• Definitierapport Graadmeters Volksgezondheid in de Milieubalans/Milieuverkenning (1e versie)

      de Hollander AEM; Lebret E; CCM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-04-30)
      Every four years the National Institute of Public Health and Environmental Protection (RIVM) produces a National Environmental Outlook in which the present and future state of the environment is described using indicators to represent (natural) resources, emissions, environmental quality, public health and ecological effects. In the present report the possibilities are explored to define indicators for public health effects of environmental pollution to be used in these Environmental Outlooks.<br>
    • Definitierapport Graadmeters Water in de Milieubalans/Milieuverkenningen. Discussiestuk

      van Liere L; Beurkens JEM; Leewis RJ; Medema GJ; de Nijs ACM; van Puijenbroek PJTM; Quarles van Ufford CHA; Wortelboer FG; LWD; LAE; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-09-30)
      In dit rapport worden de graadmeters voorgesteld voor het compartiment water ten behoeve van de Milieubalans/Milieuverkenningen. Graadmeters worden behandeld voor zowel zoute als zoete oppervlaktewateren. Het zoete oppervlaktewater is onderverdeeld in Rijkswateren (rivieren, grote kanalen en meren in beheer bij Rijkswaterstaat) en regionale wateren (beheerd door lokale waterbeheerders). De regionale wateren zijn onderverdeeld in meren, sloten, kanalen en vaarten, en stromende wateren. De graadmeters voor de Rijkswateren en een aantal regionale wateren worden behandeld volgens de thema's verzuring, vermesting en verspreiding. M.b.t. alle regionale wateren wordt een classificering naar ecologisch niveau gebruikt. De nadruk bij de keuze van de graadmeters ligt op de chemische randvoorwaarden voor een duurzame ecosysteem ontwikkeling. Enige zeer kenmerkende biologische graadmeters voor de genoemde thema's worden eveneens gebruikt. Een speciaal hoofdstuk is gewijd aan waterbodems. Sommige effecten worden niet veroorzaakt door een bepaald thema, maar komen tot stand door meerdere actoren. Zij worden besproken in het hoofdstuk over multiple stress. Volksgezondheidseffecten van het oppervlaktewater worden als apart thema behandeld.<br>
    • Definitierapport indicatoren (water) bodemsanering/bodembescherming

      Franken ROG; Soczo ER; Bakker RHG; LBG (1996-06-30)
      Beschreven wordt welke indicatoren voor bodemsanering en bodembescherming van lokale bronnen in de Milieubalans/Milieuverkenningen opgenomen kunnen worden. Drie hoofdonderwerpen zijn behandeld: de omvang en ernst van de (water) bodemverontreiniging, (water) bodemsanering en tot slot bodembescherming. Per hoofdstuk wordt aangegeven: welke indicatoren zijn ontwikkeld ; op welke manier de onderscheiden indicatoren nader kunnen worden ingevuld ; welke informatie hiervoor ter beschikking staat (of komt) ; welke informatie benodigd is en welke knelpunten voorzien worden bij vergaren van de benodigde informatie. Op basis van het in het NMP2 geformuleerde bodembeschermingsbeleid zijn indicatoren ontwikkeld voor: de omvang van de bodemverontreiniging; de sanering of beveiliging van ernstig/urgente gevallen ; het voormalig, huidig en toekomstig gebruik van verontreinigde grond ; de geleverde en te leveren financiele inspannig door doelgroepen ; de geleverde financiele inspanning opgedeeld naar saneringsvorm; grondstromen als gevolg van de bodemsaneringsvorm; bodemkwaliteitsontwikkeling als gevolg van bodembelasting. Voor de "minimalisatie van de stagnatie van maatschappelijke processen" en optimale besteding van de financiele middelen" zullen nog indicatoren moeten worden vastgesteld en een gegevensinfrastructuur worden ontwikkeld. Ook is geconstateerd dat een indicator voor "beleidsmonitoring bodembescherming" verder uitgewerkt moet worden.
    • Definitierapport Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2014

      Hoeymans N; van Loon AJM; Schoemaker CG; VTV; vz (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-10-10)
      Elke vier jaar verschijnt de Volksgezondheid Toekomst Verkenning (VTV) waarin het RIVM rapporteert over de huidige toestand en toekomstige ontwikkeling van de volksgezondheid. De VTV draagt hiermee bij aan het volksgezondheidsbeleid van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Dit zogeheten definitierapport bevat de hoofdlijnen van de zesde editie, die in 2014 verschijnt. Elke VTV beschrijft de laatste ontwikkelingen op het gebied van gezondheid, ziekte, determinanten, preventie, zorg, gezondheidsverschillen en regionale en internationale vergelijkingen. Recente ontwikkelingen in beleid, wetenschap en praktijk van de volksgezondheid zijn van invloed op de manier waarop deze vervolgens worden uitgewerkt. Zo zal de komende editie aandacht besteden aan gevolgen van ziekten in termen van zelfredzaamheid, functioneren en maatschappelijke participatie. Ook krijgt de veranderende rol van burgers en patiënten een plaats in de VTV-2014. Andere belangrijke ontwikkelingen zijn de invloed van de omgeving op gezond gedrag en gezondheid, preventie in de zorg, technologische innovaties en de verschuiving van taken, voornamelijk van de nationale naar de regionale overheid. Uitgaande van recente ontwikkelingen in de uitvoering van toekomstverkenningen, zal de VTV in dit proces diverse stakeholders betrekken. Begin 2012 verschijnt het ontwerp van de VTV, waarin de definitieve onderwerpen worden bepaald en uitgewerkt. Drie commissies adviseren het VTV-team over de aansluiting bij het beleid, de wetenschappelijke kwaliteit en de afstemming binnen het RIVM. Behalve het samenvattend rapport en de websites zullen de komende jaren artikelen en rapporten verschijnen die deel uitmaken van de VTV-2014.
    • Definitierapport Zorgbalans

      van den Berg MJ; Deuning C; Gijsen R; Hayen A; Heijink R; Kooistra M; Lambooij M; Limburg LCM; PZO; vz (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-04-02)
      De Zorgbalans brengt met behulp van 125 indicatoren op hoofdlijnen de prestaties van de Nederlandse gezondheidszorg in beeld. Enkele voorbeelden zijn: vóórkomen van ziekenhuisinfecties, bereikbaarheid huisartsen, ligduur in ziekenhuizen en ontwikkelingen in zorguitgaven. Dit rapport beschrijft de indicatoren en de keuzes die daaraan ten grondslag liggen. Kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van zorg: De Zorgbalans is het resultaat van een afweging tussen wetenschappelijk onderzoek, beleidsdoelstellingen en praktische mogelijkheden om gebruik te maken van gegevens. Aan de 125 indicatoren ligt een grote hoeveelheid gegevens ten grondslag uit veel en diverse bronnen, zoals jaarverslagen en diverse registraties van zorgaanbieders, en enquêtes onder zorggebruikers. De drie hoofdthema's zijn: kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van zorg. Het RIVM vergelijkt de gegevens over prestaties met eerdere meetmomenten, cijfers uit andere landen, beleidsnormen en tussen organisaties. Dit maakt het gemakkelijker om er beleidsrelevante conclusies uit te trekken: is er een positieve trend of een negatieve? Doet Nederland het beter of juist slechter dan andere landen? En wordt voldaan aan beleidsnormen? Relatie tot andere producten: Verder wordt beschreven hoe de Zorgbalans zich verhoudt tot andere publicaties over de gezondheidszorg en hoe deze is ingebed in de nationale en internationale onderzoekswereld. Vooral de afstemming met de Volksgezondheid Toekomst Verkenningen (VTV) van het RIVM en de wijze waarop deze twee producten elkaar aanvullen en versterken, komen uitvoerig aan bod. Het RIVM maakt de Zorgbalans in opdracht van het ministerie van VWS en is bestemd voor beleidsmakers en voor anderen die willen weten hoe het zorgsysteem presteert. De Zorgbalans verschijnt sinds 2006 elke twee jaar. Vanaf 2011 worden twee maal per jaar actuele gegevens via de website gepresenteerd, en verschijnt eens in de vier jaar een rapport. Het eerstvolgende rapport verschijnt in 2014.
    • Definitiestudie Informatievoorzieningssysteem Afvalstoffen. Definitieve versie

      Weerd M de; Vlijmen JHM van; Jansen HMA (1988-01-31)
      In vervolg op de voorstudie voor het informatievoorzieningsysteem afvalstoffen zijn een aantal aspecten nader uitgewerkt. Met name betreft het de structuur, de relatie tot andere systemen, onder andere binnen het LAE en de functioneel ontwerp fase. De beschrijving van een aantal geautomatiseerde systemen is vanwege de informatieve waarde in een afzonderlijk rapport (Informatiesystemen, RIVM 738503004) opgenomen.
    • Definitiestudie Rapport Informatiesysteem Technieken

      Bruinsma PH; Visscher K; Wiering ACF (1989-03-31)
      Deze studie onderzoekt de haalbaarheid van het Informatiesysteem Technieken. Doel van het Informatiesysteem technieken is het bijeenbrengen van relevante informatie over technieken en processen en hun toepasbaarheid voor behandeling en preventie van afvalstromen. Het IT is een systeem dat in de literatuur bekend is onder de naam Beslissings Ondersteunend Systeem of Decision Support System (BOS of DSS). De nadruk bij dergelijke systemen ligt op ondersteuning van besluitvormingsprocessen ; op efficiente en effectieve wijze kunnen alternatieve oplossingen opgevraagd en tegen elkaar afgewogen worden.
    • Definitiestudie spectrometrische UV-meetopstelling

      van Sonderen JF; Slaper H; Swart DPJ; Smetsers RCGM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1991-03-31)
      Ultraviolet radiation has many, mostly harmful, effects on man and the environment. The stratospheric ozone layer offers an important protection against ultraviolet radiation because ozone absorbs the short-wave ultraviolet radiation. Therefore, a reduction in the ozone layer can cause an increased UV-radiation level on the earth's surface. In the Netherlands, a project to collect information on the current UV climatic conditions and changes has begun, which will include the development of an UV spectrometer system. In this report requirements for the system are formulated based on the project objectives. Several methods for UV-radiation measurement are presented, and monitoring networks in other countries are discussed. A specific UV-radiation measurement system in the Netherlands is proposed, consisting of a double monochromator for short-wave UV-B measurement, and a multichannel detection system for UV-A radiation measurement.<br>
    • Definitiestudie van het project Dosimetrie Brachy-therapie

      Bultman J (1989-05-31)
      In dit rapport worden voorstellen gedaan voor de ontwikkeling en verbetering van de calibratie- en kwaliteitscontrolemethoden voor het gebruik van brachytherapiebronnen. Als eerste is een inventarisatie uitgevoerd naar de radioactieve bronnen en methoden die in radiotherapie-instituten worden toegepast. Op basis van deze inventarisatie zijn een aantal aandachtspunten geformuleerd. Uiteindelijk zijn prioriteiten gesteld en is een volledig werkplan met tijdschema opgesteld.
    • Definitiestudie voor de integratie LOV en RS

      Geertman S; Verschoor M; RIM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-04-14)
      The Environment Explorer and the Land Use Scanner are both integrated land use models, used by the National Institute of Public Health and the Environment (RIVM). Considering efficiency, the RIVM is trying to integrate both systems while their specific qualities should remain. This integration will lead to a toolbox, called LUMOS (Land Use Modelling System). Under the authority of the RIVM, a definition study was conducted by Nexpri / Utrecht University, resulting in a global functional model for LUMOS. The Environment Explorer and the Land Use Scanner show many similarities regarding the use of input data, and the presentation of results. The most important differences lie in their allocation mechanisms. In the Land Use Scanner a logit model is used where as the Environment Explorer system uses cellular automata for the simulation of spatial processes. These mechanisms differ fundamentally and can not simply be interchanged. Another important difference between both systems is the way in which expert judgements are being made during the modeling process. The Global Functional Model (GFM) for LUMOS basically describes the way in which integration between the Environment Explorer and Land Use Scanner systems can take place. The basic assumption is that allocation mechanisms of the Land Use Scanner and Environment Explorer system in their present form must be maintained, because of their unique character. Integration is possible mainly for the input of data, and the post processing and output of the results. Besides, a common user interface and control tool must be developed. Based on the GFM for LUMOS a whole range of steps are possible. Therefore, the report lists the most important choices and corresponding arguments for every functional part of the toolbox. These choices are largely determined by the degree of integration which is aimed for and by the system environment in which the toolbox is going to function.
    • Definitiestudie voor de integratie LOV en RS

      Geertman S; Verschoor M; RIM (2004-04-14)
      Het RIVM beschikt over twee instrumenten om ruimtelijke processen in de fysieke leefomgeving te modelleren: de Leef Omgevings Verkenner (LOV) en de Ruimtescanner (RS). Uit overwegingen van efficientie streeft het RIVM ernaar beide systemen te integreren, waarbij de specifieke eigenschappen van de modellen moeten worden gehandhaafd. Deze integratie zal leiden tot een toolbox, die onder de naam LUMOS (Land Use MOdelling System) verder door het leven zal gaan. In opdracht van het RIVM heeft Nexpri/Universiteit Utrecht een definitiestudie uitgevoerd, resulterend in een Globaal Functioneel Model (GFO). De Leef Omgevings Verkenner en de Ruimtescanner vertonen veel overeenkomsten als het gaat om de gebruikte basisgevens en de presentatie van resultaten. De belangrijkste verschillen tussen RS en LOV zijn gelegen in de allocatiemechanismen. De RS maakt gebruik van een logitmodel, terwijl de LOV voor het simuleren van ruimtelijke processen gebruik maakt van cellulaire automata. Deze mechanismen zijn fundamenteel verschillend en kunnen niet zonder meer als uitwisselbaar worden beschouwd. Een ander belangrijk verschil tussen beide instrumenten is de mate waarin gebruik gemaakt wordt van expertoordelen tijdens het modelproces. Het Globaal Functioneel Ontwerp voor LUMOS beschrijft op hoofdlijnen de vorm waarin integratie tussen RS en LOV kan plaatsvinden. Uitgangspunt bij het GFO is dat de allocatiemechanismen van RS en LOV in hun huidige vorm gehandhaafd blijve, gezien hun zeer specifieke karakter. Integratie is vooral mogelijk bij de invoer van gegevens, en de nabewerking en uitvoer van de resultaten. Daarnaast dient een gemeenschappelijke gebruikersinterface en beheertool te worden ontwikkeld. Op basis van het Globaal Functioneel Ontwerp voor LUMOS is een heel scala aan vervolgstappen mogelijk. Het rapport geeft daarom per functioneel onderdeel van de toolbox de belangrijkste keuzes en bijbehorende argumentaties weer. Deze keuzes worden sterk bepaald door de mate van integratie die wordt nagestreefd en door de systeemomgeving waarin de toolbox moet gaan functioneren.
    • Definitiestudie voor het CIMI-systeem. Opties voor dienstverlening

      Citroen CL; Volder KS; Reiling R; Enderman JC (1989-01-31)
      De definitiestudie is uitgevoerd met het oog op de besluitvorming over de verdere ontwikkeling van het CIMI-systeem. In het rapport wordt een beschrijving gegeven van: - de taakstelling van CIMI in de komende jaren ; - het huidige prototype-systeem ; - relevante technische ontwikkelingen en trends in de wereld van de informatievoorziening (de "omgeving" van CIMI) ; - opties voor (extra) dienstverlening door CIMI ; - beoordeling van deze opties aan de hand van de gebruikerswensen en andere relevante criteria. Op grond van de beoordeling wordt in dit rapport geadviseerd het huidige systeem te consolideren en de dienstverlening gefaseerd uit te breiden met: - databankbemiddeling ; - een directe toegangsmogelijkheid voor gebruikers tot het literatuurbestand (eerst on-line), later via optische media).
    • Definitiestudie voor het informatiesysteem &quot;Afvalverwerkingseenheden&quot; (AVE2)

      Siemons JAEM; Nijland HA (1990-12-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Definitiestudie WAPRO: een model voor het maken van waterverbruiksscenario&apos;s

      Laan WPM; Wieringa K (1989-11-30)
      In dit rapport wordt onderzocht op welke wijze het berekenen van waterverbruiksprognoses kan worden uitgevoerd met behulp van een computermodel, waarbij het effect van diverse maatregelen kan worden meegenomen. Door met behulp van economische en demografische scenario's de ontwikkelingen in verschillende economische sectoren te verkennen, wordt inzicht verkregen in de toekomstige waterbehoefte. Het RIVM/LAE kan een dergelijk model op diverse manieren realiseren. 1. in een spreadsheet ; 2. in een programmeertaal ; 3. gebruik makend van het Reken- en Informatiesysteem Milieuhygiene. Deze drie alternatieven worden belicht en er wordt een keuze gemaakt voor een programmeertaal.
    • Definitiestudie Zuiveringsmodel Drinkwater

      van Gaalen FW; Kragt FJ; Rietveld LC; Schijven JF; LWD; TUD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-08-31)
      Er werd een model ontwikkeld dat de zuivering van drinkwater simuleert binnen de beschikbare model- en informatiesysteemomgeving van het RIVM. Dit rapport geeft de methode en de resultaten van een selectie van zuiveringsstappen en stoffen die in het model worden beschouwd. Het model bestaat uit een overall-structuur welke onafhankelijke modules bevat die de zuiveringsstappen representeren. Alle zuiveringsstappen worden gemodelleerd op een simpele empirische manier (gebaseerd op meetgegevens) ; een selectie van de stappen wordt tevens gemodelleerd op basis van relevante proceskennis De mogelijkheden om de betrouwbaarheid van het modelresultaat te bepalen worden nog onderzocht. Het model wordt geprogrammeerd in een MATLAB/SIMULINK omgeving van de PC.<br>
    • Definitiestudie-Rapport AAP. Administratieve Automatisering van het Proefdiergebruik

      Steinberger PE (1988-11-30)
      De projectopdracht houdt in het ontwikkelen van een informatiesysteem voor het vervullen van de informatiebehoeften die voortvloeien uit de invoering van de wet op de dierproeven. Daarbij zijn expliciet de volgende aspecten vermeld: a) wettelijke registratieverplichting, b) microbiologische kwaliteit van proefdieren, c) afstemming van vraag en aanbod en d) financiele aspecten van dierproeven. Uit deze definitiestudie blijkt dat het wel mogelijk is om het gevraagde systeem te ontwikkelen. Belangrijkste voorwaarde daarvoor is dat er voldoende duidelijkheid wordt geschapen op het gebied van de administratieve organisatie. Het systeem is ingedeeld in 7 subsystemen. Aanbevolen wordt om te beginnen met het ontwikkelen van subsystemen 1 en 2 en voor subsysteem 3 een voorbereidende fase in te lassen om een aantal onduidelijkheden weg te nemen. Aan het einde van de voorbereidende fase kan dan een beslissing genomen worden over subsystemen 3 t/m 7.
    • Definitiestudie: Geintegreerd Bron- Risicomodel voor Radon

      Laheij GMH; Aldenkamp FJ; Stoop P (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1993-10-31)
      A definition study for the development of a model describing the complete chain ; source -> exhalation -> dispersion -> exposure -> effect/risk for radon is performed. The purpose of a source-risk model is to support policy making on radon mitigation by comparing effects of various policy options and to enable optimisation of counter measures applied to different parts of the source-risk chain. There are several advantages developing and using a source-risk model. - Risk calculations are standardized. The calculations are done with most appropriate models available at a moment. Parameter values are used consistently in the entire source-risk chain. - The effects of measures applied to different parts of the source-risk chain can be better compared because interactions are included. - Sensitivity analyses can be used to determine the most important parameters within the total source-risk chain. After making up an inventory of processes and sources to be included in the source-risk chain, we investigated the models presently available in the Netherlands by interviewing several owners of models. The models were screened for completeness, validation and operational status. The investigation made clear that, by choosing for each part of the source-risk chain the most convenient model, a source-risk chain model for radon may be realised. However, the calculation of dose out of the radon concentrations and the status of the validation of most models should be improved. Calculations with the proposed source-risk model will give estimations with a large uncertainty at the moment. Still, realisation of the proposed source-risk model is recommended because the investigations made clear that the use of a source-risk model will have a surplus value over the use of single models. For further development of the source-risk model an interaction between the source-risk model and experimental research is recommended.<br>
    • Definition of serious risk within RAPEX notifications

      Wijnhoven SWP; Janssen PJCM; Schuur AG; CPV; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-07-05)
      De Europese Unie beschikt over een meldingssysteem, waarmee lidstaten informatie kunnen uitwisselen over de veiligheid van consumentenproducten. Het doel van dit zogeheten RAPEX-systeem (Rapid Alert System for Non-Food Products) is om producten die een ernstig risico vormen voor de volksgezondheid snel van de Europese markt te kunnen halen. Een risico kan een gevolg zijn van een mechanisch defect of van een chemische stof in het product. Er zijn drie categorieën risico's: laag, matig en ernstig (serious risk). In de praktijk blijken lidstaten de definitie van serious risk voor risico's veroorzaakt door chemische stoffen verschillend te interpreteren. Hierdoor wordt het risico van het gebruik van deze producten vaak ten onrechte als ernstig bestempeld en gemeld. Voor Nederland verzorgt de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) de RAPEX-meldingen. De NVWA heeft het RIVM gevraagd om dit probleem in kaart te brengen en mogelijke oplossingen aan te reiken. Het blijkt dat stoffen en producten bij RAPEX om twee redenen worden gemeld. Ten eerste als een wettelijke concentratielimiet van een stof wordt overschreden, en ten tweede als een product klachten veroorzaakt. Als een concentratielimiet wordt overschreden, hoeft er echter niet altijd sprake te zijn van een ernstig risico. Dat komt omdat normen niet altijd gebaseerd zijn op een specifiek effect van een schadelijke stof, maar bijvoorbeeld ook vanuit een basale wens om het gebruik van een stof te beperken. Het RIVM reikt enkele oplossingen aan om de verschillen in interpretatie weg te nemen. Een mogelijkheid is de definitie van serious risk aan te passen door deze specifiek op te stellen voor chemische risico's. Ook kan worden verduidelijkt hoe een risicobeoordeling voor chemische stoffen het beste binnen RAPEX kan worden uitgevoerd, bijvoorbeeld door daar een leidraad voor op te stellen. Als laatste zou bij een RAPEX-melding toegevoegd kunnen worden waar de risicobeoordeling op is gebaseerd (normoverschrijding of klacht), zodat de reden voor de melding duidelijk wordt.