chronische infecties kunnen werken, bijvoorbeeld voor oppervlakkige huidinfecties. Om vragen over zulke toepassingen en de meerwaarde daarvan te beantwoorden is gecontroleerd klinisch onderzoek noodzakelijk, maar dat ontbreekt nog. Daar komt bij dat de huidige Europese wet- en regelgeving voor geneesmiddelen niet gemaakt is voor patiëntspecifieke biologische producten, zoals bacteriofagen. In Europees verband wordt erover nagedacht om de wet- en regelgeving voor biologische producten te veranderen. In andere sectoren, zoals landbouw en voedselproductie, gelden minder strenge regels voor werkzaamheid en het gebruik van deze producten dan voor gebruik bij mensen. In deze sectoren worden fagen al wel ingezet.
    • Bacteriological collaborative study III amongst the National Reference Laboratories for Salmonella

      Raes M; Voogt N; Veld PH in &apos;t; Nagelkerke N; Henken AM; MGB (1998-12-14)
      Het communautair Referentie Laboratorium (CRL) voor Salmonella heeft een derde bacteriologisch ringonderzoek georganiseerd waaraan alle Nationale Referentie Laboratoria (NRLs) voor Salmonella deelnamen. Doel van het ringonderzoek was het vergelijken van de resultaten (tussen en binnen de verschillende laboratoria) van de isolatie van Salmonella Enteritidis en S. Typhimurium uit capsules met verschillende besmettingsniveaus (10 en 100 kve) in aanwezigheid van begeleidende flora. De gebruikte methode was de aangepaste ISO 6579 (referentie methode) en eventueel de methode die routinematig door een laboratorium werd gebruikt om Salmonella uit kippen faeces te isoleren. Er werden significante verschillen gevonden tussen en binnen de verschillende laboratoria. Geen van de laboratoria is erin geslaagd om Salmonella uit alle capsules te isoleren die 10 kolonie vormende eenheden bevatten. Het aantal positieven varieerde sterk van lab tot lab. Met semi-solid media werden significant meer positieve resultaten verkregen, in het bijzonder voor de capsules die Salmonella Enteritidis bevatten.
    • Bacteriological collaborative study III amongst the National Reference Laboratories for Salmonella

      Raes M; Voogt N; Veld PH in 't; Nagelkerke N; Henken AM; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-12-14)
      A third bacteriological collaborative study was organized by the Community Reference Laboratory for Salmonella. All National Reference Laboratories for Salmonella (NRL) participated. The main objective of this study was to evaluate the results of the detection of different contamination levels (10 and 100 cfp/capsule) of Salmonella Enteritidis and S. Typhimurium in the presence of competitive micro-organisms among and within the NRLs. As method an adapted ISO 6579 (proposed reference method) and, optionally, the laboratory's own routine method for the detection of Salmonella in chicken faeces was used. Significant differences were found between and within the laboratories. None of the laboratories succeeded to isolate Salmonella from all capsules containing 10 colony forming particles. The number of positives found strongly differed between laboratories.With semi-solid media significantly more samples were found positive for Salmonella, especially for the samples containing S. Enteritidis compared to the reference method.
    • Bacteriological detection of Salmonella in the presence of competitive micro-organisms

      Reas M; Nagelkerke N; Henken AM; MGB; IMA (2001-08-14)
      Het Communautair Referentie Laboratorium voor Salmonella heeft het vijfde bacteriologisch ringonderzoek georganiseerd met als deelnemers de Nationale Referentie Laboratoria for Salmonella (NRLs-Salmonella) van de EU lidstaten. Het ringonderzoek had twee doelen: 1) Evaluatie van de resultaten van de detectie van verschillende besmettingsniveaus van Salmonella Enteritidis (100 en 500 kve) en Salmonella Typhimurium (10 en 100 kve) in de aanwezigheid van competitieve flora tussen en binnen de NRLs-Salmonella.; en 2) Evaluatie van MSRV als selectief ophopingsmedium in vergelijking met het standaard medium RV. De methode die gebruikt werd was een aangepaste ISO 6579 (voorgestelde referentie) en eventueel de eigen media van de deelnemende laboratoria voor detectie van Salmonella in feces. Significant meer positieve resultaten werden verkregen met de STM100 capsules in vergelijking met de STM10, SE100 en SE500 capsules. Het niveau van detectie van de SE100 capsules was tevens significant lager dan de detectie van STM10 en SE500 capsules. Significant meer positieve isolaties werden verkregen met MSRV in vergelijking met RV. Ook tussen laboratoria werden significante verschillen gevonden. Het gebruik van MSRV leidde tot significant meer positieve resultaten bij de natuurlijk besmette monsters die S. Enteritidis bevatten in vergelijking met het gebruik van RV.
    • Bacteriological detection of Salmonella in the presence of competitive micro-organisms (A collaborative study amongst the National Reference Laboratories for Salmonella)

      Voogt N; Veld PH in &apos;t; Nagelkerke N; Henken AM; MGB (1997-09-30)
      Het Communautair Referentie Laboratorium voor Salmonella heeft een tweede bacteriologisch ringonderzoek georganiseerd met deelname van de Nationale Referentie Laboratoria voor Salmonella. Het belangrijkste doel van dit onderzoek was verschillen tussen de NRLs in de resultaten van Salmonella detectie in aanwezigheid van storingsflora te evalueren. Hiervoor werden de ISO 6579 methode (voorgestelde referentiemethode) en, facultatief, de eigen methode van een laboratorium voor de Salmonella detectie in kippenfaeces gebruikt. Acht van de zeventien laboratoria isoleerden Salmonella uit alle 30 positieve capsules met het gebruik van de volledige ISO 6579 methode. Het aantal positieve isolaties met het gebruik van seleniet/cystine als selectief ophopingsmedium was gemiddeld significant lager vergeleken met het gebruik van Rappaport-Vassiliadis. Vanwege het aantal positieve isolaties dat gevonden werd met het gebruik van een aantal alternatieve media lijkt het zinvol in een volgend ringonderzoek andere selectieve media te testen.
    • Bacteriological detection of Salmonella in the presence of competitive micro-organisms. Bacteriological collaborative study IV amongst the National Reference Laboratories for Salmonella, the use of MSRV as selective enrichment

      Raes M; Nagelkerke N; Henken AM; MGB; IMA (2000-04-20)
      Het Communautair Referentie Laboratorium voor Salmonella heeft een vierde bacteriologisch ringonderzoek georganiseerd betreffende de detectie van Salmonella. De deelnemers waren de Nationale Referentie Laboratoria (NRLs) voor Salmonella uit de lidstaten van de Europese Unie. Dit ringonderzoek had twee doelen: 1) Evaluatie van de resultaten van verschillende besmettingsniveaus van Salmonella Enteritidis (100 en 1000 kve) en Salmonella Typhimurium (10 en 100 kve) in de aanwezigheid van competitieve flora tussen en binnen de NRLs; en 2) Evaluatie van MSRV als selectieve ophoping vergeleken met de standaard methode welke RV als selectieve ophoping heeft. De gebruikte methoden waren een aangepaste ISO 6579 (voorgestelde referentie) methode en, optioneel, de methode die door het laboratorium routinematig gebruikt wordt voor detectie van Salmonella in kippen feces. Significant meer positieve isolaties werden verkregen bij de STM100 capsules ten opzichte van de STM10 en SE1000 capsules. Deze laatste twee capsulesoorten behaalden onderling ongeveer eenzelfde detectieniveau. Het aantal positieve isolaties verkregen met de SE100 capsules was significant lager dan het aantal positieven verkregen met de STM10 en SE1000 capsules. Significant meer positieven werden gevonden met het gebruik van MSRV ten opzichte van RV.
    • Bacteriological detection of Salmonella in the presence of competitive micro-organisms

      Reas M; Nagelkerke N; Henken AM; MGB; IMA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-08-14)
      A fifth bacteriological collaborative study organised by the Community Reference Laboratory for Salmonella had as participants the National Reference Laboratories for Salmonella (NRLs-Salmonella) of the EU Member States. The objectives were: 1) To evaluate the results of the detection of different contamination levels of Salmonella Enteritidis (100 and 500 cfp) and Salmonella Typhimurium (10 and 100 cfp) in the presence of competitive micro-organisms among and within the NRLs-Salmonella, and 2) To evaluate MSRV as selective enrichment medium compared to RV, used as the selective enrichment medium in the standard method. An adapted ISO 6579 (proposed reference) method was used in combination with MSRV and, optionally, the laboratory's own routine method for the detection of Salmonella in chicken faeces. Significantly more positive isolations were obtained with the STM100 capsules than with the STM10, SE100 and SE500 capsules. The number of positive isolations from the SE100 capsules was also significantly lower than the number of positive isolations from the STM10 and SE500 capsules. Significantly more positive isolations were obtained using MSRV compared to using RV. Significant differences were also found between laboratories. When compared with RV, the use of MSRV led to significantly more positive isolations from the naturally contaminated samples containing S. Enteritidis.
    • Bacteriological detection of Salmonella in the presence of competitive micro-organisms (A collaborative study amongst the National Reference Laboratories for Salmonella)

      Voogt N; Veld PH in 't; Nagelkerke N; Henken AM; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-09-30)
      A second bacteriological collaborative study in which the National Reference Laboratories (NRLs) for Salmonella participated was organized by the Community Reference Laboratory for Salmonella. The main objective of this study was to evaluate differences in results between the NRLs of detection of Salmonella in the presence of competitive micro-organisms. As method the ISO 6579 method (proposed reference method) and, optionally, the laboratory's own routine method for the detection of Salmonella in chicken faeces were used. Eight of the seventeen laboratories isolated Salmonella from all 30 positive capsules using the full ISO 6579 method. The number of positive isolations was on average significantly lower with selenite/cystine compared to Rappaport-Vassiliadis as selective enrichment medium. The number of positive isolations found with the use of some alternative media may make it worthwhile to test other selective media in a future collaborative study.
    • Bacteriological detection of Salmonella in the presence of competitive micro-organisms. Bacteriological collaborative study IV amongst the National Reference Laboratories for Salmonella, the use of MSRV as selective enrichment

      Raes M; Nagelkerke N; Henken AM; MGB; IMA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-04-20)
      A fourth bacteriological collaborative study was organised by the Community Reference Laboratory for Salmonella. All National Reference Laboratories for Salmonella (NRLs) participated. This study had two objectives: 1) Evaluation of the results of the detection of different contamination levels of Salmonella Enteritidis (100 and 1000 cfp) and Salmonella Typhimurium (10 and 100 cfp) in the presence of competitive micro-organisms among and within the NRLs; and 2)Evaluation of MSRV as selective enrichment compared to the standard method using RV as selective enrichment. Methods used were an adapted ISO 6579 (proposed reference) method and, optionally, the laboratory's own routine method for the detection of Salmonella in chicken faeces. Significantly more positive isolations were obtained with the STM100 capsules compared to the STM10 and SE1000 capsules. These last two capsules showed the same detection level. The number of positive isolations from the SE100 capsules was significantly lower than the number of positive isolations from the STM10 and SE1000 capsules. Significantly more positive isolations were revealed when using MSRV than when using RV.
    • Bacteriologisch en serologisch onderzoek van Helicobacter species bij laboratoriummuizen

      Root R; Admiraal J; Koedam MA; Thuis HCW; Veenema JL; LIS; LPI (1998-11-27)
      Helicobacter soorten zijn spiraalvormige Gramnegatieve bacterien die voorkomen in het maagdarmkanaal van mens en dier. Helicobacter hepaticus koloniseert bij muizen o.a. het ileum en het cecum en is bij meerdere muizenstammen geassocieerd met chronische actieve hepatitis en bij de A/J stam met de ontwikkeling van levertumoren. Het opkweken van gevriesdroogde Helicobacter stammen bleek lastiger dan de kweek uit feces en organen. Isolaten konden m.b.v. het Grampeparaat, biochemische testen en analyse van celwandlipiden redelijk goed als Helicobacter worden geklasseerd, maar benoeming tot op de soort bleek minder makkelijk. Er werd een ELISA opgezet voor de bepaling van antistoffen bij muizen tegen whole cell antigeen van H. hepaticus. Er werd vrijwel geen kruisreactiviteit gevonden met andere Helicobacters of bacterien uit andere families. De bruikbaarheid van de ELISA werd onderzocht bij BALB/c en N:NIH muizen die oraal en op natuurlijke wijze werden besmet met H.hepaticus. De NIH muizen vertoonden een betere antistofrespons dan de BALB/c muizen. Zowel uit oraal geinfecteerde als op natuurlijke wijze besmette muizen van beide stammen werd H. hepaticus teruggekweekt. Bij de N:NIH muizen werd in het ileum een lichte ontsteking van de darmvlokken gevonden. Tenslotte werden populaties muizen onderzocht op besmetting met Helicobacter soorten en op antistoffen tegen H. hepaticus. Gnotobiotische en SPF muizen bleken niet besmet met Helicobacter sp. maar besmetting werd wel gevonden bij 2 conventionele transgene muizenstammen.
    • Bacteriologisch Onderzoek van slachtdieren

      Engel HWB; van Leusden FM; Erne EHW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1986-06-30)
      Door zes vleeskeuringsdiensten en het RIVM werd gezamenlijk onderzoek verricht naar het in de Vleeskeuringswet omschreven "Bacteriologisch Onderzoek" (BO) bij slachtdieren. Doel was na te gaan of er verschillen zouden zijn in de aantallen positieve resultaten van het BO tussen de diensten bij toepassing op dieren met vergelijkbare afwijkingen. Gebleken is dat er soms aanzienlijke verschillen (33%) en soms zeer geringe verschillen (< 3%) voorkwamen. Aangezien de kiemen die bij een positief onderzoek geisoleerd worden meestal behoren tot micro- organismen met een zeer geringe betekenis vanuit volksgezondheidsoogpunt (Corynebacterium pyogenes en haemolytische streptococcen, niet zijnde groep A of B) en kiemen die in dat kader wel betekenis hebben (Samonella, Streptococcus suis) gemist worden door de voorgeschreven wijze van onderzoek, dient overwogen te worden of de keuring aanpassing behoeft.<br>
    • Baseline gegevensverzameling in de Natuurlijke Beloop studie van het PIAMA-onderzoek

      Wijga A; Smit HA; CZE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-02-01)
      De "baseline" gegevensverzameling voor de Natuurlijk Beloop studie van het PIAMA (Preventie en Incidentie van Astma en Mijt Allergie) onderzoek wordt beschreven, een geboorte cohort-onderzoek naar de incidentie van en risicofactoren voor astma en luchtwegallergie. De werving van deelnemers voor de Natuurlijk Beloop studie was voltooid in september 1997 toen 3.291 aanstaande moeders zich bereid hadden verklaard mee te doen. Van deze aanstaande moeders hadden er 3.298 ook de eerste vragenlijst (de "zwangerschapsvragenlijst") ingevuld. "Baseline" gegevens van de kinderen zijn verzameld toen ze 3 maanden oud waren. "Baseline" vragenlijsten werden verstuurd aan 3.283 moeders en ingevuld terug gestuurd door 3.171 (97%) van hen. In dit rapport wordt de procedure van gegevensverzameling beschreven alsmede een selectie uit de resultaten die zijn verkregen over de gezondheid van het kind, voeding, passief roken en woonomstandigheden<br>
    • BASF Nederland B.V

      Kohnen EAEM (1993-06-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Basis Selectie Document (BSD) voor de taakgebieden Volksgezondheid en Milieu. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en het Nederlands Vaccin Instituut (NVI) over de periode 1940-2005 (concept)

      Rakke R; DIV/Archief (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-11-01)
      Het Basis Selectie Document (BSD) is het bij de Archiefwet 1995 voorgeschreven selectieinstrument voor overheidsarchieven. Met behulp van een BSD worden bewaartermijnen toegekend aan documenten waarbij onderscheid wordt gemaakt in bewaren (B) en vernietigen na een vastgestelde periode (V). De te bewaren documenten worden overgebracht naar het Nationaal Archief (NA). Dit rapport bestrijkt de periode 1940-2005 en is een actualisatie van rapport 840701002/1998 waarin de handelingen met bewaartermijnen van het Rijksinstituut voor de Volksgezondheid (RIV) en de rechtsopvolger hiervan, het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiene (RIVM) staan beschreven over de periode 1940-1995. In het afgelopen decennium is de taak "vaccinontwikkeling en productie" ondergebracht bij het Nederlands Vaccin Instituut (NVI) dat per 1 januari 2003 als zelfstandige agentschap onder het ministerie van VWS is gepositioneerd. Het NVI komt als aparte actor voor in dit BSD.
    • Basis Selectie Document voor de taakgebieden Volksgezondheid en Milieu en Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiene RIV(M) 1940-1995

      BDA/RIVM; BDA; Rijksarchiefdienst/Pivot (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-04-30)
      As laid down by Dutch national law the fundamental selection instrument (Basis Selectie Document, BSD) is to be used in national and regional government archives to separate records that should be preserved from records for which destruction is warranted. New archival legislation promulgated in 1995 compels archives' administrators to deposit records not warranted for destruction with the Dutch national archives, the Rijksarchiefdienst (RAD), upon the twentieth year after their year of closing. The old law (1962) enforced a fifty-year period. This BSD is a product of the PIVOT method. This method is designed by the RAD to control the tidal wave of records the RAD anticipated after promulgation. The BSD establishes a valuation for all terms of reference the National Institute of Public Health and Environmental Protection (RIVM) and it's predecessor , the National Institute of Public Health (RIV), were commissioned with from 1940 up to and including 1995. These terms of reference are referred to as acts (handelingen). They are also described in the RIVM report 840701001 titled 'Healthy again tomorrow; an institutional investigation of the tasks and terms of reference of the National Institute of Public Health and Environmental Protection 1940-1995.' The acts are grouped by actor, the authority responsible, and are detailed by their valuation, scope, period of execution, laboratory in charge, basic law, source of information, policy phase and, if warranted for destruction, their preservation period. The nine fundamental criteria that governed the valuation of the acts are also specified.