• Calculation and Mapping of Critical Thresholds in Europe: Status Report 1999

      Posch M; de Smet PAM; Hettelingh JP; Downing RJ; MNV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-05-06)
      This report is the fifth in a bi-annual series prepared by the Coordination Center for Effects (CCE) to document the progress made in calculating and mapping critical thresholds in Europe. The CCE, as part of the Mapping Programme under the UN/ECE Working Group on Effects (WGE), collects critical load data from 24 individual countries and synthesizes them into European maps and data bases. These data bases, together with scientific advice on critical threshold methodology, are provided to the integrated assessment modeling groups under the UN/ECE Working Group on Strategies (WGS). Via this route the effects-related work has a direct impact on the preparations of new protocols to the 1979 Convention on Long-range Transboundary Air Pollution. In particular, the critical loads data presented in this report, which have been formally approved by the WGE in August 1998, serve as input to the current negotiations of a "multi-pollutant, multi-effect" protocol.<br>
    • Calculation of groundwater flow and particle tracking for the Gorleben site with METROPOL

      Leijnse A; Glasbergen P; Nijhoff-Pan L; Sauter FJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1989-02-28)
      In het kader van het onderzoeksprogramma PAGIS (Performance Assessment of Geological Isolation Systems), is een studie gedaan naar grondwaterstroming in de watervoerende pakketten gelegen boven de "Gorleben" zoutpijler in de Bondsrepubliek Duitsland. Het doel van dit onderzoek was een vergelijking te maken tussen de berekeningsresultaten voor grondwaterstroming met een dichtheid (zoetwater) die eerder waren uitgevoerd ten behoeve van de Duitse veiligheidsanalyse met het computerprogramma SWIFT en voor een identieke set invoergegevens met Het RIVM programma METROPOL. Een directe vergelijking werd beperkt door het feit, dat de "ware" oplossing voor het probleem niet bekend is. METROPOL is eveneens gebruikt om zout-water berekeningen uit te voeren. Door verschillende oorzaken moest hiervoor een ander netwerk gebruikt worden, zodat vergelijking met de zoetwater berekeningen niet direct was. Er kon evenwel aangegeven worden wat de invloed van de aanwezigheid van zout water op de eerder gemaakte zoet-water-berekeningen is. Looptijden door goed doorlatende modelblokken namen met ca. een factor honderd toe door de aanwezigheid van zout water.<br>
    • The calculation of human toxicity thresholds of 2,3,7,8-TCDD; A Physiologically Based Pharmacokinetic modeling approach

      Zeilmaker MJ; van Eijkeren JCH; LBO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-05-31)
      This report describes the application of 'Physiologically Based PharmacoKinetic' modelling (PBPK modeling) in calculating expected human 'No Adverse Effect Levels' of the dioxin 2,3,7,8-TetraChloroDibenzo-p-Dioxin (TCDD). The calculations incorporate the uncertainty on the kinetics of TCDD in humans, and the variation in the terminal half-life of TCDD, and interspecies differences in the sensitivity for TCDD toxicity. When binding of TCDD to extrahepatic proteins is neglected and a ten-fold difference in sensitivity for TCDD is assumed between the rat and man the model calculates that exposure levels below 34 pg TCDD/kg/day are without hepatic toxicity in humans. When extrahepatic protein binding is included in the model this level is found to be lower than 54 pg TCDD/kg/day. Similarly exposure levels below 2 and 3 pg TCDD/kg/day respectively are expected to be without cardiovascular and pulmonary toxicity in a model without resp. with extrahepatic protein binding. When equal sensitivity for TCDD is assumed between the monkey and man a model without and with extrahepatic protein binding calculates that exposure levels below 8 and 10 pg TCDD/kg/day respectively are without embryotoxic effects. Furthermore, a model without extrahepatic protein binding calculates that exposure levels without endometriosis in women and without disturbed cognitive development in their offspring after in utero exposure to TCDD are lower than 5 resp. 3 pg/kg/day.<br>
    • Calculation of human-toxicological serious soil contamination concentrations and proposals for intervention values for clean-up of soil and groundwater: Third series of compounds

      Kreule P; Berg R van den; Waitz MFW; Swartjes FA; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-08-31)
      Onlangs zijn voor een groot aantal stoffen de nieuwe interventiewaarden bodemsanering van kracht geworden. In dit rapport worden voorstellen gedaan voor humaan-toxicologisch en ecotoxicologisch onderbouwde interventiewaarden voor een 15-tal nog niet eerder in dit kader beoordeelde stoffen. Voor al deze stoffen is een humaantoxicologische ernstige bodemverontreinigingsconcentratie berekend met behulp van het computermodel CSOIL en het humaan-toxicolologisch maximaal toelaatbaar risico. De ecotoxicologische ernstige bodemverontreinigingsconcentratie is bepaald met behulp van de methode van Denneman en Van Gestel (1990, 1991), welke herzien is door Crommentuijn et al. (1994). De voorgestelde interventiewaarden komen tot stand door integratie van de ecotoxicologische en de humaan-toxicologisch ernstige bodemverontreinigingsconcentratie. De ecotoxicologisch ernstige bodemverontreinigingsconcentraties en humaan-toxicologisch maximaal toelaatbare risico's in dit rapport zijn in detail beschreven in respectievelijk rapport 715810008 en 715810009. De voorstellen zijn tot stand gekomen volgens de methoden die bij de eerste set van stoffen zijn gebruikt en in een aantal rapporten zijn vastgelegd. Afhankelijk van de gevoeligheid en betrouwbaarheid van de inputparameters is meer of minder inspanning geleverd om betrouwbare inputparameterwaarden te verkrijgen. Er worden voorstellen gedaan voor interventiewaarden bodem- en grondwatersanering voor zilver, ethyleenglycol, diethyleenglycol, acrylonitril, formaldehyde, methanol, 1-butanol, butylacetaat, methyl tert-butyl ether, 1,1-dichlooroethaan, 1,1,1-trichloorethaan, cis- & trans-1,2-dichlooretheen en een mengsel van aromatische oplosmiddelen dat hoge concentraties aan C3 en C4 alkylbenzenen bevat. Voor dodecylbenzeen is een risicoevaluatie uitgevoerd maar er is geen voorstel voor een interventiewaarde gedaan, bij gebrek aan een ecotoxicologisch ernstige bodem verontreinigingsconcentratie en aan betrouwbare fysisch-chemische gegevens.
    • Calculation of human-toxicological serious soil contamination concentrations and proposals for intervention values for clean-up of soil and groundwater: Third series of compounds

      Kreule P; van den Berg R; Waitz MFW; Swartjes FA; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-08-31)
      Recently implemented have been the thoroughly revised intervention values for soil clean-up. In this report, proposals will be presented for intervention values for 15 additional compounds on the basis of an ecotoxicological and a human-toxicological evaluation. For all compounds the human-toxicological serious soil contamination concentration was calculated using the CSOIL model and the human-toxicological maximum permissible risk levels. The ecotoxicological serious soil contamination concentration was determined by the methodology of Denneman and Van Gestel (1990, 1991), updated by Crommentuijn et al. (1994). Proposals for intervention values are determined by means of integrating the ecotoxicological and the human-toxicological serious soil contamination concentrations. The ecotoxicological serious soil contamination concentrations and the Maximum Permissible Risk levels in this report have been described in detail in report nos. 715810008 and 715810009, respectively. The proposals for the intervention values are derived according to the procedures described for the first and second series of compounds in a number of previous reports. Depending on sensitivity and reliability of the input parameters, various efforts have been made to obtain reliable input parameter values. In this report, intervention values for soil and groundwater are proposed for silver, ethylene glycol, diethylene glycol, acrylonitrile, formaldehyde, methanol, 1-butanol, butylacetate, methyl tert-butyl ether, 1,1-dichloroethane, 1,1,1-trichloroethane, cis- & trans-1,2-dichloroethene and a mixture of aromatic solvents (containing high concentrations of C3 en C4 alkyl benzenes). For dodecylbenzene a risk evaluation is executed but no intervention value is proposed because of lack of an ecotoxicological serious soil contamination concentration and reliable physicochemical data.<br>
    • Calibratie 1994 van de gammaspectrometrie-opstellingen van LSO voor alarmsituaties en regulier onderzoek

      Verkerk EC; Tijsmans MH; Pennders RMJ; Tax RB; Reinen HAJM; LSO (1995-07-31)
      This report describes the calibrations in 1994 of the gamma-spectroscopy set-ups in use at the Laboratory of Radiation Research (LSO). The set-ups are calibrated for different matrices which are measured routinely in the monitoring program and matrices which are measured during major nuclear accidents. The calibration results are analysed and calculations are performed that have led to an improved understanding of the results.
    • De calibratie en de energieresponsie van de Bitt RM10/RS02 gammastralingsdetectoren

      Dijk E van; Aalbers AHL (1990-03-31)
      A radiation monitoring network with automatic warning capabilities (LMR) has been established in the Netherlands. For the detection of gamma radiation exposureratemeters manufactured by Bitt Technologies are used. The exposureratemeters consist of a proportional counter tube (type RS02) and a readout unit (type RM10E). The calibration factor (Nk) and the energy response of six counter tubes was determined by the National Institute of Public Health and Environmental Protection. The calibration factors, expressed as the ratio air kerma to reading, were converted to ambient dose equivalent calibration factors using appropriate conversion factors taken from Grosswend et. al., 1988. An average ambient dose equivalent calibration factor of 10.8 mSv.rontgen was calculated.
    • Calibratie van modellen ten behoeve van regionalisatie studies. Twee methoden voor het schatten van verdelingsfuncties van modelparameters, op basis van Monte-Carlo sampling

      Heuberger PSC; Sanders R; Janssen PHM (1992-09-30)
      In this report two techniques for regional calibration of mathematical models are discussed. Regional calibration is concerned with rescaling the model from a local (site) level to a regional level. This is typically done by assigning probability distributions to the unknown parameters, which reflect their (regional) spatial variability in an adequate way. Due to insufficient availability of data on the local level, the calibration of the parameters is performed on the regional level by matching the (simulated) distribution of the model outputs with the distribution of the measurement data. The discussed techniques, Bin Filling (BF) and Weighted Frequency Matching, are based on Monte Carlo sampling and simulation in combination with a reweighing of the sampled values to accomplish an optimal match between the distributions of the model results and the measurement data. The characteristic features of the presented techniques are discussed and their utility is indicated. In addition some guidelines are presented for an appropriate use of the methods which have been implemented aas software for general use.
    • Campylobacter en Salmonella in open reservoirs voor de drinkwaterbereiding

      Medema GJ; Schets FM; LWL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-09-30)
      In the Netherlands, open reservoirs are used for drinking water production as pre-treatment storage reservoirs and as collection ponds for infiltrated river water that is recollected from the dunes. Waterfowl, rodents and other wild-living animals may introduce pathogens in these reservoirs. This contamination, that is most pronounced in winter, when the bird-load of the open reservoirs is high, partially undoes the purifying effect of storage and dune infiltration. In the wintermonths of 1990, Campylobacter was consistently present in dune collection pond water and storage reservoirs and was found in 25% of samples from gull and duck faeces. The concentration in water ranges from 0.4-46 per 100 ml in collection ponds and 0.2-11 per 100 ml in storage reservoirs. Several Campylobacter serotypes found in reservoir water are also found in human faecal samples. Salmonella was found only in a limited number of storage reservoir samples. The ratio between the pathogen (Campylobacter) and the routine microbiological parameters was high (1:0.02-1:33 respectively in collection ponds and 1:2-1:500 in storage reservoirs), compared to sewage-polluted surface water. The treatment reduced Campylobacter in all samples to <0,3 per l and the indicator organisms to below the legal standards. Rapid infiltration removed 0-70% (DZH) and 84-97% (GWA) and slow sandfiltration >98% of the microorganisms. At low temperatures, this is the maximal removal efficiency that may be expected of these processes. The estimated Campylobacter concentration in drinking water of the dune water plants in periods with high bird-load and no post-disinfection lies in the order of 1 per 100 liter, with peakconcentrations up to 1 per 10 liter. These concentrations are higher than the maximum acceptable concentration of 1 per 5100 l, based on a 10 -4 infection risk (acceptable level defined by the US Environmental Protection Agency). This means that the current drinking water treatment practice carries a health risk in the winter period. Additional post-treatment or covering the collection ponds should be considered. Storage reservoir water was treated more extensively. Coagulation/filtration removed >98% of the Campylobacter and indicator organisms and the inactivation by post-disinfection with chlorine dioxide was estimated to be 99.9% The estimated concentration of Campylobacter in this drinking water lies in the order of 0,01-1 per 10,000 l. In this case post-contamination by waterfowl is not likely to produce a significant risk of Campylobacter-infections. To increase insight in the health risk of the occurrence of Campylobacter in dune reservoir water, this water must be analysed frequently for the occurrence of Campylobacter and the effectiveness of the post-treatment must be established. Moreover, the health risk should be quantified with the use of dose-response modelling.<br>
    • Campylobacteriose in Nederland

      Havelaar AH; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-04-12)
      Campylobacter infections pose an important public health problem for the Netherlands. Approximately 100,000 cases of gastroenteritis occur annually as well as 60 cases of Guillain-Barr5 syndrome and several thousands of cases of reactive arthritis. The associated costs are expected to exceed 100 million euro per year. Animals, including farm animals, wild animals and pets, are the most important reservoirs of Campylobacter. Food products and the environment including the residential environment undergo continuous contamination from these reservoirs. The relative importance of different reservoirs and exposure pathways in the epidemiology of human campylobacteriosis is unknown. Many studies have indicated chicken meat to be an important carrier of infection, while other risk factors are the consumption of pork and beef or raw milk, direct contact with animals, foreign travel and contaminated surface water. Drinking water is not an important source of infection in the Netherlands.Improved hygienic measures have led to a reduced prevalence of Campylobacter in broiler flocks. However, in 2000, 35% of all flocks were still contaminated and a sizeable decrease is not expected in the short term. Additional measures at later stages in the food chain are necessary, including canalisation of contaminated flocks (logistic slaughtering), decontamination of poultry meat and consumer education. There is little information on the quality of imported poultry products.Effective prevention of campylobacteriosis in humans will require more knowledge than currently available and research needs are identified. The complex epidemiology of campylobacteriosis and the limited available knowledge make reliable predictions of the expected results of interventions difficult and call for prudence when defining policy objectives. Effective intervention will require a carefully balanced set of measures. A risk assessment model of the contamination chains is recommended to structurally integrate the available knowledge, so that the effects of interventions and the accompanying uncertainty can be quantified. Integration of these models with economic models and policy analyses will provide an optimal basis for risk management decisions.<br>
    • Campylobacteriose in Nederland

      Havelaar AH; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-04-12)
      Infecties met bacterien van het geslacht Campylobacter vormen een belangrijk volksgezondheidsprobleem in Nederland. Jaarlijks leiden deze infecties tot circa honderdduizend gevallen van gastroenteritis. Daarnaast zijn er ongeveer zestig gevallen van het Guillain-Barre syndroom en enkele duizenden gevallen van reactieve artritis. Naar verwachting bedraagt de economische schade voor Nederland meer dan honderd miljoen euro per jaar. De belangrijkste reservoirs van Campylobacter zijn te vinden in de dierenwereld, zowel landbouwhuisdieren als in het wild levende dieren als huisdieren. Vanuit deze reservoirs vindt een permanente besmetting van het voedselpakket, het milieu en de directe leefomgeving van de mens plaats. Het relatieve belang van de verschillende besmettingsbronnen en blootstellingroutes in de epidemiologie van humane campylobacteriose is niet bekend. In veel onderzoekingen komt kipvlees als een belangrijke besmettingsbron naar voren, maar dit is zeker niet de enige route waarlangs de mens besmet wordt. Andere geidentificeerde risicofactoren zijn varkens- en rundvlees, rauwe melk, direct contact met dieren, besmet oppervlaktewater en buitenlandse reizen. In Nederland speelt drinkwater geen rol van betekenis in de epidemiologie van Campylobacter. Verscherpte hygienemaatregelen hebben geleid tot een daling van de prevalentie van Campylobacter in de vleeskuikenhouderij. Hoewel in 2000 nog 35 % van de kuikens besmet is en een aanzienlijke daling niet binnen afzienbare tijd verwacht wordt. Aanvullende maatregelen, verder in de keten, zijn dan ook noodzakelijk om tot een verdere reductie van de besmetting van kipvlees met Campylobacter te komen. Hierbij valt met name te denken aan kanalisatie van besmette koppels (onder meer logistiek slachten), verbeterde slachthygiene en behandeling van het eindproduct. Er is weinig informatie over de kwaliteit van in Nederland geimporteerd kippevlees. Een effectieve bestrijding van campylobacteriose bij de mens vereist meer kennis en inzicht dan op dit moment beschikbaar is. De complexiteit van de epidemiologie van campylobacteriose en de beperkte beschikbare kennis maken het moeilijk betrouwbare voorspellingen te doen over de te verwachten effecten van interventie maatregelen, en noodzaken tot voorzichtigheid bij het formuleren van beleidsdoelstellingen. Effectieve bestrijding vraagt een zorgvuldig afgewogen pakket van maatregelen. Een op risicoanalyse gebaseerde modelmatige beschrijving van de besmettingsketens wordt aanbevolen om de beschikbare kennis op een gestructureerde wijze te integreren teneinde de effecten van interventiemaatregelen en de onzekerheid daarin te kwantificeren. Integratie van deze modellen met economische modellen en beleidsanalyses leveren een optimale basis voor het onderbouwen van beleidsbeslissingen.
    • Campylobacteriosis and sequelae in the Netherlands - Estimating the disease burden and the costs-of-illness

      Mangen MJJ; Havelaar AH; Wit GA de; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-05-25)
      Naar schatting maken 80.000 personen per jaar (onzekerheidsinterval 30.000 - 160.000) een episode van gastro-enteritis door ten gevolge van infectie met Campylobacter bacterien. Ongeveer 18.000 patienten consulteren een huisarts, 500 patienten worden in het ziekenhuis opgenomen en 30 patienten overlijden als gevolg van de gastro-enteritis. Daarnaast treden er ieder jaar naar schatting 1400 gevallen van reactieve artritis op, 60 gevallen van Guillain-Barre syndroom en 10 gevallen van inflammatoire darmziekte ten gevolge van een voorgaande Campylobacter infectie. De ziektelast en de ziektegebonden kosten van Campylobacter infectie werden geschat met behulp van een stochastisch simulatiemodel. Ziektegebonden kosten in het basisjaar 2000 betroffen directe kosten in de gezondheidszorg (bijvoorbeeld consulten van een arts, ziekenhuisopname en rehabilitatie), directe kosten buiten de gezondheidszorg (bijvoorbeeld reiskosten en eigen bijdragen van patienten) en de indirecte kosten buiten de gezondheidszorg, met name productiviteitsverlies. De ziektelast werd geschat op 1200 DALYs (Disability Adjusted Life Years) per jaar, met een 90% onzekerheidsinterval tussen 900 en 1600 DALYs per jaar. DALYs zijn de som van verloren levensjaren ten gevolge van voortijdige sterfte en jaren doorgebracht met een ziekte, gewogen naar de ernst ervan. De ziektegebonden kosten werden geschat op ongeveer 21 miljoen Euro, met een 90% onzekerheidsinterval tussen 11 en 36 miljoen Euro per jaar. Campylobacter infecties vormen dus een belangrijk volksgezondheidsprobleem in Nederland.
    • Campylobacteriosis and sequelae in the Netherlands - Estimating the disease burden and the costs-of-illness

      Mangen MJJ; Havelaar AH; de Wit GA; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-05-25)
      Each year, approximately 80,000 persons per year (range 30,000 - 160,000) are estimated to experience symptoms of acute gastro-enteritis as a consequence of infection with Campylobacter bacteria. On average 18,000 patients consult a general practitioner and 500 patients are hospitalised; for some 30 cases the disease could be fatal. Additionally, each year some 1400 cases of reactive arthritis, 60 cases of Guillain-Barre syndrome and 10 cases of inflammatory bowel disease are associated with a previous Campylobacter infection. The disease burden and the cost-of-illness of Campylobacter infections and sequelae were estimated using a stochastic simulation model. Disease burden was expressed in Disability Adjusted Life Years (DALYs), the sum of years of life lost and years lived with disability, weighted for the severity of disease. Considered in the cost-of-illness were direct health-care costs (e.g. doctors' consultations, hospitalisation, rehabilitation), direct non-health-care costs (e.g. travel costs of patients, co-payments by patients) and indirect non-health-care costs (productivity losses), using cost estimates for the year 2000. The disease burden associated with Campylobacter infections was estimated at 1200 DALYs per year, with a 90% uncertainty interval of between 900 and 1600 DALYs per year. The costs-of-illness were estimated to total 21 million per year with a 90% confidence interval of between 11 million and 36 million per year. Hence, Campylobacter infections pose an important public health problem for the Netherlands and incur substantial costs.
    • Can chemical structure predict reproductive toxicity?

      Maslankiewicz L; Hulzebos EM; Vermeire TG; Muller JJA; Piersma AH; SEC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-07-25)
      Structuur-activiteitsrelaties (SARs), inclusief kwantitatieve SARs worden gebruikt in de risicobeoordeling van stoffen. Deze noodzaak is des te meer urgent gezien het voorgestelde EU beleid voor stoffen, REACH, die de vermindering van dierproeven benadrukt. DERKfW en TSCA Chemische Categorieen Lijst zijn gekozen om reproductie toxiciteit voor REACH doeleinden te voorspellen. DEREKfW is een software programma dat toxicologische eigenschappen voorspelt gebruik makend van op literatuur en 'expert judgement' gebaseerde 'structural alerts', terwijl de TSCA Nieuwe Stoffen Programma Lijst van de US-EPA is gebaseerd op expert judgement en chemische categorieen. We hebben de twee modellen gescreened op het herkennen van stoffen die geclassificeerd zijn voor reprotoxiciteit in de EU (gebaseerd op experimentele dierstudies). De mate van vals positieven kon hierdoor niet bepaald worden. DEREKfW en de TSCA Chemische Categorieen Lijst herkenden 90 en 77% van de stoffen niet met een 'verminderde fertiliteit classificatie en 81 and 82% van de stoffen niet met een 'schade aan het ongeboren kind' classificatie, respectievelijk. Afgezien van iin gezamenlijke 'alert' hebben DEREKfW (een helder model) and de TSCA chemische Categorieen Lijst nog 7 'alerts' en 10 categorieen, respectievelijk. Doordat de alerts in DEREKfW and TSCA Categorieen Lijst in dit onderzoek naar voren komen, kunnen deze gebruikt worden als additionele 'expert judgement'. We concluderen echter dat deze modellen niet de enige methode kunnen zijn voor het screenen van stoffen voor reproductie toxiciteit in het kader van REACH. Andere modellen en teststrategieen zijn nodig om reproductie toxiciteit van stoffen te beoordelen.
    • Can chemical structure predict reproductive toxicity?

      Maslankiewicz L; Hulzebos EM; Vermeire TG; Muller JJA; Piersma AH; SEC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-07-25)
      Structure-Activity Relationships (SARs), including Quantitative SARs, are applied to the hazard assessment of chemicals. This need is all the more urgent considering the proposed new EU policy on chemicals in REACH, which stresses the need for non-animal testing. DEREKfW and the TSCA Chemical Category List of the New Chemicals Program of the US-EPA were chosen to predict reproductive toxicity for REACH purposes. DEREKfW is a software program predicting the toxicological properties using the literature and expert-derived structural alerts, while the TSCA Chemical Category List is a document and is based on expert judgment and a category approach. We screened the performance of both models on recognizing substances that are classified for reproductive toxicity in the EU (based on experimental animal tests). As we limited our research to only reproductive positive examples the rate of false positives could not be assessed. DEREKfW partially fulfils the OECD principles for good (Q)SARs. DEREKfW and TSCA Chemical Category List did not recognize 90 and 77% of the substances classified for 'impaired fertility', and 81 and 82% of the substances classified for 'harm to the unborn child', respectively. Besides one mutual 'alert/category' DEREKfW and TSCA contain 7 'alerts' and 10 categories, respectively. As the alerts in DEREKfW (comprehensible and transparent tool) and categories in the TSCA Chemical Category List are highlighted in this research, they both can be used as additional expert judgment when assessing chemicals for reproductive toxicity. However, we conclude that these models cannot be the only method for screening chemicals for reproductive toxicity in the framework of REACH. Other models or testing strategies have to be used to assess reproductive toxicity of chemicals.
    • Cancer incidence and cause-specific mortality following Balkan-deployment

      Schram-Bijkerk HE; Bogers RP; MGO; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-05-10)
      A study performed by the National Institute for Public Health and the Environ-ment (RIVM) found no association between the deployment of Dutch military personnel in the Balkan region and the incidence of cancer, including leukaemia. There were fewer new cases of cancer and deaths between 1993 and 2008 among Balkan deployed Dutch military personnel than among those who were not deployed to this region. Male military personnel of both groups had a lower chance of developing cancer or dying than men of similar age in the general Dutch population. In 2000, cases of leukaemia among Balkan deployed soldiers were reported in both the international and national media. This study, however, did not identify any increases in the number of cases of leukaemia among Balkan deployed soldiers. The number of new cases of cancer among the 18,000 men who were deployed to the Balkans was 15% lower than expected based on rates in the general population. The cancer incidence was also lower among Balkan deployed soldiers as compared to the 135,000 soldiers who had not been deployed to the Balkans. The number of lung tumours was half that in the general population, but the underlying factors for this low incidence are unknown as data on smoking habits and other lifestyle factors were not available. The number of leukaemia cases among Balkan deployed military personnel was also lower than expected, but it was not significantly different from the expected number based on the Dutch population. No elevated risk of cancer was observed among the relatively small number of women military personnel who were deployed to the Balkans. The total number of deaths among soldiers deployed to the Balkans was 33% lower than in the general population on a whole. The mortality rate was also lower among Balkan deployed soldiers than among non-Balkan deployed soldiers. The difference with the general population can be explained by the 'healthy worker effect' phenomenon that considers the working population, and the military population in particular, to be healthier than the general population on a whole due to health examinations at the time of enlistment and the physical demands of the profession. With regard to causes of death, those due to cancer and to diseases of the circulatory system were particularly lower among Balkan deployed military personnel as compared to the general population.
    • Cancer risk assessment of azo dyes and aromatic amines from garment and footwear

      Zeilmaker MJ; Kroese ED; Haperen P van; Veen MP van; Bremmer HJ; Kranen HJ van; Wouters MFA; Janus J; LBM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-08-31)
      Dit rapport beschrijft een schatting voor het risico op kanker dat verbonden is aan het dragen van kleding en schoeisel waarin kankerverwekkende azo kleurstoffen aangetroffen zijn. In de risicoschatting wordt de (geschatte) hoeveelheid aromatische aminen die tijdens het dragen van kleding en schoeisel in het lichaam opgenomen kan worden vergeleken met het chronische, acceptabel geachte, blootstellingsniveau van deze aminen. In de risicoschatting wordt met de volgende aspecten rekening gehouden: 1) de kans dat azo kleurstoffen en aminen in kleding en schoeisel voorkomen, 2) het aantal malen dat kleding en schoeisel gedragen wordt, 3) de mate waarin kleding en schoeisel met de huid in contact komen, 4) de hoeveelheid aminen en azo kleurstoffen die in kleding en schoeisel voorkomen, 5) de mate waarin azo kleurstoffen en aminen met zweet uit kledingtextiel en schoeisel uitlogen, 6) de opname door de huid van azo kleurstoffen en aminen en 7) de acceptabele limieten zoals die gesteld zijn voor de chronische bloostelling aan kankerverwekkende aromatische aminen. Deze laatste limieten zijn gesteld op de blootstellingsniveaus die leiden tot 1 extra geval van kanker per miljoen levenslang blootgestelden ("Negligible Risk Level", NRL) resp. 1 extra geval van kanker per tienduizend levenslang blootgestelden ("Maximum Permissible Risk Level", MPRL). Het risico op kanker is voor 6 stuks kledingtextiel, 2 stuks textiel schoeisel en 2 stuks leren schoeisel berekend. In deze producten zijn benzidine, o-tolidine, o-dianisidine en 2,4-toluenediamine aangetroffen. In alle gevallen bleek het dragen van de onderzochte producten te leiden tot een blootstelling aan aminen die ligt boven de NRL. In 3 onderzochte stuks kledingtextiel bleek deze blootstelling zelfs boven de MPRL te liggen.
    • Cancer risk assessment of azo dyes and aromatic amines from tattoo bands, folders of paper, toys, bed clothes, watch straps and ink

      Zeilmaker MJ; Kranen HJ van; Veen MP van; Janus J; LBM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-02-22)
      Dit rapport beschrijft een schatting voor het risico op kanker dat verbonden is aan het gebruik van tatoe bandjes, kinderspeelpapier, speelgoed, beddengoed, lederen horlogebandjes en inkt waarin kankerverwekkende azo kleurstoffen aangetroffen zijn. In genoemde producten zijn benzidine en de benzidine verwanten o-anisidine, 2,4-toluenediamine, 4,4'-diaminodifenylmethaan, 3,3'-dichloorbenzidine en o-toluidine aangetroffen. In de risicoschatting wordt de (geschatte) hoeveelheid aromatische aminen die tijdens het gebruik van genoemde producten in het lichaam opgenomen kan worden vergeleken met het chronische, acceptabel geachte, blootstellingsniveau van deze aminen. In de risicoschatting wordt met de volgende aspecten rekening gehouden: 1) de kans dat azo kleurstoffen en aminen in producten voorkomen, 2) het aantal malen dat producten gebruikt worden, 3) de mate waarin producten met de huid in contact komen, 4) de hoeveelheid aminen en azo kleurstoffen die in producten voorkomen, 5) de mate waarin azo kleurstoffen en aminen uit producten migreren, 6) de opname door de huid van azo kleurstoffen en aminen en 7) de acceptabele limieten zoals die gesteld zijn voor de chronische bloostelling aan kankerverwekkende aromatische aminen. Deze laatste limieten zijn gesteld op de blootstellingsniveaus die leiden tot 1 extra geval van kanker per miljoen levenslang blootgestelden ("Negligible Risk Level", NRL) resp. 1 extra geval van kanker per tienduizend levenslang blootgestelden ("Maximum Permissible Risk Level", MPRL). Bij het afleiden van NRLs/MPRLs zijn twee benaderingswijzen toegepast. In de eerste benadering zijn NRL en MPRL waarden van benzidine en benzidine verwanten afgeleid uit epidemiologisch onderzoek. In de tweede, traditionele, benadering zijn NRL en MPRL waarden voor benzidine verwanten afgeleid uit dierexperimenteel onderzoek. Wanneer NRL en MPRL waarden afgeleid worden uit epidemiologisch onderzoek bleek voor alle onderzochte producten het geschatte risico op kanker boven het NRL te liggen. Voor drie producten ligt het risico zelfs boven het MPRL. Wanneer NRL en MPRL waarden voor benzidine verwanten afgeleid worden uit dierexperimenteel onderzoek dan zou het risico op kanker in slechts twee van de onderzochte producten groter zijn dan het NRL.
    • Cancer risk assessment of azo dyes and aromatic amines from garment and footwear

      Zeilmaker MJ; Kroese ED; van Haperen P; van Veen MP; Bremmer HJ; van Kranen HJ; Wouters MFA; Janus J; LBM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-08-31)
      A quantitative assessment was performed to estimate the cancer risk to individuals wearing garment and footwear coloured with azo dyes. Basically, the risk assessment consists of both a comparison of the (estimated) level of aromatic amines which, during the wearing of garment and footwear, enters the body, and the acceptable limits as set for the chronic exposure to these amines. The following aspects were taken into account in the risk assessment: 1) the chance that garments and footwear contain azo dyes and amines, 2) the frequency with which garment and footwear is worn, 3) the fraction of garment and footwear which comes into contact with the skin, 4) the level of amines in garment and footwear, 5) the leaching of azo dyes and amines from garment and footwear with sweat, 6) the absorption of azo dyes and amines through the skin and 7) the acceptable limits set for the chronic exposure to aromatic amines. The "Negligible Risk Level" (NRL), lifelong exposure leading to one extra case of cancer in one million exposed persons and the "Maximal Permissible Risk Level (MPRL)", lifelong exposure leading to one extra case of cancer in 10,000 exposed persons) were taken for these last limits. In a quantitative risk assessment performed for 6 garment pieces, 2 pieces of textile footwear and 2 pieces of leather footwear, benzidine, o-tolidine, o-dianisidine and 2,4-toluenedimine were detected in all the samples. In all cases wearing garments and footwear containing these products led to an exposure of amines exceeding the NRL. The calculated exposure even exceeded the MPRL in three garment pieces.<br>