• Raamprogramma 1984-1988 Nationaal onderzoeksprogramma hergebruik van afvalstoffen

      LAE; PEO (Stichting Projectbeheerbureau Energieonderzoek (PEO), 1985-08-31)
      Abstract not available
    • Raamwerk voor kwaliteitsborging van geintegreerde studies

      Bakkes JA; Helder JC; van der Giessen A; Strik JJTWA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1993-09-30)
      Integrated studies are - for example - the National Environmental Outlook and the Public Health Status and Forecasts. Especially through these studies the RIVM performs its role as an interface between policy and science. Quality assurance with respect to integrated studies should be based on: - Good Laboratory Practice (GLP) at the contributing RIVM Laboratories ; - quality assurance by external partners for their contributions ; - quality assurance regarding the completing, integrating and interpreting process that produces the eventual report. Quality assurance regarding the process that integrates the various contributions should take into account that the procedures cannot always be exactly described beforehand. Also the starting material by necessity offers a broad spectrum of scientific robustness, ranging from hard to soft, because a broad area has to be described in an integral manner. Therefore, the nature of the quality assurance is different from the usual GLP at the RIVM. The quality assurance regarding the integration process can best be organized analogous to quality assurance regarding research. This gives priority to the ability to reconstruct the basis of the report and the deductions that have led to the conclusions, rather than working via Standard Operating Procedures.<br>
    • Radiation Vulcanised Natural Rubber Latex: safer than conventionally processed latex?

      Geertsma RE; Orzechowski TJH; Jonker M; Dorpema JW; Asten JAAM van; LGM (1996-09-30)
      Door middel van cytotoxiciteitstesten is aangetoond dat RVNRL (straling-gevulcaniseerde natuurlijke latex rubber) materialen aanzienlijk minder cytotoxisch zijn dan zwavel-gevulcaniseerde materialen. Dit is een sterke aanwijzing dat een deel van de allergieproblemen, namelijk de zogeheten Type IV-allergieen die kunnen worden veroorzaakt door chemicalien, bij RVNRL producten niet zal optreden. Daarnaast is het effect van de toepassing van verschillende leach-tijden onderzocht. Het bleek dat leachen belangrijk is, maar dat het volledige effect al binnen een uur bereikt is. Langere leach-tijden leverden geen verdere reductie van cytotoxiciteit op. Eiwittesten hebben aangetoond dat sommige, maar niet alle eiwitten door de bestraling worden vernietigd. Voor het op deze manier bepaalde totale eiwitgehalte bleek het effect van leachen erg belangrijk. Dit werd ook onderzocht met behulp van SDS-PAGE testen: na bestraling wordt een smeer waargenomen, en na leachen van het bestraalde materiaal is het grootste deel van de smeer verdwenen. Een belangrijk eiwit (14 kD), dat een van de bekende 'major allergens' in latex is, is nog wel aanwezig en lijkt nauwelijks beinvloed te zijn. De materialen zijn ook klinisch ge-evalueerd met gebruik van goed gekarakteriseerde sera (Western Blotting), om te bepalen of de overgebleven eiwitten allergeen zijn. Wat betreft de Type I-allergieen die kunnen worden veroorzaakt door latexeiwitten, kon geen significant verschil met zwavel-gevulcaniseerde producten worden vastgesteld.
    • Radioactief jodium in huishoudelijk afval. Een verkenning

      Stoop P; Bader S; Tanzi CP; Waard-Schalkx IR de; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-07-09)
      Werknemers in de thuis- en verpleegzorg en vuilnisophalers komen soms zonder dat te weten in aanraking met de radioactieve stof jodium-131. Toch is het niet aannemelijk dat zij aan een te hoge stralingsdosis blootstaan. Voorwaarde is, dat ze de normale hygienische voorschriften naleven. Dit blijkt uit verkennend onderzoek van het RIVM. Aanleiding is een tiental stralingsmeldingen bij een afvalverbrandingsinstallatie voor huishoudelijk afval in Dordrecht tussen april 2008 en april 2009. De straling was afkomstig van jodium-131 in incontinentiemateriaal en ander afval van patienten die met deze radioactieve stof zijn behandeld wegens een schildklierafwijking. Voor het onderzoek zijn vijf ziekenhuizen bezocht en zijn gegevens van de VROM-Inspectie gebruikt. Op basis hiervan heeft het RIVM scenario's opgesteld waarmee dosisschattingen voor werknemers zijn gemaakt. Deze schattingen zijn gebaseerd op de veronderstelling dat de hoeveelheid jodium-131 in incontinentiemateriaal niet groter is dan tot nu toe in het huishoudelijk afval is waargenomen. Er zijn twee mogelijke verklaringen voor de aanwezigheid van jodium-131 in het incontinentiemateriaal. Incontinente patienten mogen in Nederland niet poliklinisch met jodium-131 worden behandeld, maar in de praktijk gebeurt dat toch. De eerste 24 uur na de behandeling bevat de urine van deze patienten relatief veel van deze radioactieve stof. Een tweede verklaring zou kunnen zijn dat patienten die met een hoge dosering zijn behandeld, in sommige ziekenhuizen vaker vervroegd worden ontslagen. In Duitsland is poliklinische behandeling met jodium-131 niet toegestaan. Gezien de beperkte risico's lijkt een dergelijk totaalverbod in Nederland niet te rechtvaardigen. Om de risico's voor derden laag te houden, zou men bij incontinente patienten terughoudend moeten zijn met poliklinische behandeling en vervroegd ontslag.
    • Radioactiviteit in Nederlandse gebruiksartikelen

      Janssen MPM; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-07-15)
      This study took place within the framework of a general update of the average radiation dose for the Dutch population. It focuses on consumer products in which radionuclides have been intentionally incorporated and on radiation-emitting devices that can be supplied to members of the public without special surveillance. Eleven consumer products were studied in more detail. The radiation from these products determined 90% of the total collective dose due to consumer products in the Netherlands in 1988. Individual and collective doses are presented here for each product. The total collective dose has decreased from 130 personSv in 1988 to 4.6 personSv at present. This reduction was attributed to: a decrease in the number of radioactive products (gas mantles), lower estimates of the number of radioactive products present in the Netherlands thanks to new information (camera lenses, smoke detectors containing Ra-226), replacement of radioactive by non-radioactive products (gas mantles, dental protheses), and a lower estimate of the dose rate for certain products (smoke detectors, VDT). Some products were shown to be unavailable on the Dutch consumer market because importing and selling them was prohibited (antistatic brushes) or because the products were only available for professional users (TIG welding electrodes). Only a few products showed a significant change in radionuclide content. In summary, 60-70% of the reduction is due to a realistic decrease in the number of radioactive products. The remaining 30-40% is due to a better estimation of the number of products and the dose rate. The largest reduction of the total collective dose was realised through the decrease in the number of radioactive gas mantles. The contribution of gas mantles to the collective dose has decreased from 70 personSv in 1988 to 2 personSv per year at present. The total number of gas mantles has decreased by a factor of three of which still 1/10th is radioactive. A further reduction in the contribution of consumer products is to be expected as a number of radioactive products will be placed on a list of non-justified applications as a result of the new Dutch Radiation Protection Act.
    • Radioactiviteit in Nederlandse gebruiksartikelen

      Janssen MPM; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-07-15)
      In het kader van een algehele herberekening van de gemiddelde stralenbelasting van de Nederlandse bevolking is onderzoek uitgevoerd naar de stralenbelasting door gebruiks-artikelen. Voor elf categorien van gebruiksartikelen, die 1988 90% van de door gebruiks-artikelen veroorzaakte collectieve dosis vertegenwoordigden, zijn gegevens verzameld over het type product, de activiteit per product, de reden waarom radioactiviteit wordt of werd toegepast, en het aantal van dit soort producten dat in Nederland gebruikt wordt. Op basis van deze gegevens is de collectieve stralendosis per categorie opnieuw ingeschat. De bijdrage van gebruiksartikelen in de totale Nederlandse collectieve dosis werd voor 1988 geschat op 130 mensSv per jaar. De huidige door radioactieve gebruiksartikelen veroorzaakte bijdrage bedraagt naar schatting 4,6 mensSv per jaar. Deze opmerkelijke reductie blijkt te zijn veroorzaakt door afname van het werkelijk gebruikte aantal radioactieve producten (gloeikousjes), door een lagere inschatting van het aantal op basis van nieuwe gegevens (cameralenzen, radiumhoudende rookmelders), door vervanging van radioactieve door niet-radioactieve producten (gloeikousjes, tandprothesen), door het niet voorkomen van een bepaald product op de Nederlandse consumentenmarkt (laselektroden, antistatische middelen), en door een lagere inschatting van het dosistempo, namelijk op basis van meetgegevens in plaats van een 'worst case' benadering (rookmelders, beeldschermen). Er was voor de meeste onderzochte gebruiksartikelen geen significante afname van de activiteit. Samenvattend wordt 60-70% van de reductie veroorzaakt door een reeele afname van het aantal radioactieve producten. Het resterende percentage wordt veroorzaakt door een lagere inschatting van het aantal producten en het dosistempo op basis van nieuwe gegevens. De grootste dosisreductie werd gerealiseerd doordat het huidige aantal radioactieve gloeikousjes veel lager is dan in het verleden. De bijdrage van gloeikousjes in de collectieve dosis daalde hierdoor van 70 mensSv in 1988 naar 2 mensSv per jaar nu. Het totaal aantal gloeikousjes is met circa een factor 3 gedaald, waarvan naar schatting nog slechts 1/10e radioactief is. Een verdere daling in de bijdrage van gebruiksartikelen is te verwachten, aangezien een aantal producten zal worden opgenomen in een lijst met niet-gerechtvaardigde toepassingen volgens het nieuwe Besluit Stralingsbescherming.<br>
    • Radioactiviteit in schroot : Risicoclassificering en veiligheidsmaatregelen

      Stoop P; Overwater RMW; Roobol LP; M&M; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-11-28)
      Schroot wordt over de hele wereld verhandeld en bevat regelmatig radioactief materiaal. Schrootbedrijven zijn aan de ingang uitgerust met detectiepoorten om radioactief materiaal in containers op te sporen. Als de poort alarm slaat, moeten zogeheten EHBO-bedrijven met specialisten op het gebied van stralingshygiëne worden ingeschakeld om te achterhalen wat voor radioactiviteit het alarm veroorzaakte en waar het zich in de container bevindt, waarna zij het veiligstellen. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat schrootbedrijven in veel gevallen zelf de bron van straling uit het schroot kunnen opsporen als de container wordt 'uitgepakt'. Op deze manier hoeft het bedrijf niet met uitpakken te wachten tot het EHBO-bedrijf arriveert en kan de container het normale verwerkingsproces doorlopen. Wel moet het radioactieve materiaal dan nog steeds door specialisten worden gekarakteriseerd, waarna het kan worden afgevoerd. In opdracht van het ministerie van Economische Zaken heeft het RIVM een methode ontwikkeld waarmee de medewerkers van het schrootbedrijf kunnen bepalen wanneer ze zelf de lading kunnen uitpakken en wanneer daarvoor gespecialiseerde hulp nodig is. Het RIVM stelt wel enkele voorwaarden om de veiligheid van de medewerkers te waarborgen. Het schrootbedrijf moet over de juiste meetapparatuur beschikken om verschillende soorten straling te kunnen meten. Daarnaast zijn in bepaalde gevallen voorzorgsmaatregelen nodig om te voorkomen dat radioactief stof wordt verspreid of dat de werknemers besmet raken. Voorbeelden zijn beschermende kleding, een mondkap en handschoenen. Ten slotte moeten de medewerkers over de juiste kennis beschikken om bijvoorbeeld radioactief materiaal in het schroot te kunnen herkennen en besmette objecten te isoleren. De methode is ontwikkeld voor containers met roestvast staal (RVS). Hierin wordt het vaakst radioactiviteit aangetroffen. De schrootbedrijven kunnen met deze methode circa 75 procent van de alarmen bij containers met RVS-schroot zelf afhandelen.
    • Radioactiviteit van fosfaaterts en fosforslakken van Hoechst te Vlissingen

      Mattern; F.C.M. (1984-12-18)
      Uit de onderzoeksresultaten blijkt dat de activiteitsconcentraties aan 238-U en 226-Ra zowel in fosfaaterts als in de daaruit bereide pellets en in de fosforslak vrijwel gelijk zijn en liggen tussen de 1,1 en 1,5 kBq/kg. In het erts zijn 210-Pb en 210-Po vrijwel in evenwicht met het 226-Ra. In de pellets is de 210-Pb-concentratie sterk verhoogd, waarschijnlijk als gevolg van het bijmengen van retourmaterialen. De 210-Pb- en 210-Po-concentraties in de slakken bedragen slechts enkele procenten van die in het erts. De 210-Pb-gehalten werden vergeleken met die van stabiel Pb. De verhouding 210-Pb/Pb in de slakken (ca. 10 kBq/g) blijkt veel lager dan de verhouding in het erts of in de pellets (72 kBq/g).
    • Radioecologie van en stralingsbelasting door Nederlands afvalgips in het buitenmilieu

      Koster; H.W.; Weers; A.W.van* (1985-06-30)
      In Nederland ontstaan ten gevolge van industriele activiteiten 9 soorten afvalgips, 90% van de totale hoeveelheid hiervan is fosfogips. Alleen de afvalgipssoorten uit de fosfaatindustrien hebben verhoogde radioactiviteit, fosfogips het sterkst. Al het fosfogips, 2 Tg.a-1, wordt geloosd op de Nieuwe Waterweg. Langs de Nederlandse kust veroorzaakt het een toename van de radionucliden uit de U-238 reeks. De toename van de stralingsbelasting hierdoor, via consumptie van visserijprodukten is berekend op 170 manSv.a-1 voor de gehele Nederlandse bevolking en voor een persoon op maximaal 150 muSv.a-1. Bij landopslag van fosfogips is de stralingsbelasting een orde van grootte minder. Bij gebruik van fosfogips in bouwmateriaal worden de fijne en grove frakties niet verwerkt, de behoefte zal blijven bestaan om deze te lozen of op te slaan.
    • Radioimmunochemisch onderzoek naar de aanwezigheid van stilbeenderivaten in slachtdieren. IX. De bepaling van diethylstilbestrol in gal na zuivering via hoge druk vloeistofchromatografie

      Jansen EHJM; van Blitterswijk H; Stephany RW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1984-07-17)
      Een radioimmunochemische bepalingsmethode (RIA) voor diethylstilbestrol (DES) in rundergal werd ontwikkeld door gebruikmaking van hoge druk vloeistofchromatografie (HPLC). De HPLC-zuiveringsstap werd geautomatiseerd. Met deze procedure kunnen 36 monsters binnen 24 uur gezuiverd worden. Indien gewenst kunnen ook dienestrol en hexestrol bepaald worden. Monsters gal en urine zijn geanalyseerd, afkomstig van een RIV/IVVO modelproef met 24 vleesstieren. De DES-gehalten in urine en gal blijken een goede correlatie op te leveren. De DES-gehalten in gal liggen gemiddel hoger dan die in urine (een factor 2 tot 5). Vooral bij de lage gehalten is dit verschil het grootst. Om deze redenen is gal evenals urine geschikt als onderzoeksmateriaal om illegaal gebruik van DES bij runderen aan te tonen.
    • De radioimmunochemische bepaling van de prostaglandines E2 en F2alfa

      Elvers LH; Smit PJ; Loeber JG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1986-01-31)
      In het kader van het onderzoek naar het werkingsmechanisme van de tumorpromotor activiteit van chemische stoffen (LCM, project 658113) werden radioimmunochemische bepalingsmethoden (RIA) voor de prostaglandines E2 (PGE2) en F2alfa (PGF2alfa) ontwikkeld. Het onderzoeksmateriaal, celextracten en media, bevatte naast PGE2 en PGF2afla onder andere ook PGE1 en PGF1alfa. Door de sterke kruisreactie van het anti-PGE2alfa-serum met PGE1 (11%) en het anti- PGF2alfa-serum met PGF1alfa (25%) was een HPLC-voorzuivering van de monsters noodzakelijk. Deze hoge kruisreactie maakte het echter ook mogelijk om in gefractioneerde monsters met de PGE2- en de PGF2alfa-RIA eveneens PGE1 respectievelijk PGF1alfa te bepalen. De kwantificering van de afzonderlijke PG's werd door de noodzakelijke HPLC-voorzuivering echter dusdanig arbeidsintensief dat besloten werd dit facet van het tumor-promotor onderzoek voorlopig op te schorten.<br>
    • Radiologisch onderzoek bij kinderen : Inventarisatie van de Nederlandse praktijk met de focus op dosis-reducerende maatregelen

      Bijwaard H; Valk D; ABI; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-06-02)
      In opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft het RIVM onderzoek gedaan naar stralingsbescherming in de kinderradiologie. Volgens recente wetenschappelijke inzichten zijn de risico's van ioniserende straling voor kinderen namelijk groter dan eerder werd gedacht. Ten eerste valt op hoe verschillend ziekenhuizen te werk gaan. Zo worden in kinderziekenhuizen speciale kinderprotocollen voor radiologische verrichtingen gebruikt, in algemene ziekenhuizen gebeurt dat niet altijd. Ook zijn er grote verschillen in het gebruik van tegen straling beschermende maatregelen. Daarnaast is het aantal verrichtingen waarbij relatief hoge doses straling worden gebruikt de afgelopen jaren sterk gestegen. Voorbeelden zijn CT-scans en zogenoemde doorlichtonderzoeken, waarbij de patiënt real time wordt bekeken tijdens een ingreep. Vooral de toename met grofweg 80% van het aantal CTscans ten opzichte van 2005 is opmerkelijk. Overigens doet deze stijging zich ook onder volwassenen voor. Ten slotte worden in ongeveer de helft van de ziekenhuizen de gebruikte doses niet vergeleken met de zogeheten Diagnostische Referentieniveaus (DRN's) voor kinderen. Dit komt waarschijnlijk door het geringe aantal kinderen dat wordt onderzocht; voor deze toets is een minimaal aantal van twintig kinderen nodig. In de ziekenhuizen waar die vergelijking wel wordt gemaakt, worden deze waarden in gemiddeld een op de vijf gevallen overschreden. DRN's zijn bedoeld als indicatie voor een aanvaardbare dosis waarmee een goed radiologisch beeld kan worden verkregen bij radiologische handelingen. Bij zware patiënten en complexe procedures kunnen DRN's overschreden worden. Afdelingen radiologie zijn niet verplicht zich aan de waarden te houden. De redenen van het toegenomen aantal verrichtingen bij kinderen zijn niet bekend. Het is van belang dit nader uit te zoeken. Ook het geringe aantal vergelijkingen met de DRN's en de regelmatige overschrijding ervan verdienen aandacht. Verder wordt aanbevolen om de kennis bij de kinderziekenhuizen breder uit te dragen naar de algemene ziekenhuizen, opdat alle ziekenhuizen bij kinderen gebruik maken van state-of-the-art-kinderradiologie. Voor deze studie is literatuuronderzoek gedaan naar de state of the art in kinderradiologie. Daarnaast is een digitale enquête gehouden onder alle zeven kinderziekenhuizen in Nederland en bij 22 algemene ziekenhuizen.
    • Radiologische aspecten van opslag en lozing van afvalstoffen door de fosfaatindustrie

      Eggink GJ; LSO (1995-03-31)
      Bij de produktie van fosfaatkunstmest uit fosfaaterts komt fosfogips vrij. Dit fosfogips mag door zijn hoge radioactiviteit niet direct verwerkt worden. De verwijdering van radionucliden uit het ruwe gips vindt nog slechts op zeer geringe schaal plaats. Het overgrote deel wordt op land opgeslagen in speciale depots, of in oppervlaktewater geloosd. Europa produceerde in 1991 fosfaatkunstmest met in totaal ruim 4 Mton P2O5, hetgeen gepaard ging met een geschatte fosfogipsproduktie van 19 Mton. De totale Europese fosfaatkunstmestproduktie neemt af sinds 1987. Van negen landen waarvan in het kader van dit onderzoek gedetailleerde kwantitatieve gegevens zijn aangetroffen (Belgie, Frankrijk, Duitsland, Nederland, Noorwegen, Portugal, Spanje, Zweden en Groot-Brittannie) bedroeg in 1991 de gezamenlijke geschatte fosfogipsproduktie ca 11,8 Mton (deze landen produceerden samen ca 63% van de totale Europese fosfogipsproduktie). Hiervan werd 27% geloosd in het oppervlaktewater (3,2 Mton) ; 68% werd op land opgeslagen (8 Mton), en 5% (0,6 Mton) werd verder verwerkt tot produkten die geschikt zijn voor gebruik in de bouw, wegenaanleg etc. Dit laatste vond voor zover bekend uitsluitend plaats in Belgie, door toepassing van een gipsconditioneringsinstallatie, waarmee o.a. radionucliden uit het fosfogips worden verwijderd. De geschatte activiteit (in GBq) geloosd in water respectievelijk opgeslagen op land door genoemde landen in 1991 wordt gegeven.
    • Radiologische aspecten van opslag en lozing van afvalstoffen door de fosfaatindustrie

      Eggink GJ; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-03-31)
      The production of phosphate fertilizers from phosphate rock following the wet process leads to the generation of phosphogypsum containing large amounts of natural radionuclides. The removal of radionuclides from the gypsum occurs only on a limited scale. The majority is stockpiled on land or discharged into the surface water. Europe produced in 1991 in total over 4 Mton of P2O5, with an estimated 19 Mton of phosphogypsum. Since 1987 the total European production of phosphate fertilizers decreased. For nine European countries detailed information on phosphogypsum production is obtained: Belgium, France, Germany, the Netherlands, Norway, Portugal, Spain, Sweden and Great Britain. In 1991 they generated together an estimated 11.8 Mton of phosphogypsum, which is about 63% of the total European production. 27% is discharged into rivers and seas (3.2 Mton) and 68% is stockpiled on land in special dumpsites (8 Mton). In Belgium the remaining 5% (0.6 Mton) is processed with the aid of a special installation into products suitable to be used in building materials, for road construction etc. The estimated activity (in GBq), discharged in 1991 by the nine countries mentioned above into surface water or stored on land is reported.
    • Radiologische consequenties van zinkrijke filterkoek bij Hoogovens Staal te IJmuiden (een voorbeeldstudie)

      Laheij GMH; Eggink GJ; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-08-31)
      Overeenkomstig de herziene Euratom-Richtlijn Basisnormen dienen de lidstaten zelf invulling te geven aan het stralenbeschermingsbeleid met betrekking tot radioactieve isotopen die van natuurlijke oorsprong zijn. In dat kader zijn, als voorbeeldstudie, de radiologische consequenties onderzocht van een deponie van zinkrijke filterkoek bij Hoogovens Staal te IJmuiden. Omdat de filterkoek wellicht overgebracht moet worden naar een C3-deponie (bijvoorbeeld op de Maasvlakte) is ook een schatting gemaakt van de dosis die opslag aldaar, inclusief het transport, met zich meebrengt. De stralingsdosis is voor zowel werknemers op de deponie als voor omwonenden rond de deponie bepaald. De relevante blootstellingspaden voor werknemers zijn inhalatie en directe ingestie van de fijne filterkoek en externe bestraling bij verblijf op de deponie. Voor omwonenden zijn dit inhalatie, ingestie van bladgroente waarop fijne filterkoek is gedeponeerd en externe bestraling. De stralingsdosis voor werknemers op de deponie bij Hoogovens bedraagt ongeveer 7 uSv/a. De dosis voor de chauffeurs als gevolg van het transport en de werknemers op een C3-deponie hangt sterk af van de mate waarin het materiaal geimmobiliseerd is. De maximaal te verwachten dosis is, voor zowel het transport als de opslag op de C3-deponie, gelijk aan de dosis voor werknemers op de deponie bij Hoogovens. Voor omwonenden bedraagt de stralingsdosis bij opslag op de deponie 3,6 uSv/a. Ook hiervoor is de stralingsdosis bij opslag op een C3-deponie sterk afhankelijk van de mate waarin het materiaal geimmobiliseerd is. Gezien de te verwachten geringe blootstellingstijden gedurende het transport wordt voor omwonenden geen stralingsdosis boven het secundaire niveau van 0,4 uSv/a verwacht.<br>
    • Radionuclide-specifieke parameterwaardena voor biosfeertransport- en stralingsdosisberekeningen. Eindrapportage deelrapport 10c

      Lembrechts JF; Koster HW (1989-02-28)
      In dit document worden de verschillende nuclide-specifieke parameters besproken die zijn gebruikt bij de biosfeertransport- en stralingsdosisberekeningen uitgevoerd bij de evaluatie van de ondergrondse opberging van radioactief afval. Aangegeven wordt die de in te voeren waarden zijn verzameld en welke waarden werden geselecteerd.
    • Radionucliden in de uiterwaarden bij de GKN Dodewaard en de hieruit berekende stralingsbelasting

      Koster; H.W. (1984-10-03)
      Door de KEMA en het RIVM zijn verhoogde concentraties van radionucliden gevonden in de uiterwaarden bij Dodewaard, stroomafwaarts van de GKN over een oppervlak van 20 ha in de bovenste 20 cm van de grond. De maximale verhoging van de individuele stralingsbelasting ten gevolge hiervan is berekend op 66 muSv.a-1 voor de melkveehouder/pachter. Hiervan is 43 muSv.a-1 door verblijf in het besmette gebied en 23 muSv.a-1 door consumptie van melk- en vlees(produkten) direct uit het besmette gebied. Deze verhoging is een grootteorde kleiner dan de variatie 300-500 muSv.a-1 in de natuurlijke individuele stralingsbelasting van de Nederlanders deze belasting is gemiddeld 2000 muSv.a-1. De maximale verhoging van de collectieve stralingsbelasting is berekend op 18 milliman Sv.a-1, hetgeen zes grootteorden kleiner is dan de collectieve natuurlijke stralingsbelasting van de Nederlandse bevolking, deze belasting bedraagt ca. 28 kiloman Sv.a-1.
    • Radium in baggerspecie afkomstig uit het Rijnmondgebied; resultaten over 1997

      Lembrechts J; Glastra P; Stoop P; LSO (1998-02-28)
      Van 18 havenspeciemonsters die in 1997 zijn verzameld in de Rotterdamse havens en in de Nieuwe Waterweg, is het 226Ra-gehalte en de korrelgrootte-verdeling bepaald. Hieruit is afgeleid hoe groot de invloed op het 226Ra-gehalte is van lozingen door de fosfaaterts-verwerkende industrie. Zoals in eerdere meetcampagnes is vastgesteld, is de invloed van de industrie vooral merkbaar in de omgeving van en in de eerste en tweede Petroleumhaven. Verhogingen van het 226Ra-gehalte tot maximaal 211 Bq/kg zijn gemeten ten opzichte van een achtergrond varierend tussen 22 en 46 Bq/kg. Van het geloosde 226Ra blijft naar schatting 13% in de havens achter. De jaarlijks verzamelde monsters lijken de langjarige trend in de lozingen te weerspiegelen.
    • Radium in baggerspecie afkomstig uit het Rijnmondgebied

      Bijwaard H; Overwater RMW; Glastra P; Nissan LA; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-08-07)
      The radium concentration was measured in 25 samples of harbour sludge taken from the Rijnmond area (Rotterdam harbours and the Nieuwe Waterweg) in 2002. High radium levels were found near the former discharge points of the phosphate ore processing plants, confirming the results of previous campaigns. The results of these previous campaigns (1994-2001) were corrected for a calibration defect that had been indicated in an international comparison of measurements. The cause of this defect appeared to be radon leakage from the calibration samples, resulting in an overestimation of radium concentrations by 16%. However, this turned out to be of no consequence for the conclusions drawn in previous reports. For 2002, the highest radium concentration of about 209 Bq kg-1 was found in a sample from the Nieuwe Maas (NM-2). The average total amount of radium of industrial origin for 2000 to 2002 in the nine regularly probed sections showing the highest radium levels was found to be approximately half the average for the 1995-1997 period. This is probably the effect of the former industrial releases, which, although decreasing, has not disappeared completely.
    • Radium in baggerspecie afkomstig uit het Rijnmondgebied. Resultaten over 2001

      Lembrechts J; Glastra P; Nissan LA; Overwater RMW; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-04-05)
      The radium concentration was measured in 25 samples of harbour sludge taken in 2001 from the Rijnmond area (Rotterdam harbours and the Nieuwe Waterweg). High radium levels were found near the former discharge points of the phosphate ore processing plants, confirming the results of previous campaigns. The highest concentration of about 150 Bq/kg was found in a sample from a section in the Nieuwe Maas (NM-2). The grain-size distribution of the samples was used to estimate the natural radium in the sample and the radium which may be from industrial origin. The average total amount of radium of industrial origin for the 1999-2001 period in the nine regularly probed sections showing the highest radium levels was found to be no more than half of the average for the 1995-1998 period.