• CATS-2: een model ter voorspelling van accumulatie van microverontreinigingen in sedimentatiegebieden van rivieren

      Traas TP; Kramer PRG; Aldenberg T; Hart MJ 't; LWD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-06-30)
      CATS is an acronym for Contaminants in Aquatic and Terrestrial ecoSystems. CATS models have been developed for the prediction of fate and risks of toxicants. The aim of these models is to predict future risk levels of toxic substances for food webs. CATS-2 describes the behaviour of toxicants in sedimentation areas of main rivers in the Netherlands, such as Hollands Diep, Haringvliet and Ketelmeer. Bio-availability of toxicants to aquatic organisms is influenced by many biotic and abiotic characteristics of an ecosystem. Therefore, we integrated fate of toxicants in the abiotic environment with a food web model based on biomass cycling. Cycling of organic matter is the backbone of the model, acting as carrier for the toxicant. The food web consists of algae, zooplankton, bivalves, chironomid larvae, tubificid worms, whitefish, predatory fish, benthivorous fish, diving ducks and fish eating birds (Fig. 1). Cadmium and lindane (gamma-HCH) were selected to predict future risk levels in an example ecosystem, the Hollands Diep/Haringvliet area. Risk levels were calculated for two situations. First for the year 2000, with no additional clean-up of the river Rhine, and second for the year 2000 with additional clean-up according to the Rhine Action Programme. Model calculations predict that risks for both cadmium and lindane decrease, caused by the improvement of water quality in the River Rhine that feeds the area. The high cadmium load of the river Rhine in the past is responsible for high cadmium concentrations in the sediment. Even with additional clean up, sediment quality does not meet the Dutch quality objective of 2 mg/kg d.w. in the year 2000. Except for benthivorous fish, risks for the food web are low in the year 2000 indicating that in general the Rhine Action Plan is successful if its original emission-reduction goals can be achieved.
    • Celgroeiremmingstest voor bepaling van de biocompatibiliteit van medische hulpmiddelen

      Orzechowski TJH; Machielsen JCA; Geffen MF van (1993-08-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Cell lines and Salmonella

      Jonge R de; Hendriks H; Garssen J; Universteit Utrecht, afdeling Pathologie; MGB; LPI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-08-09)
      In human gastrointestinal disease caused by Salmonella, transepithelial migration of neutrophils follows the attachment of bacteria to epithelial tissue. This migration of neutrophils is stimulated by the release of chemokines, including interleukin-8 (Il -8), from the epithelial cells. We have developed an in vitro model system (human epithelial monolayers, among which Caco-2 cells grown on microtiter multiwell plates) for studying host-pathogen interactions. After infection with different pathogens we measured Il-8 production during time. Results showed that Il-8 release was time related and varied with the pathogen. Salmonella enteritidis (Se) did induce the highest response. Subsequently, three doses of this Se strain were used and the Il-8 response was measured at different time points. Caco-2 cells remained intact over a period of 24h, the production of Il-8 increased in time and was found to be Se dose-dependent. Other tested epithelial monolayers, such as HT29 colon cancer cells, gave similar results.
    • Cell lines and Salmonella

      de Jonge R; Hendriks H; Garssen J; MGB; LPI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMUniversteit Utrechtafdeling Pathologie, 2001-08-09)
      Infectie met Salmonella kan gepaard gaan met de invasie van darmepitheelcellen. De aan de invasie voorafgaande aanhechting leidt reeds tot de transmigratie van witte bloedcellen (neutrofielen) vanuit de bloedbaan naar het epitheelweefsel. De migratie wordt gestimuleerd door de productie van chemokines, waaronder interleukine-8 (Il-8) door epitheelcellen. Wij hebben een in vitro model systeem ontwikkeld (humaan epitheelweefsel gekweekt in microtiterplaten) waarin gastheer - pathogeen interacties kunnen worden bestudeerd. Epitheelcellen zijn gedurende een uur blootgesteld aan verschillende pathogene micro-organismen, waarna de Il-8 response is gemeten. Als controle zijn meegenomen een Escherichia coli stam zonder LPS en een probiotische Lactobacillus. De resultaten laten zien dat de IL-8 productie per pathogeen varieert, waarbij Salmonella enteritidis de hoogste respons geeft. In vervolgexperimenten zijn drie concentraties S. enteritidis gebruikt, waarna de respons gedurende 24 uur is gemeten. De gebruikte cellijn bleek na 24 uur nog intact, de Il-8 productie correleerde met de doses, en nam toe in de tijd. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het door ons ontwikkelde model gebruikt kan worden voor het bestuderen van factoren die van invloed zijn op dosis-respons relaties. De respons betreft dan prikkeling van het immuunsysteem ten gevolge van adhesie en invasie van darmepitheelcellen door salmonellae. Tenslotte wordt een benaderingwijze voorgesteld om resultaten van in vitro dosis-respons experimenten te vertalen naar de mens.<br>
    • Cellulaire ATP depletie als parameter van biocompatibiliteit van medische hulpmiddelen

      Orzechowski TJH; Machielsen JCA; Geffen MJ van; Kuijpers MR (1993-08-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Centrale deelontharding van drinkwater in relatie tot het gehalte aan koper en andere metalen in rioolwaterzuiveringsslib

      Haring; B.J.A.*; Delft; W.van (1984-11-19)
      Uit het onderzoek blijkt dat het gehalte aan koper in het rioolwaterzuiveringsslib van de rioolwaterzuiveringsinstallatie te Sneek tot de helft gereduceerd is na doorvoering van de centrale ontharding bij het pompstation Spannenburg. Het gehalte aan de zware metalen lood en zink blijken eveneens gedaald en wel met ongeveer 25%, de oorzakelijke relatie hiervoor is echter minder eenduidig.
    • Centrale mestverwerking

      Booij H; Hoek KW van der (1992-11-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Certificatie van bilirubinestandaarden

      Dreumel; H.J. van; Bosman; H.A.; Phielix-Strubbe; C.J.; Koedan; J.C.; (1986-11-30)
      Dit rapport beschrijft de certificatie van de in 1985 bereide bilirubinestandaarden (beschreven in rapport 378507001). Bij het onderzoek waren drie buitenlandse en vier binnenlandse (RIVM inbegrepen) laboratoria betrokken. De bilirubineconcentratie werd met vier methoden bepaald en vergeleken. [, waarbij de methode gepubliceerd door Doumas et al de kleinste interlaboratorium variatiecoefficient bleek op te leveren. De concentraties, met deze (al elders beproefde) methode bepaald, werden dan ook gebruikt als certificatiewaarden. De partijen 850722, 850723 en 850723 en 850726 met bilirubineconcentraties resp. 0, 98,8 en 290 mmol/l zijn nu opgenomen in de lijst van referentiematerialen.
    • Certification of organochlorine pesticides in milk powder

      Greve PA; Heusinkveld HAG; van der Hoff R; Janssen GE; van Zoonen P (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1987-10-31)
      Onder contract met het EG community Bureau of Reference (BCR) werden 9 organochloorbestrijdingsmiddelen (HCB, HCH-isomeren, beta-HEPO, dieldrin, endrin, p,p'-DDE en p,p'-DDT) bepaald in melkpoeder ten behoeve van certificering als referentiemateriaal.<br>
    • Certification of Salmonella in milk powder, feasibility study

      Veld PH in &apos;t; Strijp-Lockefeer NGWM van; Hoekstra JA (1992-05-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • A chain model for dioxins: from emission to cow&apos;s milk

      Slob W; Klepper O; van Jaarsveld JA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1993-01-31)
      A chain model for dioxins is discussed relating dioxin levels in cow's milk to emissions. It was used to explain the elevated dioxin concentrations found in cow's milk at various MSW incinerators. It also served as an aid in the selection of locations for milk analyses in still unexplored areas. And, most important, it enabled the evaluation of executed or proposed measures, such as closure of incinerators, soil clean up, or emission reduction. The model showed that, after implementation of the new emission requirements after November 1993, Dutch cow's milk from the areas around MSW incinerators will hardly exceed background levels, except for some locations at Zaandam where levels of 3-4 pg TEQ/g milk fat will continue to occur, due to high concentrations in soil caused by emissions in the past. Thus, it could be concluded that milk from these areas will not exceed the Dutch milk standard of 6 pg TEQ/g milk fat in the near future.<br>
    • Changes in rainwater and groundwater quality as a result of atmospheric emission reductions : Acidification and eutrophication, 1989-2010

      Boumans LJM; Wattel-Koekkoek EJW; van der Swaluw E; MBW; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-11-20)
      In de jaren tachtig van de vorige eeuw stond 'zure regen' als milieuprobleem sterk in de belangstelling. Bossen stierven erdoor af en organismen verdwenen uit rivieren en meren. Zure regen bleek te worden veroorzaakt door luchtvervuiling. De door industrie, verkeer en landbouw uitgestoten gassen bevatten stikstof en zwavel. Deze stoffen komen via de lucht elders op de bodem terecht, waardoor de bodem en het water verzuren en vermesten. Dit heeft een negatief effect op de kwaliteit van de bodem en het water, en op de biodiversiteit. De maatregelen die internationaal zijn genomen om de uitstoot van stikstof en zwavel te verminderen, blijken hun vruchten af te werpen. Onderzoek van het RIVM laat zien dat op de meeste meetlocaties in Nederland nog wel sprake is van verzuring, maar minder sterk dan voorheen. Door de lagere uitstoot is de regenwaterkwaliteit tussen 1989 en 2010 verbeterd. Er komt daardoor nu minder stikstof en zwavel op de bodem terecht. Dit werkt in positieve zin door op het bovenste grondwater: de hoeveelheid stikstof en zwavel is met tientallen procenten gedaald. Het voorliggend onderzoek is een eerste uitgebreide analyse van de meetgegevens van het TrendMeetnet Verzuring (TMV), dat in 1989 is opgezet in natuurgebieden op zandgrond. Het meetnet monitort op 150 locaties in Nederland de invloed van de neerslag van verzurende en vermestende stoffen uit de lucht op de kwaliteit van het grondwater. Uit een literatuurstudie blijkt dat ondanks de positieve ontwikkelingen de ecosystemen nog niet zijn hersteld van de verzurende en vermestende effecten van luchtvervuiling. De vermesting door de neerslag van stikstof op de bodem in de Nederlandse natuur is nog altijd een van de grootste bedreigingen voor de variatie aan plantensoorten: bij tweederde van de onderzochte gebieden overschrijdt de depositie de norm. Verzuring is ook problematisch, maar in mindere mate.
    • Characteristics of Po-210 and Pb-210 in effluents from the phosphate-producing industry

      Pennders RMJ; Koster HW (1992-08-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Characterization of Bacillus cereus

      Wijnands LM; Dufrenne JB; Leusden FM; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-11-22)
      Bacillus cereus is a ubiquitary microorganism that may cause food borne disease. Pathogenicity, however, depends on various characteristics such as the ability to form (entero)-toxin(s) that can not be detected by microbiological methods. Further characterization of pathogenic properties is not only of importance to identify strains from outbreaks of food borne disease, but also to investigate whether possible pathogenic strains occur on specific types of food. Methods to establish pathogenic properties are described in this report. With a case study the use of the methods as described in this report is clarified. Also the use of methods in research of strains occurring in/on food commodities is discussed. The possibility to discriminate between pathogenic and non-pathogenic B. cereus strains could lead to a re-evaluation of tolerance levels for B. cereus in food commodities. Therefore, further research into the conditions for expression of genes coding for enterotoxins, the way of construction and pathogenic mechanism of enterotoxins is of great importance.
    • Characterization of Bacillus cereus

      Wijnands LM; Dufrenne JB; van Leusden FM; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-11-22)
      Bacillus cereus is een algemeen voorkomend micro-organisme dat verantwoordelijk kan zijn voor voedsel gerelateerde aandoeningen. Het vermogen van het micro-organisme om ziekte te verwekken hangt evenwel af van eigenschappen zoals de mogelijkheid tot het vormen van (entero)-toxine(n) die niet met microbiologische methoden kunnen worden gedetecteerd. Zodoende is verder onderzoek naar ziekteverwekkende eigenschappen niet alleen van belang om karakteristieken van stammen te identificeren, maar ook om het voorkomen van ziekteverwekkende stammen op bepaalde voedsel-componenten na te gaan. Methoden die verdere karakterisering mogelijk maken staan beschreven in dit rapport. Aan de hand van een "case study" wordt duidelijk gemaakt hoe de diverse methoden kunnen worden toegepast. Tevens wordt ingegaan op de toepassing en mogelijkheden van de methoden bij het onderzoek van stammen die op levensmiddelen voorkomen. Onderscheid kunnen maken tussen ziekteverwekkende en niet- ziekteverwekkende B. cereus stammen zou aanleiding kunnen geven tot het bijstellen van de criteria die gesteld zijn ten aanzien van het mogen voorkomen van B. cereus in levensmiddelen. Nader onderzoek met betrekking tot het tot expressie komen van genen coderend voor enterotoxinen en de vorming en het werkingsmechanisme van de enterotoxine complexen is hierbij van veel belang.<br>
    • Characterization of Episodic Air Pollution in Cities (CHEAP)

      Bloemen HJTh; Mennen M; Meulen A van der; LLO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-12-31)
      To assess the behaviour of fine suspended particulate matter (PM10), a descriptive study was undertaken in the Netherlands in the City of Amsterdam and in a rural area some 50 km north-east of Amsterdam. During winter-smog episodes the contribution of PM1 to PM10 increases from approximately 10 to 20%. At the same time, the contribution of secondary aerosol clearly dominates (over 70%) the observed PM10 levels ; the contribution of soot remains only marginally. The good correlation observed between PM1 levels and the compounds emitted by mobile sources (like benzene, CO and aldehydes) suggests that traffic is the main source for PM1. Traffic-related particulate matter (approximately PM1) only slightly contributes to the mass of PM10. Consequently, a decrease in traffic-related particulate matter only results in a slight (definitively non-proportional) decrease of PM10 mass. Vice versa, a decrease of PM10 does not necessarily imply a proportional decrease in traffic-related particulate matter.
    • Characterization of Episodic Air Pollution in Cities (CHEAP)

      Bloemen HJTh; Mennen M; van der Meulen A; LLO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-12-31)
      Het gedrag van Fijn Stof (PM10) is onderzocht in een veldstudie op een tweetal karakteristieke locaties, nl. stadsachtergrond (Amsterdam) en een landelijke omgeving (Biddinghuizen). Tijdens wintersmog verdubbelt de bijdrage van PM1 aan PM10 van circa 10 tot 20%. Het secondaire aerosol vormt de dominante factor (bijdrage aan PM10 meer dan 70%) ; de bijdrage van roet blijft beperkt. De goede correlatie tussen PM1 en verkeersgebonden componenten als benzeen, CO en aldehyden suggereert verkeer als de voornaamste bron voor PM1. Het verkeersgebonden PM1 draagt marginaal bij aan PM10. Dwz. een afname in verkeersgebonden PM1 leidt slechts tot een marginale afname van PM10. Omgekeerd houdt een afname in PM10 niet een evenredige afname van PM1 in.<br>
    • Characterization of human exposure patterns to environmental contaminants: possibilities of the USES approach

      Mennes WC; Hout KD van den; Plassche EJ van de; ACT; TNO-MW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-08-31)
      The exposure of humans to environmental contaminants is usually via more than one route at the same time (multi-route exposure). In order to prevent damage to health, environmental policy has to take into account dispersion through the environment and thus multi-route exposure. Additionally, for the evaluation of the risk of actual exposure to substances in the environment, recognition of multi-route exposure is a factor of relevance. For two research projects, "Setting Integrated Environmental Quality Objectives" (IEQO) and "Human Health and the Environment" (H&E) the characterization of multi-route exposure is important. For IEQO a toxicological admissible exposure level has to be allocated to the various environmental compartments (soil, water and air), on the basis of multi-route exposure patterns. However, till now, a methodology for this procedure is not available, because exposure patterns are not available for most chemicals. The programme H&E focuses on determination of cumulative exposures of humans to environment contaminating factors. For this programme insight in the environmental behaviour of contaminants is of interest as well as the routes of direct and indirect exposure of humans which are connected to this behaviour. Besides that, individual life-style an activity patterns and their influence on a persons exposure are of relevance. The H&E programme requires description of the aforementionted factors at a much higher level of differentiation than the IEQO programme does because H&E it looks into exposure at nation wide, regional and local scales, in relationship with the emitting sources. This report explores the possibilities for the development of a methodology for multi-route exposure pattern determination. Starting point is the USES computer model, which can perform risk evaluations for new and existing substances and pesticides. Additionally, it may be used for prioritisation purposes. While performing an evaluation USES generates a multi-route exposure pattern. The purpose of the research described in this report, is to determine to what extent the USES approach can be applied within IEQO and H&E. It should also indicate where the USES approach needs supplementation. The report must not be considered as a validation of USES. With USES the exposure patterns of 5 substances have been determined. These substances were highly different in physico-chemical characteristics and in the way they are used. Subsequently, the computed patterns have been compared to data derived from field studies. The USES approach is appropriate to support the derivation of IEQOs. The approach needs to be supplemented with an estimation of exposure via soil contact (e.g. ingestion) and dermal contact with contaminated water. For the H&E-programme more elaborate supplementation is required, because spatial and temporal variability are no major subjects in USES, while they are important aspects of the H&E research project.
    • Characterization of human exposure patterns to environmental contaminants: possibilities of the USES approach

      Mennes WC; van den Hout KD; van de Plassche EJ; ACT; TNO-MW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-08-31)
      De blootstelling van mensen aan stoffen in het milieu is meestal via verscheidene routes (multi-route blootstelling). Ter voorkoming van gezondheidsschade moet het milieubeleid rekening houden met verspreiding in het milieu en zodoende met multi-route blootstelling. Ook moet voor een beoordeling van mogelijke actuele risico's, die samenhangen met milieuverontreinigende stoffen, met multi-route blootstelling rekening worden gehouden. In twee onderzoeksprojecten "Mens en Milieu" (M&M) en "Integrale Normstelling Stoffen" (INS) speelt bepaling van multi-route blootstelling een belangrijke rol. Bij INS moet op basis van een multi-route blootstellingspatroon een toxicologische advieswaarde voor de mens worden toegerekend naar de te onderscheiden milieucompartimenten. Daartoe is tot op heden nog geen methodiek voorhanden, omdat van de meeste stoffen blootstellingspatronen ontbreken. Het programma M&M spitst zich toe op cumulatieve blootstelling van de mens aan milieuverontreinigende factoren. Voor dit programma is inzicht in het gedrag van milieucontaminanten interessant en de daarmee samenhangende routes van directe en indirecte blootstelling van de mens. Daarnaast is van belang de invloed die individuen middels life-style en activiteitenpatroon zelf op hun blootstelling uitoefenen. Het M&M programma vereist een beschrijving van bovengenoemde factoren op een veel hoger differentatieniveau dan voor INS vereist is omdat het aandacht besteedt aan blootstelling op nationale, regionale en lokale schaal, mede in afhankelijkheid van de veroorzakende bronnen. Dit rapport verkent de mogelijkheden voor de ontwikkeling van een methodiek ter bepaling van multi-route blootstellingspatronen. Daarbij is uitgegaan van het USES computermodel, dat voor nieuwe en bestaande stoffen en bestrijdingsmiddelen een risicoschatting kan genereren. Tevens kan het worden gebruikt voor prioritering van stoffen. Tijdens een evaluatie berekent USES een multi-route blootstellingspatroon. Het doel van het onderzoek, dat is beschreven in dit rapport, is vast te stellen in hoeverre de USES-benadering bruikbaar is binnen INS en M&M. Tevens is het er op gericht te signaleren waar eventueel nog aanvullingen op deze benadering nodig zijn. Dit rapport moet niet beschouwd worden als een validatie van USES. Met USES zijn de blootstellingspatronen van 5 verbindingen doorgerekend. Deze stoffen verschillen sterk in fysisch-chemische eigenschappen en in de wijze waarop ze worden gebruikt. De berekende patronen zijn vervolgens vergeleken met actuele meetgegevens. De USES benadering bleek geschikt om te worden gebruikt bij INS. Aanvulling is nog nodig voor blootstelling ten gevolge van contact met verontreinigde grond (bv. inslikken) en voor huidcontact met verontreinigd water. Voor M&M zijn uitgebreidere aanvullingen nodig, omdat ruimtelijke en temporele variabiliteit in USES vrijwel niet aan de orde komen en juist dat belangrijke aspecten zijn van dat onderzoeksprogramma.<br>