• Costs of lifestyle interventions within health care and the amount of weight loss achieved

      Bogers RP; Vijgen SMC; Bemelmans WJE; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-06-22)
      Lifestyle counselling in health care with respect to diet and physical activity can reduce body weight at reasonable costs. A weight loss of 5% after one year can be achieved at a cost of around 150 euro per patient (with an uncertainty range up to 300-400 euro). Each extra investment of 100 euro results in an additional loss of weight of one per cent. Extra investments above the 1000 euro do not result in more weight loss. The most effective interventions - where costs are kept constant - seem to be those in which a lower calorie diet is prescribed (and not only dietary advice), along with the possibility of behavioural therapy. These conclusions are based on 73 interventions described in 42 original articles; all interventions had a dietary and a physical activity component. Intervention costs were assessed according to a standard procedure and compared to the reported weight loss one year after an intervention had been started. Quality-related study characteristics such as participant drop-out did not have an effect on the outcome. The fact that more expensive interventions are associated with more weight loss most probably reflects higher intensities of more expensive interventions. Weight loss also appeared to be associated with intervention costs after two years, but the number of interventions for this analysis was low. Further research into the long-term health effects, interpersonal variation and optimal intervention is recommended. Although our study did not indicate that supervised physical activity is associated with more weight loss, physical activity remains important because of its relationship with other favourable health effects.
    • Costs of lifestyle interventions within health care and the amount of weight loss achieved

      Bogers RP; Vijgen SMC; Bemelmans WJE; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-06-22)
      Leefstijlbegeleiding binnen de gezondheidszorg rondom voedings- en beweeggedrag kan het lichaamsgewicht tegen redelijke kosten verminderen. Een gewichtsverlies van 5% na een jaar kan bereikt worden met begeleidingskosten rond de 150 euro per patient (met een onzekerheidsrange tot 300-400 euro). Elke extra besteding van 100 euro levert een gewichtsvermindering van een procent op. Boven een bedrag van ongeveer 1000 euro leidt meer begeleiding niet tot extra gewichtsverlies. Begeleidingstrajecten waarin deelnemers een dieet met een verlaagde hoeveelheid calorieen wordt voorgeschreven (en niet alleen dieetvoorlichting krijgen) en waarin gedragstherapie wordt aangeboden lijken -bij gelijkblijvende kosten- het meest effectief. Dit blijkt uit een analyse van 73 begeleidingstrajecten beschreven in 42 originele publicaties, die alle gericht waren op zowel voeding als bewegen. De kosten van de trajecten zijn op een gestandaardiseerde manier berekend en vergeleken met het gewichtsverlies na een jaar. Studiekenmerken die samen kunnen hangen met de kwaliteit van onderzoek, zoals uitval van deelnemers, hadden geen effect op de uitkomsten.Dat duurdere begeleidingstrajecten tot meer gewichtsverlies leiden komt waarschijnlijk doordat de kosten zijn gerelateerd aan de intensiteit van het programma. Ook na twee jaar leek gewichtsverlies samen te hangen met de programmakosten, maar het aantal begeleidingstrajecten in deze analyse was laag. Er is verder onderzoek nodig naar de gezondheidseffecten op lange termijn, variatie tussen personen en het optimale programma. Ondanks dat de huidige analyse er niet op wijst dat bewegen onder begeleiding meer gewichtsverlies oplevert, blijft lichaamsbeweging belangrijk omdat dit andere gunstige gezondheidseffecten kan hebben.
    • Costs of validation of sterilization methods: Gamma radiation versus ethylene oxide

      Geertsma RE; Dorpema JW; Asten JAAM van; LGM (1995-12-31)
      De interpretatie van de Europese normen voor validatie van sterilisatieprocessen door fabrikanten van medische hulpmiddelen gebeurt in de praktijk niet op uniforme wijze. Om te bepalen of de kostenaspecten van de validatie-procedure een significante rol zouden kunnen spelen bij beleidsbeslissingen aangaande de verschillende stappen die ondernomen moeten worden voor de validatie van een sterilisatieproces, is een kostenevaluatie gemaakt voor twee van de meest toegepaste processen: gammabestraling en ethyleenoxide-sterilisatie. Hierbij is gebruik gemaakt van de eisen in de hierop van toepassing zijnde Europese normen. Een belangrijk uitgangspunt was de definitie van validatie als een procedure om twee belangrijke parameters vast te stellen: effectiviteit en reproduceerbaarheid. Voor gammasterilisatie is de validatie voornamelijk proces-georienteerd, terwijl er bij ethyleenoxide-sterilisatie meer sprake is van productafhankelijkheid. Dit is mogelijk doordat gammastraling een hoge penetratiegraad heeft en daarom reproduceerbaarheid geen kritieke factor is. Voor ethyleenoxide is het veel moeilijker te bewijzen dat alle interne en externe oppervlakken effectief worden blootgesteld aan de sterilisatiecondities ; produktontwerp, produktverpakking en ladingspatroon zijn hier belangrijke parameters. Als gevolg van het bovenstaande blijkt de validatie van gammasterilisatie aanzienlijk goedkoper te zijn dan de validatie van ethyleenoxide-sterilisatie. Vooral voor de overkill methode (25 kGy) werd aangetoond dat de kosten niet hoog zijn, aangenomen dat de fabrikant volgens EN 46002 werkt en dat historische gegevens consistente effectiviteit van de 25 kGy sterilisatiedosis bewijzen. De belangrijkste reden voor deze lage kosten is het feit dat onder de bovengenoemde voorwaarden geen extra bioburden-onderzoek vereist is. Afhankelijk van de gebruikte validatiemethode liggen de kosten voor de validatie van een gammasterilisatieproces tussen Fl. 150,= (25 kGy) en Fl. 16000,= (AAMI b2 methode). Hiernaast zijn nog alternatieve methoden mogelijk, waarvan de kosten tussen deze bedragen in liggen. Hiermee kunnen lagere sterilisatiedoses mogelijk worden gemaakt. Voor ethyleenoxide-sterilisatie liggen de kosten tussen de Fl. 29000,= (half-cycle methode of fraction-negative methode) en Fl. 37000,= (survivor curve constructie).
    • Costs of validation of sterilization methods: Gamma radiation versus ethylene oxide

      Geertsma RE; Dorpema JW; Asten JAAM van; LGM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-12-31)
      The interpretation of the European Standards for validation of sterilization processes by manufacturers of medical devices in practice is not done in a uniform way. In order to determine whether cost aspects of the validation procedure might play a significant role in management decisions regarding the steps that must be taken for the validation of a sterilization process, a cost evaluation was made for two of the most commonly applied processes: gamma irradiation and ethylene oxide sterilization. This was done following the requirements in the appropriate European Standards. An important starting point was the definition of validation as a procedure which establishes two important process parameters: effectiveness and reproducibility. For gamma sterilization the validation is process oriented, while for ethylene oxide it is more product dependent. This is possible because gamma radiation has a high penetration degree and therefore reproducibility is not a critical factor. For ethylene oxide it is much more difficult to prove that all internal and external surfaces have effectively been exposed to the sterilizing conditions ; product design, product packaging and loading pattern need to be considered. As a consequence of the above mentioned conclusions validation of gamma sterilization proves to be much cheaper than validation of ethylene oxide sterilization. Especially the overkill method (25 kGy) was demonstrated not to be expensive, presuming that the manufacturer is working according to EN 46002 and historical data show consistent effectiveness of the 25 kGy sterilization dose. The main reason for these low costs is the fact that under the above mentioned conditions no additional bioburden testing is required. Depending on the validation method used, the costs for validating a gamma sterilization process are between Fl. 150,= (25 kGy) and Fl. 16000,= (AAMI b2 method). At prices between these two figures alternative methods are possible, resulting in lower sterilization doses. For ethylene oxide sterilization the costs are between Fl. 29000,= (half-cycle method or fraction-negative method) and Fl. 37000,= (survivor curve construction).
    • Cotinineconcentraties in urine van vrouwen bij een onderzoek naar het effect van actief en passief roken op het longkankerrisico

      Tepas BCA; Groot G de (1989-05-31)
      In dit rapport worden de resultaten beschreven van de kwantitatieve bepaling van cotinine in de urine van vrouwen bij een epidemiologisch onderzoek naar het effect van actief en passief roken op de ontwikkeling van longkanker en in de urine van een aantal cursisten van een "stop met roken" cursus. In de bestaande bepalingsmethode van cotinine in urine werden enige wijzigingen aangebracht. Bij de thans toegepaste methode wordt cotinine uit urine geisoleerd door middel van een vaste-fase extractie gevolgd door een zuivering van het vaste-fase extract door selectieve heroplossing. Kwantificering is uitgevoerd met capillaire gaschromatografie en stikstofgevoelige detectie. De detectielimiet is 0,5 mug/l, uitgaande van 5 ml urine. De precisie van van 2,8 mug/l tot 76 mug/l is 4,1 - 7,2% van 76 mug/l tot 595 mug/l is 1,4 -3,8% en van 595 mug/l tot 3969 mug/l is 7,4 - 8,2%. De 280 monsters urine van het epidemiologisch onderzoek waren te verdelen in een groep met cotinineconcentraties beneden 100 mug/l (n=204) waarvan de passieve rokers deel uit maken en een groep met cotinineconcentraties tussen 300 en 3900 mug/l bestaande uit actieve rokers (n=76). Onder de cursisten waren er twee die nog niet (geheel) met roken gestopt waren.
    • Counterfeit medical devices - A risk indication

      de Bruijn ACP; de Vries CGJCA; Hermsen HPH; BMT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-11-10)
    • Counterfeits and imitations of Viagra and Cialis tablets: trends and risks to public health - A survey of the analyses carried out at the Dutch National Institute for Public Health and the Environment in the time period 2000 - 2004

      Blok-Tip L; Vogelpoel H; Vredenbregt MJ; Barends DM; Kaste D de; KCF (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-10-06)
      During the last years de Dutch market has been flooded with falsifications of Viagra. and Cialis.. Both products are used for the treatment of erectile dysfunction. This report is about the trend of these falsifications during the years 2000 - 2004. The risks of these products to public health are surveyed and also described. The following conclusions are drawn: There is a trend towards products containing other active compounds than sildenafil and tadalafil, the compounds of Viagra. and Cialis.. There is a trend towards the addition of (unknown) active compounds to herbal products. Falsifications are a risk to public health: they are produced without adequate quality control; they mislead the users concerning manufacturer and composition. The risk to public health is much higher if unknown, chemical compounds are added to herbal products. The effects and side effects of these compounds are unknown. Besides, herbal products are often considered to be natural and therefore harmless. In order to detect trends and new risks in the future, an ongoing survey of the legal and illegal market by analysing samples is needed. The trend analysis and risk survey are based on the analytical results of about 400 samples. These samples were sent in by governmental inspectorates for chemical analysis. The samples give an insight into the developments of the illegal market. However, they may not be representative for the market supply.
    • Counterfeits and imitations of Viagra and Cialis tablets: trends and risks to public health - A survey of the analyses carried out at the Dutch National Institute for Public Health and the Environment in the time period 2000 - 2004

      Blok-Tip L; Vogelpoel H; Vredenbregt MJ; Barends DM; de Kaste D; KCF (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-10-06)
      De Nederlandse markt is de afgelopen jaren overspoeld met vervalsingen van Viagra. en Cialis. Beide producten worden gebruikt voor de behandeling van erectiestoornissen. Dit rapport gaat over een trendanalyse van deze vervalsingen over de jaren 2000 - 2004. Ook de risico's van deze producten voor de volksgezondheid zijn geinventariseerd en beschreven. De volgende conclusies zijn getrokken: Er is een trend naar producten, die andere actieve verbindingen bevatten dan sildenafil en tadalafil (de verbindingen, die in Viagra en Cialis zitten). Er is een trend naar het toevoegen van (onbekende) actieve verbindingen aan kruidenproducten. Vervalsingen zijn een risico voor de volksgezondheid: ze worden geproduceerd zonder adequate kwaliteitscontrole; ze misleiden de gebruiker wat betreft de fabrikant en de samenstelling. Het risico voor de volksgezondheid is veel groter als er onbekende, chemische verbindingen aan kruidenproducten worden toegevoegd. Van deze verbindingen zijn de werking en bijwerking niet bekend. Bovendien worden kruidenproducten vaak gezien als natuurlijk en dus ongevaarlijk. Om in de toekomst trends en nieuwe risico's te kunnen vaststellen moeten de legale en illegale markt voortdurend gevolgd worden door monsters te analyseren. De trendanalyse en de risico-inventarisatie zijn gebaseerd op de analyseresultaten van circa 400 monsters. Deze monsters zijn door de overheidsinspecties ingezonden voor chemische analyse. De monsters geven inzicht in de ontwikkelingen van de illegale markt, maar zijn daar mogelijk geen representatieve afspiegeling van.
    • Cradle to Cradle als inspiratiebron voor duurzaam bodemgebruik in gebiedsontwikkeling

      Luckacs S; Boersma A; Mesman M; Kok M; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-02-18)
    • Creamod. Een infrastructuur voor smogmodellen op statistische basis

      Noordijk H; NLB (2003-03-27)
      Het rapport beschrijft een softwarepakket dat begin jaren negentig is ontwikkeld om statistische luchtkwaliteitsmodellen te vervaardigen ten behoeve van de dagelijkse smogverwachting die het RIVM uitbrengt. Het pakket, Creamod, bestaat uit een aantal modules waarmee zeer snel luchtkwaliteitsmodellen kunnen worden gedefinieerd, vervaardigd en getoetst. De centrale rekenregel waarmee een prognose wordt uitgebracht is steeds dezelfde. De concentratie in de toekomst is de concentratie van het heden, vermenigvuldigd met een correctiefactor. Deze correctiefactor wordt afgeleid uit statistieken van luchtkwaliteitsmetingen uit het verleden, waarbij omstandigheden als stationstype, seizoen en de verwachte weersverandering identiek zijn aan de situatie waarvoor de prognose wordt gemaakt. Een werkend model bestaat uit een definitiebestand waarin de structuur van het model is vastgelegd, statistiekenbestanden waarin de correctiefactoren zijn opgeslagen en de rekenstructuur die Creamod biedt.
    • Creamod. Een infrastructuur voor smogmodellen op statistische basis

      Noordijk H; NLB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-03-27)
      The report describes software which has been developed in 1991 to construct smogmodels on a statistical basis. These smogmodels are in daily use for the smog outlook by RIVM. The software, Creamod, consists of a number of modules which are able to define, construct and evaluate statistical air quality models in a very fast and transparent way. The prognosis is calculated on the basis of the present concentration. This concentration is multiplied by a correction factor, derived from past measurements. The correction factor depends on the circumstances such as the type of measurement location, the season and the expected changes in weather patterns. A working model consists of a definition file in which the structure of the model is fixed, statistical files in which the correction factors are laid down and the arithmetic structure offered by Creamod.
    • Creating safe and sustainable material loops in a circular economy : Proposal for a tiered modular framework to assess options for material recycling

      Quik, JTK; Lijzen, JPA; Spijker, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-02-12)
      Het RIVM heeft de basis gelegd voor een raamwerk om te beoordelen of grondstoffen uit afval veilig én duurzaam kunnen worden gebruikt. Met deze integrale benadering wordt de risicobeoordeling van stoffen naast de voordelen van hergebruik voor het milieu geplaatst, bijvoorbeeld hoeveel uitstoot van CO2 wordt bespaard. Door dit allebei inzichtelijk te maken wordt duidelijk wat nodig is om de risico's voor het milieu voldoende te beperken en wat die inspanning oplevert aan duurzaamheid. Op basis van deze informatie kunnen zowel de industrie als beleidsmakers een afweging maken over het gebruik van teruggewonnen grondstoffen. Andere waarden, zoals economische kosten en sociale acceptatie, zijn nog buiten beschouwing gebleven. Het raamwerk voegt wettelijk vastgestelde regels, bestaande risicogrenzen en nieuwe methoden samen tot één samenhangend, getrapt systeem. Het ondersteunt zo het uitgangspunt van de Nederlandse overheid om efficiënt om te gaan met grondstoffen en het milieu minder te belasten. De veiligheid voor mens en milieu is een randvoorwaarde voor de overgang naar de circulaire economie, waarin zo veel mogelijk materialen uit afvalstromen opnieuw worden gebruikt. Materiaal dat wordt gerecycled, kan risico's voor het milieu met zich meebrengen wanneer het bijvoorbeeld zeer zorgwekkende stoffen (ZZS), geneesmiddelresten, bestrijdingsmiddelen of ziekteverwekkers bevat. Wetgeving en beleidskaders voorkomen de risico's gedeeltelijk. De huidige regelgeving is echter nog onvoldoende ingericht op het gebruik van gerecycled materiaal. Zo kan de regelgeving het gebruik van stoffen in nieuwe producten verbieden, zoals brandvertragers, terwijl ze in afvalstromen zitten van producten die zijn gemaakt toen het verbod nog niet gold. Daarnaast kan regelgeving ontbreken, bijvoorbeeld voor geneesmiddelresten. Het raamwerk is met drie casussen getest: fosfaat terugwinnen uit afvalwater, piepschuim recyclen en het gebruik van rubbergranulaat uit oude autobanden. Het RIVM wil met de industrie en de overheid in gesprek over de praktische toepasbaarheid van het raamwerk en de verdere uitwerking ervan. Door het raamwerk uit te breiden met andere veiligheids-en duurzaamheidsthema's, wordt het breder toepasbaar.
    • Crematoria

      Elzenga JG; Werkgroep Emissies Servicebedrijven en Produktgebruik WESP; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-06-30)
      This document reporting on environmental aspects of "Crematoriums" has been published within the WESP cooperative project of the Working Group on Emissions from Service Industries and Product Use. In this project information was collected on processes found in the target groups: consumers, construction, service industries, environmental cleanup, and consulting firms and recreational services. The aim was to reach an agreement on the data used by various institutes and to provide support for governmental policy on emission reduction. This document contains information on processes, emission sources, emissions to air and water, waste, emission factors, use of energy and energy factors, emission reduction, energy conservation, research on clean technology, and standards and permits.
    • Crematoria

      Elzenga JG; LAE (Werkgroep Emissies Servicebedrijven en Produktgebruik WESP, 1996-06-30)
      In dit rapport is informatie verzameld over de milieuaspecten van "Crematoria". Het is gepubliceerd binnen het samenwerkingsproject WESP: de Werkgroep Emissies Servicebedrijven en Productgebruik. In dit project wordt informatie verzameld over processen in de doelgroepen van consumenten, bouw, handel en dienstverlening om tot overeenstemming te komen over de gegevens die gebruikt worden bij verschillende instituten en levert ondersteunende informatie voor het regeringsbeleid over emissiereductie. Dit document bevat informatie over processen, emissiebronnen, emissies naar lucht en water, afval, emissiefactoren, gebruik van energie en energiefactoren, emissiereductie, energiebehoud, onderzoek naar schone technologie normstelling en vergunningen.
    • Criteria voor Zeer Zorgwekkende Stoffen

      de Poorter LRM; Hogendoorn EA; Luit RJ; SEC; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-06-16)
      Het RIVM heeft een systematiek voorgesteld waarmee chemische stoffen worden geselecteerd die relevant zijn voor het Nederlandse prioritaire stoffenbeleid. De systematiek is in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu gemaakt, omdat dit beleid momenteel wordt geactualiseerd. De geselecteerde stoffen worden aangeduid met de term 'Zeer Zorgwekkende Stoffen'. Voor de systematiek zijn criteria gehanteerd die beter aansluiten bij kenmerken die in Europese of wereldwijde beleidskaders voor prioritering van chemische stoffen worden gebruikt. Onder meer wordt gebruik gemaakt van nieuwe informatie die beschikbaar komt door de invoering van de Europese regelgeving voor chemische stoffen REACH (Registration, Evaluation and Authorisation of CHemicals). De systematiek maakt gebruik van de eigenschappen van stoffen die duiden op mogelijke schadelijke gevolgen voor mens en milieu als zij aan deze stoffen worden blootgesteld. Voorbeelden van Zeer Zorgwekkende Stoffen zijn kankerverwekkende stoffen en stoffen die slecht afbreken, ophopen in organismen en giftig zijn (persistent, bio-accumulerend en toxisch, oftewel PBT-stoffen). Als aannemelijk is dat een Zeer Zorgwekkende Stof in Nederland in het milieu aanwezig is of daarin terecht kan komen, wordt een dergelijke stof bestempeld als Nederlandse prioritaire stof.
    • Criteriadocument chloroform

      van der Heijden CA; Speijers GJA; Ros JPM; Huldy HJ; Besemer AC; Lanting RW; Maas RJM; Heijna-Merkus E; Bergshoeff G; Gerlofsma A; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1986-07-31)
      Dit rapport bevat een systematisch overzicht en een kritische evaluatie van de belangrijkste gegevens over de prioritaire stof chloroform. Het dient ter onderbouwing van een kwaliteitseis voor de buitenlucht van deze stof.<br>
    • Criteriadocument ethyleenoxide (oxiraan)

      Vermeire T; van Esch GJ; van der Plaat J; van der Heijden CA; Heijna-Merkus E; Knaap AGAC; van Leeuwen FXR; Bergshoeff G; Huygen C; Huldy HJ; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1986-07-31)
      Dit rapport bevat een systematisch overzicht en een kritische evaluatie van de belangrijkste literatuurgegevens over de prioritaire stof enthyleenoxide in het milieucompartiment Lucht. Achtereenvolgens komen de volgende aspecten aan de orde: -fysisch-chemische eigenschappen ; -meetmethoden en meetstrategie; -uitworpen ; -verspreiding en omzetting ; -concentraties in het milieu en blootstellingsroutes ; -normen en richtwaarden ; -effecten ; De kern van dit document is het hoofdstuk over effecten. Naast de effecten van ethyleenoxide op mens en dier zijn ook de invloeden op het aquatische milieu en op materialen in ogenschouw genomen. Bovendien is aandacht besteed aan effecten op wereldschaal. Voornamelijk op basis van de effecten op mens en dier is een toxicologische evaluatie gegeven. Omdat de stof carcinogeen blijkt te zijn is het kankerrisico geschat bij bepaalde concentraties in de lucht.<br>
    • Criteriadocument fenol

      van Koten-Vermeulen JEM; van der Heijden CA; van Leeuwen FXR; Huldy HJ; Besemer AC; Lanting RW; Ros JPM; Canton JH; Heijna-Merkus E; Bergshoeff G; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1986-07-31)
      Dit rapport bevat een systematisch overzicht en een kritische evaluatie van de belangrijkste gegevens over de prioritaire stof fenol. Het dient ter onderbouwing van een kwaliteitseis voor de buitenlucht van deze stof.<br>
    • Criteriadocument Fijn Stof

      van der Meulen A; Rombout PJA; Prins CJ; Kramers PGN; van Esch GJ; Heijna-Merkus E; Besemer AC; Huldy HJ; Mulder HCM; Venselaar J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1987-10-31)
      Onderhavig document omvat gegevens over fijn stof inzake de bronnen en het verspreidingspatroon in lucht, de risico's en schadelijke concentraties voor de mens en de technische mogelijkheden en kosten van emissiebeperking. Deze informatie dient als wetenschappelijke basis voor het formuleren van normstellingsbeleid.<br>
    • Criteriadocument styreen

      van Apeldoorn ME; van der Heijden CA; van Leeuwen FXR; Huldy HJ; Besemer AC; Lanting RW; Jol A; Heijna- Merkus E; Bergshoeff G; Venselaar J; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1986-07-31)
      Dit rapport bevat een systematisch overzicht en een kritische evaluatie van de belangrijkste gegevens over de prioritaire stof styreen. Het dient ter onderbouwing van een kwaliteitseis voor de buitenlucht van deze stof.<br>