• Deel-evaluatie van tijdschriftengebruik m.b.v. publikaties in publikatielijst uit jaarverslag RIVM 1993 en analyse van publikatiegedrag van RIVM-medewerkers in wetenschappelijke tijdschriften

      Haarlem C van; Erich HE; BDA (1995-10-31)
      Dit rapport is een eerste aanzet geweest: 1) om tot een vergelijking te komen tussen gebruikte tijdschriften t.b.v. publikaties van RIVM-medewerkers en aanwezige tijdschriften in de bibliotheek ; 2) om inzicht te krijgen in het publikatiegedrag van het RIVM (lees RIVM-medewerkers) m.b.v. een impact factor uit de Journal Citation Reports en samenwerkingsverbanden zoals afgeleid uit de publikaties. Gebruik werd gemaakt van de publikatielijst uit het "RIVM Annual Scientific Report 1993". Van de hierin genoemde referenties (687) werden 372 geselecteerd voor dit onderzoek. Het dekkingspercentage van de gebruikte tijdschriften t.o.v. de tijdschriftencollectie in de bibliotheek bleek 64,7% te bedragen. Het aantal unieke tijdschrifttitels (204) werd voor 59,3% gedekt door een impact factor. Het aantal publikaties (372) werd voor 56,2% gedekt door een impact factor. Op grond van de informatie uit de bibliografische beschrijving van de publikaties is een indeling gemaakt per sector naar soort van samenwerking: a) samenwerking binnen een sector ; b) samenwerking van een sector met overige sectoren ; c) samenwerking van een sector en externen ; d) samenwerking van een sector met overige sectoren en externen. Samenwerkingsverband 'c' kwam procentueel het meest voor (43%), direkt gevolgd door samenwerkingsverband 'a' (31%). Samenwerkingsverbanden 'b' en 'd' waarbij de sectorgrenzen werden overschreden, kwamen in veel mindere mate voor (gemiddeld 12,5%). Tot slot is een indeling gemaakt op grond van samenwerkingsverbanden van de auteur(s), gekoppeld aan de indeling van publikaties in tijdschriften met of zonder impact factor. Hieruit blijkt dat sector3 de meeste publikaties heeft gepubliceerd in tijdschriften met een impact factor. Procentueel gezien en gerelateerd aan: 1) het aantal publikaties per sector ; 2) de aantallen publikaties met of zonder impact factor ; 3) het totaal aantal publikaties, blijkt sektor3 eruit te springen.
    • Deelname aan preventief gezondheidsonderzoek rondom de leefstijl. Bereik onder Nederlanders en redenen voor non-respons

      Bogers RP; Dingemanse CJ; Felix J; ter Bogt NCW; Bemelmans WJE; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMGGD ZeelandGGD EemlandUMC Groningen, 2008-08-28)
      Ongeveer 45% van de 40- tot 75-jarigen neemt deel aan preventief gezondheidsonderzoek als zij hiervoor persoonlijk in een brief worden uitgenodigd. De opkomst is het hoogst bij de 60- tot 70-jarigen. Als voornaamste redenen om zich niet preventief te laten onderzoeken, noemen niet-deelnemers dat ze al regelmatig medisch gecontroleerd worden (dit wordt vaker genoemd in de oudere leeftijdsgroep) of geen interesse of tijd hebben (dit wordt vaker genoemd in de jongere leeftijdsgroep). Dit blijkt uit een onderzoek naar deelname aan twee recente grootschalige Nederlandse projecten, namelijk het Preventief Gezondheidsonderzoek voor Ouderen (PGO-O), uitgevoerd in Zeeland en Amersfoort/Soest, en de Groningen Overweight And Lifestyle studie (GOAL), uitgevoerd in Groningen, Friesland en Drenthe. In deze projecten werden respectievelijk 1779 60 tot 75-jarigen en en 5738 40 tot 70-jarigen uitgenodigd. De bevindingen worden in grote lijnen bevestigd door soortgelijk recent Nederlands onderzoek en een literatuurstudie naar vijftien vergelijkbare internationale onderzoeken. Mensen met het laagste opleidingsniveau lijken minder geneigd om deel te nemen aan preventief gezondheidsonderzoek. Er waren geen duidelijke aanwijzingen voor een selectieve opkomst naar risicofactoren of leefstijl. Veel deelnemers zouden baat kunnen hebben bij een vervolgaanbod van leefstijlbegeleiding. Er werd bijvoorbeeld een grote groep bereikt met hoge bloeddruk en/of obesitas, wat een weerspiegeling lijkt van het vaak voorkomen van deze risicofactoren in de bevolking. Informatie over het mogelijke bereik van preventief gezondheidsonderzoek biedt het beleid en de lokale organisaties concrete handvatten, bijvoorbeeld bij het plannen van de inzet van personeel, de kosten, en de potentiele effecten van preventief gezondheidsonderzoek op populatieniveau.
    • Deeltjesemissie door wegverkeer: emissiefactoren, deeltjesgrootteverdeling en chemische samenstelling

      Brink RMM van den; LAE (1996-10-31)
      In deze literatuurstudie werden zowel gegevens over uitlaatgas-deeltjesemissie alsook over deeltjesemissie als gevolg van slijtage van banden, remvoering en wegdek ge-inventariseerd. Daarnaast werd aandacht besteed aan deeltjesemissie als gevolg van, door rijdend verkeer, opgewerveld stof. Naast emissiefactoren zijn ook grootteverdeling en chemische samenstelling van door verkeer geemitteerde deeltjes bekeken. De invloed van technische maatregelen als oxidatiekatalysatoren of roetfilters zijn opgenomen. De conclusies die aan de hand van deze inventarisatie kunnen worden getrokken zijn: deeltjes in uitlaatgas zijn kleiner dan 1 mum; personenauto's met dieselmotor hadden in 1995 een 40 maal hogere deeltjesemissie dan personenauto's met een benzinemotor en drieweg-katalysator ; oxidatiekatalysatoren toegepast op lichte dieselvoertuigen leiden tot een 25-70% afname van de deeltjesemissiefactor ; oxidatiekatalysatoren toegepast op zware dieselvoertuigen kunnen tot een toename van de deeltjesemissiefactor leiden als gevolg van de omzetting van het in de motor gevormde SO2 tot sulfaat, een verlaging van het zwavelgehalte van dieselbrandstof verkleint dit fenomeen ; roetfilters toegepast bij zware dieselmotoren leiden tot een 80% reductie van de deeltjesemissie; verkeersgerelateerde deeltjesemissie door andere bronnen dan uitlaatgas dragen substantieel bij aan de deeltjesemissie door een rijdend voertuig.
    • Deeltjesemissie door wegverkeer: emissiefactoren, deeltjesgrootteverdeling en chemische samenstelling

      Brink RMM van den; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-10-31)
      This report represents an inventory derived from a desk study on particulate emissions from road traffic. These emissions concern exhaust-gas particulate emissions, as well as particulate emissions caused by tyre wear, wear of brake linings and wear of road surface. Another particulate emission source is dust caused by moving traffic. In addition to emission factors also size distribution and chemical composition of road traffic related particulates were investigated. Besides the effect of technical measures like oxidation catalysts and particulate traps were also discussed. From the study it can be concluded that: particulates in exhaust gas are smaller than 1 mum ; cars with diesel engines were found in 1995 to have a 40-times higher particulate emission than cars with petrol engines with three-way catalysts ; oxidation catalysts applied to light-duty diesel engines lead to a 25-70% reduction the particulate emissions ; oxidation catalysts combined with heavy-duty diesel engines can lead to higher particulate emissions caused by the conversion of SO2 to sulphates, with a reduction in the sulphate content of diesel fuel decreasing this phenomenon ; particulate traps mounted on heavy duty engines give an 80% reduction in the particulate emissions ; traffic-related particulate emissions from other sources than exhaust gas also contribute subtantially to particulate emissions from a moving vehicle.
    • Definitie voor de opzet van de studie VOLKSGEZONDHEID TOEKOMST VERKENNING 1997

      Ruwaard D; van den Berg Jeths A; Jansen J; Kramers PGN; van der Giessen A; van Genugten MLL; Gijsen R; Harteloh PPM; Maas IAM; Poos MJJC; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-04-30)
      Dit definitie-rapport 'Volksgezondheid Toekomst Verkenning-1997' schetst de uitgangspunten en hoofdlijnen voor de in 1997 op te leveren tweede 'Volksgezondheid Toekomst Verkenning'(VTV). Bij de opstelling is primair uitgegaan van de wensen zoals die door de opdrachtgever naar voren zijn gebracht, maar tevens van de evaluatie van de reacties op VTV-1993 en van de visie van het projectteam VTV op gewenste verbeteringen en aanvullingen. De algemene doelstelling en daaraan gekoppelde functies van het project VTV kunnen als volgt worden samengevat: het geven van een overzicht en analyse van de beschikbare gegevens op het terrein van de volksgezondheid, met expliciete weergave van aanwezige lacunes in de informatievoorziening, teneinde het gezondheidsbeleid behulpzaam te zijn bij de evaluatie van lopend beleid en de voorbereiding van nieuw beleid. Hierbinnen zijn voor VTV-1997 drie hoofdlijnen geformuleerd:a Actualisering van het in 1993 gepresenteerde beeld; hierdoor kunnen ontwikkelingen in de tijd worden gevolgd, en hierin komt tevens de continuiteit van het VTV-proces naar voren (thema 1). b Uitbreiding ten opzichte van VTV-1993 met vijf thema's: (thema 2) gezondheidsverschillen en de gezondheidstoestand van specifieke groepen in de Nederlandse bevolking, (thema 3) het wegen van ziektelast naar ernst, onder meer ten behoeve van de berekening van geintegreerde gezondheidsmaten, (thema 4) de effecten van preventie, (thema 5) de effecten van (medische) zorg, en (thema 6) de consequenties van ziekten voor het zorggebruik en de zorgbehoefte. c Versterking van de integratie ten opzichte van VTV-1993 ten aanzien van de toekomstige ontwikkelingen (thema 7). Hiervoor vormt het hierboven aangeduide materiaal de basis. VTV-1997 beoogt een stap verder te zetten in het gebruik van interactieve simulatiemodellen voor het in beeld brengen van de dynamiek in de tijd van verschillende factoren in hun onderlinge samenhang. Hierbij wordt ook onderzocht waar, middels ingrijpen op determinanten, aanknopingspunten liggen om de gezondheidstoestand te verbeteren of te handhaven. Het conceptuele model zoals gepresenteerd in VTV-1993 blijft het kader voor de ordening, maar is uitgebreid en verder gedetailleerd om de nieuwe thema's te kunnen herbergen. Dit definitie-rapport geeft een verdere uitwerking van de hierboven genoemde thema's, waarbij zo concreet mogelijk is omschreven wat de positionering is in het totaalkader, wat de te bereiken eindpunten zijn, en hoe de te volgen aanpak wordt gezien. Door de keuze van de thema's en hun uitwerking tracht VTV-1997 een grotere bruikbaarheid voor de beleidsvoorbereiding en -evaluatie te bereiken ten opzichte van VTV-1993. Ten aanzien van de werkwijze is voorzien dat evenals bij VTV-1993 veel op expertise van onderzoeksgroepen binnen het RIVM en daarbuiten een beroep zal worden gedaan. Ook is een structuur voor een inhoudelijke kwaliteitsbewaking en toetsing voorgesteld. Tenslotte is een tijdpad aangegeven voor het verdere traject van uitvoering van VTV-1997, waarin de inhoudelijke discussie over deze definitie-studie een voorname plaats inneemt.
    • Definitie voor de opzet van de studie Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2002

      van Oers JAM; Achterberg PW; van den Berg Jeths J; Gijsen R; Hoeymans N; de Hollander AEM; Jansen J; Kramers PGN; van der Lucht F; Maas IAM; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-07-05)
      In dit rapport worden de opzet en uitgangspunten van de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2002 gegeven. Doel-stelling is: Het bijeenbrengen, analyseren en integreren van kennis en gegevens, die van belang zijn voor de beleidsvorming op het gebied van volksgezondheid en zorg. Drie kenmerkende elementen van de VTV zijn: (1) de gezondheidstoestand van de bevolking is centraal uitgangspunt; (2) de verzamelde informatie wordt met elkaar in verband gebracht in een conceptueel kader; (3) het is een nationale inspanning met bijdragen van deskundigen binnen en buiten het RIVM. Om zo goed mogelijk aan te sluiten bij de informatiebehoefte van het beleid bestaat de VTV uit drie onderdelen: (1) het samenvattend rapport VTV-2002, dat een overzicht biedt op hoofdlijnen, over ontwikkelingen in de gezondheidstoestand, de oorzaken en consequenties daarvan, en de mogelijkheden van beleids-interventies; (2) themarapporten die gedurende de loop van het project zullen verschijnen, en waarin op beknopte wijze thema's worden behandeld, die aansluiten bij de korte en middellange termijn beleidsvragen. Vooralsnog zijn vijf thema's geselecteerd: (1) Gezondheid in de grote steden; (2) Bevorderen van gezond gedrag bij specifieke groepen; (3) Vraag, aanbod en geografische verdeling van zorg; (4) Geneesmiddelen en medische hulpmiddelen; (5) Ouderenzorg. Gedurende de looptijd van de VTV kunnen daar nog nieuwe thema's aan toegevoegd worden; (3) de Monitor Volksgezondheid en Zorg, een via Intranet toegankelijk systeem met informatie over (ontwikkelingen in) de volksgezondheid, determinanten en zorg. De VTV dient in deze opzet, meer dan voorheen, beschouwd te worden als een continu proces dat informatie ten behoeve van het volksgezondheidsbeleid oplevert. Evenals bij de eerdere VTV's zal bij de uitwerking een beroep worden gedaan op expertise binnen en buiten het RIVM.<br>
    • Definitierapport &apos;Beleidsmonitoring radioactieve stoffen en straling&apos;

      Pruppers MJM; Janssen MPM; Blaauboer RO; Matthijsen AJCM; Pennders RMJ; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-02-28)
      De afdeling Straling, Nucleaire en Biologische Veiligheid (SNB) van de directie Stoffen, Veiligheid en Straling (SVS) van DGM heeft behoefte aan een behoorlijke gegevensbasis ten behoeve van beleidsmonitoring. Het gaat daarbij vooral om het kennen van emissies van radioactieve stoffen en straling door de diverse bronnen en activiteiten en om het monitoren van de effecten van beleid en handhaving. Het is de wens van SNB om, na realisatie van een informatiesysteem, jaarlijks een rapport over het voorgaande jaar te ontvangen waarin een overzicht wordt gegeven van de stralingshygienische toestand in Nederland. De in dit rapport beschreven definitiestudie geeft antwoord op de vraag hoe het informatiesysteem voor beleidsmonitoring er uit zou kunnen zien en welke mogelijkheden er zijn om een dergelijk informatiesysteem te realiseren. Allereerst zijn de eisen en wensen van alle betrokkenen verzameld. Vervolgens is een aantal vragen die mogelijk aan het systeem zullen worden gesteld, nader geanalyseerd om er achter te komen welke gegevens nodig zijn voor het beantwoorden van deze vragen. Uit deze analyse zijn uiteindelijk drie varianten geconstrueerd en is beschreven welke extra instrumenten nodig zijn om het systeem te kunnen gebruiken voor beleidsmonitoring. Tenslotte zijn per variant de baten en de kosten nader onderzocht. Om de benodigde gegevens beschikbaar te krijgen, wordt geadviseerd om als eerste stap op weg naar het systeem de organisatorische voorzieningen te realiseren. Daarnaast wordt geadviseerd om een pilot uit te voeren waarin voor enkele typische bronnen de benodigde en beschikbare gegevens in kaart worden gebracht. Pas dan kan uit de varianten een definitieve keuze worden gemaakt.<br>
    • Definitierapport &apos;Graadmeters externe veiligheid in de Milieubalans/Milieuverkenning&apos;

      Ale BJM; Pruppers MJM; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-11-30)
      Ten behoeve van toekomstige versies van de integratie-rapporten Milieubalans en Milieuverkenning is door het RIVM gekozen voor het integraal weergeven van de milieuproblematiek in relatie tot het Nederlandse milieubeleid, in termen van een beperkte set doelvariabelen of graadmeters. Dit definitierapport beschrijft en onderbouwt de graadmeters waarin het complete aandachtsgebied 'externe veiligheid' wordt uitgedrukt. Samen met de andere definitierapporten dient het als onderbouwing van de keuzen die zijn gemaakt bij het formuleren van de indeling van en de figuren in toekomstige versies van de Milieubalans en de Milieuverkenning. Voor het aandachtsgebied 'externe veiligheid' is het in de nota 'Omgaan met risico's' vastgelegde beleid richtinggevend. Dit beleid is verder geconcretiseerd in de brief van de minister van VROM aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (13 juni 1994).<br>
    • Definitierapport &apos;Graadmeters straling in Milieubalans/Milieuverkenning&quot;

      Pruppers MJM; Aldenkamp FJ; Blaauboer RO; Eggink GJ; Kwakman PJM; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-02-28)
      For use in future versions of the integrative reports called Milieubalans ('environmental balance') and Milieuverkenning ('environmental outlook') RIVM has chosen to present an overview of environmental issues, especially those related to actual and future environmental policies in the Netherlands, in terms of so called target and related steering variables. This definition report describes the elaboration of this approach when it is applied to the complete area of interest 'radiation'. Together with other definition reports it is supposed to be the justification of choices which are made in defining the sequence of subjects and the minimum set of variables in the future versions of the Milieubalans and the Milieuverkenning. The elaboration is guided by the policy document 'Radiation protection and risk management' (Omgaan met risico's van straling). The policy can be characterized as 'risk management by focusing directly on the sources of radiation'. In other words steering at the beginning and setting limits at the end of the source-risk-chain. Therefore, in this report it is concluded that the complete source-risk-chain has to be analyzed and modelled. The area of interest 'radiation' is divided into areas corresponding to the source categories which are used in the policy document. For each area possible target and steering variables, together with related target and reference values, are collected. Determination of the present (diagnosis) and future (prognosis) values of the target variables is also investigated. In conclusion an indication is given of the activities, which are advisable for the coming years in order to make the target variables operational. The next phases are roughly outlined.<br>
    • Definitierapport 'Graadmeters externe veiligheid in de Milieubalans/Milieuverkenning'

      Ale BJM; Pruppers MJM; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-11-30)
      For use in future versions of the integrative reports called Milieubalans ('environmental balance') and Milieuverkenning ('environmental outlook') RIVM has chosen to present an overview of environmental issues, especially those related to actual and future environmental policies in the Netherlands, in terms of so called target and related steering variables. This definition report describes the elaboration of this approach when it is applied to the entire area of interest 'industrial safety'. Together with other definition reports it is supposed to be the justification of choices which are made in defining the sequence of subjects and the minimum set of variables in the future versions of the Milieubalans and the Milieuverkenning. The elaboration is guided by the policy document Omgaan met risico's ('dealing with risks') which is later expanded by a letter of the minister of Housing, Physical Planning and Environment to the Second Chamber of the Parliament (June, 13th 1994).
    • Definitierapport graadmeters afval in de Milieubalans/Milieuverkenning

      Nagelhout D; Joosten JM; LAE (1994-04-30)
      In de toekomst wordt ter onderbouwing van het milieubeleid jaarlijks een Milieubalans uitgebracht en vierjaarlijks een Milieuverkenning. In de Milieubalans en de Milieuverkenning wordt periodiek een kwantitatief beeld gegeven van de toestand en de ontwikkeling van het milieu, uitgedrukt in een vaste set van 'graadmeters of indicatoren'. Voor deze rapporten is een ontwerp gemaakt. Dit definitierapport vormt een onderbouwing van de keuze van de indicatoren op het aandachtsgebied afvalstoffen. Bij de keuze van graadmeters is rekening gehouden met een tiental overwegingen waaronder milieurelevantie, meetbaarheid, stuurbaarheid en representativiteit voor de gehele milieuproblematiek. Afval is een probleem vanwege het volume, het ruimtebeslag, de emissies bij verwijdering, het verlies van grondstoffen en energie en de kosten. Daarom is er voor gekozen graadmeters te selecteren die iets zeggen over de mate waarin deze problemen een oplossing vinden. Voor de graadmeters is nagegaan hoe de monitoring in de toekomst plaats kan vinden. Ook is onderzocht hoe gekomen kan worden tot inschattingen van de effecten van autonome ontwikkelingen en maatregelen en instrumenten op het gebied van milieubeleid in het algemeen en het afvalbeleid in het bijzonder. Daarbij wordt ook aandacht geschonken aan de kosten van maatregelen. Het voorliggende rapport wordt verder uitgewerkt in vervolg rapportages waarin ook rekening gehouden wordt met de reacties op de voorgestelde ontwerpen voor de Milieubalans en Milieuverkenning. Daarnaast zal het een rol spelen in het Meerjaren Activiteiten Programma van het RIVM.
    • Definitierapport graadmeters atmosfeer in de Milieubelans/Milieuverkenning

      Noordijk H; Diederen HSMA; Woerd HJ van der; Velze K van (1994-05-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Definitierapport graadmeters bodem en grondwater in de Milieubalans/Milieuverkenning. Discussiestuk

      Grinsven JJM van (ed); LBG (1994-07-31)
      In toekomstige milieuverkenningen en milieubalansen zullen graadmeters een belangrijk middel zijn waarmee informatie op een beknopte en aansprekende wijze wordt weergegeven. Dit rapport geeft een definitie van de graadmeters voor bodem en grondwater en een belangrijke aanzet tot de kwantificering van de graadmeters. Dit rapport geeft een tussenstand van de huidige inzichten, welke vooral tot stand zijn gekomen door discussies binnen het RIVM en in beperkte mate met Staring Centrum en het Instituut voor Agrobiologisch en Bodemvruchtbaarheidsonderzoek. Er zullen nog vele discussies nodig zijn om het draagvlak voor de hier beschreven graadmeteraanpak te vergroten, en hiaten en meningsverschillen op te lossen. Na een schets van het huidige bodem en grondwateronderzoek wordt de definitie en onderbouwing per geselecteerde graadmeters systematisch, per thema, besproken. Vervolgens worden de huidige mogelijkheden voor realisatie van de graadmeters besproken in termen van meetnetten en prognosemodellen. Daarna wordt per graadmeter aangegeven welke meetnetten en modellen inzetbaar zijn voor diagnose en prognose. Tot slot worden enkele belangrijke hiaten en discrepanties m.b.t. tot definitie en kwantificering opgesomd.
    • Definitierapport graadmeters drink- en industriewatervoorziening in de Milieubalans/Milieuverkenning

      Mulschlegel JHC; Hrubec J; Kragt FJ; Medema GJ; Versteegh JFM; Verweij W; LWD; LWL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-11-30)
      Bij de voorbereiding, de onderbouwing en de toetsing van de effectiviteit van het Nederlandse milieubeleid is er behoefte aan een goede informatievoorziening. De informatie moet daarvoor beleidsrelevant, leesbaar en zo mogelijk kwantitatief en beknopt zijn. Het RIVM heeft de opdracht vanaf 1995 jaarlijks een Milieubalans (MB) en vierjaarlijks een Milieuverkenning (MV) uit te brengen. In deze rapporten zullen op diverse plaatsen aspecten van de drink- en industriewatervoorziening (DIV) aan de orde komen. In dit Definitierapport Graadmeters DIV in de MB en MV worden primair op basis van een tiental overwegingen, alsmede argumenten vanuit de sector DIV de doelvariabelen of graadmeters gekozen waarmee de toestand en ontwikkeling met betrekking tot de DIV periodiek op kwantitatieve wijze kan worden uitgedrukt. Deze graadmeters worden ontwikkeld voor de functie "Drink- en Industriewatervoorziening" en tevens voor de doelgroep "Drink- en Industriewatervoorziening" ten behoeve van de Milieubalans en de Milieuverkenningen. Gekozen is voor een aantal (typen) graadmeters binnen de aspecten milieukwaliteit, milieudruk en volksgezondheid. Het betreft "kwaliteit bronnen", "waterwinning", "zuiveringskosten", "milieueffecten", "kwaliteit ruwwater" en "kwaliteit drinkwater". Daarnaast is een graadmeter "waterverbruik" opgenomen die de relatie met het aspect maatschappelijke ontwikkelingen representeert. Voor het realiseren van de graadmeters zijn van verleden, heden en toekomst gegevens nodig. Nagegaan is welke gegevens, waar, hoe en door wie gemeten worden en met welke modellen of methodieken prognoses tot stand komen. In veel gevallen zal aggregatie van grote hoeveelheden informatie moeten plaatsvinden om tot een rationele invulling van een graadmeter te komen. De daarbij gevolgde werkwijze is geschetst.<br>
    • Definitierapport Graadmeters Volksgezondheid in de Milieubalans/Milieuverkenning (1e versie)

      de Hollander AEM; Lebret E; CCM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-04-30)
      Every four years the National Institute of Public Health and Environmental Protection (RIVM) produces a National Environmental Outlook in which the present and future state of the environment is described using indicators to represent (natural) resources, emissions, environmental quality, public health and ecological effects. In the present report the possibilities are explored to define indicators for public health effects of environmental pollution to be used in these Environmental Outlooks.<br>
    • Definitierapport Graadmeters Water in de Milieubalans/Milieuverkenningen. Discussiestuk

      van Liere L; Beurkens JEM; Leewis RJ; Medema GJ; de Nijs ACM; van Puijenbroek PJTM; Quarles van Ufford CHA; Wortelboer FG; LWD; LAE; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-09-30)
      In dit rapport worden de graadmeters voorgesteld voor het compartiment water ten behoeve van de Milieubalans/Milieuverkenningen. Graadmeters worden behandeld voor zowel zoute als zoete oppervlaktewateren. Het zoete oppervlaktewater is onderverdeeld in Rijkswateren (rivieren, grote kanalen en meren in beheer bij Rijkswaterstaat) en regionale wateren (beheerd door lokale waterbeheerders). De regionale wateren zijn onderverdeeld in meren, sloten, kanalen en vaarten, en stromende wateren. De graadmeters voor de Rijkswateren en een aantal regionale wateren worden behandeld volgens de thema's verzuring, vermesting en verspreiding. M.b.t. alle regionale wateren wordt een classificering naar ecologisch niveau gebruikt. De nadruk bij de keuze van de graadmeters ligt op de chemische randvoorwaarden voor een duurzame ecosysteem ontwikkeling. Enige zeer kenmerkende biologische graadmeters voor de genoemde thema's worden eveneens gebruikt. Een speciaal hoofdstuk is gewijd aan waterbodems. Sommige effecten worden niet veroorzaakt door een bepaald thema, maar komen tot stand door meerdere actoren. Zij worden besproken in het hoofdstuk over multiple stress. Volksgezondheidseffecten van het oppervlaktewater worden als apart thema behandeld.<br>
    • Definitierapport indicatoren (water) bodemsanering/bodembescherming

      Franken ROG; Soczo ER; Bakker RHG; LBG (1996-06-30)
      Beschreven wordt welke indicatoren voor bodemsanering en bodembescherming van lokale bronnen in de Milieubalans/Milieuverkenningen opgenomen kunnen worden. Drie hoofdonderwerpen zijn behandeld: de omvang en ernst van de (water) bodemverontreiniging, (water) bodemsanering en tot slot bodembescherming. Per hoofdstuk wordt aangegeven: welke indicatoren zijn ontwikkeld ; op welke manier de onderscheiden indicatoren nader kunnen worden ingevuld ; welke informatie hiervoor ter beschikking staat (of komt) ; welke informatie benodigd is en welke knelpunten voorzien worden bij vergaren van de benodigde informatie. Op basis van het in het NMP2 geformuleerde bodembeschermingsbeleid zijn indicatoren ontwikkeld voor: de omvang van de bodemverontreiniging; de sanering of beveiliging van ernstig/urgente gevallen ; het voormalig, huidig en toekomstig gebruik van verontreinigde grond ; de geleverde en te leveren financiele inspannig door doelgroepen ; de geleverde financiele inspanning opgedeeld naar saneringsvorm; grondstromen als gevolg van de bodemsaneringsvorm; bodemkwaliteitsontwikkeling als gevolg van bodembelasting. Voor de "minimalisatie van de stagnatie van maatschappelijke processen" en optimale besteding van de financiele middelen" zullen nog indicatoren moeten worden vastgesteld en een gegevensinfrastructuur worden ontwikkeld. Ook is geconstateerd dat een indicator voor "beleidsmonitoring bodembescherming" verder uitgewerkt moet worden.
    • Definitierapport Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2014

      Hoeymans N; van Loon AJM; Schoemaker CG; VTV; vz (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-10-10)
      Elke vier jaar verschijnt de Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV) waarin het RIVM rapporteert over de huidige toestand en toekomstige ontwikkeling van de volksgezondheid. De VTV draagt hiermee bij aan het volksgezondheidsbeleid van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Dit zogeheten definitierapport bevat de hoofdlijnen van de zesde editie, die in 2014 verschijnt. Elke VTV beschrijft de laatste ontwikkelingen op het gebied van gezondheid, ziekte, determinanten, preventie, zorg, gezondheidsverschillen en regionale en internationale vergelijkingen. Recente ontwikkelingen in beleid, wetenschap en praktijk van de volksgezondheid zijn van invloed op de manier waarop deze vervolgens worden uitgewerkt. Zo zal de komende editie aandacht besteden aan gevolgen van ziekten in termen van zelfredzaamheid, functioneren en maatschappelijke participatie. Ook krijgt de veranderende rol van burgers en patiënten een plaats in de VTV-2014. Andere belangrijke ontwikkelingen zijn de invloed van de omgeving op gezond gedrag en gezondheid, preventie in de zorg, technologische innovaties en de verschuiving van taken, voornamelijk van de nationale naar de regionale overheid. Uitgaande van recente ontwikkelingen in de uitvoering van toekomstverkenningen, zal de VTV in dit proces diverse stakeholders betrekken. Begin 2012 verschijnt het ontwerp van de VTV, waarin de definitieve onderwerpen worden bepaald en uitgewerkt. Drie commissies adviseren het VTV-team over de aansluiting bij het beleid, de wetenschappelijke kwaliteit en de afstemming binnen het RIVM. Behalve het samenvattend rapport en de websites zullen de komende jaren artikelen en rapporten verschijnen die deel uitmaken van de VTV-2014.
    • Definitierapport Zorgbalans

      van den Berg MJ; Deuning C; Gijsen R; Hayen A; Heijink R; Kooistra M; Lambooij M; Limburg LCM; PZO; vz (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-04-02)
      De Zorgbalans brengt met behulp van 125 indicatoren op hoofdlijnen de prestaties van de Nederlandse gezondheidszorg in beeld. Enkele voorbeelden zijn: vóórkomen van ziekenhuisinfecties, bereikbaarheid huisartsen, ligduur in ziekenhuizen en ontwikkelingen in zorguitgaven. Dit rapport beschrijft de indicatoren en de keuzes die daaraan ten grondslag liggen. Kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van zorg: De Zorgbalans is het resultaat van een afweging tussen wetenschappelijk onderzoek, beleidsdoelstellingen en praktische mogelijkheden om gebruik te maken van gegevens. Aan de 125 indicatoren ligt een grote hoeveelheid gegevens ten grondslag uit veel en diverse bronnen, zoals jaarverslagen en diverse registraties van zorgaanbieders, en enquêtes onder zorggebruikers. De drie hoofdthema's zijn: kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van zorg. Het RIVM vergelijkt de gegevens over prestaties met eerdere meetmomenten, cijfers uit andere landen, beleidsnormen en tussen organisaties. Dit maakt het gemakkelijker om er beleidsrelevante conclusies uit te trekken: is er een positieve trend of een negatieve? Doet Nederland het beter of juist slechter dan andere landen? En wordt voldaan aan beleidsnormen? Relatie tot andere producten: Verder wordt beschreven hoe de Zorgbalans zich verhoudt tot andere publicaties over de gezondheidszorg en hoe deze is ingebed in de nationale en internationale onderzoekswereld. Vooral de afstemming met de Volksgezondheid Toekomst Verkenningen (VTV) van het RIVM en de wijze waarop deze twee producten elkaar aanvullen en versterken, komen uitvoerig aan bod. Het RIVM maakt de Zorgbalans in opdracht van het ministerie van VWS en is bestemd voor beleidsmakers en voor anderen die willen weten hoe het zorgsysteem presteert. De Zorgbalans verschijnt sinds 2006 elke twee jaar. Vanaf 2011 worden twee maal per jaar actuele gegevens via de website gepresenteerd, en verschijnt eens in de vier jaar een rapport. Het eerstvolgende rapport verschijnt in 2014.