• The cyanide accident in Barskoon (Kyrgyzstan)

      Cleven RFMJ; Bruggen M van; LAC (2000-02-28)
      Bij een ongeval op 20 mei 1998 kwam 1700-1800 kg NaCN in de Barskoon Rivier terecht, ongeveer 8 km stroomopwaarts van het dorpje Barskoon. De cyanidelozing veroorzaakte grote commotie onder de bevolking en de autoriteiten van Kirgizie, vanwege het potentiele gevaar voor gezondheid en milieu, mede door het laat melden van het ongeval door het betrokken bedrijf. Op 25 mei 1998 vroeg de WHO in Kopenhagen het RIVM om bijstand, om de milieugevolgen van het ongeval te beoordelen. Een week later verzocht de WHO opnieuw om bijstand, nu om follow-up analyses en om medisch/toxicologische assistentie. Ervaringen van beide missies zijn in dit rapport beschreven. De hoogste totaal-cyanideconcentraties, een week na het ongeluk gemeten door het Laboratorium voor Anorganisch-analytische Chemie van het RIVM, overschreden niet de waarde van 1 mg/kg (grond). Dit concentratieniveau is niet bedreigend, noch voor het milieu, noch voor de gezondheid van mens en dier. De resultaten en conclusies zijn direct gemeld aan de Kirgizische autoriteiten. Echter, de bezorgheid voor de gezondheid van de mogelijk blootgestelde bevolking had inmiddels geleid tot - deels onnodige - behandeling van tientallen mensen, en tot honderden bezoeken aan ziekenhuizen en klinieken. De evacuatie van enkele duizenden mensen in de dagen na het ongeluk kon evenmin worden gerechtvaardigd door de cyanide concentraties die in het milieu waren aangetroffenen. Op grond van onze metingen en conclusies zijn aanbevelingen gegeven voor een passende risico-management strategie, en voor de implementatie van maatregelen om ongelukken in de toekomst te voorkomen. Ofschoon de conclusies van onze missies de Kirgizische autoriteiten overtuigden, bleef de commotie onder de bevolking nog meer dan een jaar aanhouden.
    • The cyanide accident in Barskoon (Kyrgyzstan)

      Cleven RFMJ; Bruggen M van; LAC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-02-28)
      On May 20, 1998, a truck with 20 tons of sodium cyanide crashed and fell into the Barskoon River (Kyrgyzstan). This small stream, used by the local population for irrigation and drinking water purposes, flows into Lake Issyk-Kul, a major tourist resort. As a result of the accident, some 1700 - 1800 kg of sodium cyanide (NaCN) was released directly into the river, some 8 km upstream the village of Barskoon. The cyanide spill evoked a strong commotion among the population and the Kyrgyz authorities, due to its potential for health and environmental risks, and the omission of the company to report the accident immediately. On May 25, 1998, the World Health Organisation in Copenhagen asked RIVM for assistance to assess the environmental consequences of the accident. One week later, the WHO made a new request for follow-up analyses and toxicological/medical assistance. The outcome of both missions is reported here.The highest total cyanide concentration, as measured by the Laboratory of Inorganic Analytical Chemistry one week after the accident, did not exceed 1 mg/kg (soil). This concentration posed no threat, neither to the environment, nor to the health of humans and animals. These results and conclusions have been communicated to the the Kyrgyz government. However, great concern over the health of the possibly exposed population had led to - partly unnecessary - treatment of dozens of people, and hundreds of visits to hospitals and outpatient clinics. The evacuation of a considerable number of people in the days after the accident could not be justified by the environmental concentrations of cyanide. Recommendations have been made for a proper risk communication strategy and for the implementation of measures to avoid future accidents. Although the conclusions of our missions convinced the Kyrgyz authorities, the commotion among the population persisted for more than a year.
    • Cytostatics in Dutch surface water : Use, presence and risks to the aquatic environment

      Moermond C; Venhuis B; van Elk M; Oostlander A; van Vlaardingen P; Marinkovic M; van Dijk J; MSP; VSP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-06-21)
      Cytostatica (medicatie bij chemokuren) zijn belangrijk voor de behandeling van kanker. Restanten van cytostatica komen via de urine in het afvalwater terecht, dat wordt gezuiverd en op oppervlaktewater geloosd. Naar aanleiding van vragen uit de zorgsector heeft het RIVM de milieurisico's van deze stoffen onderzocht. Uit dit onderzoek blijkt dat restanten van de meeste cytostatica geen risico voor het milieu in oppervlaktewater vormen. Ze worden voldoende afgebroken door het menselijk lichaam en in de rioolwaterzuiveringsinstallatie verwijderd. Van sommige andere cytostatica kon vanwege een gebrek aan milieugegevens geen beoordeling worden gemaakt. Behalve naar cytostatica is gekeken naar milieurisico's van restanten van medicatie voor immuun- en hormoontherapie. Dit zijn twee tumorspecifieke anti-kankertherapieën die de laatste jaren steeds vaker gebruikt worden vanwege hun voordelen ten opzichte van de klassieke cytostatica. De werkzame stoffen in immuuntherapie worden door het menselijk lichaam volledig afgebroken en vormen dus geen risico. Ook de twee onderzochte stoffen die gebruikt worden bij hormoontherapie, vormen geen risico voor het oppervlaktewater. Voor dit onderzoek zijn gebruiksgegevens van cytostatica in vier ziekenhuizen gebruikt, omdat deze gegevens in Nederland niet centraal worden bijgehouden. Hiermee is berekend hoeveel van deze stoffen in het oppervlaktewater terecht kan komen. Het risico voor het milieu is vervolgens bepaald door deze gegevens te vergelijken met gegevens over giftigheid voor waterorganismen. Er is niet gekeken naar gevolgen van de aanwezigheid van deze stoffen voor de drinkwaterzuivering.
    • Cytotoxiciteitsanalyse van glans/ontspanningsmiddelen

      Geffen MF van; Orzechowski TJH; Machielsen JCA; Asten JAAM van; LGM (1994-10-31)
      Twee cytotoxiciteitstesten, gevalideerd voor de bepaling van de biocompatibiliteit van medische hulpmiddel extracten, zijn toegepast op glans/ontspanningsmiddelen. Glans/ontspanningsmiddelen ("instrumenten-melk") worden gebruikt bij de laatste processtap voor het reinigen van chirurgische instrumenten. Aan de middelen worden stoffen toegevoegd met een oppervlaktespanning verlagende werking. Tevens wordt een fractie toegevoegd voor smering van bewegende delen. De onderzochte glansmiddelen vertonen een cytotoxiciteit met een 50% inhibitory concentration (IC50) varierend van 20 tot 3000 ppm. Dit geeft aan dat de halfmaximale cytotoxiciteit gevonden wordt bij verdunningen met eindconcentratie varierend van 20 tot 3000 ppm. De bij de middelen voorgeschreven doseringen vallen binnen het gebied waarin de gevonden IC50 valt. Of dit resultaat werkelijk een voorspelling voor negatieve effecten bij gebruik is, wordt mede bepaald door de hoeveelheid residueel glansmiddel op het medisch hulpmiddel en de toepassing van het hulpmiddel. Eveneens onderzochte smeermiddelen blijken i.t.t. de glansmiddelen nagenoeg niet cytotoxisch. Met aanvullende data betreffende de hoeveelheid residu op gewassen chirurgische instrumenten kunnen de testen dienen om de intrinsieke cytotoxiciteit van glansmiddelen te normaliseren. Hiervoor dient echter tevens een uniforme dosering van deze stoffen in de gebruikte medische hulpmiddelen wasmachines te worden gesteld.
    • Cytotoxiciteitsanalyse van wondafdekmaterialen en non-woven verpakkingsmaterialen voor sterilisatie

      Geffen MF van; Machielsen JCA; Orzechowski TJH; Asten JAAM van; LGM (1994-10-31)
      Non-wovens gebruikt als verpakkingsmateriaal voor stoomsterilisatie en non-wovens/wovens gebruikt voor wondbedekking zijn in-vitro onderzocht op cytotoxiciteit. Aanleiding van het onderzoek was een incident waarbij non-wovens gebruikt voor sterilisatie van het in-vitro fertilisatie instrumentarium embryotoxisch bleken. Om de aanwezigheid van migrerende cytotoxische stoffen aan te tonen zijn extracten van de materialen in een aantal in-vitro testen onderzocht. Evaluatie met cytotoxiciteitsparameters LDH lekkage voor membraanschade, celgroeiremming en intracellulaire ATP depletie is uitgevoerd. De resultaten geven voor de sterilisatie verpakkingsmaterialen een geschikte extractie methode en cytotoxiciteitsanalyse. Met de methode is een panel van de genoemde materialen geevalueerd. Parallel zijn een panel wondafdekmaterialen onderzocht conform de richtlijn ; "biological evaluation of medical devices". De onderzochte wondafdekmaterialen, geextraheerd bij 37 graden C in medium, bleken geen migrerende cytotoxische stoffen te bevatten. Zowel de agar-overlay, LDH release en celgroeiremming gaven dit resultaat.
    • Dag- en nacht bewegingsactiviteit in de rat tijdens morfine- afhankelijkheid en morfine-onthouding

      van der Laan JW; Loeber JG; de Groot G; Sekhuis VM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1986-09-30)
      In het kader van het onderzoek naar de effecten van behandeling van morfine onthoudingsverschijnselen bij de rat is recent de methode van toediening van morfine via het voer gei"ntroduceerd en dat model is nu diepgaander onderzocht. Het verloop van de onthoudingsfase is onderzocht aan de hand van de bewegingsactiviteit van de ratten. De bewegings- activiteit van de rat vertoont een dagelijks ritme 's nachts hoog en overdag laag, dat door morfine aanvankelijk enigszins verstoord wordt, maar later treedt tolerantie op. Tijdens de onthoudingsfase treedt een sterke verlaging op 's nachts die niet samenvalt met de daling van de voedselinname. Toediening van clonidine tijdens de onthoudingsfase heeft geen invloed op het activiteits- patroon van morfine afhankelijke ratten, en evenmin op de voedselinname. Clonidine heeft echter ook geen invloed op het symptoom gewichtsverlies dat samen lijkt te hangen met de overactiviteit van het symphatische zenuwstelsel. Verder onderzoek is nodig om de werking van clonidine nader te bestuderen.<br>
    • Dagelijkse opneming van enige essentiele en niet-essentiele spoorelementen, bepaald via analyse van duplicaat 24-uurs voedingen, bemonsterd in 1984/1985

      Ellen G; Loon JW van; Tolsma K (1988-01-31)
      Dit rapport beschrijft de resultaten van onderzoek naar de dagelijkse opneming via voedsel en drank van de essentiele elementen koper, mangaan en zink en van de niet-essentiele elementen aluminium, cadmium, kwik en lood. Voor het onderzoek stonden 110 duplicaten van 24-uurs voeding ter beschikking, verzameld door proefpersonen uit de regio Utrecht. Aan het onderzoek namen 52 vrouwen en 58 mannen deel, in leeftijd varierend van 18 tot 74 jaar. De gemeten dagelijke opneming van koper liep uiteen van 0,5-3,3 mg/etmaal, gemiddeld 1,2 mg ; van mangaan van 1,2-9,4 mg/etmaal, gemiddeld 3,3 mg ; van zink van 2,6-17,8 mg/etmaal, gemiddeld 8,4 mg. Voor koper en zink zijn de gemiddelde waarde slechts de helft van de desbetreffende aanbevelingen in de USA en West-Duitsland. De gemeten dagelijke opneming van aluminium liep uiteen van 0,6-12,9 mg/etmaal, gemiddeld 3,1 mg ; van cadmium van 3-55 mug/etmaal, gemiddeld 10 mug; van kwik <1 - 12 mug/etmaal, gemiddeld 2 mug ; van lood van 7-214 mug/etmaal, gemiddeld 34 mug. De gemiddelde opneming was voor cadmium, kwik en lood resp. 16 ; 5 en 8% van de door de WHO/FAO maximaal toelaatbaar geachte dagelijkse opneming. Vergeleken met een voorgaand onderzoek in 1976/1978 is de loodopneming aanzienlijk gedaald.
    • Dagelijkse opneming van nitraat, nitriet en vluchtige N-nitrosaminen, bepaald via analyse van duplicaat 24-uurs voedingen, bemonsterd in 1984/1985

      Ellen G; Egmond E; Sahertian ET (1988-01-31)
      Duplicaten van 24-uurs voedingen van 110 personen, bemonsterd in oktober 1984/maart 1985 werden geanalyseerd op gehalte aan nitraat, nitriet en vluchtige N-nitrosaminen. De gemeten gemiddelde nitraatopneming bedroeg 52 mg NO-3/etmaal, bereik 2-500 mg/etmaal. Nitriet was aantoonbaar, d.w.z. >0,1 mg NO2/duplicaatvoeding, in 16 van de 110 monsters ; de hoeveelheid in deze 16 liep uiteen van 0,1-0,7 mg NO2. Bij drie van de 110 deelnemers lag de nitraat opneming boven de ADI van 220 mg NO3/etmaal. Voor nitriet was de hoogste waarde minder dan 10% van de ADI van 8 mg NO2/etmaal. Slechts twee van de 110 monsters bevatten een aantoonbare hoeveelheid vluchtige N-nitrosaminen, nl. 2,9 mug NPIP en 1,5 mug NDMA resp. De dagelijkse opneming van nitraat, nitriet en vluchtige N-nitrosaminen is aanzienlijk lager dan gemeten in een soortgelijk onderzoek in 1976/1978.
    • DAMES: een bestand voor de macro-emissies van het Nederlandse elektriciteitsaanbod in 1995, 1998, 2010, 2020 en 20300

      Gijsen A; Spakman J; LAE (2001-05-31)
      Dit rapport beschrijft de datafile DAMES (DAtabestand Macro-emissies Elektriciteitssector). Dames biedt een integraal overzicht van het Nederlandse elektriciteitsaanbod en de daarmee gepaard gaande emissies van CO2, NOx and SO2. DAMES voegt de resultaten samen van verschillende bronnen: (1) voortgangsreportages van de produktie en emissies van elektriciteitscentrales, (2) een elektriciteitsaanbod model voor toekomstige jaren en (3) een database met actuele en toekomstige emissiefactoren. In DAMES is het elektriciteitsaanbod verdeeld naar centrale produktie (elektriciteit geproduceerd door bedrijven die elektriciteitsopwekking als kernactiviteit hebben), decentrale produktie (elektriciteit geproduceerd door bedrijven die elektriciteit als bijprodukt produceren) en importsaldo. Binnen deze drie 'subsectoren' zijn in DAMES de elektriciteitsproduktie en de emissies op het niveau van installatie-typen berekend. Voor warmte-kracht installaties zijn in DAMES de emissies verdeeld naar het aandeel dat elektriciteitsproduktie heeft in de totale energieproduktie (elektriciteit + warmte) van deze installaties. DAMES berekent geaggregeerde emissies per kWh, een indicator die vaak wordt gebruikt voor berekeningen van effectiviteit van maatregelen. Tevens heeft DAMES als meerwaarde dat het een integraal overzicht geeft in het effect op de emissies van de brandstofmix, WKK, import en het aandeel van duurzame energiebronnen. DAMES is toegepast op de gerealiseerde jaren 1995/1998 en op de toekomstige jaren 2010, 2020 en 2030. Voor de toekomstige jaren zijn prognoses gebruikt van twee scenario's van het CPB (Centraal Plan Bureau). Deze scenario's zijn het Global Competition (GC) en het European Coordination (EC) scenario's.
    • DAMES: een bestand voor de macro-emissies van het Nederlandse elektriciteitsaanbod in 1995, 1998, 2010, 2020 en 20300

      Gijsen A; Spakman J; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-05-31)
      This report describes the datafile DAMES (in Dutch: Databestand Macro-emissies Elektriciteitssector). DAMES offers an overall view of the Netherlands' electricity supply and it's attendant emissions of CO2, NOx and SO2. It incorporates results from different sources: (1) monitoring reports on production and emissions from central power plants, (2) an electricity supply model for future years and (3) a database with actual and future emission factors. In DAMES, the electricity supply has been divided into contributions from: central production (electricity produced by companies producing electricity as core business), decentral production (electricity produced by companies producing electricity as by-product) and the import balance. Within these three 'subsectors', DAMES calculates production and emissions on the level of installation types. For combined heat and power production (CHP-installations), DAMES allocates a distinct fraction of the total emissions to the produced electricity. DAMES calculates aggregated emissions per kWh, an indicator that is often used in calculations on effectiveness measures. Furthermore, DAMES has an advantage over previous used instruments that it gives an integral overview of the effect of the fuel-mix, CHP, imports and the part of sustainable energy sources. DAMES has been applied on the years 1995/1998 and the future years 2010, 2020 and 2030. For the future years, prognoses have been used from two different scenarios of the CPB (Central Planning Bureau). These scenarios are called Global Competition and European Coordination.
    • Daphnia magna: reproduction tests with eight different media

      Roghair CJ; Wolters-Balk MAH; Mathhijssen-Spiekman EAM (1990-12-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Dare to Compare! : Benchmarking Dutch health with the European Community Health Indicators (ECHI)

      Harbers MM; van der Wilk EA; Kramers PGN; Kuunders MMAP; Verschuuren M; Eliyahu H; Achterberg PW; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-11-27)
      Na een periode van stagnatie in de jaren negentig stijgt sinds 2000 de levensverwachting van Nederlandse vrouwen weer. De gemiddelde leeftijd van 82 jaar gaat nu gelijk op met het gemiddelde van de 27 lidstaten van de Europese Unie (EU). Net als in andere EU-landen leven Nederlandse vrouwen langer dan mannen. Maar in vergelijking met andere landen zijn ;ederlandse vrouwen wat minder gezond dan de Nederlandse mannen. Zo behoort Nederland tot de landen waar verhoudingsgewijs veel vrouwen sterven aan kanker of aan ziekten van de ademhalingswegen, zoals COPD. Steeds meer Nederlandse vrouwen sterven aan longkanker, onder andere door het hoge percentage rokende vrouwen in Nederland. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, dat de gezondheid in Nederland met die van de andere EU-landen vergelijkt. Het onderzoek is mede ingegeven door de ambitie van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport uit 2006 om de Nederlandse volksgezondheid terug te brengen in de top vijf van Europa. De vergelijking laat verder zien dat Nederland tot de beste Europese landen behoort voor sterfte door hart- en vaatziekten en ongevallen. De levensverwachting van Nederlandse mannen is vergelijkbaar met de levensverwachting van de 15 meer welvarende 'oude' EU-landen. Die is hoger dan de gemiddelde levensverwachting van de nieuwe lidstaten van de huidige 27 EU-leden. Nederlandse mannen worden gemiddeld 78 jaar. Het is de eerste keer dat de Nederlandse volksgezondheid internationaal is vergeleken op basis van de ECHI-shortlist. Dat is een set van meer dan tachtig Europese gezondheidsindicatoren over onder andere ziekte, leefstijl en preventie. Het rapport geeft ook specifiek aandacht aan de gezondheid van jongeren en ouderen. Daarnaast bevat het een analyse van de beschikbaarheid, vergelijkbaarheid en kwaliteit van gegevens die nodig zijn voor internationale vergelijkingen.
    • Darmmacrofagen in het konijn. Inventarisatie in situ en isolatie

      Moberts; R.M.P.*; Buys; J. (1984-05-16)
      Karakterisatie van cellen in de follikels van de plaques van Peyer en de lamina propria van de darm in het konijn met behulp van enzymhistochemie maakt een positieve identificatie van macrofagen in situ mogelijk. De aanwezige macrofagen zijn positief voor zure fosfatase en ATP-ase positiviteit voor niet specifieke esterasen hangt af van het gebruikte substraat en laat verschillen zien tussen enerzijds colon en anderzijds dunne darm en plaques van Peyer. Het percentage zure fosfatase positieve macrofagen varieert van 2.5 % (kiemcentra plaques van Peyer) tot 12.7 % (colon) van het totaal aantal kernhoudende cellen. De in de literatuur beschreven isolatiemethoden voor lamina propria macrofagen bleken niet geschikt voor de gebruikte konijnen. Daarom werd een nieuwe methode ontwikkeld, waarvan de essentie is dat uitsluitend de lamina propria in contact gebracht wordt met een enzyme-oplossing, die zorgt voor een dissociatie van het weefsel.
    • Data Assimilation in Dynamic Environmental Pollution Modeling

      Zhang XF; van Eijkeren JCH; Heemink AW; CWM; TUD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-07-31)
      Data-assimilatie methoden zijn bruikbare instrumenten ten behoeve van monitoring en diagnostiek van de milieukwaliteit. Bij deze methoden wordt informatie verkregen uit een milieukwaliteitsmeetnet geincorporeerd met een kwaliteitsmodel. Op deze manier wordt de in de algemene praktijk voorkomende schaarsheid aan metingen aangevuld door middel van modeluitkomsten (model-interpolatie). Anderzijds wordt voorkomen dat modeluitkomsten en metingen twee totaal verschillende diagnoses opleveren (model-calibratie). Dit rapport behandelt de mogelijke toepasbaarheid van twee zulke data-assimilatie methoden. Beide methoden worden met elkaar vergeleken. De eerste, een optimum interpolatietechniek bekend onder de naam Kriging, is eenvoudig en levert acceptabele nauwkeurigheid. Echter, ten opzichte van de andere techniek zijn meer metingen vereist. Bovendien gaat deze methode uit van aannamen met betrekking tot isotropie der data en de zogenaamde intrinsieke hypothese. De aanname met betrekking tot isotropie kan, maar dan ten koste van nog meer metingen, afgezwakt worden. De intrinsieke hypothese is essentieel. Aan beide aannamen wordt in de praktijk meestal matig of slecht voldaan. De aanname in de tweede methode, Kalman filter-techniek, met betrekking tot de data zijn realistischer. Het blijkt dat deze methode ook met veel minder metingen nog goed toepasbaar is. Daar tegenover staat dat het Kalman filter rekentechnisch (CPU-tijd en data-opslag) zware eisen stelt. Volgens Chandrasekhar kan men deze methode, onder zekere veronderstellingen met betrekking tot de modelstructuur, modificeren zodat hij, onder behoud van de typische filter eigenschap, rekentechnisch veel minder veeleisend is. Aan deze veronderstellingen wordt in de onderhavige problematiek voldaan.<br>
    • Data Assimilation in Groundwater Quality Models Using Kriging. Part I

      Zhang XF; van Eijkeren JCH; Heemink AW; TUD; CWM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-06-30)
      As part of a research program directed towards the development of data assimiliation procedures for environmental models, in this report kriging techniques to integrate models and monitoring networks are studied. Simulated data are obtained from a random concentration field Z(x,t) which is generated as a sum of a deterministic component mu (x,t) giving the main trend of Z (x,t) and a stochastic component e (x) giving the natural variation of Z (x,t) around mu (x,t) with zero mean, constant variance and high spatial correlation. The deterministic part mu (x,t) with known mu (x,0) is formed as a superposition of a constant background concentration field and a rotating cone interpreted as the representation of a local pollution. To integrate models and data simple kriging and universal kriging techniques are implemented and compared. In each experiment the number of observations N is varied, as well as the spatial observation pattern which may be regular or irregular. Every case is subdivided into the situations that the spatial correlation structure, i.e. the semivariogram, is known or not. The method for fitting a semivariogram model is also investigated. In particular, some drawbacks existing in a popularly used cost criterion of weighted least squares method for fitting a semivariogram model are pointed out, and a new cost criterion is proposed. The simulation study illustrates the advantages of the proposed new cost criterion. Further, for a specified underlying realization of a stochastic process, different semivariogram models are employed for kriging. Since the real concentration is known in all these cases, the data assimilation methods are quantitatively compared with the real concentration field. In the next research phases emphasis will be on the elaboration of data assimilation procedures, the testing of their applicability in practice under various conditions, and if necessary and feasible the incorporation of more physics-based information into procedures.<br>
    • Data Issues of Global Environmental Reporting: Experiences form GEO-2000

      Woerden J van (eds); MNV; SB5; LWD; LLO (2000-02-28)
      Abstract niet beschikbaar
    • Data Issues of Global Environmental Reporting: Experiences form GEO-2000

      Woerden J van; MNV; SB5; LWD; LLO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-02-28)
      The report highlights major problems encountered when trying to derive policy-relevant environmental information from underlying core data sets. Major data gaps and shortcomings are identified for reporting on global environment problems and sustainable development. Issues of data integration, processing and mapping are described and exemplified by various assessment examples, such as land degradation, climate change and water stress.
    • Data Management in support of Integrated Environmental Assessment and Modelling at RIVM (Including the 1995 Catalogue of International Data Sets)

      Woerden JW van; Diederiks J; Klein Goldewijk K; CIM (1995-10-31)
      Dit rapport beschrijft hoe mondiale en regionale gegevens beheerd worden binnen het RIVM, in relatie tot UNEP's Global Environmental Outlook en andere internationale milieurapportages en 'global change'-studies. Het merendeel van deze gegevens wordt gebruikt als basisbestanden voor onderzoek en modellering ten behoeve van milieuverkenningen, terwijl een beperkt deel bestaat uit resultaten van dergelijk onderzoek. De basisgegevens worden eveneens gebruikt om milieu-indicatoren voor integrale rapportages te ontwikkelen en te definieren. Het beheer van internationale gegevens maakt binnen het RIVM deel uit van de informatie-infrastructuur en de daarbinnen ontwikkelde gegevenslogistieke tools voor meta-gegevens, data kwaliteitscontrole en rapportpublicatie. In aanvulling op het beschrijven van een selectie van meta-gegevens van internationale bestanden als de 1995 data catalogus, is getracht de data-logistieke activiteiten te plaatsen in een bredere context van data management, door een verbinding te leggen met de behoeften aan data en de ontwikkeling van de informatie-infrastructuur
    • A data model for an exposure assessment database for consumer products

      Veen MP van; LBO (1996-04-30)
      Om in staat te zijn standaardwaarden te gebruiken in de blootstellingsanalyse van consumentenproducten, categoriseerde Van Veen consumentenproducten in een beperkt aantal categorien en werd een overzicht van de geschikbare gegevens gemaakt. Via een database zullen gegevens beschikbaar gemaakt worden voor gebruikers en computerapplicaties. Het rapport beschrijft de structuur en de gegevens van zo'n database, gebruikmakend van een gegevensmodel. Dit gegevensmodel zal gebruikt worden om een relationele database op te zetten, die de standaardwaarden en -scenario's voor de blootstellingsanalyse bevat. De centrale entiteit in het gegevensmodel is het product. Het product is verbonden met de contact-, blootstellings- en opnamescenarios, zowel op een directe manier, om specifieke data op te slaan, als indirect via de productcategorie, om standaardwaarden op te slaan. Het product is ook verbonden met entiteiten die informatie over het product bevatten, zoals de samenstelling, de producent en literatuurreferenties.
    • Data-uitwisselingsplatform gezondheid en milieu - Haalbaarheidsstudie en plan van aanpak

      Staatsen BAM; Mulder YM; van Overveld AJP; MGO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-12-31)
      Een web-based data-uitwisselingsplatform gezondheid en milieu draagt bij aan de ontsluiting en harmonisatie van lokale en nationale gegevens en zal daarmee de formulering en evaluatie van milieubeleid vergemakkelijken. In dit rapport zijn op basis van de ervaringen met vergelijkbare initiatieven en de wensen van de doelgroepen (alle overheden, GGD'en, milieudiensten en de burger) een programma van eisen en een voorstel voor de ontwikkeling van een dergelijk platform beschreven. Het data-uitwisselingsplatform moet de mogelijkheid bieden om landelijke, regionale en lokale milieu- en gezondheidsgegevens uit te wisselen, te vergelijken en te analyseren. Het voorstel is om te beginnen met een pilot waarbij met reeds beschikbare applicaties een selectie van gegevens ontsloten wordt, zodat betrokken overheden deze snel kunnen gebruiken voor hun eigen toepassingen. Naar aanleiding van de ervaringen in de pilot wordt een ontwerprapport voor het vervolg opgesteld. Op basis hiervan kan besloten worden tot de daadwerkelijke bouw van een maatwerkapplicatie.