• S-PLUS voor het RIVM Krachtig statistisch software gereedschap

      Dekkers ALM; CIM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-06-08)
      Statistische analyses worden op het RIVM veelvuldig uitgevoerd en gerapporteerd. Een grote hoeveelheid goede software is er op de markt om deze analyses betrouwbaar uit te voeren. Voor een goede communicatie tussen statistici en inhoudelijke onderzoekers, die statistiek binnen hun onderzoek toepassen, is het van belang dat het RIVM slechts enkele standaard pakketten heeft. Bovendien levert dit financiele voordelen op. Zo is binnen sector 5 sinds 1992 S-PLUS het standaard statistisch pakket en binnen sector 2 al sinds jaren SAS met S-PLUS als snelle ontwikkelsoftware. Vanaf 1 januari van dit jaar bezit het RIVM een geheel nieuwe licentie van S-PLUS, waarbij het pakket op alle platforms vrij beschikbaar is voor de sectoren 2, 3/4 en 5 inclusief het gebruik van alle modules en thuisgebruik. Deze nieuwe situatie is de aanleiding geweest tot het schrijven van dit rapport. De eerste drie hoofdstukken bevatten algemene informatie over S-PLUS en zijn geschreven voor potentiele gebruikers en voor het management. Hierbij wordt gedacht aan labhoofden, RIShoofden en projectleiders van laboverstijgende projecten zoals de Milieubalans en de Milieuverkenningen. In deze hoofdstukken komt de brede inzetbaarheid van S-PLUS aan de orde als statistisch pakket, grafisch pakket en 4e generatietaal. Het overzicht van enkele S-PLUS toepassingen binnen RIVM projecten spreekt voor zich. De overige hoofdstukken zijn speciaal voor gebruikers geschreven en bevatten een schat aan inhoudelijke informatie. Het betreft o.a. de installatievoorschriften van S-PLUS voor thuisgebruik en gebruik op het RIVM. Het rapport wordt afgesloten met 6 uitvoerige bijlagen waarin twee inleidende cursussen over de S-PLUS commando taal en over de S-PLUS grafische user interface zijn opgenomen, alsmede een bijlage voor SPSS gebruikers die met S-PLUS gaan beginnen. Dit rapport beoogt een standaard gebruik van S-PLUS te bevorderen voor goede, reproduceerbare statistische analyses en voor optimale communicatie tussen onderzoekers.
    • S-PLUS voor het RIVM Krachtig statistisch software gereedschap

      Dekkers ALM; CIM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-06-08)
      Statistical analyses are carried out and reported on in abundance at the RIVM. There is a lot of good software on the market for executing these analyses reliably. For good communication between statisticians and scientific researchers, who use statistical applications in their research, RIVM needs only a few standard packages. This also has financial advantages. For example, S-PLUS has been used since 1992 as the standard package in Division 5 and moreover in Division 2, as rapid development software combined with SAS. On 1 January of this year RIVM took out a completely new licence for S-PLUS, making the package available for Divisions 2, 3/4 and 5 at no extra costs, including the use of all the modules and the use of S-PLUS at home. This new situation was one of the reasons for preparing this document. The first three chapters, written for potential users and management, e.g. laboratory and department heads, IT heads in the Division 5 departments, and managers of interdepartmental projects like the Environmental Balance and Outlooks. These chapters deal with the broad application of S-PLUS as statistical and graphics package, and as a fourth-generation language. The overview of several S-PLUS applications within RIVM speaks for itself. The other chapters, providing a wealth of substantial information, are written especially for users. Included here are the installation instructions of S-PLUS for both home use and use at the RIVM. The report closes with four elaborate appendixes incorporating two introductory courses on the S-PLUS command language and the S-PLUS graphics user interface.This report is thus intended to promote the standard use of S-PLUS for good-quality, reproducible statistical analyses and optimal communication between researchers.<br>
    • The Safe Landing Analysis: Users Manual

      Kreileman GJJ; Berk MM; CIM; MNV (1997-06-30)
      In comparison with the long time horizon of climate change, the time horizon of climate policy-making is by necessity much shorter. To support current climate negotiations, a methodology has been developed to link long-term climate protection goals to decisions on short-term greenhouse gas emission controls: the Safe Landing Analysis. This report describes the tool based on this methodology which is used to calculate the so-called 'Safe Emission Corridors'. These corridors indicate the range of short term greenhouse gas emissions that are compatible with particular sets of specified short and long-term (2010 to 2100) climate goals (defined as limits for climate impact indicators) and maximum rates of emission reductions (as a proxy for economic and technological constraints for global emission control). The Safe Landing Analysis tool, based on regression analyses, uses results from the integrated climate change computer model, IMAGE 2, developed at RIVM.
    • Safe re-entry for workers into plant protection product treated crops

      Markantonis, M; te Biesebeek, JD; Graven, C (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2018-12-20)
      Workers are exposed to plant protection products (PPPs) when they enter treated crops for crop treatment, harvest or crop inspections. Before a plant protection product is authorized for sell and use, a safety assessment has to be performed. Commissioned by the ministry of SZW (Dutch Ministry of Social Affairs and Employment) RIVM has provided information to answer three itself independent questions which all relate to worker PPPs safety assessment. RIVM developed a methodology to calculate product-specific personal protective equipment required interval for workers entering pesticide-sprayed crops. Currently for workers gloves can be prescribed on the label of a PPP. However there is no information on the label about the duration of the obligatory use of gloves. In most cases a general period of twee weeks is used, the new methodology provides a way to refine the two week period. RIVM recommends to include the period into the EU harmonised method for worker exposure estimation, the period can then be set on the label of national authorised PPP. RIVM proposes a protocol to investigate the dermal absorption of dried residue which was available in the scientific literature. To assess if crops can be handled safely, dermal absorption absorption of dried residue is required. Currently dermal absorption is investigated with fluids. Before the protocol can be used internationally, it should be approved by the Organisation for Economic Co-operation and Development (OECD). RIVM therefore recommends to further investigate whether this protocol can be submitted for OECD approval. Chemical substances can be classified based on their properties: for example a notification for health hazard. A substance can cause irritation of the skin or eyes or can cause allergic reactions. This is also applicable substances in PPPs. PPPs are used and sprayed diluted. For safety of workers it is therefore of importance to know the hazardous properties of the diluted PPP and it's dried foliar residue. RIVM recommends to test the hazardous properties of some diluted PPPs and it's dried foliar residue.
    • Safety and immunogenicity of the RIVM hexavalent meningococcal B vesicle vaccine for Rotterdam children aged 2-3 and 7-8

      Labadie J; Kleijn ED de; Lafeber AB; Mees MMM; Booy K; Groot R de; Omme GW van; Dijken H van; Kuipers AJ; Dobbelsteen G van den; Juttmann RE; Wala M; Alphen AJW van; Rumke HC; Sophia Kinderziekenhuis / Academisch Ziekenhuis Rotterdam; LVO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-12-22)
      In dit rapport wordt verslag gedaan van een gerandomiseerde gecontroleerd fase-II klinische studie naar de veiligheid en immunogeniciteit van het RIVM hexavalente MenB vesicle vaccin in 189 kinderen van 2-3 jaar en 168 kinderen van 7-8 jaar in de stad Rotterdam. Twee concentraties van het MenB vesicle vaccin zijn onderzocht, waarbij hepatitis B vaccin (HB-VAX(registered trademark) DNA) werd gebruikt als controle en toegediend volgens hetzelfde schema als het RIVM MenB vaccin. Het vaccinatie schema was gebaseerd op 3 doses gegeven op 0, 2 and 8 maanden. Het MenB vaccin was meer reactogeen dan het controle vaccin, maar de reacties waren mild en er traden geen ernstige bijwerkingen op. Koorts, 1 van de meest voorkomende systemische bijwerkingen na vaccinatie, kwam niet vaker voor na toediening van het MenB vesicle vaccin dan na toediening van het controle vaccin. De serum bactericide antistof (SBA) respons werd gemeten tegen zes isogene varianten van stam H44/76 waarin elk PorA eiwit van het hexavalente vaccin individueel tot expressie is gebracht. In de bloedmonsters verkregen 1 maand na vaccinatie, hadden peuters (2-3 jaar) statistisch significant hogere SBA titers dan schoolkinderen (7-8 jaar). Er was geen significant verschil tussen de lage en hoge vaccin dosis. De SBA respons was voornamelijk gericht tegen 1 van de drie PorA eiwitten op elk van de twee vesicles. Het RIVM hexavalent MenB vesicle vaccin zal verder worden verbeterd met betrekking tot zowel productie methoden als immunogeniteit.
    • Safety and immunogenicity of the RIVM hexavalent meningococcal B vesicle vaccine for Rotterdam children aged 2-3 and 7-8

      Labadie J; de Kleijn ED; Lafeber AB; Mees MMM; Booy K; de Groot R; van Omme GW; van Dijken H; Kuipers AJ; van den Dobbelsteen G; Juttmann RE; Wala M; van Alphen AJW; Rumke HC; LVO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMSophia Kinderziekenhuis / Academisch Ziekenhuis Rotterdam, 2000-12-22)
      This report documents the results of a randomised controlled phase-II clinical study into the safety and immunogenicity of the RIVM hexavalent MenB vesicle vaccine among 189 children aged 2-3 and 168 children aged 7-8 in the city of Rotterdam, the Netherlands. Two concentrations of the MenB vesicle were investigated where hepatitis B vaccine (HB-VAX(registered trademark) DNA) was used as a control and administered according to the same schedule as the RIVM MenB vaccine. The vaccination schedule was based on 3 doses given at 0, 2 and 8 months. The meningococcal vaccine was found to be more reactogenic than the control vaccine but the reactions were mild, no serious reactions occurred. Fever, one of the most common systemic adverse reactions after vaccination, did not occur more often after administration of the MenB vesicle vaccines than after administration of the control vaccine. The serum bactericidal antibody (SBA) response was assessed against isogenic variants of strain H44/76 in which each vaccine PorA protein was expressed individually. In the blood samples obtained one month after vaccination, toddlers (aged 2-3) were shown to have statistically significant higher SBA titres than school children (aged 7-8). There was no significant difference between the low and high vaccine doses. The SBA response was directed predominantly at one of the three PorA proteins in each of the two vesicles. The RIVM hexavalent MenB vesicle vaccine will be further improved, both with regard to both production methods and to immunogenicity.<br>
    • Safety evaluation of nitrate: Mathematical modeling of nitrite formation in man and its application in the risk assessment of nitrate

      Zeilmaker MJ; Meulenbelt J; Kortboyer JM; Slob W; LEO; LBO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-07-31)
      The current risk assessment of the human exposure to nitrate is based on the evaluation of nitrate toxicity in the rat. This procedure, however, needs reconsideration. For, in man nitrite is formed by bacterial fermentation of nitrate secreted from blood into saliva. This process is absent in the rat. As nitrite is more toxic than nitrate, the formation of nitrite may easily lead to dominance of nitrite toxicity in man, a nitrate => conversion in the order of 2% already leading to this effect. The formation of nitrite out of ingested nitrate therefore should be incorporated in the risk assessment of human nitrate exposure. The formation of nitrite in man consists of a complicated mechanism involving the uptake of nitrate from food and/or drinking water, the capacity of man to endogenously synthesize nitrite, the secretion of nitrate from blood to saliva, the metabolism of nitrate to nitrite by bacteria present in saliva and the reconversion of nitrite to nitrite. These processes were incorporated in a human toxicokinetic model for nitrate and nitrite. Data on the toxicokinetics of nitrate and nitrite in human volunteers were used to calibrate the model. The model calculated that the average adult synthesizes 121 mg nitrate per day. The model furthermore calculated that 32-60% of orally administered nitrate is secreted from blood to saliva and that 13-22% of the salivary nitrate is metabolized to nitrite. The nitrate => nitrite conversion in man was determined at 7-9%. The model was also used to estimate the formation of nitrite in the average adult after single and repeated (one dose every 24 hr) nitrate exposure at the level of its Acceptable Daily Intake (ADI, 3.65 mg nitrate/kg/day). This calculation resulted in a human nitrite exposure of 0.27-0.36 mg/kg/day. This exposure, which significantly exceeds the ADI for nitrite (0.06 mg/kg/day), was estimated to originate for 31-41% from endogenously synthesized nitrate. It can be concluded that the risk assessment of human nitrate exposure should be based on the toxicological evaluation of the amount of nitrite formed out of ingested nitrate. The application of the model for the improvement of the human risk assessment of nitrate is discussed.<br>
    • The safety of donor skin preserved with glycerol - Evaluating the Euro Skin Bank preservation procedures of human donor skin against the prEN 12442 standard

      Geertsma RE; Wassenaar C; LGM (2000-08-31)
      The procedures for preservation of human donor skin with glycerol, as applied by the Euro Skin Bank (ESB), were evaluated against the prEN 12442 standard: animal tissues and their derivatives used in the manufacture of medical devices. The focus chosen for this review is on risks related to the transmission of diseases. Product-related hazards were identified. Subsequently, the associated risks and the ESB measures to reduce these risks were discussed. The acceptability of the residual risks was also evaluated by comparing the risk-reducing measures with the prEN 12442, EN 1441, EN 1174 and ISO 14160 standards. Conclusions drawn indicate that ESB procedures as they now stand do not meet all the requirements of these standards. Nonconformities were used to formulate a validation plan containing considerations and suggestions on process definition and control, as well as an assessment of bacteriological and virological inactivation and/or elimination. The implementation of this plan should lead to full conformance with the standards.
    • The safety of donor skin preserved with glycerol - Evaluating the Euro Skin Bank preservation procedures of human donor skin against the prEN 12442 standard

      Geertsma RE; Wassenaar C; LGM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-08-31)
      De procedures voor de preservatie van humane donorhuid zoals die worden toegepast door de Euro Skin Bank (ESB) zijn geevalueerd met behulp van de Europese standaard prEN 12442: "Dierlijke weefsels en daarvan afgeleide producten die voor de vervaardiging van medische hulpmiddelen worden gebruikt". Dit overzicht heeft zich gericht op de risico's betreffende de overdracht van ziekte. Eerst werden productgerelateerde gevaren geidentificeerd en vervolgens werden de hieraan verbonden risico's en de beheersmaatregelen hiervoor van de ESB besproken. Verder werd geevalueerd of de overblijvende risico's accepteerbaar zijn door de risicoverlagende maatregelen te vergelijken met de eisen in de volgende standaarden: prEN 12442, EN 1441, EN 1174 en ISO 14160. De conclusies geven aan dat de ESB-procedures op dit moment niet aan alle eisen van deze standaarden voldoen. Met behulp van de geconstateerde tekortkomingen is vervolgens een validatieplan opgesteld, dat overwegingen en suggesties ten aanzien van proces-definitie en -beheersing en de beoordeling van bacteriologische en virologische inactivatie en/of eliminatie bevat. Implementatie van dit plan zou ertoe moeten leiden dat de procedures volledig aan de standaarden gaan voldoen.
    • Salmonella onderzoek bij Nederlands pluimvee

      van de Giessen AW; Berkers PATA; Peters R; Notermans SHW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1989-10-31)
      Gedurende de eerste helft van 1989 werden 59 pluimveebedrijven uit de leg- en mestsector onderzocht op de aanwezigheid van Salmonella-kiemen. Op 53 bedrijven (90%) kon Salmonella bij pluimvee worden aangetoond. Op 10 bedrijven (17%) bleek S. enteritidis bij pluimvee aanwezig te zijn. Van de 19 bedrijven met in totaal 49 stallen legdieren werd S. enteritidis op 5 bedrijven bij in totaal 9 stallen aangetoond. Van de 40 bedrijven met in totaal 52 koppels mestkuikens werd S. enteritidis op 5 bedrijven bij in totaal 6 koppels aangetoond. De resultaten maken duidelijk dat de tot nu toe door het bedrijfsleven getroffen maatregelen ter indamming van de besmetting met S. enteritidis nog onvoldoende effectief zijn geweest om de besmettingsdruk te verlagen. Meer ingrijpende maatregelen, waaronder het ruimen van besmette koppels, een adequate reiniging en desinfectie van besmette hokken en het doorbreken van besmettingskringlopen in het milieu, zullen nodig zijn om de besmetting terug te dringen.<br>
    • Salmonella onderzoek bij varkensfokbedrijven

      van de Giessen AW; van Leeuwen WJ; Ritmeester WS; Notermans SHW; LWL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-04-30)
      From November 1990 to October 1991 a study was carried out on the occurrence of Salmonella, especially S.typhimurium, on 50 pig-breeding farms. Salmonella was detected on 31 (62,0%) of the 50 farms. In the category of rearing sows Salmonella was detected most frequently, whereas in the category of weaning piglets Salmonella was found the least frequently. S.typhimurium was the most frequently detected serotype and was found on 10 (20,0%) of the 50 farms. Other serotypes frequently isolated were S.derby, S.livingstone, S.panama and S.brandenburg.<br>
    • Salmonella ringonderzoek III: bacteriologische detectie van Salmonella in aanwezigheid van competitieve flora

      Voogt N; Veld PH in &apos;t; Nagelkerke N; Giessen AW van der; MGB (1999-07-31)
      A bacteriological collaborative study was organised in October 1998 for 21 laboratories participating in the Dutch national programme for control of Salmonella in the poultry sector by the Dutch National Reference Laboratory (NRL) for Salmonella. The main objective of this study was to test the capacity of these laboratories to detect Salmonella in the presence of competitive micro-organisms. Reference capsules containing sublethally injured Salmonella typhimurium had to be tested for the presence of Salmonella with and without the addition of chicken faeces. The laboratories were allowed to use the method they usually apply to detect Salmonella in chicken faeces. As a result of previous collaborative studies four laboratories had to test 50 capsules and 17 laboratories had to test 15 capsules. Two of the four laboratories testing 50 capsules isolated Salmonella from all positive samples. Sixteen of the 17 laboratories testing 15 capsules identified all samples containing Salmonella as being positive.
    • Salpeterzuurdestructie en ICP-MS analyse van biotisch materiaal en voeding

      Velde-Koerts T van der; LAC (2000-07-21)
      An analytical method consisting of a nitric acid digestion and an ICP-MS analysis, has been developed for the determination of elements in food and biological material. The digestion was optimised for nitric acid concentration and destruction time. The ICP-MS analysis was optimised for minimal spectral interferences and matrix effects using interference corrections, internal standards and matrix matching of the calibration standards. Based on detection limits, reproducibility, trueness and recovery, the analytical method was found suitable for the determination of As, B, Ba, Cd, Co, Cu, Mn, Mo, Pb, Rb, Sr, Zn in food and biological material. The method was also found suitable for the determination of Al, Fe, Cr, Co, Ni in food and animal material, but not for this determination in plant material: the digestion of Al, Fe, Cr, Co and Ni in plant material was not complete. The method was found not suitable for the determination of Bi, Br, S, Se and Sn. Trueness for Sb, Si, Ti, Tl and V could not be checked, because reference materials were lacking. The elements Ca, K, Mg, Na and P can be better determined using ICP-AES because of the high concentrations.
    • Salpeterzuurdestructie en ICP-MS analyse van biotisch materiaal en voeding

      Vekde-Koerts T van der; LAC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-07-21)
      Voor de bepaling van elementen in voeding en biotisch materiaal werd een analytische methode ontwikkeld, bestaande uit een salpeterzuurdestructie en een ICP-MS-analyse. De destructie werd geoptimaliseerd op basis van de salpeterzuurconcentratie en de destructietijd. De ICP-MS-analyse werd geoptimaliseerd op basis van minimale spectrale storingen en matrixeffecten, waarbij gebruik werd gemaakt van storingscorrecties, interne standaarden en matrix matching van de kalibratiestandaarden. Op basis van de aantoonbaarheidsgrenzen, reproduceerbaarheid, juistheid en terugvinding was de analytische methode geschikt voor de bepaling van As, B, Ba, Cd, Co, Cu, Mn, Mo, Pb, Rb, Sr, Zn in voeding en in biotisch materiaal. De methode was ook geschikt voor de bepaling van Al, Fe, Cr, Co, Ni in voeding en dierlijk materiaal, maar niet voor deze bepaling in plantaardig materiaal: de destructie van Al, Fe, Cr, Co en Ni was niet volledig. De methode was niet geschikt voor de bepaling van B, Br, S, Se en Sn. De juistheid voor Sb, Si, Ti, Tl en V kon niet worden geverifieerd, omdat referentiematerialen ontbraken. De elementen Ca, K, Mg, Na en P kunnen beter bepaald worden met ICP-AES vanwege de hoge concentraties.
    • Samen staan we sterk! : Bundeling van de 3V-krachten op het internationale speelveld

      Deleu S; Akkermans A; NKA; V&|Z (Nationaal Kenniscentrum Alternatieven voor dierproeven (NKCA), 2014-06-18)
    • Samen werken aan duurzame zorg : Landelijke monitor proeftuinen

      Drewes HW; Heijink R; Struijs JN; Baan CA; KZG; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-07-10)
      In 2013, the Dutch Ministry of Health designated nine regional innovation initiatives as 'pioneer sites' in a nationwide effort to achieve a better health, improved quality of care and cost control (Triple Aim). RIVM has monitored the sites with a particular focus on their design, the Triple Aim, and the experiences of members of the steering groups of the sites. Healthcare providers, insurers and often stakeholders like municipalities and representatives of citizens / patients are working jointly to achieve sustainable care and support. On the basis of a number of interventions they attempt to lay the foundation for the necessary cooperation, organisation and funding of the sites. Pioneer sites are run by stakeholders' representatives. According to them, first experiences indicate that cooperation has improved. At the same time, the sites are still seeking the best organisational and management structures to work with and exploring new forms of funding such as shared savings. For the pioneer sites to be successful, good cooperation is essential. This requires that organisational interests of all stakeholders are more aligned to the objectives of the pioneer sites. Alternative forms of funding and transparency of the quality and costs of care also need attention.
    • Samenhang tussen therapietrouw en kosteneffectiviteit voor geneesmiddelen in Nederland. Een casestudie naar statines en bloeddrukverlagers

      Over EAB; van Gils PF; de Wit GA; Feenstra TL; Hoebert JM; EVG; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-04-03)
      A study conducted by RIVM on the correlation between compliance and cost-effectiveness for two groups of medicines shows that when patients take medicines as prescribed, there are a lot of health benefits at relatively low cost. The study thus underlines the importance of including the effects of compliance on cost-effectiveness calculations for medicines. This can only be done when data on compliance are available. For the purpose of this study, case studies were carried out for cholesterol and hypertension medication. It is known that patients often stop these medicines prematurely or do not take them as prescribed (e.g. take the wrong dose). The basic package of health insurance specifies which medicines may be reimbursed. One of the criteria for this is cost-effectiveness. This implies the differences between (at least) two medicines (or situations) as far as costs and effects are concerned. For proper calculations on cost-effectiveness, the user is factored in. Thus, an estimate is made of how many people will stop treatment prematurely and the effect of improper use and its impact on costs
    • Een samenhangend beeld van kanker: ziekte, zorg, mens en maatschappij : Themarapportage van de Staat van Volksgezondheid en Zorg

      Vonk R; Korevaar J; van Saase L; Schoemaker C; VZP; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-11-30)
      Every year, 100,000 people in the Netherlands are told that they have cancer. Treatments for cancer have become increasingly effective over recent decades, as a result of which fewer people are now dying from the disease. However, there is not much information about the drastic long-term effects of the disease and its treatment on the quality of life and on social participation among current and former patients. The available information has now been bundled together and charted as much as possible. It is important that this information is integrated into care and into scientific research. For a long time, the focus was on treatment and survival, and there is a lot of information available on that. Information about the relationship between all the elements involved in the care chain - from GPs to oncologists, physiotherapists and psychologists - is often limited and fragmentary. The same applies to the quality of life during and after the disease, the impact on family members and the social consequences such as the capacity to work (or not). The adjacent illustration depicts information about the survival rates, the care chain, and 'people and society'. This shows where there are still gaps in our knowledge and where unrelated data items could be linked together sensibly. In addition, four forms of cancer are explained in greater depth: cancer of the breast, large intestine and lungs, and acute lymphatic leukaemia in children. This has been done because the way in which they arise, the average age of the patient, the consequences, the treatments and the survival rates vary enormously depending on the type of cancer. The report has been written on the instructions of the Dutch Ministry of Health, Welfare and Sport. It is part of the State of Public Health and Health Services project. It is the result of cooperation between RIVM (the National Institute for Public Health and the Environment), NIVEL (the Netherlands Institute for Health Services Research), Zorginstituut Nederland (the National Health Care Institute), the Trimbos Institute (the Netherlands Institute of Mental Health and Addiction) and CBS (Statistics Netherlands).
    • Samenstelling en stroming van het grondwater op een proeflocatie te Best

      Meinardi; C.R. (1985-05-31)
      Abstract not available
    • Samenstelling van een voedingsmiddelentabel met gehalten aan alpha-linoleenzuur t.b.v. o.a. de Zutphen Studie

      Voskuil DW; Feskens EJM; CCM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-08-31)
      Alpha-linoleenzuur (C18:3 n-3) is een essentieel vetzuur met een mogelijk gunstige werking met betrekking tot hart- en vaatziekten. Het onderzoek naar de effecten van alpha-linoleenzuur wordt echter bemoeilijkt door het ontbreken van voedselconsumptiegegevens over dit vetzuur. De Nederlandse Voedingsmiddelentabel (NEVO) bevat bijvoorbeeld nog geen gegevens over alpha-linoleenzuur. Een voedingsmiddelentabel met gegevens over alpha-linoleenzuur is samengesteld om in dit gebrek te kunnen voorzien, eventueel ook ten behoeve van anderen. Om de tabel te kunnen vergelijken met de NEVO-tabel zijn tevens gegevens van linolzuur in de tabel opgenomen. De tabel is samengesteld door gebruik te maken van Nederlandse analysegegevens, buitenlandse voedingsmiddelentabellen, door waarden van produkten van elkaar over te nemen of af te leiden, en door voor een aantal samengestelde produkten gehalten aan de hand van berekening van de receptuur te bepalen. De voedingsmiddelentabel bestaat uit 999 produkten die in de voedselconsumptie- onderzoeken van de Zutphen Studie in 1985 en 1990 voorkwamen. Hiervan komen 972 produkten ook in de NEVO-tabel voor, terwijl 27 produkten hierin niet opgenomen zijn. Voor slechts 3 voedingsmiddelen werd geen waarde voor alpha-linoleenzuur gevonden. In vergelijking met de NEVO-tabel geeft berekening van de inneming van linolzuur met behulp van deze tabel gemiddeld een overschatting van 5 a 10%. Op produktnivo geeft de tabel een overschatting van gemiddeld 0,20 gram per produkt. Mogelijk geldt een dergelijke overschatting ook voor alpha-linoleenzuur. Validering van de tabel voor alpha-linoleenzuur door middel van chemische analyse van bijvoorbeeld een pakket aan veel gebruikte voedingsmiddelen is aan te bevelen. De tabel is recent reeds toegepast in een onderzoek naar de inneming van alpha-linoleenzuur, in het kader van de Zutphen Studie.