• The calculation of human toxicity thresholds of 2,3,7,8-TCDD; A Physiologically Based Pharmacokinetic modeling approach

      Zeilmaker MJ; van Eijkeren JCH; LBO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-05-31)
      Dit rapport beschrijft de toepassing van een 'Physiologically Based PharmacoKinetic' model (PBPK model) bij het berekenen van de verwachte 'No Adverse Effect Level' van 2,3,7,8-TetraChloroDibenzo-p-Dioxine (TCDD) bij de mens. Het model houdt rekening met variabiliteit en onzekerheid in de kinetiek van TCDD bij de mens en verschillen in de gevoeligheid voor de toxiciteit van TCDD tussen mens en proefdier. Wanneer eiwitbinding van TCDD in de extrahepatische organen verwaarloosd wordt en uitgegaan wordt van een tienvoudig grotere gevoeligheid voor de toxiciteit van TCDD van de mens t.o.v. de rat, berekent het model dat TCDD doses lager dan 34 pg TCDD/kg/dag bij de gemiddelde mens geen levertoxiciteit veroorzaken. Voor een model waarin extrahepatische eiwitbinding van TCDD wel opgenomen is geldt dit voor doses lager dan 54 pg TCDD/kg/dag. Voor het model zonder resp. met eiwitbinding in de extrahepatische organen blijken blootstellingniveaus lager dan 2 en 3 pg TCDD/kg/dag geen cardiovasculaire en pulmonale toxiciteit te veroorzaken. Uitgaande van een gelijke gevoeligheid van aap en mens voor TCDD toxiciteit en een model respievelijk zonder en met extrahepatische eiwitbinding werd berekend dat blootstellingsniveaus lager dan respectievelijk 8 en 10 pg TCDD/kg/dag geen embryotoxiciteit veroorzaken. Verder blijkt het blootstellingsniveau dat geen endometriose bij vrouwen veroorzaakt lager te zijn dan 5 pg TCDD/kg/dag. Voor een verstoorde cognitieve ontwikkeling bij kinderen bleek dit niveau lager te zijn dan 3 pg TCDD/kg/dag. (model zonder extrahepatische eiwitbinding). De resultaten van de huidige studie laten zien dat, mits er voldoende gegevens beschikbaar zijn over de kinetiek van een stof, PBPK modellering goed toegepast kan worden bij het extrapoleren van stoftoxiciteit van proefdieren naar de mens, cq. het berekenen van de te verwachten 'No Adverse Effect Levels' van stoffen bij de mens.<br>
    • Calculation of human-toxicological serious soil contamination concentrations and proposals for intervention values for clean-up of soil and groundwater: Third series of compounds

      Kreule P; Berg R van den; Waitz MFW; Swartjes FA; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-08-31)
      Recently implemented have been the thoroughly revised intervention values for soil clean-up. In this report, proposals will be presented for intervention values for 15 additional compounds on the basis of an ecotoxicological and a human-toxicological evaluation. For all compounds the human-toxicological serious soil contamination concentration was calculated using the CSOIL model and the human-toxicological maximum permissible risk levels. The ecotoxicological serious soil contamination concentration was determined by the methodology of Denneman and Van Gestel (1990, 1991), updated by Crommentuijn et al. (1994). Proposals for intervention values are determined by means of integrating the ecotoxicological and the human-toxicological serious soil contamination concentrations. The ecotoxicological serious soil contamination concentrations and the Maximum Permissible Risk levels in this report have been described in detail in report nos. 715810008 and 715810009, respectively. The proposals for the intervention values are derived according to the procedures described for the first and second series of compounds in a number of previous reports. Depending on sensitivity and reliability of the input parameters, various efforts have been made to obtain reliable input parameter values. In this report, intervention values for soil and groundwater are proposed for silver, ethylene glycol, diethylene glycol, acrylonitrile, formaldehyde, methanol, 1-butanol, butylacetate, methyl tert-butyl ether, 1,1-dichloroethane, 1,1,1-trichloroethane, cis- & trans-1,2-dichloroethene and a mixture of aromatic solvents (containing high concentrations of C3 en C4 alkyl benzenes). For dodecylbenzene a risk evaluation is executed but no intervention value is proposed because of lack of an ecotoxicological serious soil contamination concentration and reliable physicochemical data.
    • Calculation of human-toxicological serious soil contamination concentrations and proposals for intervention values for clean-up of soil and groundwater: Third series of compounds

      Kreule P; van den Berg R; Waitz MFW; Swartjes FA; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-08-31)
      Onlangs zijn voor een groot aantal stoffen de nieuwe interventiewaarden bodemsanering van kracht geworden. In dit rapport worden voorstellen gedaan voor humaan-toxicologisch en ecotoxicologisch onderbouwde interventiewaarden voor een 15-tal nog niet eerder in dit kader beoordeelde stoffen. Voor al deze stoffen is een humaantoxicologische ernstige bodemverontreinigingsconcentratie berekend met behulp van het computermodel CSOIL en het humaan-toxicolologisch maximaal toelaatbaar risico. De ecotoxicologische ernstige bodemverontreinigingsconcentratie is bepaald met behulp van de methode van Denneman en Van Gestel (1990, 1991), welke herzien is door Crommentuijn et al. (1994). De voorgestelde interventiewaarden komen tot stand door integratie van de ecotoxicologische en de humaan-toxicologisch ernstige bodemverontreinigingsconcentratie. De ecotoxicologisch ernstige bodemverontreinigingsconcentraties en humaan-toxicologisch maximaal toelaatbare risico's in dit rapport zijn in detail beschreven in respectievelijk rapport 715810008 en 715810009. De voorstellen zijn tot stand gekomen volgens de methoden die bij de eerste set van stoffen zijn gebruikt en in een aantal rapporten zijn vastgelegd. Afhankelijk van de gevoeligheid en betrouwbaarheid van de inputparameters is meer of minder inspanning geleverd om betrouwbare inputparameterwaarden te verkrijgen. Er worden voorstellen gedaan voor interventiewaarden bodem- en grondwatersanering voor zilver, ethyleenglycol, diethyleenglycol, acrylonitril, formaldehyde, methanol, 1-butanol, butylacetaat, methyl tert-butyl ether, 1,1-dichlooroethaan, 1,1,1-trichloorethaan, cis- & trans-1,2-dichlooretheen en een mengsel van aromatische oplosmiddelen dat hoge concentraties aan C3 en C4 alkylbenzenen bevat. Voor dodecylbenzeen is een risicoevaluatie uitgevoerd maar er is geen voorstel voor een interventiewaarde gedaan, bij gebrek aan een ecotoxicologisch ernstige bodem verontreinigingsconcentratie en aan betrouwbare fysisch-chemische gegevens.<br>
    • Calibratie 1994 van de gammaspectrometrie-opstellingen van LSO voor alarmsituaties en regulier onderzoek

      Verkerk EC; Tijsmans MH; Pennders RMJ; Tax RB; Reinen HAJM; LSO (1995-07-31)
      Om de activiteit van preparaten met gammastraling uitzendende nucliden te bepalen heeft het Laboratorium voor Stralingsonderzoek (LSO) de beschikking over een aantal halfgeleiderdetectoren. Deze opstellingen worden per preparaatvorm gekalibreerd voor de efficintie waarmee gemeten wordt. Dit rapport beschrijft de resultaten van de preparaatkalibraties voor het reguliere onderzoeksprogramma en de preparaatkalibraties voor metingen tijdens alarmsituaties. Ook worden een aantal analyses en berekeningen geevalueerd die hebben geleid tot een beter begrip van de resultaten. Het is gebleken dat de grootste onzekerheid in de preparaatkalibraties het gevolg is van een inhomogene verdeling van de activiteit over het preparaat. Bij de preparaatvorm 'teldoos 250 ml' is de homogeniteit nagenoeg perfect met als resultaat de best reproducerende metingen. De activiteit op het 'koolfilter' is niet homogeen verdeeld maar blijft gelokaliseerd op de plaats waar het is aangebracht. Vloeistofscintillatie metingen hebben voor het 'URENCO' en 'glasvezelfilter' aangetoond dat de activiteit zich na het drogen vooral op de rand van het filter bevindt. Bij het koolpatroon blijkt dat de injectiediepte (verschillend per experimentator) een grote rol speelt bij het bepalen van de detectorefficintie. Deze variatie in de hoogte van de activiteitspositie is ook van belang bij het 'HVS filterpakket'. De teldoos gevuld met melk- of grasas geeft bij grotere vulhoogten (30 en 40 mm) sterke afwijkingen in de meetuitkomsten. Dit is waarschijnlijk het gevolg van een minder goede homogeniteit. In de praktijk komen deze vulhoogten nauwelijks voor, zodat hiervoor voortaan niet meer gekalibreerd zal worden. Voor iedere preparaatvorm is een foutenanalyse uitgevoerd. Het blijkt dat de meeste fouten groter zijn dan 10%. Het criterium dat momenteel wordt gehanteerd voor acceptatie van een kalibratie is een verschil van minder dan 10% met de kalibratie van het voorgaande jaar. Wellicht moet dit criterium worden vervangen door een preparaat specifiek criterium. Berekeningen die gemaakt zijn om de telefficientie van ingewikkelde preparaten te modelleren komen overeen met hetgeen is waargenomen in de experimenten. Ze kunnen goed gebruikt worden om de gemaakte aannamen over de activiteitsverdelingen te onderbouwen.
    • De calibratie en de energieresponsie van de Bitt RM10/RS02 gammastralingsdetectoren

      Dijk E van; Aalbers AHL (1990-03-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Campylobacter en Salmonella in open reservoirs voor de drinkwaterbereiding

      Medema GJ; Schets FM; LWL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-09-30)
      Bij de Nederlandse drinkwaterbereiding is een aantal locaties aan te wijzen waar de (semi) natuurlijke fauna een significante bron van besmetting met faecaal materiaal kan zijn: de open terugwinreservoirs van de duinwaterbedrijven en spaarbekkens van oppervlaktewaterbedrijven. Met name tijdens de winter is de belasting van deze open reservoirs met watervogels hoog. Watervogels en (water)knaagdieren zijn frequent drager van ziekteverwekkende bacterien (waaronder Campylobacter en Salmonella) en protozoa die via drinkwater infecties kunnen veroorzaken, zodat faecale verontreiniging door deze bron een gezondheidsrisico kan inhouden. Doel van deze studie was het vaststellen van de aantallen en types Campylobacter en Salmonella in water uit terugwinreservoirs en spaarbekkens en in vogelfaeces en hun relatie met de indicatorbacterien voor faecale verontreiniging (thermotolerante bacterien van de coligroep, faecale streptococcen en sporen van sulfietreducerende Clostridia). In de winter van 1990 zijn gedurende 8 weken monsters genomen van water uit reservoirs (pompstation Scheveningen, DZH en pompstation Leiduin, GWA) en spaarbekkenwater (pompstation Braakman, Deltan) en faeces van een aantal vogelsoorten die daar algemeen voorkomen. Campylobacter kwam consistent voor in reservoir en spaarbekkenwater. Hun concentratie lag tussen 0,4 en 46 per 100 ml in reservoirs en tussen 0,2 en 11 per 100 ml in de spaarbekkens. Salmonella werd alleen in een beperkt aantal monsters spaarbekken aangetroffen in duidelijk lagere concentraties (0,09 tot 0,43 per 100 ml). Campylobacter werd in 25 % van de faecesmonsters van wilde eend en kokmeeuw aangetroffen. De aantalsverhouding tussen Campylobacter en indicator-organismen voor faecale verontreiniging (de standaard microbiologische parameters) was hoog (respectievelijk 1:0,02-1:33 in terugwinreservoirs en 1:2-1:500 in spaarbekkens) in vergelijking met door rioollozingen verontreinigd oppervlaktewater. Er is derhalve een lagere veiligsheidsmarge dan gebruikelijk wanneer wordt voldaan aan de eisen van het Waterleidingbesluit. Een deel van Campylobacter serotypen die in het water werden gevonden kwam overeen met serotypen die als veroorzaker van maag-darminfecties bij de mens worden aangetroffen. De nazuivering verwijderde in alle gevallen de Campylobacter-bacterien tot <0,3 per l en de indicator organismen tot beneden de norm uit het Waterleidingbesluit. Van de nazuivering bij de duinwaterbedrijven verwijderde de snelfiltratie 0-70% (DZH) en 84-97% (GWA) en de langzame zandfiltratie >98% van de aanwezige micro-organismen. Dit is bij lage temperaturen ook de maximaal te verwachten verwijderingscapaciteit van deze processen. De concentratie Campylobacter ligt bij de duinwaterbedrijven derhalve naar schatting in de orde van 1 per 100 liter, met piekconcentraties tot 1 per 10 liter in perioden dat de vogelbelasting hoog is en geen nadesinfectie wordt toegepast. Campylobacter is een zeer infectieus organisme. De geschatte Campylobacter concentraties in drinkwater, bereid uit open teruggewonnen duinfiltraat, zijn hoger dan de maximaal toelaatbare concentratie volgens risico-benadering van de US Environmental Protection Agency op basis van een infectie risico van 10 -4 per jaar (1 per 5100 l). Dit betekent dan ook dat de huidige praktijk van drinkwaterbereiding via open terugwinning een gezondheidsrisico met zich mee draagt, met name in de winterperiode als de belasting hoog is en het rendement van de nazuivering laag. Het verdient aanbeveling dit gezondheidsrisico te kwantificeren met behulp van een dosis-effectmodel. Nadesinfectie met chloor, dat beide drinkwaterbedrijven stand-by hebben staan, wordt toegepast wanneer doorslag van indicator organismen wordt geconstateerd. Doordat echter geen veiligheidsmarge ten opzichte van Campylobacter aanwezig is, heeft de Campylobacter concentratie dan het maximaal toelaatbare risico niveau overschreden. Derhalve zijn maatregelen (overkapping/uitbreiden nazuivering) noodzakelijk om dit gezondheidsrisico te reduceren. In het spaarbekkenbedrijf verwijderde coagulatie/filtratie >98% van de aanwezige Campylobacter en indicator organismen en de nadesinfectie met chloordioxide verwijderde naar schatting >99,9% De geschatte concentratie Campylobacter in dit drinkwater ligt in de orde van 0,01-1 per 10.000 l en het potentiele gezondheidsrisico voor Campylobacter ligt hier in de winterperiode dan ook aanzienlijk lager dan bij de duinwaterbedrijven. Om, tot het moment dat maatregelen effectief worden, meer inzicht te krijgen in het gezondheidsrisico van het voorkomen van Campylobacter in duinreservoirwater moet dit water frequent worden onderzocht op het voorkomen van Campylobacter en moet ook de verwijderingscapaciteit van de zuivering worden vastgesteld.<br>
    • Campylobacteriose in Nederland

      Havelaar AH; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-04-12)
      Infecties met bacterien van het geslacht Campylobacter vormen een belangrijk volksgezondheidsprobleem in Nederland. Jaarlijks leiden deze infecties tot circa honderdduizend gevallen van gastroenteritis. Daarnaast zijn er ongeveer zestig gevallen van het Guillain-Barre syndroom en enkele duizenden gevallen van reactieve artritis. Naar verwachting bedraagt de economische schade voor Nederland meer dan honderd miljoen euro per jaar. De belangrijkste reservoirs van Campylobacter zijn te vinden in de dierenwereld, zowel landbouwhuisdieren als in het wild levende dieren als huisdieren. Vanuit deze reservoirs vindt een permanente besmetting van het voedselpakket, het milieu en de directe leefomgeving van de mens plaats. Het relatieve belang van de verschillende besmettingsbronnen en blootstellingroutes in de epidemiologie van humane campylobacteriose is niet bekend. In veel onderzoekingen komt kipvlees als een belangrijke besmettingsbron naar voren, maar dit is zeker niet de enige route waarlangs de mens besmet wordt. Andere geidentificeerde risicofactoren zijn varkens- en rundvlees, rauwe melk, direct contact met dieren, besmet oppervlaktewater en buitenlandse reizen. In Nederland speelt drinkwater geen rol van betekenis in de epidemiologie van Campylobacter. Verscherpte hygienemaatregelen hebben geleid tot een daling van de prevalentie van Campylobacter in de vleeskuikenhouderij. Hoewel in 2000 nog 35 % van de kuikens besmet is en een aanzienlijke daling niet binnen afzienbare tijd verwacht wordt. Aanvullende maatregelen, verder in de keten, zijn dan ook noodzakelijk om tot een verdere reductie van de besmetting van kipvlees met Campylobacter te komen. Hierbij valt met name te denken aan kanalisatie van besmette koppels (onder meer logistiek slachten), verbeterde slachthygiene en behandeling van het eindproduct. Er is weinig informatie over de kwaliteit van in Nederland geimporteerd kippevlees. Een effectieve bestrijding van campylobacteriose bij de mens vereist meer kennis en inzicht dan op dit moment beschikbaar is. De complexiteit van de epidemiologie van campylobacteriose en de beperkte beschikbare kennis maken het moeilijk betrouwbare voorspellingen te doen over de te verwachten effecten van interventie maatregelen, en noodzaken tot voorzichtigheid bij het formuleren van beleidsdoelstellingen. Effectieve bestrijding vraagt een zorgvuldig afgewogen pakket van maatregelen. Een op risicoanalyse gebaseerde modelmatige beschrijving van de besmettingsketens wordt aanbevolen om de beschikbare kennis op een gestructureerde wijze te integreren teneinde de effecten van interventiemaatregelen en de onzekerheid daarin te kwantificeren. Integratie van deze modellen met economische modellen en beleidsanalyses leveren een optimale basis voor het onderbouwen van beleidsbeslissingen.<br>
    • Campylobacteriose in Nederland

      Havelaar AH; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-04-12)
      Campylobacter infections pose an important public health problem for the Netherlands. Approximately 100,000 cases of gastroenteritis occur annually as well as 60 cases of Guillain-Barr5 syndrome and several thousands of cases of reactive arthritis. The associated costs are expected to exceed 100 million euro per year. Animals, including farm animals, wild animals and pets, are the most important reservoirs of Campylobacter. Food products and the environment including the residential environment undergo continuous contamination from these reservoirs. The relative importance of different reservoirs and exposure pathways in the epidemiology of human campylobacteriosis is unknown. Many studies have indicated chicken meat to be an important carrier of infection, while other risk factors are the consumption of pork and beef or raw milk, direct contact with animals, foreign travel and contaminated surface water. Drinking water is not an important source of infection in the Netherlands.Improved hygienic measures have led to a reduced prevalence of Campylobacter in broiler flocks. However, in 2000, 35% of all flocks were still contaminated and a sizeable decrease is not expected in the short term. Additional measures at later stages in the food chain are necessary, including canalisation of contaminated flocks (logistic slaughtering), decontamination of poultry meat and consumer education. There is little information on the quality of imported poultry products.Effective prevention of campylobacteriosis in humans will require more knowledge than currently available and research needs are identified. The complex epidemiology of campylobacteriosis and the limited available knowledge make reliable predictions of the expected results of interventions difficult and call for prudence when defining policy objectives. Effective intervention will require a carefully balanced set of measures. A risk assessment model of the contamination chains is recommended to structurally integrate the available knowledge, so that the effects of interventions and the accompanying uncertainty can be quantified. Integration of these models with economic models and policy analyses will provide an optimal basis for risk management decisions.
    • Campylobacteriosis and sequelae in the Netherlands - Estimating the disease burden and the costs-of-illness

      Mangen MJJ; Havelaar AH; Wit GA de; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-05-25)
      Each year, approximately 80,000 persons per year (range 30,000 - 160,000) are estimated to experience symptoms of acute gastro-enteritis as a consequence of infection with Campylobacter bacteria. On average 18,000 patients consult a general practitioner and 500 patients are hospitalised; for some 30 cases the disease could be fatal. Additionally, each year some 1400 cases of reactive arthritis, 60 cases of Guillain-Barre syndrome and 10 cases of inflammatory bowel disease are associated with a previous Campylobacter infection. The disease burden and the cost-of-illness of Campylobacter infections and sequelae were estimated using a stochastic simulation model. Disease burden was expressed in Disability Adjusted Life Years (DALYs), the sum of years of life lost and years lived with disability, weighted for the severity of disease. Considered in the cost-of-illness were direct health-care costs (e.g. doctors' consultations, hospitalisation, rehabilitation), direct non-health-care costs (e.g. travel costs of patients, co-payments by patients) and indirect non-health-care costs (productivity losses), using cost estimates for the year 2000. The disease burden associated with Campylobacter infections was estimated at 1200 DALYs per year, with a 90% uncertainty interval of between 900 and 1600 DALYs per year. The costs-of-illness were estimated to total 21 million per year with a 90% confidence interval of between 11 million and 36 million per year. Hence, Campylobacter infections pose an important public health problem for the Netherlands and incur substantial costs.
    • Campylobacteriosis and sequelae in the Netherlands - Estimating the disease burden and the costs-of-illness

      Mangen MJJ; Havelaar AH; de Wit GA; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-05-25)
      Naar schatting maken 80.000 personen per jaar (onzekerheidsinterval 30.000 - 160.000) een episode van gastro-enteritis door ten gevolge van infectie met Campylobacter bacterien. Ongeveer 18.000 patienten consulteren een huisarts, 500 patienten worden in het ziekenhuis opgenomen en 30 patienten overlijden als gevolg van de gastro-enteritis. Daarnaast treden er ieder jaar naar schatting 1400 gevallen van reactieve artritis op, 60 gevallen van Guillain-Barre syndroom en 10 gevallen van inflammatoire darmziekte ten gevolge van een voorgaande Campylobacter infectie. De ziektelast en de ziektegebonden kosten van Campylobacter infectie werden geschat met behulp van een stochastisch simulatiemodel. Ziektegebonden kosten in het basisjaar 2000 betroffen directe kosten in de gezondheidszorg (bijvoorbeeld consulten van een arts, ziekenhuisopname en rehabilitatie), directe kosten buiten de gezondheidszorg (bijvoorbeeld reiskosten en eigen bijdragen van patienten) en de indirecte kosten buiten de gezondheidszorg, met name productiviteitsverlies. De ziektelast werd geschat op 1200 DALYs (Disability Adjusted Life Years) per jaar, met een 90% onzekerheidsinterval tussen 900 en 1600 DALYs per jaar. DALYs zijn de som van verloren levensjaren ten gevolge van voortijdige sterfte en jaren doorgebracht met een ziekte, gewogen naar de ernst ervan. De ziektegebonden kosten werden geschat op ongeveer 21 miljoen Euro, met een 90% onzekerheidsinterval tussen 11 en 36 miljoen Euro per jaar. Campylobacter infecties vormen dus een belangrijk volksgezondheidsprobleem in Nederland.
    • Can chemical structure predict reproductive toxicity?

      Maslankiewicz L; Hulzebos EM; Vermeire TG; Muller JJA; Piersma AH; SEC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-07-25)
      Structure-Activity Relationships (SARs), including Quantitative SARs, are applied to the hazard assessment of chemicals. This need is all the more urgent considering the proposed new EU policy on chemicals in REACH, which stresses the need for non-animal testing. DEREKfW and the TSCA Chemical Category List of the New Chemicals Program of the US-EPA were chosen to predict reproductive toxicity for REACH purposes. DEREKfW is a software program predicting the toxicological properties using the literature and expert-derived structural alerts, while the TSCA Chemical Category List is a document and is based on expert judgment and a category approach. We screened the performance of both models on recognizing substances that are classified for reproductive toxicity in the EU (based on experimental animal tests). As we limited our research to only reproductive positive examples the rate of false positives could not be assessed. DEREKfW partially fulfils the OECD principles for good (Q)SARs. DEREKfW and TSCA Chemical Category List did not recognize 90 and 77% of the substances classified for 'impaired fertility', and 81 and 82% of the substances classified for 'harm to the unborn child', respectively. Besides one mutual 'alert/category' DEREKfW and TSCA contain 7 'alerts' and 10 categories, respectively. As the alerts in DEREKfW (comprehensible and transparent tool) and categories in the TSCA Chemical Category List are highlighted in this research, they both can be used as additional expert judgment when assessing chemicals for reproductive toxicity. However, we conclude that these models cannot be the only method for screening chemicals for reproductive toxicity in the framework of REACH. Other models or testing strategies have to be used to assess reproductive toxicity of chemicals.
    • Can chemical structure predict reproductive toxicity?

      Maslankiewicz L; Hulzebos EM; Vermeire TG; Muller JJA; Piersma AH; SEC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-07-25)
      Structuur-activiteitsrelaties (SARs), inclusief kwantitatieve SARs worden gebruikt in de risicobeoordeling van stoffen. Deze noodzaak is des te meer urgent gezien het voorgestelde EU beleid voor stoffen, REACH, die de vermindering van dierproeven benadrukt. DERKfW en TSCA Chemische Categorieen Lijst zijn gekozen om reproductie toxiciteit voor REACH doeleinden te voorspellen. DEREKfW is een software programma dat toxicologische eigenschappen voorspelt gebruik makend van op literatuur en 'expert judgement' gebaseerde 'structural alerts', terwijl de TSCA Nieuwe Stoffen Programma Lijst van de US-EPA is gebaseerd op expert judgement en chemische categorieen. We hebben de twee modellen gescreened op het herkennen van stoffen die geclassificeerd zijn voor reprotoxiciteit in de EU (gebaseerd op experimentele dierstudies). De mate van vals positieven kon hierdoor niet bepaald worden. DEREKfW en de TSCA Chemische Categorieen Lijst herkenden 90 en 77% van de stoffen niet met een 'verminderde fertiliteit classificatie en 81 and 82% van de stoffen niet met een 'schade aan het ongeboren kind' classificatie, respectievelijk. Afgezien van iin gezamenlijke 'alert' hebben DEREKfW (een helder model) and de TSCA chemische Categorieen Lijst nog 7 'alerts' en 10 categorieen, respectievelijk. Doordat de alerts in DEREKfW and TSCA Categorieen Lijst in dit onderzoek naar voren komen, kunnen deze gebruikt worden als additionele 'expert judgement'. We concluderen echter dat deze modellen niet de enige methode kunnen zijn voor het screenen van stoffen voor reproductie toxiciteit in het kader van REACH. Andere modellen en teststrategieen zijn nodig om reproductie toxiciteit van stoffen te beoordelen.
    • Cancer incidence and cause-specific mortality following Balkan-deployment

      Schram-Bijkerk HE; Bogers RP; MGO; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-05-10)
      Optreden kanker en oorzaakspecifiek overlijden na Balkanuitzending Er blijkt geen verband te zijn tussen uitzending van militairen naar de Balkan en het optreden van verschillende typen kanker, waaronder leukemie. Het aantal nieuwe gevallen van kanker en het aantal sterfgevallen in de periode 1993-2008 was onder Nederlandse Balkanmilitairen lager dan onder militairen die niet op de Balkan zijn geweest. Zowel de Balkanmilitairen als de niet-Balkanmilitairen had-den een lagere kans op kanker en sterfte vergeleken met even oude mannen uit de Nederlandse bevolking. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, dat is uitgevoerd naar aanleiding van een vermeend verband tussen uitzending naar de Balkan en het optreden van leukemie. Het aantal nieuwe gevallen van kanker onder de ruim 18.000 mannen die in de onderzochte periode naar de Balkan zijn uitgezonden, lag in totaal 15 procent lager dan onder even oude mannen uit de Nederlandse bevolking. Het aantal lag ook lager dan onder de 135.000 niet-Balkanmilitairen. Het aantal tumoren in de luchtwegen en borstholte lag de helft lager onder Balkanmilitairen dan onder de Nederlandse bevolking. De reden voor dit lage aantal is onbekend - er waren geen gegevens over roken en andere leefstijlfactoren beschikbaar. Ook het aan-tal leukemiegevallen lag lager, maar het verschil met de Nederlandse bevolking was niet significant. Voor het relatief kleine aantal vrouwen dat naar de Balkan is uitgezonden, is ook geen verhoogd aantal kankergevallen gevonden. Het totale aantal sterfgevallen onder Balkanmilitairen in de periode 1993-2008 lag 33 procent lager dan onder even oude mannen uit de Nederlandse bevolking. Het aantal lag ook lager dan onder de 135.000 niet-Balkanmilitairen. Ook de niet-Balkanmilitairen hadden een lager sterftecijfer dan andere Nederlandse mannen. Dit kan verklaard worden met het 'healthy worker effect': de werkende bevolking, en uitgezonden militairen in het bijzonder, zijn vanwege bijvoorbeeld de selectie op gezondheid door de dienstkeuring gezonder dan de algemene bevolking. Vooral sterfte aan kanker en hart- en vaatziekten lag lager onder Balkanmilitairen dan onder de Nederlandse bevolking.
    • Cancer risk assessment of azo dyes and aromatic amines from garment and footwear

      Zeilmaker MJ; Kroese ED; Haperen P van; Veen MP van; Bremmer HJ; Kranen HJ van; Wouters MFA; Janus J; LBM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-08-31)
      A quantitative assessment was performed to estimate the cancer risk to individuals wearing garment and footwear coloured with azo dyes. Basically, the risk assessment consists of both a comparison of the (estimated) level of aromatic amines which, during the wearing of garment and footwear, enters the body, and the acceptable limits as set for the chronic exposure to these amines. The following aspects were taken into account in the risk assessment: 1) the chance that garments and footwear contain azo dyes and amines, 2) the frequency with which garment and footwear is worn, 3) the fraction of garment and footwear which comes into contact with the skin, 4) the level of amines in garment and footwear, 5) the leaching of azo dyes and amines from garment and footwear with sweat, 6) the absorption of azo dyes and amines through the skin and 7) the acceptable limits set for the chronic exposure to aromatic amines. The "Negligible Risk Level" (NRL), lifelong exposure leading to one extra case of cancer in one million exposed persons and the "Maximal Permissible Risk Level (MPRL)", lifelong exposure leading to one extra case of cancer in 10,000 exposed persons) were taken for these last limits. In a quantitative risk assessment performed for 6 garment pieces, 2 pieces of textile footwear and 2 pieces of leather footwear, benzidine, o-tolidine, o-dianisidine and 2,4-toluenedimine were detected in all the samples. In all cases wearing garments and footwear containing these products led to an exposure of amines exceeding the NRL. The calculated exposure even exceeded the MPRL in three garment pieces.
    • Cancer risk assessment of azo dyes and aromatic amines from tattoo bands, folders of paper, toys, bed clothes, watch straps and ink

      Zeilmaker MJ; Kranen HJ van; Veen MP van; Janus J; LBM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-02-22)
      A quantitative assessment was performed to estimate the cancer risk to individuals using tattoo bands, folders of paper, toys, bed clothes, watch straps and ink which are coloured with azo dyes. In these products benzidine and the benzidine related amines o-anisidine, 2,4-toluenediamine, 4,4'-diaminodifenylmethane, 3,3'-dichlorobenzidine en o-toluidine were found. Basically, the risk assessment consists of both a comparison of the (estimated) level of aromatic amines which, during the period in which products are used, enters the body and the acceptable limits, as set for the chronic exposure to these amines. The following aspects were taken into account in the risk assessment: 1) the chance that products contain azo dyes and amines, 2) the frequency with which products are used, 3) the fraction of products which comes into contact with the skin, 4) the level of amines in products, 5) the migration of azo dyes and amines from products, 6) the absorption of azo dyes and amines through the skin and 7) the acceptable limits as set for the chronic exposure to aromatic amines. The "Negligible Risk Level"-NRL (life-long exposure leading to one extra case of cancer in one million exposed persons) and the "Maximal Permissible Risk Level - MPRL (lifelong exposure leading to one extra case of cancer in ten thousand exposed persons) were taken for these last limits. In deriving NRLs/MPRLs two approaches were followed. In the first approach NRL and MPRL values of benzidine and benzidine related amines were derived from epidemiological data. In the second, traditional, approach the NRL and MRPL values of benzidine related amines were derived from animal data.When NRLs/MPRLs were derived from epidemiological data the use of all products leads to a cancer risk which exceeds the NRL. In three products this risk even exceeded the MPRL. When NRLs/MPRLs of benzidine related amines were derived from animal data the cancer risk exceeded the NRL in only three products.
    • Cancer risk assessment of azo dyes and aromatic amines from garment and footwear

      Zeilmaker MJ; Kroese ED; van Haperen P; van Veen MP; Bremmer HJ; van Kranen HJ; Wouters MFA; Janus J; LBM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-08-31)
      Dit rapport beschrijft een schatting voor het risico op kanker dat verbonden is aan het dragen van kleding en schoeisel waarin kankerverwekkende azo kleurstoffen aangetroffen zijn. In de risicoschatting wordt de (geschatte) hoeveelheid aromatische aminen die tijdens het dragen van kleding en schoeisel in het lichaam opgenomen kan worden vergeleken met het chronische, acceptabel geachte, blootstellingsniveau van deze aminen. In de risicoschatting wordt met de volgende aspecten rekening gehouden: 1) de kans dat azo kleurstoffen en aminen in kleding en schoeisel voorkomen, 2) het aantal malen dat kleding en schoeisel gedragen wordt, 3) de mate waarin kleding en schoeisel met de huid in contact komen, 4) de hoeveelheid aminen en azo kleurstoffen die in kleding en schoeisel voorkomen, 5) de mate waarin azo kleurstoffen en aminen met zweet uit kledingtextiel en schoeisel uitlogen, 6) de opname door de huid van azo kleurstoffen en aminen en 7) de acceptabele limieten zoals die gesteld zijn voor de chronische bloostelling aan kankerverwekkende aromatische aminen. Deze laatste limieten zijn gesteld op de blootstellingsniveaus die leiden tot 1 extra geval van kanker per miljoen levenslang blootgestelden ("Negligible Risk Level", NRL) resp. 1 extra geval van kanker per tienduizend levenslang blootgestelden ("Maximum Permissible Risk Level", MPRL). Het risico op kanker is voor 6 stuks kledingtextiel, 2 stuks textiel schoeisel en 2 stuks leren schoeisel berekend. In deze producten zijn benzidine, o-tolidine, o-dianisidine en 2,4-toluenediamine aangetroffen. In alle gevallen bleek het dragen van de onderzochte producten te leiden tot een blootstelling aan aminen die ligt boven de NRL. In 3 onderzochte stuks kledingtextiel bleek deze blootstelling zelfs boven de MPRL te liggen.<br>
    • Cancer risk assessment of azo dyes and aromatic amines from tattoo bands, folders of paper, toys, bed clothes, watch straps and ink

      Zeilmaker MJ; van Kranen HJ; van Veen MP; Janus J; LBM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-02-22)
      Dit rapport beschrijft een schatting voor het risico op kanker dat verbonden is aan het gebruik van tatoe bandjes, kinderspeelpapier, speelgoed, beddengoed, lederen horlogebandjes en inkt waarin kankerverwekkende azo kleurstoffen aangetroffen zijn. In genoemde producten zijn benzidine en de benzidine verwanten o-anisidine, 2,4-toluenediamine, 4,4'-diaminodifenylmethaan, 3,3'-dichloorbenzidine en o-toluidine aangetroffen. In de risicoschatting wordt de (geschatte) hoeveelheid aromatische aminen die tijdens het gebruik van genoemde producten in het lichaam opgenomen kan worden vergeleken met het chronische, acceptabel geachte, blootstellingsniveau van deze aminen. In de risicoschatting wordt met de volgende aspecten rekening gehouden: 1) de kans dat azo kleurstoffen en aminen in producten voorkomen, 2) het aantal malen dat producten gebruikt worden, 3) de mate waarin producten met de huid in contact komen, 4) de hoeveelheid aminen en azo kleurstoffen die in producten voorkomen, 5) de mate waarin azo kleurstoffen en aminen uit producten migreren, 6) de opname door de huid van azo kleurstoffen en aminen en 7) de acceptabele limieten zoals die gesteld zijn voor de chronische bloostelling aan kankerverwekkende aromatische aminen. Deze laatste limieten zijn gesteld op de blootstellingsniveaus die leiden tot 1 extra geval van kanker per miljoen levenslang blootgestelden ("Negligible Risk Level", NRL) resp. 1 extra geval van kanker per tienduizend levenslang blootgestelden ("Maximum Permissible Risk Level", MPRL). Bij het afleiden van NRLs/MPRLs zijn twee benaderingswijzen toegepast. In de eerste benadering zijn NRL en MPRL waarden van benzidine en benzidine verwanten afgeleid uit epidemiologisch onderzoek. In de tweede, traditionele, benadering zijn NRL en MPRL waarden voor benzidine verwanten afgeleid uit dierexperimenteel onderzoek. Wanneer NRL en MPRL waarden afgeleid worden uit epidemiologisch onderzoek bleek voor alle onderzochte producten het geschatte risico op kanker boven het NRL te liggen. Voor drie producten ligt het risico zelfs boven het MPRL. Wanneer NRL en MPRL waarden voor benzidine verwanten afgeleid worden uit dierexperimenteel onderzoek dan zou het risico op kanker in slechts twee van de onderzochte producten groter zijn dan het NRL.<br>
    • Cannabis contaminanten

      Venhuis BJ; van de Nobelen S; PRS; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-01-19)
      In nederwiet uit verschillende koffieshops zijn restanten van bestrijdingsmiddelen aangetroffen. De hoeveelheden zijn dermate laag dat het geen risico vormt voor de gezondheid van gebruikers. Dit geldt voor de consumptie van nederwiet in de vorm van thee en voor gerookte nederwiet. Er zijn geen giftige plantenschimmels (aflatoxines) aangetroffen. Dit blijkt uit verkennend onderzoek van het RIVM, waarvoor bij 25 koffieshops een monster is genomen en onderzocht op de aanwezigheid van vervuilende stoffen. De focus lag op de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen en aflatoxines. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS. Het is van belang dat er niet te grote hoeveelheden of verboden bestrijdingsmiddelen in nederwiet zitten, bijvoorbeeld om mensen met een kwetsbare gezondheid te beschermen. Mensen die om medische redenen wiet gebruiken nemen die namelijk niet altijd af bij de apotheek. Alleen de door apotheek verstrekte mediwiet is volgens kwaliteitsrichtlijnen geproduceerd. In 23 van de 25 monsters zijn één of meerdere bestrijdingsmiddelen aangetroffen. In 11 monsters was de hoeveelheid hoger dan de grens die in de kruidengeneesmiddelenrichtlijn wordt gesteld. Eén monster bevatte een verboden bestrijdingsmiddel, maar ook deze concentratie was dermate laag dat het geen risico voor de gezondheid vormt.