• Observations on the methodology for quantitative risk assessment of dermal allergens

      ter Burg W; Wijnhoven SWP; Schuur AG; SIR; vgc (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-11-19)
      Mensen kunnen allergische reacties krijgen als zij door een stof worden 'gesensibiliseerd', wat betekent dat ze na een volgend contact huidklachten krijgen. De drempelwaarde voor dit effect kan tegenwoordig met behulp van een kwantitatieve methode worden bepaald. Volgens het RIVM is het nu zaak deze methode te implementeren om risico's op allergische reacties bij het gebruik van (geur)stoffen te bepalen. Om deze risico's vast te kunnen stellen is wel een heldere handleiding nodig. Dit blijkt uit literatuuronderzoek van het RIVM, dat in opdracht van VWS is uitgevoerd. Het onderzoek is geillustreerd met een risicobeoordeling van de geurstof citral, die in producten als cosmetica, schoonmaakmiddelen en luchtverfrissers zit. Gebleken is dat de kwantitatieve methode die door de International Fragrance Organization/ Research Institute for Fragrance Materials (IFRA/RIFM) is ontwikkeld, in de basis voldoet. Wel zijn enkele aanpassingen nodig. De belangrijkste daarvan is dat bij het vaststellen van risico's meegenomen moet worden dat mensen vaak niet aan één maar aan meerdere bronnen van allergenen worden blootgesteld (geaggregeerde blootstelling). Een voorbeeld is het gebruik van meerdere cosmeticaproducten of schoonmaakmiddelen. Wanneer het risico per product wordt bepaald, zou het totale risico kunnen worden onderschat. De casestudy naar citral onderstreepte de bevindingen hierover uit de literatuur. Om de blootstelling van een stof uit meerdere bronnen te kunnen schatten, zijn nog wel criteria nodig die relevant zijn voor huidallergie. Denk hierbij aan de plek op het lichaam die aan een stof staat blootgesteld, evenals de duur en herhaling van de blootstelling.
    • Occupational Exposure Limits and classification of 25 carcinogens

      van Kesteren PCE; Palmen NGM; Dekkers S; SIR; vgc (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-04-23)
      Grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling aan stoffen helpen de blootstelling aan gevaarlijke stoffen op de werkplek te beheersen door de maximale concentratie van een stof (in de lucht) vast te stellen die nog veilig wordt geacht. Deze grenswaarden kunnen worden vastgelegd op Europees niveau, op nationaal niveau of door bedrijven. De regelgeving en interpretaties van gegevens voor het bepalen van een grenswaarde kunnen verschillen tussen instanties, waardoor er voor één stof meerdere grenswaarden kunnen bestaan binnen Europa. Naast het bepalen van grenswaarden kunnen stoffen worden ingedeeld in categorieën op basis van hun mogelijk kankerverwekkende eigenschappen (classificatie met betrekking tot carcinogeniteit). Ook voor deze classificatie bestaan er binnen Europa verschillende systemen en verschillende criteria om een stof in te delen. Dit briefrapport bevat een overzicht van de grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling en de classificatie met betrekking tot de carcinogeniteit van 25 kankerverwekkende stoffen. De gegevens zijn overgenomen van de beoordelingen van de Europese Commissie, het Wetenschappelijk Comité inzake grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling (SCOEL), het Internationaal Agentschap voor Kankeronderzoek (IARC), REACH2 registranten, Nederland, Duitsland en Frankrijk. Daarnaast is door het =Institute of Medicine' (IOM) een schatting gemaakt van de impact die de invoering van een grenswaarde heeft op de publieke gezondheid, de gezondheidskosten, de economie, de samenleving en het milieu in Europa. De conclusies van het IOM zijn meegenomen in het overzicht. De overzichten met grenswaarden en classificaties geven voor elke stof de huidige beschikbare gegevens weer en maken het mogelijk om een directe vergelijking te maken tussen grenswaarden of classificaties.
    • Occupational health or occupational safety: which impact is larger?

      Uijt de Haag PAM; Bellamy LJ; Burdorf A; ter Burg W; Eysink P; Heederik DJJ; Klein Entink RH; Manuel HJ; Papazoglou IA; Pronk A; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMWhite Queen BVErasmus MCRotterdamIRASUtrecht UniversityTNODemokritosGreece, 2012-03-30)
      Werknemers kunnen op hun werk blootgesteld worden aan verschillende soorten risico's, zoals schadelijke stoffen, fysieke belasting en ongevallen. In 2010 is het 'Occupational Health Impact Assessment' (OHIA)-model ontwikkeld, dat de arbeidsveiligheid kan vergelijken met de arbeidsgezondheid. Dit is mogelijk door de te berekenen in welke mate de risico's bijdragen aan het verlies van gezondheid van werknemers (ziektelast). Model uitgebreid met ziektelast handeczeem: In 2011 is het model uitgebreid met een berekening van de ziektelast van handeczeem. Daarnaast zijn enkele onduidelijkheden ingevuld en zijn specificaties opgesteld om van het model een instrument te maken dat door meerdere partijen kan worden gebruikt. Aanbevolen wordt te onderzoeken in hoeverre er draagvlak is bij de sectoren om het OHIA-instrument te gebruiken. Risico's berekend met onzekerheden: Het model houdt bovendien rekening met onzekerheden in de data, waardoor nauwkeurigere vergelijkingen kunnen worden gemaakt. Om het belang hiervan te illustreren, zijn de risico's voor vier beroepsgroepen berekend met én zonder deze onzekerheden. Gekozen is voor beroepsgroepen waarvoor het grootste verlies van gezondheid te verwachten is: tegelzetter, straatmaker, betonboorder en timmerman. Hierbij is gekeken naar de risico's van ongevallen, het tillen van zware voorwerpen en de blootstelling aan silica, een stof die bijvoorbeeld vrijkomt bij het bewerken van beton. Voor tegelzetters en straatmakers draagt de blootstelling aan silica zonder onzekerheden veruit het meeste bij aan het verlies van gezondheid; als onzekerheden worden inbegrepen blijkt het gezondheidsverlies als gevolg van silica daarentegen vergelijkbaar te zijn met dat van het tillen van zware voorwerpen en arbeidsgerelateerde ongevallen. Voor betonboorders en timmermannen hebben de inbegrepen onzekerheden geen invloed op de resultaten. Het OHIA-model is ontwikkeld door het RIVM, in samenwerking met een consortium van deskundigen van de Universiteit Utrecht (IRAS), TNO, Erasmus Medisch Centrum Rotterdam, en twee consultants.
    • The occurrence of Carcinogenic, Mutagenic and Reprotoxic (CMR) substances in consumer preparations

      Muller JJA; Bos PMJ; SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-05-04)
      The general public is protected from the effects of Carcinogenic, Mutagenic and Reprotoxic (CMR) substances partly by banning the sale of preparations containing classified CMR substances (Annex I of 67/548/EEC) at levels above the limit concentration for exposure of the general public. It is therefore important that consumer preparations are checked for the presence of these substances and that, in addition, potential CMR substances are assessed for inclusion in Annex I of 67/548/EEC. A search was made for potential CMR substances in electronically accessible databases, after which a list of 514 potential CMR substances not found in Annex 1 could be compiled. The occurrence of CMR category 1 and 2 substances, and of additional potential CMR substances, in consumer preparations was checked against the SPIN database, an initiative of the Nordic countries. A total of 146 Annex I substances for the CMR categories 1 and 2, and 24 potential CMR substances were found to be present in consumer preparations used in the Nordic countries. It cannot be ruled out that these substances will also be present in consumer preparations used in the Netherlands. A quantitative estimate of the potential exposure to CMR substances was not possible due to the lack of an adequate database of consumer preparations showing actual concentrations.
    • The occurrence of Carcinogenic, Mutagenic and Reprotoxic (CMR) substances in consumer preparations

      Muller JJA; Bos PMJ; SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-05-04)
      Bescherming van de algemene bevolking tegen de gezondheidsnadelige effecten van Carcinogene, Mutagene en reproductietoxische stoffen wordt voor een belangrijk deel gerealiseerd door een verbod op de verkoop van producten die categorie 1 en 2 CMR-stoffen (Annex I of 67/548/EEC) boven de toegestane limiet bevatten. Het is derhalve belangrijk na te gaan in hoeverre deze stoffen voorkomen in consumenten preparaten en inzicht te verkrijgen in potentiele CMR-stoffen die niet voorkomen op Annex 1. Met behulp van elektronisch toegankelijke databases werd gezocht naar potentiele CMR-stoffen. Dit leverde een additionele lijst van 514 potentiele CMR-stoffen op die niet voorkomen op Annex 1. Het voorkomen van geclassificeerde en potentiele CMR-stoffen in consumentenpreparaten werd geverifieerd aan de hand van het Noord-Europese SPIN databestand. In totaal bleken 146 CMR-stoffen voorkomend op Annex I en 24 potentiele CMR-stoffen voor te komen in consumentenpreparaten. Het kan niet worden uitgesloten dat deze stoffen ook in Nederland kunnen voorkomen in consumenten-preparaten. Aangezien kwantitatieve gegevens over de gehalten van deze stoffen in de betreffende preparaten niet vrij toegankelijk zijn, is een kwantitatieve schatting van de blootstelling niet mogelijk.
    • Ocean-climate variability and sea level in the North Atlantic region since AD 0

      Plassche O van de; Edwards RJ; Wright AJ; Weber SL; Schrier G van der; Drijfhout SS; Gehrels WR; NOP (Vrije Universiteit amsterdamThe NetherlandsKNMI De BiltThe NetherlandsUniversity of Plymouth United Kingdom, 2002-01-23)
      Abstract niet beschikbaar
    • Oceanic uptake of anthropogenic CO2: mechanisms and modelling

      Klepper O; Haan BJ de; Saager P; Krol MS (1993-11-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Ochratoxine A in vleeswaren, varkensbloedplasma en varkensplasma- poeder

      Top HJ van den; Paulsch WE; Egmond HP van (1991-02-28)
      Abstract niet beschikbaar
    • OECD 28-days oral toxicity study on fumonisin B1

      Nijs M de; Egmond HP van; Jong WH de; Loveren H van; LPI; ARO; MGB (1999-02-01)
      Het beschreven experiment werd uitgevoerd om inzicht te verkrijgen over effecten van lage doseringen fumonisine B1 op target organen en het immuunsysteem. Mannelijke ratten van drie weken oud werden oraal via maagsonde behandeld met 0, 0,19, 0,75 of 3 mg/kg lichaamsgewicht fumonisine B1, dagelijks gedurende vier weken. Op dag 28 na het begin van de behandeling werd sectie verricht en een aantal toxicologische parameters, inclusief immunotoxicologische parameters, werd bepaald. In het bloed werden biochemische bepalingen uitgevoerd, terwijl in het bloed en ook in de lever en nier sphingolipiden werden bepaald. De resultaten van dit experiment gaven aan dat nier- en leverweefsel de primaire targetorganen voor toxiciteit van lage doseringen fumonisine B1 zijn. Blootstelling aan lage doseringen fumonisine B1 induceert en continueert celproliferatie in niertubuli, hetgeen aanleiding kan geven tot tumorvorming. In het immuunsysteem werden geen significante effecten waargenomen, al werden wel trends gezien. In het licht van gepubliceerde immunotoxische effecten van fumonisine B1 is m.n. aan dit aspect verder onderzoek nodig
    • OECD International Collaborative Study on Acute Toxicity Testing

      Vermeire TG; de Vries T; Speijers GJA; Wester PW; de Liefde A; Beekhof PK; van der Heijden CA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1989-05-31)
      Twintig stoffen zijn blind onderzocht op acute toxiciteit in het kader van een OESO-validatie van de zogenaamde "Fixed-Dose Procedure". Elke stof is per maagsonde toegediend in een dosering aan 5 mannelijke en 5 vrouwelijke ratten. Op gronden van een voortest was de dosering zo gekozen uit de vaste reeks van 5, 50, 500 en 2000 mg/kg lichaamsgewicht dat duidelijke toxische effecten waargenomen zouden worden, maar geen sterfte. Indien sterfte optrad ofwel duidelijke toxiciteit uitbleef werd de test herhaald bij de lagere, respectievelijk hogere dosering uit de vaste reeks. Voor 13 van de stoffen bleek een eerste herhalingstest noodzakelijk en voor 1 van deze 13 ook een tweede test. De ratten zijn frequent geobserveerd gedurende maximaal 14 dagen op tekenen van acute toxiciteit, zodat de effectfase en de eventuele seversibiliteit van de effecten konden worden vastgelegd. Op elk dier is ook autopsie verricht. Dieren die ernstig leden werden voortijdig gedood en droegen bij aan de stof-gerelateerde mortaliteit. De in dit rapport beschreven resultaten zullen samen met die van de andere 29 deelnemende laboratoria uit 12 landen en de resultaten van de door een laboratorium met alle stoffen uitgevoerde klassieke LD-50 test, welke als referentiepunt kan dienen, binnenkort geevalueerd worden.<br>
    • OECD pilot project: Phase 3 The Dutch contribution PYRIDATE

      Linders JBHJ; Wouters MFA; ACT (1994-07-31)
      Dit rapport vormt de Nederlandse bijdrage aan het Pilot Project van het Bestrijdingsmiddelen programma van de OECD. Nederland heeft als "lead Country" gefungeerd voor de actieve stof pyridaat om een vergelijking te maken van de evaluaties van zes deelnemende landen, namelijk Australie, Canada, Duitsland, Zwitserland, de Verenigde Staten en Nederland. De lay-out van de samenvattingen werd met elkaar vergeleken, waarbij werd aangetoond dat van alle landen alleen Nederland alle individuele studies op toxicologisch en ecotoxicologisch gebied apart samenvat. Van alle referentis van alle landen samen bleken slechts 61 van de in totaal 372 referenties beoordeeld te zijn door twee of meer landen. Van de gemeenschappelijke studies stelden de betrokken landen wel steeds hetzelfde eindpunt vast. Slechts voor enkele studies werden verschillende gedrag en effect gegevens gerapporteerd. In alle gevallen waren de verschillen slechts klein. Geconcludeerd kan worden dat het voor andere landen mogelijk moet zijn de samenvattingen en evaluaties van andere landen te gebruiken voor de vaststelling van hun eigen beoordeling van de actieve stof. Standaardisatie bleek voor diverse onderwerpen belangrijk te zijn.
    • OEFENING &quot;REFAJA&quot;: Oefening in de opvang en behandeling van slachtoffers na een chemisch ongeval, op 30 juni 1992 te Dordrecht

      Noordergraaf GJ; Deggens JW; Eijk KJ van der; Savelkoul TJF (1993-01-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Oeverfiltraat en organische microverontreinigingen

      Versteegh JFM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1989-01-31)
      Voor het conventionele zuiveringsproces geldt in het algemeen dat stoffen die tijdens infiltratie niet worden verwijderd ook tijdens het zuiveringsproces niet worden verwijderd. Een uitbreiding met ozon en actief kool zorgt voor een betere verwijdering van microverontreinigingen en voor een langere filterlooptijd. Hoog-polaire stoffen zullen ook met actief koolfiltratie niet worden verwijderd. Met de huidige isolatie- en analysetechnieken is het niet eenvoudig dit type verbindingen te detecteren. Een gezondheidskundige evaluatie van dit type stoffen is dan ook vrijwel onmogelijk. Er zal verder onderzoek moeten worden gedaan naar analysemethoden voor hoog-polaire stoffen ; bij voorkeur het ontwerpen van een somparameter voor deze klasse van verbindingen. Gezien de verschillende aspecten die aan oevergrondwater kleven is het wenselijk dat het oevergrondwater in de eerste plaats wordt gezien als onbeheersbaar, niet voorgezuiverd, geinfiltreerd oppervlaktewater en niet als grondwater. Hierbij past een zuivering welke de kwaliteit van het geproduceerde drinkwater waarborgt ; een actief koolfiltratie en eventueel een ozonisatie kunnen in een dergelijke zuivering belangrijke stappen zijn.<br>
    • Off-label gebruik van geneesmiddelen. Transparantie gewenst

      Caspers PWJ; Gijsen R; Blokstra A; KCF (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-01-09)
      Off-label geneesmiddelen voorschrijven blijkt een vanzelfsprekend onderdeel te zijn van de medische zorg. Als een off-label voorschrift binnen de beroepsgroep de voorkeursbehandeling is, kan het zelfs gewenst zijn. Het gaat hierbij om het voorschrijven van geneesmiddelen voor aandoeningen waarvoor deze middelen niet zijn goedgekeurd of beoordeeld door het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen. Volgens artsen wordt off-label voorschrijven meestal ingegeven door medische richtlijnen, farmacotherapeutische handboeken en wetenschappelijke literatuur. Deze motieven zijn in lijn met de standpunten over off-label voorschrijven van het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen, de Inspectie voor de Gezondheidszorg en het Nederlandse Huisartsen Genootschap. Het is ook in lijn met de nieuwe Geneesmiddelenwet, die op 1 juli 2007 van kracht is geworden. Experimenteergedrag komt slechts 'zelden tot soms' voor. Motieven die neigen naar experimenteergedrag zoals 'volgens eigen ervaringen werkzaam' en 'ervaringen collega's' komen 'soms tot regelmatig' voor. Artsen zijn verplicht patienten te informeren over en toestemming te vragen voor off-label voorschrijven. Toch doen zij dat slechts 'soms tot regelmatig' (huisartsen en kinderartsen) of 'regelmatig tot vaak' (medische oncologen, dermatologen en neurologen). Ongeveer de helft van de artsen geeft aan zelden tot nooit de patient om toestemming te vragen. Dit blijkt uit een enquete onder 464 huisartsen en 406 specialisten, en een beschouwing van medische richtlijnen van artsen. Daaruit blijkt ook dat artsen behoefte hebben aan meer informatie over off-label voorschrijven. Afhankelijk van het specialisme, zegt 22 tot 45% van de artsen 'regelmatig' niet te weten of een voorschrift off-label is. De behoefte aan een meldpunt en evaluatie binnen de beroepsgroep is bij alle onderzochte beroepsgroepen groot. Vooral huisartsen geven aan off-label gebruik maar 'zelden tot soms' zelf of met vakgenoten te evalueren. Of het off-label gebruik extra risico's met zich meebrengt is nog onduidelijk. De bewijzen daarvoor in de literatuur zijn schaars en extra risico's worden vooralsnog vooral vanuit de theorie verondersteld.
    • Off-label gebruik van medische hulpmiddelen : een verkenning

      Pot JWGA; de Vries CGJCA; GMT; vgc (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-01-28)
      Het komt in Nederland voor dat medische technologie in ziekenhuizen bewust of onbewust voor andere doeleinden wordt gebruikt dan waarvoor deze op de markt is gebracht. In welke mate dat gebeurt is niet bekend. Dit zogeheten off label-gebruik is in principe af te raden omdat het risico's met zich meebrengt. Het kan echter uitkomst bieden in crisissituaties als er geen alternatieve middelen voorhanden zijn en een patiënt bijvoorbeeld in levensgevaar verkeert. Off label-gebruik kan bovendien tot innovatie leiden op het gebied van medische hulpmiddelen. Dit blijkt uit verkennend onderzoek van het RIVM. In Nederland is er nog geen officieel standpunt over ingenomen. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ). Hiervoor zijn 12 personen geïnterviewd die nauw zijn betrokken bij inkoop, gebruik en beheer van medische hulpmiddelen in ziekenhuizen. Zorgverleners, zoals medisch specialisten en verplegend personeel, zijn in deze verkenning nog niet aan het woord geweest. Nader onderzoek naar hun mening over off label-gebruik is aanbevolen. Om off-label gebruik te beperken is structurele aandacht nodig voor het juiste gebruik van medische hulpmiddelen in opleidingen voor en bijscholingen van zorgverleners. Hetzelfde geldt voor goede informatie over de beschikbare medische hulpmiddelen in ziekenhuizen. Dat kan bijvoorbeeld worden gerealiseerd via een toegankelijk assortimentsoverzicht met productgegevens en gegevens over ervaringen met medische hulpmiddelen. Daarnaast wordt aanbevolen om criteria op te stellen voor gerechtvaardigd off label-gebruik van medische technologie, in combinatie met handelingsprocedures. Met handelingsprocedures worden zaken bedoeld als risicobeoordeling met een multidisciplinair team voor off-label gebruik en publicatie van ervaringen daarna. Hiermee kunnen de risico's van off-label gebruik worden ingeperkt. Het is daarbij raadzaam om hierover met belanghebbende partijen - patiënten, zorgprofessionals, raden van bestuur van ziekenhuizen, fabrikanten en overheid - overeenstemming te bereiken.
    • Off-label use of coronary drug-eluting stents

      Roszek B; Water R de; Pot JWGA; Geertsma RE; BMT (2009-07-15)
      Abstract niet beschikbaar
    • Off-label use of coronary drug-eluting stents : Occurrence, safety, and effectiveness in 'real world' clinical practice

      Roszek BR; de Water R; Pot JWGA; van Domburg RT; Geertsma RE; BMT; vgc (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-06-05)
      Het gebruik van drug-eluting stents (DES) voor een ander doel dan het indicatiegebied (off-label gebruik), kan leiden tot een belasting van deze hulpmiddelen buiten de grenzen van het ontwerp en mogelijk tot verhoogde risico's. Anderzijds kan een dergelijke behandelmethode klinisch relevant zijn, een medisch erkende standaard worden en kan off-label gebruik belangrijk zijn voor verdere innovatie. Het gebruik van DES in patiënten met off-label kenmerken komt veelvuldig voor in de klinische praktijk. Gepubliceerde aantallen variëren wereldwijd tussen de 47% en 81% van alle patiënten die DES ontvangen. In één groot Nederlands cardiovasculair centrum werd off-label gebruik van DES geschat op 68% in 2002. Er werden geen gegevens op nationaal niveau in Nederland gevonden. De veelbelovende resultaten van DES voor on-label indicaties hebben geleid tot DES toepassingen in meer complexe situaties zoals meervoudige vaatafwijkingen, vaatafwijkingen bij een vertakking en diabetes. In sommige gevallen is het gebruik van DES de enige beschikbare optie voor behandeling. Voor onbeperkt gebruik van DES (dat zowel off-label als on-label indicaties omvat) geven individuele observationele studies geen sluitend beeld met betrekking tot veiligheidsaspecten in vergelijking met het gebruik van kale stents voor vergelijkbare indicaties. Er is echter ook een meta-analyse van observationele studies en gerandomiseerde klinische trials uitgevoerd door vooraanstaande onderzoekers. Hieruit lijkt onbeperkt gebruik van DES in vergelijking met kale stents niet te zijn geassocieerd met negatieve veiligheidsuitkomsten en wel met een hogere effectiviteit. Sommige nieuwe generatie DES zijn veiliger en hebben een hogere effectiviteit in vergelijking met de eerste generatie DES.
    • Off-labelgebruik van geneesmiddelen : Verkenning van de complexiteit en problematiek

      Weda M; Molto-Puigmarti CP; Vonk RAA; Hoebert JM; EVG; GZB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-01-17)
      Medicijnen kunnen worden voorgeschreven voor andere ziekten of groepen patiënten dan waar ze voor zijn goedgekeurd. Dat noemen we 'off-labelgebruik' en is onder voorwaarden wettelijk toegestaan. Dit wordt meestal gedaan wanneer er geen andere geschikte behandelmogelijkheden zijn. Zo komt off-labelgebruik bijvoorbeeld vaak voor bij kinderen of bij ernstige ziekten waarvoor nog geen goedgekeurde therapie bestaat. De mate waarin dit voorkomt verschilt per aandoening maar kan omvangrijk zijn. Off-labelgebruik van medicijnen voorziet dus in een medische behoefte, maar kan nog op meerdere punten worden verbeterd. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. In de praktijk blijkt bijvoorbeeld dat artsen hun patiënten niet altijd informeren en om toestemming vragen wanneer zij geneesmiddelen off-label voorschrijven, ook al zijn ze daar wettelijk toe verplicht. Verder is het belangrijk de kennis over off-labeltoepassingen toegankelijker te maken voor artsen en apothekers; deze kennis is nu versnipperd en niet altijd volledig beschikbaar. Om kennis te vergroten is het ook van belang beter bij te houden wat de werking en eventuele bijwerkingen van off-labelgebruik zijn. Het heeft uiteraard de voorkeur om off-labelgebruik van een medicijn on-label te maken. Hiervoor moet de geneesmiddelfabrikant het initiatief nemen om het bewijs voor de effectiviteit en veiligheid van het gebruik bij de overheid aan te leveren. Als een fabrikant dit initiatief niet neemt, wordt het off-label-gebruik niet genoemd in de bijsluiter. Fabrikanten zouden meer kunnen worden aangespoord om het bewijs te leveren. Ook zou onderzocht kunnen worden of dit initiatief door anderen dan de fabrikant genomen kan worden.
    • OKZ binnen bereik? De toegankelijkheid van ouder- en kindzorg in geografisch perspectief

      Verheij RA; Boven PF van; Kosterman F; VTV (2001-11-22)
      In welke mate zijn er regionale verschillen in de aansluiting tussen vraag en aanbod in de ouder- en kindzorg? Dat is de centrale vraag van het rapport "OKZ binnen bereik?" Met behulp van geografische kaarten is gekeken naar regionale verschillen in de spreiding van consultatiebureaus, de inzet van menskracht en de toedeling van financiele middelen in de ouder- en kindzorg. Het onderzoek laat onder andere zien dat het aantal consultatiebureaus in Nederland in de periode 1998-2000 met 4% is gedaald, maar ons land kent nog steeds een dicht net van consultatiebureaus. Een belangrijke aanbeveling geldt de verbetering van de informatievoorziening in de ouder- en kindzorg in het algemeen. Bijvoorbeeld regionale verschillen in het feitelijk gebruik van ouder- en kindzorg zijn op dit moment niet na te gaan. Het onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van VWS.
    • OKZ binnen bereik? De toegankelijkheid van ouder- en kindzorg in geografisch perspectief

      Verheij RA; Boven PF van; Kosterman F; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-11-22)
      To what extent do regional variations in supply match regional variations in demand in mother and child care? That is the question addressed in this report. Regional differences in physical accessibility of mother and child care, manpower and financial resources are examined by means of geographic maps.