• Raamprogramma 1984-1988 Nationaal onderzoeksprogramma hergebruik van afvalstoffen

      LAE; PEO (Stichting Projectbeheerbureau Energieonderzoek (PEO), 1985-08-31)
      Abstract not available
    • Raamwerk voor kwaliteitsborging van geintegreerde studies

      Bakkes JA; Helder JC; van der Giessen A; Strik JJTWA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1993-09-30)
      Integrated studies are - for example - the National Environmental Outlook and the Public Health Status and Forecasts. Especially through these studies the RIVM performs its role as an interface between policy and science. Quality assurance with respect to integrated studies should be based on: - Good Laboratory Practice (GLP) at the contributing RIVM Laboratories ; - quality assurance by external partners for their contributions ; - quality assurance regarding the completing, integrating and interpreting process that produces the eventual report. Quality assurance regarding the process that integrates the various contributions should take into account that the procedures cannot always be exactly described beforehand. Also the starting material by necessity offers a broad spectrum of scientific robustness, ranging from hard to soft, because a broad area has to be described in an integral manner. Therefore, the nature of the quality assurance is different from the usual GLP at the RIVM. The quality assurance regarding the integration process can best be organized analogous to quality assurance regarding research. This gives priority to the ability to reconstruct the basis of the report and the deductions that have led to the conclusions, rather than working via Standard Operating Procedures.<br>
    • Radiation Vulcanised Natural Rubber Latex: safer than conventionally processed latex?

      Geertsma RE; Orzechowski TJH; Jonker M; Dorpema JW; Asten JAAM van; LGM (1996-09-30)
      Cytotoxicity testing has shown that RVNRL (Radiation Vulcanised Natural Rubber Latex) materials are considerably less cytotoxic than sulphur-vulcanised materials. This is a strong indication that part of the allergy problems, namely the so-called Type IV-allergies which can be caused by chemicals, will not occur with RVNRL products. Also the effect of applying different leaching times during the production process was investigated. This showed that leaching is important, but the complete effect is reached within one hour. Longer leaching times did not further reduce cytotoxicity. Protein testing has shown that some, but not all proteins are destroyed during irradiation. For the total protein content of the materials as determined in this way, the effect of leaching proved to be very important. This was also checked with SDS-PAGE assays: After irradiation a smear was observed, and when the irradiated material had been leached, most of the smear had disappeared. An important protein (14 kD), which is known to be one of the major latex allergens, was still present and seemed hardly to be affected. The materials have also been evaluated clinically, using well characterised patient sera (Western blotting) in order to determine whether the remaining proteins were allergenic. As far as Type I-allergies which can be caused by latex proteins are concerned, no significant difference with sulphur vulcanised products could be established.
    • Radioactief jodium in huishoudelijk afval. Een verkenning

      Stoop P; Bader S; Tanzi CP; Waard-Schalkx IR de; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-07-09)
      Workers in homecare and nursing homes are occasionally exposed to the radioactive drug iodine-131. Still, it is unlikely that dose limits are exceeded, provided that sanitary procedures are followed. This is shown in a pilot study by RIVM carried out after a number of radiation alerts at the household waste incinerator in Dordrecht between April 2008 and April 2009. The radiation originated from iodine-131 in diapers and similar waste from patients that had been treated for thyroid disorders. For this pilot study, five hospitals have been visited, and data were obtained from the environmental inspectorate. Based on this, scenarios were drawn up and dose estimates were made for workers. Two explanations are given for the unexpected presence of iodine-131 in household waste. First iodine-131 therapy is not allowed for outpatients if they are incontinent, but it is still done. Second, early release of patients treated with high doses may occur more often in some hospitals. In Germany, iodine therapy of outpatients is not allowed at all. In view of the limited risks, such a total ban seems unjustifiable in the Netherlands. To keep the risks for others to a minimum, hospitals should exercise restraint on sending incontinent patients home early.
    • Radioactiviteit in Nederlandse gebruiksartikelen

      Janssen MPM; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-07-15)
      In het kader van een algehele herberekening van de gemiddelde stralenbelasting van de Nederlandse bevolking is onderzoek uitgevoerd naar de stralenbelasting door gebruiks-artikelen. Voor elf categorien van gebruiksartikelen, die 1988 90% van de door gebruiks-artikelen veroorzaakte collectieve dosis vertegenwoordigden, zijn gegevens verzameld over het type product, de activiteit per product, de reden waarom radioactiviteit wordt of werd toegepast, en het aantal van dit soort producten dat in Nederland gebruikt wordt. Op basis van deze gegevens is de collectieve stralendosis per categorie opnieuw ingeschat. De bijdrage van gebruiksartikelen in de totale Nederlandse collectieve dosis werd voor 1988 geschat op 130 mensSv per jaar. De huidige door radioactieve gebruiksartikelen veroorzaakte bijdrage bedraagt naar schatting 4,6 mensSv per jaar. Deze opmerkelijke reductie blijkt te zijn veroorzaakt door afname van het werkelijk gebruikte aantal radioactieve producten (gloeikousjes), door een lagere inschatting van het aantal op basis van nieuwe gegevens (cameralenzen, radiumhoudende rookmelders), door vervanging van radioactieve door niet-radioactieve producten (gloeikousjes, tandprothesen), door het niet voorkomen van een bepaald product op de Nederlandse consumentenmarkt (laselektroden, antistatische middelen), en door een lagere inschatting van het dosistempo, namelijk op basis van meetgegevens in plaats van een 'worst case' benadering (rookmelders, beeldschermen). Er was voor de meeste onderzochte gebruiksartikelen geen significante afname van de activiteit. Samenvattend wordt 60-70% van de reductie veroorzaakt door een reeele afname van het aantal radioactieve producten. Het resterende percentage wordt veroorzaakt door een lagere inschatting van het aantal producten en het dosistempo op basis van nieuwe gegevens. De grootste dosisreductie werd gerealiseerd doordat het huidige aantal radioactieve gloeikousjes veel lager is dan in het verleden. De bijdrage van gloeikousjes in de collectieve dosis daalde hierdoor van 70 mensSv in 1988 naar 2 mensSv per jaar nu. Het totaal aantal gloeikousjes is met circa een factor 3 gedaald, waarvan naar schatting nog slechts 1/10e radioactief is. Een verdere daling in de bijdrage van gebruiksartikelen is te verwachten, aangezien een aantal producten zal worden opgenomen in een lijst met niet-gerechtvaardigde toepassingen volgens het nieuwe Besluit Stralingsbescherming.
    • Radioactiviteit in Nederlandse gebruiksartikelen

      Janssen MPM; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-07-15)
      This study took place within the framework of a general update of the average radiation dose for the Dutch population. It focuses on consumer products in which radionuclides have been intentionally incorporated and on radiation-emitting devices that can be supplied to members of the public without special surveillance. Eleven consumer products were studied in more detail. The radiation from these products determined 90% of the total collective dose due to consumer products in the Netherlands in 1988. Individual and collective doses are presented here for each product. The total collective dose has decreased from 130 personSv in 1988 to 4.6 personSv at present. This reduction was attributed to: a decrease in the number of radioactive products (gas mantles), lower estimates of the number of radioactive products present in the Netherlands thanks to new information (camera lenses, smoke detectors containing Ra-226), replacement of radioactive by non-radioactive products (gas mantles, dental protheses), and a lower estimate of the dose rate for certain products (smoke detectors, VDT). Some products were shown to be unavailable on the Dutch consumer market because importing and selling them was prohibited (antistatic brushes) or because the products were only available for professional users (TIG welding electrodes). Only a few products showed a significant change in radionuclide content. In summary, 60-70% of the reduction is due to a realistic decrease in the number of radioactive products. The remaining 30-40% is due to a better estimation of the number of products and the dose rate. The largest reduction of the total collective dose was realised through the decrease in the number of radioactive gas mantles. The contribution of gas mantles to the collective dose has decreased from 70 personSv in 1988 to 2 personSv per year at present. The total number of gas mantles has decreased by a factor of three of which still 1/10th is radioactive. A further reduction in the contribution of consumer products is to be expected as a number of radioactive products will be placed on a list of non-justified applications as a result of the new Dutch Radiation Protection Act.<br>
    • Radioactiviteit in schroot : Risicoclassificering en veiligheidsmaatregelen

      Stoop P; Overwater RMW; Roobol LP; M&M; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-11-28)
      Scrap metal is traded all over the world and regularly contains radioactive material. The entrances of scrap yards are equipped with detector gates to trace radioactive material in containers. After detection of such materials, so-called 'first aid companies', employing radiation protection experts, have to be called in to find out what kind of radioactivity caused the alarm to be raised, and to locate the item's position within the container, after which they can secure the item. Research conducted by RIVM shows that scrapyard employees could locate the items themselves in many cases, while 'unpacking' the container. This way, the scrapyard personnel does not have to delay unpacking the container until the 'first aid company' has arrived, so their normal procedure for receiving containers can be followed. Nevertheless, the radioactive material will still have to be characterized by specialists, after which it can be disposed of. The Ministry of Economic Affairs commissioned RIVM to develop a method with which the employees of a scrapyard can decide when they can unpack a container themselves, and when specialized help is required. RIVM has defined some conditions to ensure the safety of the employees. The scrapyard has to have the correct monitoring equipment to detect the various kinds of radiation. In addition to that, precautionary measures will be necessary in some cases to prevent radioactive dust from spreading, or employees from being contaminated. Examples of such measures are protective clothing, a face mask and gloves. Finally, employees must possess sufficient knowledge, e.g., to recognize radioactive material in the scrap and to isolate contaminated objects. The method was developed for containers with stainless steel. Radioactive materials are found most often in this type of load. Using this method, the scrapyards can deal with about 75% of the alarm calls with stainless steel scrap themselves.
    • Radioecologie van en stralingsbelasting door Nederlands afvalgips in het buitenmilieu

      Koster; H.W.; Weers; A.W.van* (1985-06-30)
      Abstract not available
    • Radioimmunochemisch onderzoek naar de aanwezigheid van stilbeenderivaten in slachtdieren. IX. De bepaling van diethylstilbestrol in gal na zuivering via hoge druk vloeistofchromatografie

      Jansen EHJM; van Blitterswijk H; Stephany RW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1984-07-17)
      Een radioimmunochemische bepalingsmethode (RIA) voor diethylstilbestrol (DES) in rundergal werd ontwikkeld door gebruikmaking van hoge druk vloeistofchromatografie (HPLC). De HPLC-zuiveringsstap werd geautomatiseerd. Met deze procedure kunnen 36 monsters binnen 24 uur gezuiverd worden. Indien gewenst kunnen ook dienestrol en hexestrol bepaald worden. Monsters gal en urine zijn geanalyseerd, afkomstig van een RIV/IVVO modelproef met 24 vleesstieren. De DES-gehalten in urine en gal blijken een goede correlatie op te leveren. De DES-gehalten in gal liggen gemiddel hoger dan die in urine (een factor 2 tot 5). Vooral bij de lage gehalten is dit verschil het grootst. Om deze redenen is gal evenals urine geschikt als onderzoeksmateriaal om illegaal gebruik van DES bij runderen aan te tonen.
    • De radioimmunochemische bepaling van de prostaglandines E2 en F2alfa

      Elvers LH; Smit PJ; Loeber JG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1986-01-31)
      In het kader van het onderzoek naar het werkingsmechanisme van de tumorpromotor activiteit van chemische stoffen (LCM, project 658113) werden radioimmunochemische bepalingsmethoden (RIA) voor de prostaglandines E2 (PGE2) en F2alfa (PGF2alfa) ontwikkeld. Het onderzoeksmateriaal, celextracten en media, bevatte naast PGE2 en PGF2afla onder andere ook PGE1 en PGF1alfa. Door de sterke kruisreactie van het anti-PGE2alfa-serum met PGE1 (11%) en het anti- PGF2alfa-serum met PGF1alfa (25%) was een HPLC-voorzuivering van de monsters noodzakelijk. Deze hoge kruisreactie maakte het echter ook mogelijk om in gefractioneerde monsters met de PGE2- en de PGF2alfa-RIA eveneens PGE1 respectievelijk PGF1alfa te bepalen. De kwantificering van de afzonderlijke PG's werd door de noodzakelijke HPLC-voorzuivering echter dusdanig arbeidsintensief dat besloten werd dit facet van het tumor-promotor onderzoek voorlopig op te schorten.<br>
    • Radiologisch onderzoek bij kinderen : Inventarisatie van de Nederlandse praktijk met de focus op dosis-reducerende maatregelen

      Bijwaard H; Valk D; ABI; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-06-02)
      By order of the Health Inspectorate, the National Institute for Public Health and the Environment has investigated radiation protection in paediatric radiology. This research was motivated by recent scientific findings that indicate that the radiation hazards for children are higher than previously thought. A striking observation from this research are the large differences in practices between hospitals. Paediatric hospitals use special child protocols for radiological examinations, whereas general hospitals not always have these. Apart from that, radiation protection measures differ between hospitals. Furthermore, the number of high dose examinations has risen sharply over the past years. Examples are CT scans and fluoroscopic procedures, in which the patient is imaged in real time during an operation. Especially the rise in the number of CT scans by 80% with respect to 2005, is remarkable. This rise has also been observed for examinations of adults. Finally, in approximately half of the hospitals the applied doses are not compared to the so-called Diagnostic Reference Levels (DRLs) for children. This is probably due to the small number of children that is being examined: for this comparison a minimum of 20 children is needed. In hospitals that do compare to the DRLs, these are exceeded in one in five cases. DRLs are meant to give an indication of an acceptable dose, with which an appropriate radiological image can be obtained. For heavy patients and complex procedures DRLs can be exceeded. Radiology departments are not obliged to adhere to the DRLs. The reasons for the rise in paediatric examinations are unknown. It is important to clarify these. Apart from that, the small number of comparisons to the DRLs and their regular exceedance, deserve further attention. In addition, it is recommended to spread the knowledge of paediatric hospitals to the general hospitals in order to bring all hospitals up to date with the state of the art.
    • Radiologische aspecten van opslag en lozing van afvalstoffen door de fosfaatindustrie

      Eggink GJ; LSO (1995-03-31)
      The production of phosphate fertilizers from phosphate rock following the wet process leads to the generation of phosphogypsum containing large amounts of natural radionuclides. The removal of radionuclides from the gypsum occurs only on a limited scale. The majority is stockpiled on land or discharged into the surface water. Europe produced in 1991 in total over 4 Mton of P2O5, with an estimated 19 Mton of phosphogypsum. Since 1987 the total European production of phosphate fertilizers decreased. For nine European countries detailed information on phosphogypsum production is obtained: Belgium, France, Germany, the Netherlands, Norway, Portugal, Spain, Sweden and Great Britain. In 1991 they generated together an estimated 11.8 Mton of phosphogypsum, which is about 63% of the total European production. 27% is discharged into rivers and seas (3.2 Mton) and 68% is stockpiled on land in special dumpsites (8 Mton). In Belgium the remaining 5% (0.6 Mton) is processed with the aid of a special installation into products suitable to be used in building materials, for road construction etc. The estimated activity (in GBq), discharged in 1991 by the nine countries mentioned above into surface water or stored on land is reported.
    • Radiologische aspecten van opslag en lozing van afvalstoffen door de fosfaatindustrie

      Eggink GJ; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-03-31)
      Bij de produktie van fosfaatkunstmest uit fosfaaterts komt fosfogips vrij. Dit fosfogips mag door zijn hoge radioactiviteit niet direct verwerkt worden. De verwijdering van radionucliden uit het ruwe gips vindt nog slechts op zeer geringe schaal plaats. Het overgrote deel wordt op land opgeslagen in speciale depots, of in oppervlaktewater geloosd. Europa produceerde in 1991 fosfaatkunstmest met in totaal ruim 4 Mton P2O5, hetgeen gepaard ging met een geschatte fosfogipsproduktie van 19 Mton. De totale Europese fosfaatkunstmestproduktie neemt af sinds 1987. Van negen landen waarvan in het kader van dit onderzoek gedetailleerde kwantitatieve gegevens zijn aangetroffen (Belgie, Frankrijk, Duitsland, Nederland, Noorwegen, Portugal, Spanje, Zweden en Groot-Brittannie) bedroeg in 1991 de gezamenlijke geschatte fosfogipsproduktie ca 11,8 Mton (deze landen produceerden samen ca 63% van de totale Europese fosfogipsproduktie). Hiervan werd 27% geloosd in het oppervlaktewater (3,2 Mton) ; 68% werd op land opgeslagen (8 Mton), en 5% (0,6 Mton) werd verder verwerkt tot produkten die geschikt zijn voor gebruik in de bouw, wegenaanleg etc. Dit laatste vond voor zover bekend uitsluitend plaats in Belgie, door toepassing van een gipsconditioneringsinstallatie, waarmee o.a. radionucliden uit het fosfogips worden verwijderd. De geschatte activiteit (in GBq) geloosd in water respectievelijk opgeslagen op land door genoemde landen in 1991 wordt gegeven.
    • Radiologische consequenties van zinkrijke filterkoek bij Hoogovens Staal te IJmuiden (een voorbeeldstudie)

      Laheij GMH; Eggink GJ; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-08-31)
      In accordance with the revised Euratom 'basic safety standards', the Member States have to fill in the details of their own radiation protection policy on radionuclides from natural sources. In this framework the radiological consequences of zinc-rich filter cake at a storage facility of the steelplant Hoogovens Staal, in IJmuiden were investigated in a model study. Also investigated were the consequences of possible transport of the filter cake to a storage facility in the country. The radiation dose was calculated for Hoogovens workers and for members of the population. For workers, the relevant exposure pathways are inhalation of resuspended filter cake, direct ingestion of filter cake and external radiation. Relevant exposure pathways for members of the population are inhalation of resuspended filter cake, ingestion of green vegetables on which resuspended filter cake is deposited and external radiation, which for workers at the storage facility the radiation dose is 7 uSv/a. The radiation dose for drivers during transport and for workers at a C3-storage facility depends strongly on whether the material is immobilized or not. The maximum radiation dose for both the transport and storage is expected to be almost equal to the radiation dose for workers at the storage facility at Hoogovens. For members of the population living around the storage facility at Hoogovens, the radiation dose is 3.6 uSv/a. Here too, the radiation dose at the storage facility depends strongly on whether the material is immobilized or not. During transport no radiation dose above the secondary level of 0.4 uSv/a is expected due to the short exposure times.<br>
    • Radium in baggerspecie afkomstig uit het Rijnmondgebied; resultaten over 1997

      Lembrechts J; Glastra P; Stoop P; LSO (1998-02-28)
      Eighteen sediment samples collected in 1997 in the harbours and waterways of the Rhine delta were analysed for their 226Ra content and grain-size distribution. The effect of the emissions from the phosphate-processing industries on the 226Ra content could be inferred on the basis of these data. As observed in previous monitoring campaigns, the influence of this industry is greatest in and nearby the first and second petroleum harbours. Increases in the 226Ra content of up to 211 Bq/kg were measured in comparison to background levels of 22 to 46 Bq/kg. Approximately 13% of the released 226Ra is deposited in the harbours and waterways. Samples collected once every year were found to reflect the long-term trend in the emissions.
    • Radium in baggerspecie afkomstig uit het Rijnmondgebied

      Bijwaard H; Overwater RMW; Glastra P; Nissan LA; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-08-07)
      In 2002 zijn wederom havenspeciemonsters verzameld in de Rotterdamse havens en in de Nieuwe Waterweg. Van 25 monsters is het 226Ra-gehalte bepaald. Zoals ook in eerdere meetcampagnes is vastgesteld, worden hoge radiumgehalten gevonden in de omgeving van de voormalige lozingspunten van de fosfaatertsverwerkende industrieen. In de meetcampagne van 2002 is het hoogste 226Ra-gehalte, circa 209 Bq kg-1, gevonden in een mengmonster afkomstig uit een vak gelegen in de Nieuwe Maas (NM-2). Uit resultaten van internationale ringonderzoeken is gebleken dat de voorheen gerapporteerde radiumgehalten zijn overschat. De oorzaak daarvan lag in het niet geheel lekdicht zijn van de eertijds gebruikte kalibratiemonsters, waardoor een fractie van het radongas ontsnapte. Na herziening van de kalibratiemethode bleek de overschatting 16% te bedragen. De verbeterde kalibratiemethode heeft ook geleid tot een aanpassing in de berekening van de natuurlijke radiumgehalten in slibmonsters, zoals die vanaf 1998 plaatsvond. In dit rapport worden naast de nieuwe waarden voor 2002, alle gecorrigeerde waarden voor de periode 1994-2001 gegeven. Hoewel de eerder gerapporteerde overschotgehalten aan Ra-226 iets zijn verminderd, is de trend ongewijzigd gebleven en leiden de gecorrigeerde waarden niet tot andere conclusies. De totale hoeveelheid radium van industriele oorsprong, in negen frequent onderzochte vakken met de hoogste radiumgehalten, blijkt gemiddeld over 2000-2002 ongeveer de helft te bedragen van het gemiddelde over de periode 1995-1997. Daarmee lijkt het stoppen van de lozingen eind 1999/begin 2000 er ook inderdaad toe te hebben geleid dat het overschotgehalte aan radium in het havenslib is afgenomen.
    • Radium in baggerspecie afkomstig uit het Rijnmondgebied. Resultaten over 2001

      Lembrechts J; Glastra P; Nissan LA; Overwater RMW; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-04-05)
      Van 25 havenspeciemonsters is het Ra-226-gehalte bepaald. De monsters zijn in 2001 verzameld in de Rotterdamse havens en in de Nieuwe Waterweg. Zoals ook in eerdere meetcampagnes is vastgesteld, worden hoge radiumgehaltes gevonden in de omgeving van de voormalige lozingspunten van de fosfaatertsverwerkende industrieen. Het hoogste Ra-226-gehalte, circa 150 Bq/kg, is gevonden in een mengmonster afkomstig uit een vak gelegen in de Nieuwe Maas (NM-2). Uit de korrelgrootteverdeling van de monsters is afgeleid hoeveel radium van nature in elk ervan verwacht wordt en dus hoeveel mogelijk van industriele oorsprong moet zijn. De totale hoeveelheid radium van industriele oorsprong, in negen frequent onderzochte vakken met hoogste radiumgehalte, blijkt gemiddeld over 1999-2001 nog slechts de helft te bedragen van het gemiddelde over de periode 1995-1998.