• Critical Loads and Dynamic Modelling results, CCE Progress Report 2004

      Hettelingh J-P; Slootweg J; Posch M; LED (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-10-19)
    • Critical Loads and Dynamic Modelling results, CCE Progress Report 2004

      Hettelingh JP; Slootweg J; Posch M; LED (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-10-19)
    • Cryptosporidium en Giardia bij de drinkwaterbereiding. Literatuurstudie en orienterend onderzoek

      Medema GJ (1992-03-31)
      Cryptosporidium and Giardia are parasitic protozoa that can be transmitted to man by drinking and recreational water. Depending on the immune state of the infected host, they can cause a selflimiting to severe gastro-enteritis. This report gives a review on the potential for transmission of Cryptosporidium and Giardia by drinking and recreational water, attending data on the occurrence of these parasites in humans and other reservoirs, their persence in sewage and surfase water, removel of the (oo)cysts by water purification processes and waterborne outbreaks. This report also describes the resultsof a preliminary study on the presence of Cryptosporidium and Giardia at Dutch water supplies.
    • Cryptosporidium en Giardia in Nederlandse zwembaden

      Schets FM; Engels GB; Leenen EJTM; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-04-23)
      Zwembad gerelateerde explosies van cryptosporidiose zijn regelmatig gerapporteerd in Groot-Brittannie en de Verenigde Staten. De bron van de explosie kon soms achterhaald worden doordat Cryptosporidium oocysten in het zwembadwater of in het terugspoelwater van de zwembadfilters konden worden gedetecteerd. Het voorkomen van Cryptosporidium en Giardia in Nederlandse zwembaden is op vijf locaties onderzocht. Het terugspoelwater van zeven zwembadfilters (van peuterbaden, whirlpools, recreatie- en instructiebaden met verhoogde watertemperatuur) is gedurende een jaar bemonsterd en onderzocht op het voorkomen van Cryptosporidium oocysten en Giardia cysten. In totaal werden 153 monsters terugspoelwater geanalyseerd, 18 monsters (11,8 %) waren positief voor Cryptosporidium (4,6 %), Giardia (5,9 %) of beide (1,3 %). De aanwezigheid van Cryptosporidium oocysten en Giardia cysten in terugspoelwater van zwembadfilters geeft de eerdere aanwezigheid van deze parasieten in het zwembadwater aan. Oocysten en cysten werden eveneens gedetecteerd in het zwembadwater van een peuterbad en van een instructiebad. In de meeste gevallen voldeed het zwembadwater aan de kwaliteitsnormen. Vrijwel alle oocysten en cysten uit het terugspoelwater waren dood, maar in het instructiebad werden levensvatbare en potentieel infectieuze oocysten gedetecteerd. Gebaseerd op de aantallen potentieel infectieuze oocysten en uitgaande van een bezoek aan een besmet zwembad per jaar, resulteerde risico analyse in een geschat infectierisico voor Cryptosporidium dat het algemeen geaccepteerde risico van een infectie per 10.000 personen per jaar overschreed. Het opstellen van richtlijnen voor zwembadbeheerders die aangeven hoe zij dienen te handelen indien fecaal materiaal in een bassin wordt aangetroffen en het informeren van het publiek over het belang van hygiene in zwembaden, zijn aanbevolen maatregelen ter beheersing van het infectierisico.
    • Cryptosporidium en Giardia in Nederlandse zwembaden

      Schets FM; Engels GB; Leenen EJTM; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-04-23)
      Swimming-pool associated outbreaks of cryptosporidiosis have been frequently reported in the UK and USA. Cryptosporidium oocysts could sometimes be detected in the pool water or the filter backwash water in cases where the source of the outbreak was confirmed. The occurrence of Cryptosporidium and Giardia in swimming pools in the Netherlands was studied at five locations. The backwash water from seven pool filters (from toddler pools, hot whirlpools and recreational and learner pools with an elevated water temperature) was analysed for the presence of Cryptosporidium oocysts and Giardia cysts for a period of one year. Of the total 153 samples of filter backwash water analysed, 18 (11.8 %) were found positive for either Cryptosporidium (4.6 %), Giardia (5.9 %) or both (1.3 %). The presence of Cryptosporidium oocysts and Giardia cysts in filter backwash water indicates previous presence of these parasites in the pool water. Oocysts and cysts were detected in the water of one toddler pool and one learner pool. Pool water quality complied with legal bacteriological standards on most sampling days. Although most of the (oo)cysts in the filter backwash water were dead, viable and potentially infectious oocysts were detected in the learner pool. On the basis of numbers of potentially infectious (oo)cysts detected in the learner pool, and assuming one visit to an infected pool per year, risk assessment indicated an estimated risk of infection with Cryptosporidium that exceeded the generally accepted risk of one infection per 10,000 people per year. Guidelines for pool operators on how to manage faecal accidents and public information on the importance of hygiene in swimming pool complexes are recommended tools in controlling the risk of infection.<br>
    • Cryptosporidium en Giardia in Rijn en Maas ; en inventarisatie van potentiele bronnen in de Maas

      Medema GJ; Ketelaars HAM; Hoogenboezem W; LWD; RIWA (RIWASamenwerkende Rijn- en MaaswaterleidingbedrijvenAmsterdam, 1996-12-31)
      Concerns an inventory on the densities of Cryptosporidium and Giardia at three sites in both large international rivers in the Netherlands, River Rhine and River Meuse. Mean densities, corrected for the recovery of the detection method, were similar in both rivers. Judged by all microbiological water quality parameters, except for Cryptosporidium, the quality of the River Meuse water improved after the river entered the Netherlands. For domestic waste water, all major point sources of both treated and untreated waste water are localised. The untreated waste water discharges by several Belgian cities appear to be important pollution sources for the River Meuse.
    • Cryptosporidium in drinking water: Evaluation of the ILSI quantitative risk assessment framework

      Teunis PFM; Havelaar AH; IMA; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-08-30)
      In dit rapport wordt kwantitatieve risicoschatting voor Cryptosporidium parvum in drinkwater beschreven, voor inwoners van een stad met kraanwater dat is bereid door middel van conventionele behandeling van oppervlaktewater. De nadruk ligt op het geven van een kwantitatieve beschrijving van variatie en onzekerheid in de factoren die bijdragen tot het gezondheidsrisico: de concentratie in ruw (onbehandeld) water, het rendement van detectiemethodes, het effect van opeenvolgende zuiveringsstappen, menselijke consumptie en infectiviteit van het pathogene organisme. Gezondheidseffecten worden uitgedrukt in DALYs, een integrale gezondheidsmaat op populatieniveau die geschikt is voor risicovergelijking of risico-afweging. Doel van deze studie was het testen van het ILSI-RSI raamwerk voor microbiologische risicoschatting, een leidraad ontworpen door een werkgroep onder auspicien van het ILSI Risk Science Institute. In een uitgebreide discussie wordt aandacht besteed aan de bruikbaarheid van dit raamwerk voor de onderhavige exercitie, en wordt het raamwerk vergeleken met gelijksoortige publicaties.
    • Cryptosporidium in drinking water: Evaluation of the ILSI quantitative risk assessment framework

      Teunis PFM; Havelaar AH; IMA; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-08-30)
      This report describes quantitative risk assessment for the pathogenic protozoan parasite Cryptosporidium parvum in drinking water, for an urban population drinking tap water produced by conventional treatment of surface water. Emphasis is on quantitative description of varation and uncertainty in contributing factors: raw water concentration, efficiency of detection procedures, effects of successive treatment stages, human consumption, and infectivity. The health impact is translated into DALYs, an integrated effect measure on the population level that is well suited for risk comparision or risk balancing. The aim of this study was to test the ILSI-RSI framework for microbial risk assessment, a guidance document designed by a working group coordinated by the ILSI Risk Science Institute. In an extended discussion, the usefulness of the framework for this exercise is discussed, and it is comparised to similar documents.<br>
    • CSOIL 2000 an exposure model for human risk assessment of soil contamination. A model description

      Brand E; Otte PF; Lijzen JPA; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-06-22)
      Het RIVM heeft een beschrijving opgesteld van het model CSOIL 2000, waarmee de interventiewaarden voor bodemverontreiniging worden berekend. Interventiewaarden geven aan wanneer verontreinigde grond moet worden gesaneerd. In het rapport zijn voor het eerst alle onderdelen van dit model samen beschreven. Met CSOIL worden de risico's voor de mens die aan verontreiniging in de bodem wordt blootgesteld berekend. De mens kan via verschillende blootstellingsroutes (bodem, lucht, water en gewas) aan bodemverontreiniging worden blootgesteld. Het gebruik van de bodem, bijvoorbeeld moestuinen, bepaalt vervolgens de mate van blootstelling. Van invloed zijn ook de fysisch-chemische eigenschappen van de verontreinigingen in de bodemlucht, de bodemdeeltjes en het grondwater. Het model berekent daarnaast de maximale concentratie van een verontreiniging in de bodem die veilig is voor de mens. Deze bodemconcentratie is van invloed op de hoogte van de interventiewaarde. De interventiewaarde voor bodemverontreiniging maakt onderscheid tussen lichte en ernstig verontreinigde bodems. Bij overschrijding van de interventiewaarden wordt bepaald of spoedig saneren noodzakelijk is.
    • Cumulatie in de blootstelling aan bronnen van ioniserende straling

      Vaas LH; Blaauboer RO; Leenhouts HP (1990-02-28)
      In the framework of BNS (policy notice regarding the regulation of ionizing radiation) the maximum permissible lethal risk of 10 -6 a -1 for a single source of ionizing radiation is exceeded in the Dutch population for exposures due to discharges of a thermal phosphorus plant, the phosphate fertilizer industry and due to a consumerproduct (gasmantles for lighting). Two kinds of "critical" groups are considered, one because of geographical factors and an other because of special behaviour (diet etc.). Both have a maximum risk for all sources of ionizing radiation of 5 to 6 x 10 -6. A combination of both factors could result in a maximum risk of 8 x 10 -6. For about 98% of the Dutch population however the range in risk estimate due to exposures to sources of radiation as considered in BNS is from 0.3 to 1.5 x 10 -6 a -1.
    • Cumulatie van milieurisico&apos;s voor de mens: geografische verschillen in Nederland

      Pruppers MJM; van den Hout KD; Ale BJM; Buringh E; Miedema HME; LSO; ACT; CCM; LAE; LEO; LLO; TNO-MEP; TNO-PG; TNO-Voeding (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMNederlandse organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO), 1996-07-31)
      The question whether there are correlations between observed geographical differences in human health and risks due to several types of environmental contamination led to the project 'Accumulation of environmental risks'. The project aimed, firstly, at developing methods to illustrate these geographical differences and, secondly, at applying these methods. The methods are applied to map the risks due to possible severe accidents (external safety), radioactive substances and radiation, substances in air, and environmental noise. The investigation resulted in two reports. The main report contains a general description of the methods applied and the maps created. The accompanying background document (report no. 610127002) focuses on the details of the methods and on the data used. In spite of the complexity of the discussions on risk-related subjects, it appears that by applying the methods developed insight has been obtained into the geographical distribution and the proportions of risks. These methods are based on the risk concept which is implemented in the environmental policy in the Netherlands. The geographical distribution of risks differs greatly between external safety and noise on the one hand and radiation and substances on the other hand. The maps for external safety and noise show high risks on a local scale ; there are areas where risk for these two categories is equal to zero (areas without sources of danger or disturbing noise). Spatial coincidence of external safety risks rarely occurs. Especially for noise the areas of zero risk are smaller than those shown by the maps because the lack of information made a significant part of the risk incalculable. Spatial coincidence of environmental noise occurs mainly near junctions of transport lines and near (large) airports. The risks due to radiation and substances, on the contrary, cover large parts of the Netherlands, with local increases near large (industrial) sources. Peaks in risks on scales less than 500 or 100 m, e.g. near road traffic, are not visible on the maps.<br>
    • Cumulatie van milieurisico's voor de mens: geografische verschillen in Nederland

      Pruppers MJM; Hout KD van den; Ale BJM; Buringh E; Miedema HME; Nederlandse organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO); LSO; ACT; CCM; LAE; LEO; LLO; TNO-MEP; TNO-PG; TNO-Voeding (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-07-31)
      De aanleiding voor het project 'Cumulatie van milieurisico's' was de vraag of er relaties bestaan tussen geconstateerde geografische verschillen in gezondheid van mensen en geografische verschillen in risico's als gevolg van diverse typen milieuverontreinigingen. Het project beoogde eerst het ontwikkelen van methoden om deze geografische verschillen in risico's in kaart te brengen en vervolgens het toepassen van deze methoden. De methoden zijn toegepast voor de volgende agentia: mogelijke grote ongevallen (externe veiligheid), radioactieve stoffen en straling, luchtverontreinigende stoffen en geluid. Het onderzoek heeft geleid tot twee rapporten. Het hoofdrapport bevat een algemene beschrijving van de gevolgde methoden en de geproduceerde kaarten. Het bijbehorende achtergronddocument (rapportnr. 610127002) gaat nader in op de details van de gevolgde methoden en de gebruikte gegevens. Ondanks de complexiteit van de discussies rond de risico-problematiek is gebleken dat met de ontwikkelde methoden op basis van het risico-concept dat in het Nederlandse milieubeleid wordt gehanteerd, inzicht is verkregen in de geografische verdeling en de onderlinge verhoudingen van risico's. De geografische verdeling van de risico's verschilt sterk tussen enerzijds externe veiligheid en geluid en anderzijds straling en stoffen. De kaarten voor externe veiligheid en geluid tonen zeer lokaal hoge risico's; daarnaast zijn er gebieden waar het risico voor deze twee categorieen gelijk is aan nul, namelijk die gebieden waar zich geen gevaren- en/of geluidsbronnen bevinden. Vooral voor geluid is het werkelijke 'schone' gebied veel beperkter dan de hier opgenomen kaarten tonen, omdat bij gebrek aan informatie een significant deel van de belasting niet kon worden berekend. Ruimtelijk samenvallen van de externe-veiligheidsrisico's treedt nauwelijks op. Voor geluid treedt ruimtelijk samenvallen vooral op nabij knooppunten van transportwegen en nabij (grote) vliegvelden. De risico's als gevolg van straling en stoffen daarentegen strekken zich uit over grote delen van Nederland, met lokaal verhogingen rond grote (industriele) bronnen. Risicopieken op een schaal kleiner dan 500 of 100 m, bijvoorbeeld nabij wegverkeer, zijn niet zichtbaar op de kaarten.
    • Het Cumulatieve Som (Cusum) steekproefschema. Een nieuwe controlemethode voor produktieprocessen met een dalend kwaliteitsniveau

      Hoogenveen RT; Heisterkamp SH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1991-04-30)
      The report starts with an introduction into the Cusum quality control scheme. This scheme is meant to improve the operating characteristic in case of small samples. Therefore the likelihood ratios of some bad parameter value with respect to the good parameter value are being summed up for successive samples. It is shown how to extend the original one-sided univariate Cusum scheme into two-sided and multivariate schemes. A computer program is presented that can be used to fix the parameter values of the Cusum scheme. Finally, information is given on the application of the Cusum scheme within the BCR project for reference materials in water and food microbiology.<br>
    • Cumulative exposure to cholinesterase inhibiting compounds: a review of the current issues and implications for policy

      Raaij MTM van; Ossendorp BC; Slob W; Pieters MN; SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-08-23)
      Blootstelling aan meerdere bestrijdingsmiddelen tegelijk in de dagelijkse voeding is een potentieel probleem. Dit probleem kan zich met name voordoen bij bestrijdingsmiddelen met een zelfde werkingsmechanisme (zoals de z.g. organofosfaten). Maatschappelijke organisaties dringen aan op het meewegen van dergelijke gecumuleerde blootstelling in de risicobeoordeling. Het RIVM zet in dit rapport op een rij wat er bekend is over dit onderwerp en op welke manier zo'n cumulatieve blootstelling kan worden bepaald. Er zijn op dit moment methoden beschikbaar maar een wetenschappelijke onderbouwing voor de optelling van effecten ontbreekt nog deels. Het is niet duidelijk of de effecten van de organofosfaten wel additief zijn en volgens het principe van Relatieve Potentie Factoren (RPF) kunnen worden opgeteld. De informatie over residuen van bestrijdingsmiddelen en de methoden voor innameberekeningen zullen ook verbeterd moeten worden. Het meewegen van cumulatieve blootstelling heeft ook consequenties voor het risicomanagement en de besluitvorming bij handhaving en toelating; hiervoor zullen door het beleid keuzes moeten worden gemaakt.
    • Cumulative exposure to cholinesterase inhibiting compounds: a review of the current issues and implications for policy

      van Raaij MTM; Ossendorp BC; Slob W; Pieters MN; SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-08-23)
      Cumulative exposure to various residues of pesticides in food is a potential area of concern. This issue is especially relevant for pesticides with a common mechanism of toxicity (e.g. organophosphates). Non-governmental organisations emphasis the need for inclusion of cumulative exposure in the risk assessment procedures for pesticides. In this report, RIVM evaluates the available information on cumulative exposure to pesticides and by what methods a cumulative risk assessment can be performed. Although methods are currently available the scientific basis for the summation of the effects is partly lacking. It is not clear whether the effects of all organophosphate combinations are truly additive and whether the approach with Relative Potency Factors (RPF) is valid. In addition the available residue data of pesticides and the available probabilistic tools for intake assessment should be improved. The inclusion of cumulative exposure to pesticides also has an impact on risk management decisions for authorisation and inspection procedures; policy makers will have to make choices in this area.
    • Cumulative exposure to residues of plant protection products via food in the Netherlands

      Boon PE; van Donkersgoed G; te Biesebeek JD; Wolterink G; Rietveld AG; VVH; VPZ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-07-06)
      Mensen worden via voedsel blootgesteld aan stoffen uit gewasbeschermingsmiddelen. Dit kan door verschillende soorten voedsel te eten waar verschillende stoffen op zitten, en doordat meerdere stoffen op één soort voedsel kunnen zitten. Het RIVM heeft een inschatting gemaakt van deze gelijktijdige blootstelling aan stoffen uit gewasbeschermingsmiddelen, zogenoemde cumulatieve blootstelling, via voedsel. In deze studie gaat het om stoffen die effecten op de schildklier en het zenuwstelsel kunnen hebben. De huidige gelijktijdige blootstelling aan deze stoffen heeft geen schadelijke effecten op de schildklier. Voor de stoffen die effect kunnen hebben op het zenuwstelsel kan het RIVM een risico niet uitsluiten. Dat is omdat de marge tussen de hoeveelheid die we binnenkrijgen en de hoeveelheid die als veilig wordt gezien dicht bij elkaar liggen. De werkelijke blootstelling is zeer waarschijnlijk lager dan de berekende blootstelling. Dat komt door onzekerheden in de berekeningen. Het uitgangspunt van het onderzoek is dat de hoeveelheden van stoffen die op eenzelfde orgaan hun uitwerking hebben, bij elkaar worden opgeteld. Het is nog niet mogelijk om een uitspraak te doen over de veiligheid van de gelijktijdige blootstelling aan alle stoffen uit gewasbeschermingsmiddelen via voedsel. Hiervoor moet eerst worden bepaald welke stoffen effecten op andere organen dan de schildklier en het zenuwstelsel kunnen hebben. De Europese voedselveiligheidsautoriteit EFSA werkt momenteel aan deze indeling. Hiervoor is een analyse nodig van de beschikbare gegevens over de schadelijke effecten van alle stoffen in gewasbeschermingsmiddelen.
    • Current innovations in regulatory reproductive toxicity assessment

      Piersma AH; Hakkert B; Muller JJA; GBO; SEC; SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-03-13)
      Chemicals must be tested for adverse effects on human reproduction. Thanks to innovations, testing will become more efficient, thereby reducing the use of experimental animals. The main developments have been signalled in an overview of current developments in the testing of reproductive toxicity (the adverse effects of chemicals of reproduction) documented in this RIVM report. Chemicals can adversely affect reproduction, which may manifest itself as reduced fertility or maldevelopment of the fetus. Manufacturers of chemicals are required to assess these adverse effects, for example, in the framework of the European programme for chemical safety called REACH. Current methods for reproductive toxicity assessment, which rely mainly on experimental animal studies, stem from the early eighties. The high animal use in the testing of reproductive toxicicity is primarily due to the need to study more than one generation. Reductions of animal use are, however, imminent, with developments in the endocrine disruption, animal welfare and REACH having stimulated innovations in this area. Standard protocols are in the process of being amended and there are proposals for novel test systems. These developments also influence testing strategies, which combine individual tests in a tiered approach. These are innovations then that should lead to increased efficiency and reduced animal use.
    • The cyanide accident in Barskoon (Kyrgyzstan)

      Cleven RFMJ; Bruggen M van; LAC (2000-02-28)
      On May 20, 1998, a truck with 20 tons of sodium cyanide crashed and fell into the Barskoon River (Kyrgyzstan). This small stream, used by the local population for irrigation and drinking water purposes, flows into Lake Issyk-Kul, a major tourist resort. As a result of the accident, some 1700 - 1800 kg of sodium cyanide (NaCN) was released directly into the river, some 8 km upstream the village of Barskoon. The cyanide spill evoked a strong commotion among the population and the Kyrgyz authorities, due to its potential for health and environmental risks, and the omission of the company to report the accident immediately. On May 25, 1998, the World Health Organisation in Copenhagen asked RIVM for assistance to assess the environmental consequences of the accident. One week later, the WHO made a new request for follow-up analyses and toxicological/medical assistance. The outcome of both missions is reported here.The highest total cyanide concentration, as measured by the Laboratory of Inorganic Analytical Chemistry one week after the accident, did not exceed 1 mg/kg (soil). This concentration posed no threat, neither to the environment, nor to the health of humans and animals. These results and conclusions have been communicated to the the Kyrgyz government. However, great concern over the health of the possibly exposed population had led to - partly unnecessary - treatment of dozens of people, and hundreds of visits to hospitals and outpatient clinics. The evacuation of a considerable number of people in the days after the accident could not be justified by the environmental concentrations of cyanide. Recommendations have been made for a proper risk communication strategy and for the implementation of measures to avoid future accidents. Although the conclusions of our missions convinced the Kyrgyz authorities, the commotion among the population persisted for more than a year.
    • The cyanide accident in Barskoon (Kyrgyzstan)

      Cleven RFMJ; Bruggen M van; LAC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-02-28)
      Bij een ongeval op 20 mei 1998 kwam 1700-1800 kg NaCN in de Barskoon Rivier terecht, ongeveer 8 km stroomopwaarts van het dorpje Barskoon. De cyanidelozing veroorzaakte grote commotie onder de bevolking en de autoriteiten van Kirgizie, vanwege het potentiele gevaar voor gezondheid en milieu, mede door het laat melden van het ongeval door het betrokken bedrijf. Op 25 mei 1998 vroeg de WHO in Kopenhagen het RIVM om bijstand, om de milieugevolgen van het ongeval te beoordelen. Een week later verzocht de WHO opnieuw om bijstand, nu om follow-up analyses en om medisch/toxicologische assistentie. Ervaringen van beide missies zijn in dit rapport beschreven. De hoogste totaal-cyanideconcentraties, een week na het ongeluk gemeten door het Laboratorium voor Anorganisch-analytische Chemie van het RIVM, overschreden niet de waarde van 1 mg/kg (grond). Dit concentratieniveau is niet bedreigend, noch voor het milieu, noch voor de gezondheid van mens en dier. De resultaten en conclusies zijn direct gemeld aan de Kirgizische autoriteiten. Echter, de bezorgheid voor de gezondheid van de mogelijk blootgestelde bevolking had inmiddels geleid tot - deels onnodige - behandeling van tientallen mensen, en tot honderden bezoeken aan ziekenhuizen en klinieken. De evacuatie van enkele duizenden mensen in de dagen na het ongeluk kon evenmin worden gerechtvaardigd door de cyanide concentraties die in het milieu waren aangetroffenen. Op grond van onze metingen en conclusies zijn aanbevelingen gegeven voor een passende risico-management strategie, en voor de implementatie van maatregelen om ongelukken in de toekomst te voorkomen. Ofschoon de conclusies van onze missies de Kirgizische autoriteiten overtuigden, bleef de commotie onder de bevolking nog meer dan een jaar aanhouden.