• Cancer risk assessment of azo dyes and aromatic amines from garment and footwear

      Zeilmaker MJ; Kroese ED; van Haperen P; van Veen MP; Bremmer HJ; van Kranen HJ; Wouters MFA; Janus J; LBM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-08-31)
      Dit rapport beschrijft een schatting voor het risico op kanker dat verbonden is aan het dragen van kleding en schoeisel waarin kankerverwekkende azo kleurstoffen aangetroffen zijn. In de risicoschatting wordt de (geschatte) hoeveelheid aromatische aminen die tijdens het dragen van kleding en schoeisel in het lichaam opgenomen kan worden vergeleken met het chronische, acceptabel geachte, blootstellingsniveau van deze aminen. In de risicoschatting wordt met de volgende aspecten rekening gehouden: 1) de kans dat azo kleurstoffen en aminen in kleding en schoeisel voorkomen, 2) het aantal malen dat kleding en schoeisel gedragen wordt, 3) de mate waarin kleding en schoeisel met de huid in contact komen, 4) de hoeveelheid aminen en azo kleurstoffen die in kleding en schoeisel voorkomen, 5) de mate waarin azo kleurstoffen en aminen met zweet uit kledingtextiel en schoeisel uitlogen, 6) de opname door de huid van azo kleurstoffen en aminen en 7) de acceptabele limieten zoals die gesteld zijn voor de chronische bloostelling aan kankerverwekkende aromatische aminen. Deze laatste limieten zijn gesteld op de blootstellingsniveaus die leiden tot 1 extra geval van kanker per miljoen levenslang blootgestelden ("Negligible Risk Level", NRL) resp. 1 extra geval van kanker per tienduizend levenslang blootgestelden ("Maximum Permissible Risk Level", MPRL). Het risico op kanker is voor 6 stuks kledingtextiel, 2 stuks textiel schoeisel en 2 stuks leren schoeisel berekend. In deze producten zijn benzidine, o-tolidine, o-dianisidine en 2,4-toluenediamine aangetroffen. In alle gevallen bleek het dragen van de onderzochte producten te leiden tot een blootstelling aan aminen die ligt boven de NRL. In 3 onderzochte stuks kledingtextiel bleek deze blootstelling zelfs boven de MPRL te liggen.<br>
    • Cancer risk assessment of azo dyes and aromatic amines from tattoo bands, folders of paper, toys, bed clothes, watch straps and ink

      Zeilmaker MJ; van Kranen HJ; van Veen MP; Janus J; LBM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-02-22)
      Dit rapport beschrijft een schatting voor het risico op kanker dat verbonden is aan het gebruik van tatoe bandjes, kinderspeelpapier, speelgoed, beddengoed, lederen horlogebandjes en inkt waarin kankerverwekkende azo kleurstoffen aangetroffen zijn. In genoemde producten zijn benzidine en de benzidine verwanten o-anisidine, 2,4-toluenediamine, 4,4'-diaminodifenylmethaan, 3,3'-dichloorbenzidine en o-toluidine aangetroffen. In de risicoschatting wordt de (geschatte) hoeveelheid aromatische aminen die tijdens het gebruik van genoemde producten in het lichaam opgenomen kan worden vergeleken met het chronische, acceptabel geachte, blootstellingsniveau van deze aminen. In de risicoschatting wordt met de volgende aspecten rekening gehouden: 1) de kans dat azo kleurstoffen en aminen in producten voorkomen, 2) het aantal malen dat producten gebruikt worden, 3) de mate waarin producten met de huid in contact komen, 4) de hoeveelheid aminen en azo kleurstoffen die in producten voorkomen, 5) de mate waarin azo kleurstoffen en aminen uit producten migreren, 6) de opname door de huid van azo kleurstoffen en aminen en 7) de acceptabele limieten zoals die gesteld zijn voor de chronische bloostelling aan kankerverwekkende aromatische aminen. Deze laatste limieten zijn gesteld op de blootstellingsniveaus die leiden tot 1 extra geval van kanker per miljoen levenslang blootgestelden ("Negligible Risk Level", NRL) resp. 1 extra geval van kanker per tienduizend levenslang blootgestelden ("Maximum Permissible Risk Level", MPRL). Bij het afleiden van NRLs/MPRLs zijn twee benaderingswijzen toegepast. In de eerste benadering zijn NRL en MPRL waarden van benzidine en benzidine verwanten afgeleid uit epidemiologisch onderzoek. In de tweede, traditionele, benadering zijn NRL en MPRL waarden voor benzidine verwanten afgeleid uit dierexperimenteel onderzoek. Wanneer NRL en MPRL waarden afgeleid worden uit epidemiologisch onderzoek bleek voor alle onderzochte producten het geschatte risico op kanker boven het NRL te liggen. Voor drie producten ligt het risico zelfs boven het MPRL. Wanneer NRL en MPRL waarden voor benzidine verwanten afgeleid worden uit dierexperimenteel onderzoek dan zou het risico op kanker in slechts twee van de onderzochte producten groter zijn dan het NRL.<br>
    • Cannabis contaminanten

      Venhuis BJ; van de Nobelen S; PRS; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-01-19)
      In nederwiet uit verschillende koffieshops zijn restanten van bestrijdingsmiddelen aangetroffen. De hoeveelheden zijn dermate laag dat het geen risico vormt voor de gezondheid van gebruikers. Dit geldt voor de consumptie van nederwiet in de vorm van thee en voor gerookte nederwiet. Er zijn geen giftige plantenschimmels (aflatoxines) aangetroffen. Dit blijkt uit verkennend onderzoek van het RIVM, waarvoor bij 25 koffieshops een monster is genomen en onderzocht op de aanwezigheid van vervuilende stoffen. De focus lag op de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen en aflatoxines. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van VWS. Het is van belang dat er niet te grote hoeveelheden of verboden bestrijdingsmiddelen in nederwiet zitten, bijvoorbeeld om mensen met een kwetsbare gezondheid te beschermen. Mensen die om medische redenen wiet gebruiken nemen die namelijk niet altijd af bij de apotheek. Alleen de door apotheek verstrekte mediwiet is volgens kwaliteitsrichtlijnen geproduceerd. In 23 van de 25 monsters zijn één of meerdere bestrijdingsmiddelen aangetroffen. In 11 monsters was de hoeveelheid hoger dan de grens die in de kruidengeneesmiddelenrichtlijn wordt gesteld. Eén monster bevatte een verboden bestrijdingsmiddel, maar ook deze concentratie was dermate laag dat het geen risico voor de gezondheid vormt.
    • Canulatie-methode voor &quot;stressloze&quot; bloedafname en continue infusie bij ratten

      Timmerman A; de Jong Y; Boot R; Walvoort HC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1985-11-30)
      Met als doel het vermijden van stress-effecten bij bloedafname en toediening van stoffen, werden bij ratten permanente canules aangebracht in de vena cava caudalis, via de vena femoralis of in de aorta dorsalis via de arteria carotis sinistra. Bruikbaarheid van de canule voor afname en toediening gedurende minimaal 6 weken werd verkregen bij ruim 80% van de catheterisaties in de vena cava caudalis. Bij alle ratten werd thrombophlebitis gezien, deels leidend tot metastastische ontstekingsprocessen, waarbij S.aureus mogelijk een belangrijke rol speelt. Bij ca. 30% van de dieren werd verbreding van de bijnierschors gezien, mogelijk veroorzaakt door chronische stress.<br>
    • Carbapenemase-producerende Enterobacteriaceae (CPE) in het riool in Utrecht

      Blaak, H; Kemper, MA; Schilperoort, R; de Rijk, SE; de Roda Husman, AM; Schmitt, H (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-12-09)
      Bij metingen in het riool van zes woonwijken in Utrecht zijn bijzonder resistente bacteriën CPE (carbapenemase-producerende Enterobacteriaceae) aangetroffen. Dit betekent dat CPE voorkomen onder de bevolking, en niet alleen bij mensen in zorginstellingen. Rioolwateronderzoek blijkt een efficiënte methode om te kunnen bepalen of deze bacterie onder Nederlanders aanwezig is. Bovendien is deze methode niet belastend omdat mensen niet individueel onderzocht hoeven te worden. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Het RIVM adviseert daarom om zeldzame resistente bacteriën ook in rioolwater te meten. Dan wordt op nationaal niveau duidelijk of en waar ongeveer mensen drager van CPE of van andere bijzonder resistente micro-organismen (BRMO) zijn. In Nederland worden CPE nog maar af en toe bij mensen vastgesteld. Ze komen vaker voor in andere delen van de wereld, zoals Zuidoost Azië, Zuid-Europa en Noord-Afrika. Mensen die daar op reis zijn geweest, hebben de grootste kans om CPE te hebben. Dit is vooral het geval als ze daar in het ziekenhuis hebben gelegen. Gezonde mensen worden meestal niet ziek van CPE. Kwetsbare mensen, zoals ouderen en ziekenhuispatiënten, kunnen dat wel. Ziekte door CPE is moeilijk te behandelen omdat ze resistent zijn tegen typen antibiotica die als laatste redmiddel worden gebruikt. Deze bacteriën vormen daardoor een bedreiging voor de volksgezondheid. Het is dan ook belangrijk dat deze resistente bacteriën zich niet verder verspreiden onder mensen, dieren en in het milieu. Er bestaan verschillende typen van CPE. In afvalwater van woonwijken kwamen in dit onderzoek soms andere typen CPE voor dan in de onderzochte zorginstellingen. Door te vergelijken welke typen op verschillende plekken in het riool voorkomen, kan worden achterhaald hoe CPE zich onder mensen verspreiden. Deze informatie helpt om te voorkomen dat meer infecties optreden en de bacterie zich verspreidt. Voor dit onderzoek heeft het RIVM rioolwater onderzocht op negen plekken in de stad Utrecht: in zes woonwijken en bij een ziekenhuis, verpleeghuis en asielzoekerscentrum. De rioolwaterzuiveringsinstallatie in Utrecht zuivert elke dag het afvalwater uit deze wijken en instellingen. Naast de 9 meetpunten zijn metingen uitgevoerd in het verzamelde rioolwater van de hele binnenstad van Utrecht dat bij de RWZI binnenkomt. Dit was nodig om te kijken of de 9 meetpunten representatief waren voor de hele stad.
    • Carbapenemase-producerende Enterobacteriaceae (CPE) in ziekenhuisafvalwater

      Schmitt H; Blaak H; Kemper MA; de Rijk SE; van de Schans M; de Roda Husman AM; MLU; Z&O (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-10-30)
      Carbapenemase-producerende Enterobacteriaceae (CPE) kunnen ontstekingen veroorzaken die met de gangbare antibiotica moeilijk te behandelen zijn. Ze vormen daardoor een bedreiging voor de medische zorg. Het is dan ook belangrijk dat deze resistente bacteriën zich niet verder verspreiden onder mensen, dieren en in het milieu. Het RIVM heeft onderzocht of het zinvol is om afvalwater van ziekenhuizen te zuiveren om de verspreiding van CPE in het milieu tegen te gaan. Het afvalwater van ziekenhuizen blijkt echter maar een klein deel te bevatten van het aantal van deze bacteriën dat via afvalwater in het oppervlaktewater terechtkomt. Deze maatregel kan er daarom niet voor zorgen dat er substantieel minder CPE in het milieu terechtkomen. Antibioticaresistente bacteriën komen met menselijke ontlasting vanuit ziekenhuizen alsook vanuit de algemene bevolking in afvalwaterzuiveringsinstallaties terecht. Aangezien de bacteriën daar niet volledig worden verwijderd, belanden ze vervolgens in het oppervlaktewater. Voor dit onderzoek is bij vijf ziekenhuizen en bij de bijbehorende afvalwaterzuiveringsinstallaties het afvalwater gedurende 24 uur gemeten. De hoeveelheid aangetroffen CPE varieerden sterk per meetmoment. Meestal is minder dan 10 procent van het totale aantal CPE in de afvalwaterzuivering afkomstig van het afvalwater van ziekenhuizen. Bij sommige ziekenhuizen (een derde van de metingen) konden de aantallen op bepaalde momenten oplopen tot 10 tot 60 procent. Ook komt maar een klein deel van restanten van antibiotica (residuen) van het afvalwater van ziekenhuizen.
    • CARC op de POMS-locaties van Defensie: blootstelling en gezondheidsrisico's : Bevindingen uit het onderzoek op hoofdlijnen, met speciale aandacht voor het bestanddeel HDI

      Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-04-06
      Tussen 1984 en 2006 hebben werknemers van Defensie op de zogenoemde POMS-locaties (Prepositioned Organizational Materiel Storage) Amerikaans legermaterieel onderhouden. Zij hebben daar onder andere gewerkt met CARC, een beschermende toplaag (coating) voor legervoertuigen. Eén bestanddeel van de coating heeft zeer schadelijke eigenschappen: hexamethyleen di-isocyanaat, afgekort HDI. Tijdens onderhoudswerk kunnen werknemers dit HDI hebben binnengekregen. Hun gezondheid is hierdoor mogelijk geschaad. De kans om ziek te worden is groter naarmate iemand meer, vaker en/of langer aan HDI is blootgesteld. Vooral degenen die de CARC-laag op het materieel spoten, hebben blootgestaan aan HDI. Zij ademden de stof in tijdens het spuiten en hun huid kwam ermee in contact. Werknemers die de verf opbrachten met rollers en kwasten zijn er in mindere mate direct mee in contact gekomen. Dat geldt ook voor werknemers die bezig waren met het schuren, stralen en lassen van geverfde oppervlakten. Degenen die het spuitwerk moesten controleren, de quality inspectors, zijn in geringe mate indirect blootgesteld. HDI wordt in verband gebracht met verschillende ziekten: vormen van astma, neus- en oogslijmvliesontsteking, contacteczeem en de longaandoening Hypersensitivity Pneumonitis. Deze ziekten kunnen zijn veroorzaakt door blootstelling aan HDI uit CARC op de POMS-locaties. Er zijn geen aanwijzingen dat HDI kankerverwekkend is. Ziekteverschijnselen treden maximaal binnen 1 jaar na blootstelling op. Werknemers kunnen dus nu niet meer ziek worden door de eerdere blootstelling aan HDI op de POMS-locaties. Naast de aard van de blootstelling bepalen nog andere zaken of werknemers ziek worden. Ze kunnen bijvoorbeeld aan andere stoffen zijn blootgesteld, en persoonlijk gevoelig zijn om een van de ziekten na blootstelling te krijgen. Oud-medewerkers die zijn blootgesteld aan HDI op de POMS-locaties, kunnen Defensie aansprakelijk stellen als ze een ziekte hebben die door HDI kan zijn veroorzaakt.
    • Carcinogenicity study with epichlorohydrin (CEP) by gavage in rats

      Wester; P.W.; Heijden; C.A.van der; Bisschop; A.; Esch; G.J.van (1984-10-12)
      Aan Wistar ratten werd 5x per week gedurende minimaal twee jaar per maagsonde 0,2 resp. 10 mg/kg epichloorhydrine toegediend, waarbij naast lichaamsgewicht en sterfte vooral gelet werd op het ontstaan van tumoren. De voornaamste, aan de behandeling toegeschreven bevinding was het ontstaan van voormaagtumoren (plaveiselcelcarcinomen) in hoge incidentie in de 10 mg CEP/kg groep en in een lagere incidentie bij de 2 mg CEP/kg, terwijl dit type tumor bij de controledieren niet is waargenomen.
    • Cardiovasculair-farmacologische effecten van een aantal Tn5 geinduceerde insertie-mutanten van Bordetella pertussis in de rat

      Wildt DJ de; Kuil A van de; Blokhuijzen NJP; Nagel J (1987-06-30)
      In een blind onderzoek bij de rat zijn de effecten van een zestal Transposon (Tn-5) insertiemutanten en de uitgangsstam van Bordetella pertussis op cardiovasculaire autonome receptoren en hemodynamiek onderzocht. Drie van deze mutanten (BP 347, 356 en 357) missen het vermogen om het toxische bestanddeel pertussis toxine te produceren. Met een cardiovasculair farmacologische methode kon worden aangetoond dat deze deletiemutanten geen of nauwelijks effecten hebben op vasculaire beta-adrenerge receptoren, cardiale cholinerge receptoren en de bloeddruk. De andere mutanten daarentegen hebben een sterke invloed op de autonome receptor functies (beta-adrenoceptor antagonerend en anticholinerg) en bloeddruk (hypotensie). Vergelijking met bestaande assays voor de detectie van pertussis toxine toont aan dat de farmacologische methode een zeer gevoelige, betrouwbare en kwantitatieve methode kan zijn voor de controle van cellulaire en acellulaire B.pertussis vaccins op de aanwezigheid van het toxische bestanddeel pertussis toxine.
    • Cardiovascular and metabolic effects of environmental noise : Systematic evidence review in the framework of the development of the WHO environmental noise guidelines for the European Region

      van Kempen EEMM; Casas M; Pershagen G; Foraster M; M&G; DMG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-11-10)
      Environmental noise, especially from road traffic, increases the risk of ischaemic heart disease, primarily myocardial infarction. In addition, it might elevate the risk of high blood pressure and stroke. There is also suggestive evidence that road traffic noise increases the risk of diabetes and obesity. Both the cardiovascular and metabolic effects of noise may be mediated by stress-related mechanisms and sleep disturbance, possibly affecting the hormone balance. These are the main conclusions of an evidence review of the literature dealing with studies on the impact of noise exposure on the cardiovascular and metabolic system. To this end, we evaluated the results and quality of 61 epidemiological studies. Not all studies were of good quality. Best substantiated are the effects of road traffic noise on ischaemic heart disease. The greatest number of studies concerned traffic noise and hypertension, but most were cross-sectional and of low quality. The results of this review form input for the new environmental noise guidelines for the European Region, prepared by the World Health Organization (WHO).
    • Cardiovascular disease as risk factor for air pollution health effects. Validation of a transgenic rodent model for hypertension

      Gosens I; Boere AJF; Wong A; Fokkens PHB; Cassee FR; MGO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-09-04)
    • Care for health. The 2006 Dutch Public Health Status and Forecasts Report

      de Hollander AEM; Hoeymans N; Melse JM; van Oers JAM; Polder JJ; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-07-17)
      Zorg voor gezondheid, de vierde Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV) brengt opnieuw een grote hoeveelheid actuele informatie samen over gezondheid, preventie en zorg in Nederland. De Nederlander is weer wat gezonder geworden, maar het kan nog beter. Zo zijn ongezond gedrag en overgewicht, vooral bij de jeugd, een bron van zorg voor de gezondheid in de toekomst. Ook worden binnen Nederland grote verschillen in gezondheid en gezondheidsrisico's aangetroffen tussen regio's of buurten. Gezondheidsachterstanden hangen vaak samen met sociaal-economische achterstanden en andere ongunstige kenmerken van de leefomgeving. Preventie zal zich daarom niet alleen op het individu moeten richten, maar evenzeer op de sociale en ruimtelijke aspecten van de omgeving. Ook andere sectoren zoals onderwijs, ruimtelijke ordening en sociaal-economisch beleid moeten waar mogelijk betrokken worden bij het gezonder maken van Nederland en zijn inwoners. De uitgaven voor zorg zijn de afgelopen jaren flink gestegen, maar de gezondheidszorg heeft in de achterliggende decennia ook veel bijgedragen aan een langer leven in goede gezondheid. En die betere gezondheid betekent ook meer zelfredzaamheid, meer deelname aan de samenleving en uiteindelijk minder beroep op langdurige zorg. Toch is nog winst te boeken op het terrein van patientveiligheid, ketenzorg en vooral ook effectieve preventie en zorg. De informatie in de VTV is van belang voor de beleidsontwikkeling bij VWS, maar is ook waardevol voor andere ministeries, lagere overheden, partijen in het zorgveld en instellingen voor onderwijs en wetenschap.
    • The CARMEN Status Report 1995

      de Haan BJ; Klepper O; Sauter FJ; Heuberger PSC; Rietveld AJ; MNV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-01-31)
      Recente RIVM publikaties, zoals het GLOBE rapport, hebben een bijdrage geleverd aan het succes van Europese conferenties over milieu- en volksgezondheid aspecten (Dobrice 1991, Luzern 1993). Om de volgende conferenties te ondersteunen heeft het RIVM daartoe het computer-model CARMEN: CAuse effect Relation Model for Environmental policy Negotiations ontwikkeld. Het model kan in principe ook worden uitgebreid met deelmodellen van andere instituten. Veel van de milieu-thema's zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en het is daarom bij de analyse nuttig om meer dan een thema tegelijkertijd te beschouwen. Op die manier kan een beter inzicht worden verkregen in de efficientie van de beleidsmaatregelen, die worden genomen om milieuproblemen te bestrijden. CARMEN is een geintegreerd model dat de gebruiker de mogelijkheid biedt om simultaan de invloed van beleidsmaatregelen op verscheidene milieu-thema's van bron tot effekt te evalueren. Het model maakt op kwantitatieve wijze de verbinding tussen de druk op het milieu en haar gevolgen in een analyse van socio-economische ontwikkelingen, van lokale emissies, van milieu-problemen en van de gevolgen voor de ecologie en de volksgezondheid. Dit rapport beschrijft de voortgang die geboekt is met het samenstellen van het CARMEN-model. Er is nu een emissie-model, een atmosferisch transport-model, een bodem- en grondwater-model, en een oppervlakte-wateren-model geimplementeerd. Figuur 1.3 geeft een overzicht van de huidige status. De verzuring van bodems en de vermesting van rivieren en kustzeeen zijn volledig beschreven. De luchtkwaliteit in de grote Europese steden en de verspreiding van zware metalen en persistente organische stoffen zullen in de nabije toekomst aan het model worden toegevoegd. Om beleidsmaatregelen te kunnen optimaliseren, is het eerst nodig een goed overzicht van alle economische aspecten te krijgen. Dit houdt niet alleen de kosten van beleidsmaatregelen in, maar ook de sociale kosten van de schade die opgetreden zou zijn, indien er geen voorzorgmaatregelen genomen zouden zijn. Als een voorbeeld van de analyse, die met het CARMEN-model gemaakt kan worden, wordt in het zesde hoofdstuk de vermesting van Europese rivieren en kustzeeen behandeld. Figuur 6.1 is een diagram van de opbouw van het stikstof-verspreidingsmodel in CARMEN. De gevolgen voor de kustzeeen van de huidige beleidsmaatregelen zijn gerapporteerd. De analyse werd uitgevoerd voor drie kustzeeen: de Oostzee, de Noordzee, en de Zee van Azov.<br>
    • Cartografische registratie van afvalverwerkingsplaatsen in de provincie Friesland

      Keken; A.H.van (1985-09-30)
      Dit rapport, dat een continue onderzoek is dat over heel Nederland plaats vindt, geeft een overzicht van in de provincie Friesland voorkomende locaties van afvalverwerkingsplaatsen. Het geheel is een continu onderzoek over heel Nederland naar alle voorkomende locaties van afvalverwerkingsplaatsen ; hieronder worden o.a. verstaan open en gesloten stortplaatsen, autowrakterreinen, verbrandingsinstallaties etc. Dit onderzoek beoogt een inzicht te verkrijgen omtrent o.a. ruimtebeslag, hoeveelheden en soorten afvalstoffen, hetzij los of in relatie tot elkaar.
    • Catalog of Environmental Data sets of Europe at the RIVM

      Dorf JD (ed); Velde RJ van de; Bakkes JA; Roozendaal R (1993-04-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Catalog of International Data Sets At RIVM

      Bakkes JA; Vaessen O; Woerden JW van; ISC (1994-10-31)
      In dit rapport worden buitenlandse data sets beschreven die bij het RIVM worden gebruikt voor milieu-onderzoek en -rapportages. De herkomst van de data weerspiegelt de positie van het RIVM als gebruiker en niet zo zeer als bron van data: de meeste data sets zijn afkomstig van buiten het instituut en worden gebruikt als input in modellering en assessment studies.Deze catalogus is meer dan zijn voorganger (Dorf, 1993) gebaseerd op het systeem waarin de data sets bij het RIVM worden beschreven. In feite is het invoeren van de meta-data en het vervaardigen van deze catalogus een test voor dit systeem geweest en zijn hieruit voorstellen tot verbetering voortgekomen. Zo moet de tijd en moeite die het gekost heeft om een overzicht te maken van beschikbare data substantieel worden teruggebracht (van de huidige 10 maanden tot enkele weken). Verder moeten kwaliteitscontrole en invoerprocedure krachtig worden aangepakt nu de toepassingen hiervoor beschikbaar komen. Deze en andere aspecten hangen af van een strakke discipline bij het gegevens beheer, die op zijn beurt weer afhangt van prioriteiten die de directie van het instituut stelt. Deze catalogus is een produkt van het project International Data Management RIVM (IDM). Dit project is onderdeel van het RIVM project cluster Global Environmental Assessment, Reporting and Forecasting die in een verregaande behoefte van het RIVM aan internationale data voorziet. Naast reguliere documentatie van de belangrijkste milieu data sets bij het RIVM werkt het IDM project aan een data management plan, data acquisitie plannen en reguliere samenwerking met belangrijke data leveranciers.
    • Catch-up operation on old pesticides: an integration

      Canton JH; Linders JBHJ; Luttik R; Mensink BJWG; Panman E; van de Plassche EJ; Sparenburg PM; Tuinstra J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1991-03-31)
      The "catch-up operation on old pesticides" project has resulted in a summary and RIVM conclusion of the environmental aspects of 152 pesticides which were already marketed in the Netherlands before 1975. The RIVM conclusion was subsequently rewritten to form an environmental synopsis. The present report describes the procedure followed and the results obtained in the evaluation of the environmental effects of these chemicals. Pesticides have been evaluated on the basis of the test results submitted with regard to their behaviour in soil and water, their effects on organisms present in the environment, such as birds, aquatic organisms (algae, crustaceans and fish), bees and earthworms, and their bioaccumulation potential. Behaviour in soil concerns the rate and route of conversion of a pesticide and its sorption to soil particles. The risks of leaching to the saturated soil layers and of accumulation in the plough layer one year after application of the chemical have been estimated using the Support Group M model developed for this purpose. Behaviour in water includes the rates of hydrolysis and photolysis, and especially the rate and route of conversion of a pesticide in water/sediment systems. Several proposals have been made for classification systems of environmental properties of pesticides in general. A classification system for persistence in particular is badly needed for the intercomparison of the pesticides. It appeared that various data necessary for the evaluation are still lacking for many pesticides. The report also makes proposals for developing several aspects of the evaluation, such as behaviour in air, risks to terrestrial organisms and risks of biomagnification.
    • CATS-1: A model for predicting contaminant accumulation in a meadow ecosystem. The case of cadmium

      Traas TP; Aldenberg T (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1992-12-31)
      A model has been developed for the ecological risk assessment of cadmium accumulation in meadow ecosystems. Foodweb structure is based on functional groups, which implies that variability within the group exists with respect to both physiological and toxicokinetic parameters. A probabilistic treatment of model outputs, e.g. concentrations is used, to account for inherent biological variability and model uncertainty, and to assess ecotoxicological risks. The Maximum Permissible Concentration (MPC) in soil, with regard to protecting 95% of the species, is exceeded at all cadmium load reduction scenarios in 2015 and 2050. Because of the high accumulation of earthworms, environmental standards for cadmium in food of moles and meadowbirds are exceeded at all loading scenarios. The probability that more than 5% of herbivorous species are unprotected against sublethal effects of cadmium, is predicted to be 45% in 2015 and 85% in 2050 at the present cadmium load. This example shows that with CATS models, a broad range of environmental quality standards can be compared in an integrated modelling effort.<br>
    • CATS-2: een model ter voorspelling van accumulatie van microverontreinigingen in sedimentatiegebieden van rivieren

      Traas TP; Kramer PRG; Aldenberg T; Hart MJ 't; LWD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-06-30)
      CATS is an acronym for Contaminants in Aquatic and Terrestrial ecoSystems. CATS models have been developed for the prediction of fate and risks of toxicants. The aim of these models is to predict future risk levels of toxic substances for food webs. CATS-2 describes the behaviour of toxicants in sedimentation areas of main rivers in the Netherlands, such as Hollands Diep, Haringvliet and Ketelmeer. Bio-availability of toxicants to aquatic organisms is influenced by many biotic and abiotic characteristics of an ecosystem. Therefore, we integrated fate of toxicants in the abiotic environment with a food web model based on biomass cycling. Cycling of organic matter is the backbone of the model, acting as carrier for the toxicant. The food web consists of algae, zooplankton, bivalves, chironomid larvae, tubificid worms, whitefish, predatory fish, benthivorous fish, diving ducks and fish eating birds (Fig. 1). Cadmium and lindane (gamma-HCH) were selected to predict future risk levels in an example ecosystem, the Hollands Diep/Haringvliet area. Risk levels were calculated for two situations. First for the year 2000, with no additional clean-up of the river Rhine, and second for the year 2000 with additional clean-up according to the Rhine Action Programme. Model calculations predict that risks for both cadmium and lindane decrease, caused by the improvement of water quality in the River Rhine that feeds the area. The high cadmium load of the river Rhine in the past is responsible for high cadmium concentrations in the sediment. Even with additional clean up, sediment quality does not meet the Dutch quality objective of 2 mg/kg d.w. in the year 2000. Except for benthivorous fish, risks for the food web are low in the year 2000 indicating that in general the Rhine Action Plan is successful if its original emission-reduction goals can be achieved.
    • Celgroeiremmingstest voor bepaling van de biocompatibiliteit van medische hulpmiddelen

      Orzechowski TJH; Machielsen JCA; Geffen MF van (1993-08-31)
      Abstract niet beschikbaar