• Cryptosporidium in drinking water: Evaluation of the ILSI quantitative risk assessment framework

      Teunis PFM; Havelaar AH; IMA; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-08-30)
      This report describes quantitative risk assessment for the pathogenic protozoan parasite Cryptosporidium parvum in drinking water, for an urban population drinking tap water produced by conventional treatment of surface water. Emphasis is on quantitative description of varation and uncertainty in contributing factors: raw water concentration, efficiency of detection procedures, effects of successive treatment stages, human consumption, and infectivity. The health impact is translated into DALYs, an integrated effect measure on the population level that is well suited for risk comparision or risk balancing. The aim of this study was to test the ILSI-RSI framework for microbial risk assessment, a guidance document designed by a working group coordinated by the ILSI Risk Science Institute. In an extended discussion, the usefulness of the framework for this exercise is discussed, and it is comparised to similar documents.
    • Cryptosporidium in drinking water: Evaluation of the ILSI quantitative risk assessment framework

      Teunis PFM; Havelaar AH; IMA; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-08-30)
      In dit rapport wordt kwantitatieve risicoschatting voor Cryptosporidium parvum in drinkwater beschreven, voor inwoners van een stad met kraanwater dat is bereid door middel van conventionele behandeling van oppervlaktewater. De nadruk ligt op het geven van een kwantitatieve beschrijving van variatie en onzekerheid in de factoren die bijdragen tot het gezondheidsrisico: de concentratie in ruw (onbehandeld) water, het rendement van detectiemethodes, het effect van opeenvolgende zuiveringsstappen, menselijke consumptie en infectiviteit van het pathogene organisme. Gezondheidseffecten worden uitgedrukt in DALYs, een integrale gezondheidsmaat op populatieniveau die geschikt is voor risicovergelijking of risico-afweging. Doel van deze studie was het testen van het ILSI-RSI raamwerk voor microbiologische risicoschatting, een leidraad ontworpen door een werkgroep onder auspicien van het ILSI Risk Science Institute. In een uitgebreide discussie wordt aandacht besteed aan de bruikbaarheid van dit raamwerk voor de onderhavige exercitie, en wordt het raamwerk vergeleken met gelijksoortige publicaties.<br>
    • CSOIL 2000 an exposure model for human risk assessment of soil contamination. A model description

      Brand E; Otte PF; Lijzen JPA; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-06-22)
      This RIVM description of the CSOIL 2000 model deals, for the first time, with all aspects of the model. CSOIL 2000 can be used to derive intervention values. Intervention values are calculated for contaminated soil and represent a measure for determining when contaminated soil needs to be remediated. CSOIL 2000 calculates the risks that humans are exposed to if they come into contact with soil contamination. Humans can be exposed to contaminated soil via different exposure routes (soil, air, water and crops). The soil use, such as a vegetable garden, determines the measure of exposure. Physical-chemical properties of the contaminant in soil air, soil particles and groundwater also have an influence on the exposure. CSOIL 2000 also calculates the maximum concentration of a contaminant in the soil at which it is still safe for humans. This maximum concentration influences the level of the intervention value. In soil contamination the intervention value differentiates between lightly and seriously contaminated soils. The urgency of remediation is therefore determined by the level at which soil contamination exceeds the intervention value.
    • CSOIL 2020: Exposure model for human health risk assessment through contaminated soil. Technical description

      van Breemen, PMF; Quik, Joris T K; Brand, E; Otte, PF; Wintersen, AM; Swartjes, FA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-12-15)
      This report describes the CSOIL 2020 model, which calculates human exposure to soil contaminants throughout the entire human lifetime. Exposure can occur through, for example, consuming home grown vegetables and inhalation of soil particles during gardening. CSOIL 2020 is the most recent version of the CSOIL model, which was developed in 1995 and revised in 2000. The Government of The Netherlands uses the results of this model to determine soil quality standards. CSOIL 2020 was updated to incorporate recent scientific knowledge and allow functionality under newer IT operating systems. Additionally, the exposure results from CSOIL can now be used in the newest version of the risk toolbox for soil (in Dutch: Risicotoolbox Bodem). The toolbox is used to determine whether soil can safely be (re-)used. New modules are currently under development to allow the toolbox to be used in the Environment and Planning act, which will enter into force on the first of January 2022. Contact with contaminants in soil can be damaging to human health. Information on the extent of human exposure is required to determine the risk to health. CSOIL determines the exposure on the basis of the type of soil use on a location, like 'Residential with garden', the properties of the contaminant, such as solubility, and the local situation.
    • Cumulatie in de blootstelling aan bronnen van ioniserende straling

      Vaas LH; Blaauboer RO; Leenhouts HP (1990-02-28)
      Abstract niet beschikbaar
    • Cumulatie van milieurisico&apos;s voor de mens: geografische verschillen in Nederland

      Pruppers MJM; van den Hout KD; Ale BJM; Buringh E; Miedema HME; LSO; ACT; CCM; LAE; LEO; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMNederlandse organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO), 1996-07-31)
      De aanleiding voor het project 'Cumulatie van milieurisico's' was de vraag of er relaties bestaan tussen geconstateerde geografische verschillen in gezondheid van mensen en geografische verschillen in risico's als gevolg van diverse typen milieuverontreinigingen. Het project beoogde eerst het ontwikkelen van methoden om deze geografische verschillen in risico's in kaart te brengen en vervolgens het toepassen van deze methoden. De methoden zijn toegepast voor de volgende agentia: mogelijke grote ongevallen (externe veiligheid), radioactieve stoffen en straling, luchtverontreinigende stoffen en geluid. Het onderzoek heeft geleid tot twee rapporten. Het hoofdrapport bevat een algemene beschrijving van de gevolgde methoden en de geproduceerde kaarten. Het bijbehorende achtergronddocument (rapportnr. 610127002) gaat nader in op de details van de gevolgde methoden en de gebruikte gegevens. Ondanks de complexiteit van de discussies rond de risico-problematiek is gebleken dat met de ontwikkelde methoden op basis van het risico-concept dat in het Nederlandse milieubeleid wordt gehanteerd, inzicht is verkregen in de geografische verdeling en de onderlinge verhoudingen van risico's. De geografische verdeling van de risico's verschilt sterk tussen enerzijds externe veiligheid en geluid en anderzijds straling en stoffen. De kaarten voor externe veiligheid en geluid tonen zeer lokaal hoge risico's; daarnaast zijn er gebieden waar het risico voor deze twee categorieen gelijk is aan nul, namelijk die gebieden waar zich geen gevaren- en/of geluidsbronnen bevinden. Vooral voor geluid is het werkelijke 'schone' gebied veel beperkter dan de hier opgenomen kaarten tonen, omdat bij gebrek aan informatie een significant deel van de belasting niet kon worden berekend. Ruimtelijk samenvallen van de externe-veiligheidsrisico's treedt nauwelijks op. Voor geluid treedt ruimtelijk samenvallen vooral op nabij knooppunten van transportwegen en nabij (grote) vliegvelden. De risico's als gevolg van straling en stoffen daarentegen strekken zich uit over grote delen van Nederland, met lokaal verhogingen rond grote (industriele) bronnen. Risicopieken op een schaal kleiner dan 500 of 100 m, bijvoorbeeld nabij wegverkeer, zijn niet zichtbaar op de kaarten.<br>
    • Cumulatie van milieurisico's voor de mens: geografische verschillen in Nederland

      Pruppers MJM; Hout KD van den; Ale BJM; Buringh E; Miedema HME; Nederlandse organisatie voor toegepast-natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO); LSO; ACT; CCM; LAE; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-07-31)
      The question whether there are correlations between observed geographical differences in human health and risks due to several types of environmental contamination led to the project 'Accumulation of environmental risks'. The project aimed, firstly, at developing methods to illustrate these geographical differences and, secondly, at applying these methods. The methods are applied to map the risks due to possible severe accidents (external safety), radioactive substances and radiation, substances in air, and environmental noise. The investigation resulted in two reports. The main report contains a general description of the methods applied and the maps created. The accompanying background document (report no. 610127002) focuses on the details of the methods and on the data used. In spite of the complexity of the discussions on risk-related subjects, it appears that by applying the methods developed insight has been obtained into the geographical distribution and the proportions of risks. These methods are based on the risk concept which is implemented in the environmental policy in the Netherlands. The geographical distribution of risks differs greatly between external safety and noise on the one hand and radiation and substances on the other hand. The maps for external safety and noise show high risks on a local scale ; there are areas where risk for these two categories is equal to zero (areas without sources of danger or disturbing noise). Spatial coincidence of external safety risks rarely occurs. Especially for noise the areas of zero risk are smaller than those shown by the maps because the lack of information made a significant part of the risk incalculable. Spatial coincidence of environmental noise occurs mainly near junctions of transport lines and near (large) airports. The risks due to radiation and substances, on the contrary, cover large parts of the Netherlands, with local increases near large (industrial) sources. Peaks in risks on scales less than 500 or 100 m, e.g. near road traffic, are not visible on the maps.
    • Het Cumulatieve Som (Cusum) steekproefschema. Een nieuwe controlemethode voor produktieprocessen met een dalend kwaliteitsniveau

      Hoogenveen RT; Heisterkamp SH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1991-04-30)
      The report starts with an introduction into the Cusum quality control scheme. This scheme is meant to improve the operating characteristic in case of small samples. Therefore the likelihood ratios of some bad parameter value with respect to the good parameter value are being summed up for successive samples. It is shown how to extend the original one-sided univariate Cusum scheme into two-sided and multivariate schemes. A computer program is presented that can be used to fix the parameter values of the Cusum scheme. Finally, information is given on the application of the Cusum scheme within the BCR project for reference materials in water and food microbiology.<br>
    • Cumulative dietary exposure to pesticides in the Netherlands

      Boon, PE; van Donkersgoed, G; van de Velde-Koerts, T; Rietveld, AG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-10-29)
      Via ons voedsel worden we bijna elke dag blootgesteld aan resten van gewasbeschermingsmiddelen. Dit zijn vaak verschillende middelen tegelijk. Deze gelijktijdige blootstelling kan een risico zijn voor de gezondheid. Het RIVM heeft berekend hoe groot de gelijktijdige blootstelling is aan gewasbeschermingsmiddelen die effecten kunnen hebben op ons zenuwstelsel. De berekende hoeveelheid is lager dan de blootstelling die veilig wordt geacht. Deze blootstelling geeft daarom geen risico op schadelijke effecten op het zenuwstelsel. Als we meerdere middelen tegelijk binnenkrijgen, noemen we dat cumulatieve blootstelling. Verschillende soorten groenten of vruchten kunnen bijvoorbeeld elk een ander gewasbeschermingsmiddel bevatten. Het kan ook zijn dat er op één soort groente of vrucht resten van verschillende middelen zitten. In ons eten zitten ook gewasbeschermingsmiddelen die ándere gezondheidseffecten kunnen hebben dan op ons zenuwstelsel. Ze kunnen bijvoorbeeld schadelijk zijn voor de lever en/of nieren. Het is nog niet bekend bij welke groepen middelen deze of andere effecten kunnen optreden. De Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EFSA) onderzoekt dat op dit moment. Zodra zo'n groep middelen bekend is, moet de cumulatieve blootstelling daarvan berekend worden. Zo wordt bepaald of er een gezondheidsrisico is in Nederland.
    • Cumulative exposure to cholinesterase inhibiting compounds: a review of the current issues and implications for policy

      Raaij MTM van; Ossendorp BC; Slob W; Pieters MN; SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-08-23)
      Cumulative exposure to various residues of pesticides in food is a potential area of concern. This issue is especially relevant for pesticides with a common mechanism of toxicity (e.g. organophosphates). Non-governmental organisations emphasis the need for inclusion of cumulative exposure in the risk assessment procedures for pesticides. In this report, RIVM evaluates the available information on cumulative exposure to pesticides and by what methods a cumulative risk assessment can be performed. Although methods are currently available the scientific basis for the summation of the effects is partly lacking. It is not clear whether the effects of all organophosphate combinations are truly additive and whether the approach with Relative Potency Factors (RPF) is valid. In addition the available residue data of pesticides and the available probabilistic tools for intake assessment should be improved. The inclusion of cumulative exposure to pesticides also has an impact on risk management decisions for authorisation and inspection procedures; policy makers will have to make choices in this area.
    • Cumulative exposure to cholinesterase inhibiting compounds: a review of the current issues and implications for policy

      van Raaij MTM; Ossendorp BC; Slob W; Pieters MN; SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-08-23)
      Blootstelling aan meerdere bestrijdingsmiddelen tegelijk in de dagelijkse voeding is een potentieel probleem. Dit probleem kan zich met name voordoen bij bestrijdingsmiddelen met een zelfde werkingsmechanisme (zoals de z.g. organofosfaten). Maatschappelijke organisaties dringen aan op het meewegen van dergelijke gecumuleerde blootstelling in de risicobeoordeling. Het RIVM zet in dit rapport op een rij wat er bekend is over dit onderwerp en op welke manier zo'n cumulatieve blootstelling kan worden bepaald. Er zijn op dit moment methoden beschikbaar maar een wetenschappelijke onderbouwing voor de optelling van effecten ontbreekt nog deels. Het is niet duidelijk of de effecten van de organofosfaten wel additief zijn en volgens het principe van Relatieve Potentie Factoren (RPF) kunnen worden opgeteld. De informatie over residuen van bestrijdingsmiddelen en de methoden voor innameberekeningen zullen ook verbeterd moeten worden. Het meewegen van cumulatieve blootstelling heeft ook consequenties voor het risicomanagement en de besluitvorming bij handhaving en toelating; hiervoor zullen door het beleid keuzes moeten worden gemaakt.
    • Cumulative exposure to residues of plant protection products via food in the Netherlands

      Boon PE; van Donkersgoed G; te Biesebeek JD; Wolterink G; Rietveld AG; VVH; VPZ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-07-06)
      People are exposed to residues of different plant protection products via food. This can be due to the consumption of different foods which contain different residues or because more than one residue is present in a food product. RIVM has analysed this so called cumulative exposure to residues from plant protection products via food. In this study, substances that may affect the thyroid and those that may affect the nervous system were included. The current exposure to these substances is not likely to cause a health effect on the thyroid. With regard to the substances that may affect the nervous system a risk cannot be excluded. This is because the margin between the calculated exposure and the limit that is considered safe is relatively small. The real exposure is most likely lower than the calculated exposure, due to uncertainties in the calculation. Cumulative exposure assessment is based on the assumption that only substances that affect the same organ should be summed. To analyse the safety of cumulative exposure to all residues of plant protection products via food, it is necessary to determine which substances should be summed for other organs than the thyroid and nervous system. The European Food Safety Authority (EFSA) is currently working on further grouping of substances. This requires analysis of all the available data on adverse effects of residues in plant protection products.
    • Current innovations in regulatory reproductive toxicity assessment

      Piersma AH; Hakkert B; Muller JJA; GBO; SEC; SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-03-13)
      Chemische stoffen moeten getest worden op schadelijke effecten op de voortplanting van de mens. Dankzij innovaties zal dit steeds efficienter kunnen, waardoor ook minder proefdieren gebruikt hoeven te worden. Dit staat in dit rapport van het RIVM. Het rapport geeft een overzicht van actuele ontwikkelingen in het meten van reproductietoxiciteit, de schadelijke effecten van chemische stoffen op de voortplanting. Chemische stoffen kunnen schadelijke effecten op de voortplanting teweegbrengen, zoals een verminderde vruchtbaarheid en een verstoorde ontwikkeling van de ongeborene. Onder meer in het kader van het Europese testprogramma REACH moeten producenten van chemische stoffen deze schadelijke effecten vaststellen. De huidige methoden om reproductietoxiciteit in kaart te brengen stammen uit de jaren tachtig. Deze methoden zijn voornamelijk gebaseerd op studies met knaagdieren. Het gebruik van proefdieren ligt daarbij hoog. Dit komt voornamelijk doordat meer dan een generatie moet worden bestudeerd. Een verminderd proefdiergebruik is echter in aantocht. Onderzoek aan hormoonverstoring, proefdierwelzijn en het Europese testprogramma REACH hebben innovaties op dit gebied gestimuleerd. Hierdoor worden gestandaardiseerde testen aangepast en nieuwe testmethoden voorgesteld. Dit beinvloedt tevens teststrategieen, die individuele testen combineren op een getrapte manier. De innovaties moeten leiden tot een verhoogde efficiency en een verminderd proefdiergebruik.
    • Cursus Postacademiale vorming gezondheidstechniek. Verbranding van afvalstoffen

      Kreiter BG (1987-09-30)
      Na een schets van de historische ontwikkeling van afvalverbranding in Nederland volgt een uitvoerig overzicht van de huidige situatie. Per installatie worden daarin de verwerkte hoeveelheden afvalstoffen, de ontstane reststoffen, alsmede de teruggewonnen energie (warmte en/of stroom) aangegeven. Vervolgens wordt ingegaan op de mogelijke relatie tussen enerzijds een verbrandingsproces en anderzijds andere vormen van afvalbewerking en afvalverwerking. De paragrafen 4 t/m 8 behandelen een aantal aan afvalstoffen gerelateerde aspecten van fysische en chemische aard. Deze aspecten leiden in par. 8 dan tot enkele berekeningsgrondslagen en een beschrijving, aan de hand van enkele uitvoeringsvoorbeelden, van de installatie-opbouw. Verder wordt in par. 9 een aantal mogelijkheden voor benutting van bij de verbranding vrijkomende energie aangegeven, een en ander geillustreerd met voorbeelden uit de praktijk. Uitvoerig wordt in par. 10 stilgestaan bij de aspecten van milieuhygienische aard en wordt met name gerefereerd aan normen die in de BRD worden gehanteerd bij het verlenen van milieuvergunningen. In par. 11 wordt aandacht besteed aan de kosten-aspecten van afvalverbranding.
    • The cyanide accident in Barskoon (Kyrgyzstan)

      Cleven RFMJ; Bruggen M van; LAC (2000-02-28)
      Bij een ongeval op 20 mei 1998 kwam 1700-1800 kg NaCN in de Barskoon Rivier terecht, ongeveer 8 km stroomopwaarts van het dorpje Barskoon. De cyanidelozing veroorzaakte grote commotie onder de bevolking en de autoriteiten van Kirgizie, vanwege het potentiele gevaar voor gezondheid en milieu, mede door het laat melden van het ongeval door het betrokken bedrijf. Op 25 mei 1998 vroeg de WHO in Kopenhagen het RIVM om bijstand, om de milieugevolgen van het ongeval te beoordelen. Een week later verzocht de WHO opnieuw om bijstand, nu om follow-up analyses en om medisch/toxicologische assistentie. Ervaringen van beide missies zijn in dit rapport beschreven. De hoogste totaal-cyanideconcentraties, een week na het ongeluk gemeten door het Laboratorium voor Anorganisch-analytische Chemie van het RIVM, overschreden niet de waarde van 1 mg/kg (grond). Dit concentratieniveau is niet bedreigend, noch voor het milieu, noch voor de gezondheid van mens en dier. De resultaten en conclusies zijn direct gemeld aan de Kirgizische autoriteiten. Echter, de bezorgheid voor de gezondheid van de mogelijk blootgestelde bevolking had inmiddels geleid tot - deels onnodige - behandeling van tientallen mensen, en tot honderden bezoeken aan ziekenhuizen en klinieken. De evacuatie van enkele duizenden mensen in de dagen na het ongeluk kon evenmin worden gerechtvaardigd door de cyanide concentraties die in het milieu waren aangetroffenen. Op grond van onze metingen en conclusies zijn aanbevelingen gegeven voor een passende risico-management strategie, en voor de implementatie van maatregelen om ongelukken in de toekomst te voorkomen. Ofschoon de conclusies van onze missies de Kirgizische autoriteiten overtuigden, bleef de commotie onder de bevolking nog meer dan een jaar aanhouden.
    • The cyanide accident in Barskoon (Kyrgyzstan)

      Cleven RFMJ; Bruggen M van; LAC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-02-28)
      On May 20, 1998, a truck with 20 tons of sodium cyanide crashed and fell into the Barskoon River (Kyrgyzstan). This small stream, used by the local population for irrigation and drinking water purposes, flows into Lake Issyk-Kul, a major tourist resort. As a result of the accident, some 1700 - 1800 kg of sodium cyanide (NaCN) was released directly into the river, some 8 km upstream the village of Barskoon. The cyanide spill evoked a strong commotion among the population and the Kyrgyz authorities, due to its potential for health and environmental risks, and the omission of the company to report the accident immediately. On May 25, 1998, the World Health Organisation in Copenhagen asked RIVM for assistance to assess the environmental consequences of the accident. One week later, the WHO made a new request for follow-up analyses and toxicological/medical assistance. The outcome of both missions is reported here.The highest total cyanide concentration, as measured by the Laboratory of Inorganic Analytical Chemistry one week after the accident, did not exceed 1 mg/kg (soil). This concentration posed no threat, neither to the environment, nor to the health of humans and animals. These results and conclusions have been communicated to the the Kyrgyz government. However, great concern over the health of the possibly exposed population had led to - partly unnecessary - treatment of dozens of people, and hundreds of visits to hospitals and outpatient clinics. The evacuation of a considerable number of people in the days after the accident could not be justified by the environmental concentrations of cyanide. Recommendations have been made for a proper risk communication strategy and for the implementation of measures to avoid future accidents. Although the conclusions of our missions convinced the Kyrgyz authorities, the commotion among the population persisted for more than a year.
    • Cyanobacteria protocol 2020

      Schets, FM; van der Oost, R; van de Waal, DB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-12-17)
      Wanneer er veel blauwalgen in zwemwater zitten, kunnen ze voor overlast (zoals stank) en gezondheidsrisico's (zoals milde huid- en maagdarmklachten) voor zwemmers zorgen. De kwaliteit van water van officiële zwemlocaties moet voldoen aan Europese eisen. Om de gezondheid van zwemmers op deze zwemlocaties te beschermen, gebruiken waterbeheerders in Nederland daarom het Blauwalgenprotocol. Dit protocol vertelt hen hoe ze zwemlocaties moeten controleren op blauwalgen en welke maatregelen ze moeten nemen. Het Blauwalgenprotocol 2020 doet dit volgens de nieuwste inzichten Het Blauwalgenprotocol 2020 is een update. De update was nodig omdat er sinds het laatste Blauwalgenprotocol, uit 2012, nieuwe inzichten zijn hoe de aanwezigheid van blauwalgen kan worden gevolgd. Ook wil de overheid de blauwalgenproblematiek in heel Nederland op dezelfde manier aanpakken. Blauwalgen kunnen soms giftig zijn. Omdat het niet altijd mogelijk is de giftige van de niet-giftige te onderscheiden zijn, gaat het Blauwalgenprotocol 2020 er voor de zekerheid vanuit dat ze allemaal giftig kunnen zijn. Waterbeheerders controleren zwemlocaties door lokaal de situatie te bekijken. Daarna onderzoeken ze het water in het laboratorium. Ze volgen hierbij een verplichte, vaste procedure. Zo wordt vastgesteld hoeveel blauwalgen er in het water zitten en hoe groot het risico is. Waterbeheerders mogen ook extra onderzoek doen als zij dat nodig vinden. Als het risico bekend is, worden de maatregelen genomen die daarbij horen en worden de zwemmers geïnformeerd. Dit kan een waarschuwing, een negatief zwemadvies of een zwemverbod zijn. Dit wordt ter plaatse aangegeven en op www.zwemwater.nl. Door het Blauwalgenprotocol 2020 na te leven tijdens het zwemseizoen (1 mei - 1 oktober) voldoet Nederland aan de eisen van de Europese Zwemwaterrichtlijn.
    • Cytostatics in Dutch surface water : Use, presence and risks to the aquatic environment

      Moermond C; Venhuis B; van Elk M; Oostlander A; van Vlaardingen P; Marinkovic M; van Dijk J; MSP; VSP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-06-21)
      Cytostatica (medicatie bij chemokuren) zijn belangrijk voor de behandeling van kanker. Restanten van cytostatica komen via de urine in het afvalwater terecht, dat wordt gezuiverd en op oppervlaktewater geloosd. Naar aanleiding van vragen uit de zorgsector heeft het RIVM de milieurisico's van deze stoffen onderzocht. Uit dit onderzoek blijkt dat restanten van de meeste cytostatica geen risico voor het milieu in oppervlaktewater vormen. Ze worden voldoende afgebroken door het menselijk lichaam en in de rioolwaterzuiveringsinstallatie verwijderd. Van sommige andere cytostatica kon vanwege een gebrek aan milieugegevens geen beoordeling worden gemaakt. Behalve naar cytostatica is gekeken naar milieurisico's van restanten van medicatie voor immuun- en hormoontherapie. Dit zijn twee tumorspecifieke anti-kankertherapieën die de laatste jaren steeds vaker gebruikt worden vanwege hun voordelen ten opzichte van de klassieke cytostatica. De werkzame stoffen in immuuntherapie worden door het menselijk lichaam volledig afgebroken en vormen dus geen risico. Ook de twee onderzochte stoffen die gebruikt worden bij hormoontherapie, vormen geen risico voor het oppervlaktewater. Voor dit onderzoek zijn gebruiksgegevens van cytostatica in vier ziekenhuizen gebruikt, omdat deze gegevens in Nederland niet centraal worden bijgehouden. Hiermee is berekend hoeveel van deze stoffen in het oppervlaktewater terecht kan komen. Het risico voor het milieu is vervolgens bepaald door deze gegevens te vergelijken met gegevens over giftigheid voor waterorganismen. Er is niet gekeken naar gevolgen van de aanwezigheid van deze stoffen voor de drinkwaterzuivering.
    • Cytotoxiciteitsanalyse van glans/ontspanningsmiddelen

      Geffen MF van; Orzechowski TJH; Machielsen JCA; Asten JAAM van; LGM (1994-10-31)
      Twee cytotoxiciteitstesten, gevalideerd voor de bepaling van de biocompatibiliteit van medische hulpmiddel extracten, zijn toegepast op glans/ontspanningsmiddelen. Glans/ontspanningsmiddelen ("instrumenten-melk") worden gebruikt bij de laatste processtap voor het reinigen van chirurgische instrumenten. Aan de middelen worden stoffen toegevoegd met een oppervlaktespanning verlagende werking. Tevens wordt een fractie toegevoegd voor smering van bewegende delen. De onderzochte glansmiddelen vertonen een cytotoxiciteit met een 50% inhibitory concentration (IC50) varierend van 20 tot 3000 ppm. Dit geeft aan dat de halfmaximale cytotoxiciteit gevonden wordt bij verdunningen met eindconcentratie varierend van 20 tot 3000 ppm. De bij de middelen voorgeschreven doseringen vallen binnen het gebied waarin de gevonden IC50 valt. Of dit resultaat werkelijk een voorspelling voor negatieve effecten bij gebruik is, wordt mede bepaald door de hoeveelheid residueel glansmiddel op het medisch hulpmiddel en de toepassing van het hulpmiddel. Eveneens onderzochte smeermiddelen blijken i.t.t. de glansmiddelen nagenoeg niet cytotoxisch. Met aanvullende data betreffende de hoeveelheid residu op gewassen chirurgische instrumenten kunnen de testen dienen om de intrinsieke cytotoxiciteit van glansmiddelen te normaliseren. Hiervoor dient echter tevens een uniforme dosering van deze stoffen in de gebruikte medische hulpmiddelen wasmachines te worden gesteld.
    • Cytotoxiciteitsanalyse van wondafdekmaterialen en non-woven verpakkingsmaterialen voor sterilisatie

      Geffen MF van; Machielsen JCA; Orzechowski TJH; Asten JAAM van; LGM (1994-10-31)
      Non-wovens gebruikt als verpakkingsmateriaal voor stoomsterilisatie en non-wovens/wovens gebruikt voor wondbedekking zijn in-vitro onderzocht op cytotoxiciteit. Aanleiding van het onderzoek was een incident waarbij non-wovens gebruikt voor sterilisatie van het in-vitro fertilisatie instrumentarium embryotoxisch bleken. Om de aanwezigheid van migrerende cytotoxische stoffen aan te tonen zijn extracten van de materialen in een aantal in-vitro testen onderzocht. Evaluatie met cytotoxiciteitsparameters LDH lekkage voor membraanschade, celgroeiremming en intracellulaire ATP depletie is uitgevoerd. De resultaten geven voor de sterilisatie verpakkingsmaterialen een geschikte extractie methode en cytotoxiciteitsanalyse. Met de methode is een panel van de genoemde materialen geevalueerd. Parallel zijn een panel wondafdekmaterialen onderzocht conform de richtlijn ; "biological evaluation of medical devices". De onderzochte wondafdekmaterialen, geextraheerd bij 37 graden C in medium, bleken geen migrerende cytotoxische stoffen te bevatten. Zowel de agar-overlay, LDH release en celgroeiremming gaven dit resultaat.