• Bronnen van molybdeen in AVI-reststoffen

      Brandes LJ; Wesselink LG; Meijer PJ; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-07-08)
      The re-usability of Municipal Solid Waste Incinerator residues (MSWI residues) for building material is limited, because the leaching of some substances, including molybdenum, does not meet environmental standards. Since the quality of MSWI residues may be improved by reducing the molybdenum load in waste to be incinerated, detailed insight is required into the origin of molybdenum. The inventory of the uses of molybdenum in products, production processes and pathways to the MSWIs is based on information obtained from producers, trade-organisations, research institutes and the literature. The study shows that some potential sources of molybdenum in municipal solid waste do not contribute to the molybdenum load in MSWI input. These are plastics, dyes, toners, pigments, electronics, enamels, lubricants and fire retardants. The largest contribution to the MSWI input by municipal waste is the so-called fraction of residue waste. Sources of molybdenum in this fraction are bio-waste, ash and soil. Sources of molybdenum in industrial waste to be incinerated could not be determined unequivocally.
    • Brood - gehalte aan ijzer en selenium

      Vaessen HAMG; Ooik A van (1990-01-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Brood - Gehalte aan koper, mangaan en zink

      Vaessen HAMG; Ooik A van; Tolsma K; Loon JW van (1991-10-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Brood - Gehalte aan natrium en kalium

      Vaessen HAMG; Ooik A van (1990-04-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Brood-Gehalte aan fosfor, calcium and magnesium

      Vaessen HAMG; Ooik A van (1990-04-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Brood-Gehalte aan kwik, lood en cadmium

      Vaessen HAMG; Ooik A van; Loon JW van; Tolsma K (1991-11-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Broomchemie

      Huizinga K; Matthijsen AJCM (1993-10-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • De bruikbaarheid van een Reservoir-Analytische aanpak voor de Inventarisatie van Hydrogeologische Gegevens. Uitwerking voor het Gebied Zuidwending

      Beekman; H.E.; Geluk; M.C.*; Wildenborg; A.F.B. (1986-10-31)
      Studies van de genese, en de geologische geschiedenis van laagpakketten volgens een reservoir-analytische aanpak verschaffen inzicht in de ruimtelijke verdeling van, en daarmee contrasten in, hydrogeologische karakteristieken in de 'blanke ; gebieden, waar weinig gegevens beschikbaar zijn, en bieden bovendien mogelijkheden voor de discriminatie van de betrouwbaarheid van de gegevens. Door de te inventariseren gegevens in een duidelijk kader te plaatsen, waar de interactie tussen meer diciplines van aardwetenschappen aan ten grondslag ligt, kan een verantwooorde aansluiting met rekentechnische modelstudies gerealiseerd worden. Echter in de nabijheid van zoutpijlers waar het regionale beeld van de hydrogeologie door zouttectonische processen ernstig verstoord kan zijn, kunnen op grond van de beschikbare gegevens geen eenduidige uitspraken worden gedaan. Van ondiepe watervoerende pakketten, d.w.z. de laagpakketten van holocene, pleistocene en mio-pliocene ouderdom, is ten opzichte van de oudere laagpakketten veel meer informatie beschikbaar. Door de grote onbetrouwbaarheid van de diepte- en diktekaarten van diverse laagpakketten zijn deze grotendeels ongeschikt voor locatiegerichte studies. Een case-studie heeft geresulteerd in een hypothetisch beeld van de hydrogeologie in twee dwarsdoorsneden.
    • De bruikbaarheid van Pharmacia Dry Spot TSH RIA (IRMA) voor de bepaling van TSH in hielprikbloed van pasgeborenen

      Elvers LH; Loeber JG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1986-07-31)
      De Pharmacia "Dry Spot TSH RIA (IRMA)"-kit is onderzocht op zijn bruikbaarheid voor de bepaling van schildklierstimulerend hormoon (TSH) in hielprikbloed van pasgeborenen. Volgens de bijsluiter kan de eerste incubatiestap 3 uur of overnacht (18 uur) worden geincubeerd. Het percentage radioactief gebonden TSH ligt bij 18 uur incubatie hoger dan bij 3 uur. Bij 3 uur is de extractie van het TSH uit het filtreerpapier en/of de binding van TSH aan het antiserum dus nog niet tot een evenwicht gekomen. De 3 uurs procedure is te ongevoelig om een goed onderscheid te kunnen tussen monsters met een bij de CHT-screening gehanteerd "negatief", "dubieus" of "positief" TSH-gehalte. Bij 18 uur incubatie is dit wel mogelijk. Door het invoeren van een (niet voorgeschreven) wasstap van het precipitaat kunnen de gevoeligheid van de methode en de dupliceerbaarheid aanzienlijk worden verbeterd. Conclusie: de kit is bruikbaar bij 18 uur incubatie een wasstap van het precipitaat en vijf minuten teltijd voor het meten van de radioactiviteit worden sterk aangeraden.<br>
    • Bruikbaarheid van Swiss-NIH muizen in de beenmerg micronucleus test

      Knaap AGAC; Bergkamp WGM (1988-02-29)
      Daar binnen het RIVM behoefte is aan een in vivo test voor het detecteren van clastogene agentia werd nagegaan of Swiss-NIH muizen geschikt zijn voor het gebruik in de muis beenmerg micronucleustest. De micronucleustest is een in vivo test waarbij chemisch geinduceerde clastogene effecten kunnen worden waargenomen. De swiss-NIH muizen blijken te voldoen aan de in de literatuur gestelde criteria voor deze test, mits men de juiste methode van analyse toepast en een minimum afmeting van een micronucleus hanteert van 1/10 van de celdiameter. De spontane frequentie aan polychromatische erythrocyten met micronuclei bedraagt 1,83% met een standaarddeviatie van 0,72 (58 muizen). De frequentie verdeling over de dieren blijkt te corresponderen met een Poisson-verdeling, doch uit de literatuur blijkt dat de verdeling van door clastogene agentia geinduceerde micronuclei niet altijd normaal of Poisson-verdeeld is. Hierdoor dienen de data geevalueerd te worden m.b.v niet parametrische methoden.
    • De bruikbaarheid van urine parameters en in vitro methoden bij het onderzoek naar niertoxiciteit. Orienterend onderzoek naar mogelijk immunologisch gemedieerde nierafwijkingen

      Mathlener I; van Leeuwen FXR; Franken MAM; Derks HJGM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1987-06-30)
      In het kader van het niertoxiciteitsonderzoek is een aantal parameters op hun bruikbaarheid onderzocht. Van de enzymbepalingen bleken LDH, GGT en GOT indicatief voor proximale schade, maar vooral de specifieke albuminebepaling m.b.v. HPLC gelpermeatie bleek zeer gevoelig. Bij het onderzoek naar de niertoxiciteit van HgCL2 werden geen immuuncomplexen waargenomen die gericht waren tegen het glomerulaire basaal membraan.<br>
    • Budget impact analyse van gecombineerde leefstijlinterventie (GLI) : Raming van het benodigde budget bij opname van de GLI in de basisverzekering

      van Giessen A; de Wit GA; Wendel-Vos A; Feenstra TL; KZG; VPZ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-06-22)
      Een Gecombineerde leefstijlinterventie (GLI) is een behandeling voor mensen met obesitas (BMI 30-35), voor mensen met overgewicht (BMI 25-30) én een verhoogd risico op hart- en vaatziekten of diabetes, en voor mensen met overgewicht in combinatie met artrose of slaapapneu. De GLI is een gecombineerde aanpak om mensen te leren gezonder te eten en meer te bewegen. De behandeling duurt in totaal 2 jaar. Per 1 januari 2019 wordt een gecombineerde leefstijlinterventies vergoed uit de basisverzekering. Circa 3,5 miljoen Nederlanders tussen 18 en 75 jaar (28 procent van de bevolking) komen hiervoor in aanmerking. In opdracht van het ministerie van VWS heeft het RIVM geschat welke kosten dit de eerste vijf jaar voor de zorgverzekeraars met zich meebrengt. De kosten zullen oplopen van 5 miljoen euro in het eerste jaar naar bijna 15 miljoen euro in het vijfde jaar. Dat is het geval als per jaar 1,03 procent van de doelgroep wordt doorverwezen door de huisarts. Als meer mensen worden doorverwezen (2,5 procent per jaar), lopen de kosten op van 12 miljoen euro in het eerste jaar tot maximaal 35 miljoen euro na vijf jaar. Als er meer mensen uitvallen dan nu is geschat, zullen de kosten lager zijn; met een maximum van 24 miljoen euro in het vijfde jaar bij het hoogste verwijspercentage van 2,5 procent per jaar. De kosten zijn geschat met een Budget Impact Analyse (BIA). Hiervoor is bepaald hoeveel mensen in Nederland onder de doelgroep vallen. Vervolgens is stapsgewijs geschat hoeveel mensen door de huisarts worden doorverwezen, een intakegesprek houden, aan de behandeling beginnen en deze volledig afmaken. De cijfers van dit onderzoek zijn ontleend aan drie Nederlandse studies naar de effectiviteit van de GLI.
    • Building Bridges, Raising Dikes

      Harmelen AK van; Boomsma MJ; Korenromp RHJ; Andersson M; Mol A; Diepenmaat HB; NOP (TNO EnvironmentWageningen University (WUR)Actors Process Management, 2001-10-11)
      Abstract niet beschikbaar
    • Buprenorfine, alternatief voor methadon?

      van der Laan JW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1987-10-31)
      Reeds meer dan 20 jaar wordt methadon gebruikt voor de behandeling van heroineverslaafden. Methadon is echter evenals heroine/morfine een opiaatagonist en blijkt in veel gevallen nauwelijks invloed te hebben op het opiaatgebruik op lange termijn. De gemengde opiaatagonist/antagonist buprenorfine wordt sinds een aantal jaren onderzocht om methadon in dit opzicht te vervangen. De achtergrond van een dergelijke toepassing van buprenorfine is onderzocht aan de hand van literatuurgegevens. Buprenorfine lijkt goed door opiaatverslaafden te worden verdragen. De mate van zelftoediening is enigszins minder dan voor morfine en methadon maar de inductie van lichamelijke afhankelijkheid is veel geringer. Toepassing in de Nederlandse situatie brengt echter het risico van interactie met andere "drugs" met zich mee.<br>
    • Burgerparticipatie in beleidsvorming. Resultaten van een verkennende literatuurreview

      Dreijerink L; Kruize H; van Kamp I; MGO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-03-03)
    • Burgers en gezondheid : Themarapport Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2014

      Kooiker S; Hoeymans N; VVG; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMSociaal en Cultureel Planbureau SCP, 2014-03-31)
      Zelfontplooiing van de autonome burger kenmerkt de huidige tijd. Eigen verantwoordelijkheid, autonomie, eigen keuze en eigen regie zijn kernwoorden bij deze ontwikkelingen. Ook als het gaat om gezondheid, preventie en zorg. Het RIVM en het SCP hebben beschreven hoe de burger deze ontwikkelingen ervaart en welke aandachtspunten er voor beleid zijn. Bij de ontwikkelingen gaat het allereerst om de zorg voor de eigen gezondheid: als gezonde burger om gezond te blijven, en als patiënt om zelf de regie te houden over de eigen zorg (zelfmanagement). Mensen kunnen zo kiezen voor vormen van preventie en zorg die goed aansluiten bij hun eigen voorkeuren. Bovendien geeft zelfmanagement patiënten meer controle op de behandeling van de aandoening, en daarmee op de aandoening én op hun leven. Alleen wil niet iedereen zelf die regie voeren. Ook zijn er kwetsbare groepen in de samenleving, zoals ouderen en mensen uit lagere sociaaleconomische milieus, voor wie zelf regie voeren niet lukt, omdat ze daar de vaardigheden niet voor hebben. Deze groepen zullen ondersteuning op maat moeten krijgen. Een tweede ontwikkeling behelst de zorg voor anderen, bijvoorbeeld in de rol van mantelzorger en vrijwilliger. Nederlanders zijn voorstanders van een samenleving waarin mensen voor elkaar zorgen, en doen veel en vaak vrijwilligerswerk. De plicht om te zorgen voor een naaste botst echter met de behoefte aan vrijheid om zelf keuzes te maken. Een verplichting kan daardoor demotiverend werken. De onderzoekers bevelen aan om de komende tijd te monitoren wat de effecten zijn van deze ontwikkelingen op autonomie, eigen regie en gezondheid, maar ook op gezondheidsverschillen, de mate van participatie en de kosten van de zorg. Op die manier kunnen de gevolgen van de veranderingen onderbouwd worden geëvalueerd. Dit onderzoek maakt deel uit van de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2014 (VTV-2014). De VTV is een rapportage die het RIVM elke vier jaar opstelt in opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS).
    • Business locations and CO2 reduction: (ir)reversibility of preferences and trends in private decision making

      Kardux L; Driessen PPJ; Schutjens V; Wever E; Vermeulen WVJ; NOP (2000-01-17)
      Abstract niet beschikbaar