• Dreigingen uit het buitenland voor de volksgezondheid in Nederland. Een quickscan

      Harbers, MM; Post, NAM; van der Wilk, EA; Harmans, LM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-11-20)
      Mondiale ontwikkelingen, zoals klimaatverandering, toenemende mobiliteit en technologische ontwikkelingen, veroorzaken steeds vaker dreigingen voor de volksgezondheid in Nederland. Om meer inzicht te krijgen in dit type dreigingen heeft het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) het RIVM de opdracht gegeven hier een quickscan naar te doen. Belangrijke dreigingen van buitenaf zijn onder andere extreem weer door klimaatverandering en de aantasting van de leefomgeving, zoals lucht-, bodem- en waterverontreiniging. Ook wordt het steeds lastiger om bijvoorbeeld de kwaliteit te controleren van producten die buiten Nederland zijn geproduceerd, zoals medicijnen of nieuwe tabaksproducten. Door de toenemende mobiliteit (immigratie en wegtrekkende hoogopgeleide jongeren) is in Caribisch Nederland de vraag naar zorg groter dan het aanbod. De resultaten geven geen volledig beeld van alle mogelijke dreigingen en oplossingsrichtingen. Het is een eerste stap om meer zicht te krijgen op de effecten van globalisering op onze volksgezondheid. Het ministerie van VWS wil deze quickscan gebruiken als startpunt voor verdere discussie over prioriteiten en om (interdepartementaal) beleid te ontwikkelen. Deze achtergrondrapportage beschrijft de resultaten in detail en de manier waarop het RIVM hiertoe is gekomen. Daarnaast zijn de resultaten van de quickscan weergegeven in een serie infographics
    • Drempelwaarden bij voedselallergie

      Loveren H van; Ezendam J; TOX (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-05-15)
      As yet, it is not well possible to establish the minimal amount of allergenic components of food able to induce allergic reactions in food allergic human. These minimal amounts are called thresholds. The only food component for which a threshold has been established is lactose. At doses below 7 grams no allergic reactions have been noted. The interest of further research of thresholds stems fro EU legislation. From November 1, 2005, labels on each food product need to indicate whether it contains food allergens/ This pertains to the most important food allergens: wheat (including gluten), crustaceans, egg, fish, peanuts, milk (including lactose), soy, nuts, sesame, mustard, and sulphite. Methods are available to identify food allergens in food. However, as threshold values have not been established, it is currently not well possible to set criteria for these methods in terms of their sensitivity, in other words what are the lowest amounts of the allergens in food that these methods should be able to detect.
    • Drempelwaarden bij voedselallergie

      van Loveren H; Ezendam J; TOX (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-05-15)
      Het is nog niet goed mogelijk om van alle bestanddelen in de voeding die allergie kunnen opwekken de minimale hoeveelheid te bepalen waarbij in de mens een allergische reactie kan optreden. Deze minimale hoeveelheden worden ook drempelwaarden genoemd. Het enige voedselallergeen waarbij wel een drempelwaarde is vastgesteld is lactose. Bij doseringen lager dan 7 gram worden geen allergische reacties gemeld. Het belang van verder onderzoek naar drempelwaarden komt voort uit de wetgeving van de Europese Unie. Vanaf 1 november 2005 moet op elk voedingsproduct worden aangegeven worden of het product voedselallergenen bevat. De verplichting geldt voor de belangrijkste voedselallergenen zoals granen (met inbegrip van gluten), schaaldieren, eieren, vis, pinda, melk (met inbegrip van lactose), soja, noten, sesamzaad, selderie, mosterd en sulfiet. Er is een heel aantal methoden in omloop om de aanwezigheid van voedselallergenen in voedingsproducten vast te stellen. Door het ontbreken van drempelwaarden is het nog niet goed mogelijk eisen aan deze methoden te voor wat betreft hun gevoeligheid: wat is de laagste hoeveelheid van een allergeen die deze methoden nog in de voeding moet kunnen aantonen.
    • Drempelwaarden in grondwater: voor welke stoffen?

      Verweij W; Reijnders HFR; LER; LVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-12-05)
      Threshold values for groundwater are mandatory for the (European) Water Framework Directive. No European procedures will be given for substances for which threshold values have to be established, nor for the level of threshold values. This report contains recommendations for the criteria that will be applied to select substances to derive threshold values. The RIVM recommends to establish threshold values for substances for groundwater dependant ecosystems that are significantly damaged. Besides the RIVM recommends to establish threshold values for substances that are expected to have concentrations above the drinking water standard. Also provisional recommendations are given for the substance selection. For groundwater dependant ecosystems nitrogen, phosphate and chloride are selected. For drinking water nickel and arsenic are selected. When new data becomes available this provisional recommendation is updated. The level of the threshold value will be dealt with in a forthcoming report.
    • Drempelwaarden in grondwater: voor welke stoffen?

      Verweij W; Reijnders HFR; LER; LVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-12-05)
      Drempelwaarden voor grondwater zijn verplicht door de (Europese) Kaderrichtlijn Water. Er komen geen Europese voorschriften voor de stoffen waarvoor drempelwaarden moeten worden vastgesteld, noch voor de hoogte van drempelwaarden. Dit rapport bevat adviezen welke criteria zouden moeten worden toegepast om stoffen te selecteren voor het afleiden van een drempelwaarde. Het RIVM adviseert om drempelwaarden vast te stellen voor stoffen waar grondwaterafhankelijke ecosystemen schade door ondervinden. Daarnaast beveelt het RIVM aan drempelwaarden vast te stellen voor stoffen die in grondwater boven de drinkwaternorm dreigen uit te komen. Ook worden voorlopige adviezen gegeven voor de stofkeuze. Voor grondwaterafhankelijke ecosystemen zijn dat stikstof, fosfaat en chloride. Voor de drinkwaterfunctie zijn dat nikkel en arseen; dit advies is echter gebaseerd op gegevens die nog moeten worden geactualiseerd. De hoogte van de drempelwaarden komt in een vervolgrapport aan bod.
    • Drie jaar integrale bekostiging van diabeteszorg : Effecten op zorgproces en kwaliteit van zorg

      Struijs JN; de Jong-van Til JT; Lemmens LC; Drewes HW; de Bruin SR; Baan CA; PZO; vz (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-04-24)
      Sinds 2007 is het mogelijk om standaard diabeteszorg door middel van een keten-dbc diabetes via zorggroepen te bekostigen. In dit rapport worden de effecten van dit nieuwe bekostigingsmodel (integrale bekostiging (IB)) op het zorgproces en de kwaliteit van de diabeteszorg beschreven. Er zijn diverse veranderingen in het zorgproces zichtbaar. Zo zijn veel taken van de huisarts gedelegeerd naar de praktijkondersteuner en worden oogcontroles vaker uitgevoerd door een optometrist in plaats van de oogarts. De patiënt wordt nog te weinig betrokken bij het zorgproces. Zelfmanagementondersteuning is nog niet goed ontwikkeld. Ook wordt de patiënt niet altijd geïnformeerd over het feit dat hij voor de diabeteszorg is aangesloten bij een zorggroep. Het effect van IB op de kwaliteit van zorg is niet eenduidig te interpreteren. Er zijn (kleine) verbeteringen in procesen uitkomstindicatoren te zien. Deels door kwaliteitsverbetering en deels door verbetering in het registratieproces. Zo is het percentage patiënten met een systolische bloeddruk of cholesterolgehalte onder de streefwaarde toegenomen met respectievelijk 6 en 10 procentpunten. De klinische relevantie van de verbeteringen zijn onduidelijk. Langetermijneffecten, zoals het voorkomen of uitstellen van complicaties, zijn nog niet aan te tonen. De transparantie van de kwaliteit van de zorg is toegenomen maar nog steeds onvoldoende. ICT-systemen voldoen nog niet aan de toenemende informatiebehoefte van alle betrokkenen en er is ook te weinig eenheid in het registeren van zorggegevens. Inzicht in effecten van IB op de lange termijn is belangrijk om IB op zijn waarde te kunnen schatten.
    • Drijvende krachten achter technologieontwikkeling in productiesectoren. Schets van een expertondersteunende methodiek voor prognoses

      Schijndel MW van; Ros JPM; LAE (2000-06-30)
      De kans dat en de termijn waarop de ontwikkeling van een nieuwe technologie zal leiden tot marktintroductie hangen samen met algemene karakteristieken van die specifieke technologie en van de sociale omgeving waarin de technologie zich ontwikkelt. Het RIVM heeft een verkennende studie uitgevoerd naar de drijvende krachten achter technologieontwikkeling in productieprocessen, waarbij de rol die diverse actoren in de ontwikkeling spelen van groot belang is. Op basis van recente wetenschappelijke inzichten in de technologiedynamica is een lijst van factoren opgesteld, die de drijvende krachten achter technologieontwikkeling karakteriseren. Speciale aandacht is gegeven aan de invloed van overheidsbeleid. Historische casestudies zijn uitgevoerd om inzicht te krijgen in praktijkwaarden voor de lengte van (delen van) ontwikkelingstrajecten van milieurelevante technologieen. Onderzocht is hoe de totale lengte van (delen van) ontwikkelingstrajecten samenhangen met algemene karakteristieken van een specifieke technologie. De studie heeft geresulteerd in een schets van een prognosemethodiek, waarin met name aangegeven is welk type beleid (via welke typen beleidsinstrumenten) hierop van invloed is. Deze methode kan experts met kennis van productiesectoren en van nieuwe milieurelevante technologie6n ondersteunen bij het maken van inschattingen omtrent de kans waarmee en de termijn waarop die nieuwe technologie6n tot marktintroductie kunnen komen.
    • Drijvende krachten achter technologieontwikkeling in productiesectoren. Schets van een expertondersteunende methodiek voor prognoses

      Schijndel MW van; Ros JPM; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-06-30)
      Both the chance that a new specific technology under development will lead to introduction on the market and the period in which this introduction takes place are connected with the general characteristics of that specific technology and the social environment in which it is developing. The National Institute of Public Health and the Environment in the Netherlands has carried out an exploratory study on the driving forces connected with technology development in production processes, in which the interaction between the various actors involved is considered to be of great importance. Based on recent scientific insights into technology dynamics, a list of factors characterizing the driving forces connected with technology development has been drawn up. Special attention has been given to the influence of public policy. Historical case studies were also carried out to gain insight into the length of the various (parts of) technology trajectories in practice for new technologies reducing environmental problems. Investigated was the way the total length (in years) of a development trajectory is connected with general characteristics of a specifc technology. The study has resulted in an outline of a technology forecasting methodology, in which particularly the possible influences of different types of public policy instruments are indicated. This methodology can support experts with knowledge on industrial sectors and new technologies that might reduce environmental problems in these sectors. They then will be able to both assess the chance of a new technological development leading to a specific commercial application and estimate the time this will take.
    • Drijvende krachten van de voedselconsumptie en het voedselaanbod : Achtergrondrapport bij 'Wat ligt er op ons bord? Veilig, gezond en duurzaam eten in Nederland.'

      Zantinge EM; van Bakel AM; van Loon AJM; Ocke MC; DCZ; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-03-28)
      Dit rapport is het resultaat van een literatuuronderzoek naar drijvende krachten, ofwel maatschappelijke ontwikkelingen en trends, die invloed hebben op de voedselconsumptie en het voedselaanbod. De meeste krachten spelen zowel in Nederland als mondiaal een rol. De drijvende krachten kunnen ingedeeld worden over demografische, economische, sociaal-culturele, technologische, ecologische en politieke factoren (DESTEP). De drijvende krachten vormen belangrijke input voor het interpreteren van de veranderingen in de Nederlandse voedselconsumptie en het verkennen van de toekomstige voedselconsumptie. De belangrijkste drijvende krachten zijn de groei van de wereldbevolking, klimaatverandering, globalisering, stijgende welvaart, stijgende voedselprijzen en technologische innovaties. - De groei van de wereldbevolking leidt wereldwijd tot een grotere vraag naar voedsel. Dit kan leiden tot de uitputting van de hulpbronnen, vooral in ontwikkelingslanden, waardoor de voedselproductie in gevaar komt. - De verandering van het klimaat bepaalt waar en wanneer ons voedsel verbouwd kan worden. De gevolgen van de klimaatverandering zijn ook merkbaar in Nederland, maar in overige delen van de wereld zal het nog meer effect hebben. Klimaatverandering heeft ook effect op migratie. Door migratie zal de competitie voor voedsel en water toenemen. - Door globalisering is het aanbod sterk uitgebreid. Door fusies en machtsconcentraties wordt het aanbod steeds meer bepaald door een steeds kleinere groep internationale bedrijven. - Door de stijgende welvaart mondiaal neemt de vraag naar vlees en zuivel in hoog tempo toe. De consumptie van dierlijk eiwit (vooral vlees) leidt tot meer uitputting van de aarde dan de consumptie van plantaardig eiwit. - De verwachting is dat de voedselprijzen in de toekomst zullen stijgen. De welvaart in een land bepaalt hoeveel mensen bereid zijn te betalen voor voedsel. Binnen Nederland zullen er groepen zijn die moeite hebben om deze hogere prijzen te kunnen blijven betalen. Dit is bepalend voor hun voedingspatroon.- Bij technologische innovaties gaat het bijvoorbeeld om nieuwe voedingsbronnen (zoals algen of insecten), bestrijdingsmiddelen, wijzen van transport, toevoegingen en bereidingswijzen. Dit rapport is een achtergrondstudie voor de rapportage 'Wat ligt er op ons bord? Gezond, veilig en duurzaam eten in Nederland' van het RIVM die op 24 januari 2017 is verschenen. Hierin worden de aspecten van gezond, veilig en ecologisch duurzaam voedsel geïntegreerd weergegeven.
    • Drinking water in river basin management plans of EU Member States in the Rhine and Meuse river basins

      Wuijts S; Zijp MC; Reijnders HFR; IMG ; LER ; CMM; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-04-01)
      De stroomgebiedbeheerplannen (SGBP'en) van de Rijn- en Maasoeverstaten bevatten in de eerste planperiode (2009-2015) weinig specifieke maatregelen om de kwaliteit van bronnen voor drinkwater te verbeteren. Het is daardoor waarschijnlijk dat Nederlandse oppervlaktewaterbronnen voor drinkwater niet zullen voldoen aan het streefdoel van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zoals dat is geformuleerd in artikel 7.3. Met dit artikel wordt ernaar gestreefd om de waterkwaliteit te verbeteren waardoor minder inspanning nodig is om het te zuiveren tot drinkwater. Dit concludeert het RIVM bij de beoordeling van deze plannen in opdracht van het ministerie van VROM. De KRW draagt lidstaten op om SGBP'en op te stellen. De plannen moeten een goede toestand van grond- en oppervlaktewater zeker stellen door middel van meet- en maatregelenprogramma's. Voor drinkwater gelden specifieke doelstellingen. Maatregelen van de Rijn- en Maasoeverstaten zijn noodzakelijk om in Nederland de kwaliteit van het oppervlaktewater te verbeteren en daarmee de zuiveringsinspanning te verminderen De kwaliteit van dit water wordt namelijk sterk bepaald door de aanvoer uit landen als Duitsland, Belgie en Frankrijk. Nederland gebruikt naast oppervlaktewater ook grondwater als bron voor drinkwaterproductie. Voor grondwaterbronnen voor drinkwater is het onduidelijk of met de uitvoering van de SGBP'en de bestaande kwaliteitsknelpunten worden opgeheven. Deze knelpunten, zoals niet-verwijderde bodemverontreinigingen, zijn vooral lokaal van aard en worden niet of nauwelijks beinvloed door de buurlanden. Ten slotte heeft VROM gevraagd hoe het ambitieniveau van Nederland zich verhoudt tot andere lidstaten. De aanpak van Nederland bij de bescherming van drinkwaterbronnen blijkt vergelijkbaar met die van andere Rijn- en Maasoeverstaten.
    • Drinkwater in stroomgebiedbeheerplannen Rijn- en Maasoeverstaten

      Wuijts S; Zijp MC; Reijnders HFR; IMG; LER; CMM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-02-19)
      De stroomgebiedbeheerplannen (SGBP'en) van de Rijn- en Maasoeverstaten bevatten in de eerste planperiode (2009-2015) weinig specifieke maatregelen om de kwaliteit van bronnen voor drinkwater te verbeteren. Het is daardoor waarschijnlijk dat Nederlandse oppervlaktewaterbronnen voor drinkwater niet zullen voldoen aan het streefdoel van de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zoals dat is geformuleerd in artikel 7.3. Met dit artikel wordt ernaar gestreefd om de waterkwaliteit te verbeteren waardoor minder inspanning nodig is om het te zuiveren tot drinkwater. Dit concludeert het RIVM bij de beoordeling van deze plannen in opdracht van het ministerie van VROM. De KRW draagt lidstaten op om SGBP'en op te stellen. De plannen moeten een goede toestand van grond- en oppervlaktewater zeker stellen door middel van meet- en maatregelenprogramma's. Voor drinkwater gelden specifieke doelstellingen. Maatregelen van de Rijn- en Maasoeverstaten zijn noodzakelijk om in Nederland de kwaliteit van het oppervlaktewater te verbeteren en daarmee de zuiveringsinspanning te verminderen De kwaliteit van dit water wordt namelijk sterk bepaald door de aanvoer uit landen als Duitsland, Belgie en Frankrijk. Nederland gebruikt naast oppervlaktewater ook grondwater als bron voor drinkwaterproductie. Voor grondwaterbronnen voor drinkwater is het onduidelijk of met de uitvoering van de SGBP'en de bestaande kwaliteitsknelpunten worden opgeheven. Deze knelpunten, zoals niet-verwijderde bodemverontreinigingen, zijn vooral lokaal van aard en worden niet of nauwelijks beinvloed door de buurlanden. Ten slotte heeft VROM gevraagd hoe het ambitieniveau van Nederland zich verhoudt tot andere lidstaten. De aanpak van Nederland bij de bescherming van drinkwaterbronnen blijkt vergelijkbaar met die van andere Rijn- en Maasoeverstaten.
    • Drinkwateraspecten en de Kaderrichtlijn Water, bescherming van drinkwater uit oppervlaktewater

      Wuijts S; Rijswick HFMW van; Universiteit Utrecht, Departement Rechtsgeleerdheid, Disciplinegroep Staats- en Bestuursrecht, Centrum voor Omgevingsrecht en -beleid/NILOS (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-02-06)
      The Water Framework Directive (WFD, 2000) ensures sustainable availability of good quality groundwater and surface water. Current drinking-water directives are partially addressed in the WFD, along with 'new' obligations such as the river basin approach. Existing regulations on substances and standards related to drinking-water production also conflict with each other. This report, ordered by the Dutch Ministry of Housing, Spatial Planning and the Environment (VROM) describes the influence of the implementation of the WFD on the protection of drinking-water resources. Streamlining standards and substances in the different relevant national pieces of legislation is advised in the report. In this way, discussions are clarified between water administrator and drinking-water company on the substances that cause problems in drinking-water production. Besides elaborating on the consequences of the WFD, the report also documents the implications for other regulations, for example, the one on spatial planning. The WFD aims to achieve a level of protection at least equivalent to that provided in earlier legislation. There is already an obligation to deliver results with respect to the protection of drinking-water resources. New is the river-basin approach set out in the WFD. This means that in water management, the effect on downstream water quality needs to be taken into account, especially when specific quality standards (e.g. drinking-water resources) are involved. This holds for measures that directly influence water quality, such as the issue of permits for spills and the use of pesticides. However, this is also true for the admission of new substances to the market and the formulation of quality standards with neighbouring countries at border crossings situated in a river basin. According to the WFD it is mandatory for European Member States to identify water bodies containing drinking-water abstraction points in a so-called 'Register of protected areas' and to carry out measures to achieve drinking-water objectives assessed at the abstraction point. One possible measure is to draw up a dossier, set up by all parties involved, and offer a framework for suitable protection and measures for that area. This measure is designed to accommodate the fact that each drinking-water resource (lake, canal and river) reacts specifically to pollution, and that the influence of such spatial factors as agricultural or industrial areas, varies per resource. Firmly establishing water quality in the spatial planning policy is advised, for example, to reduce point and diffuse pollution. The current Water Assessment is an inadequate instrument in this regard.
    • Drinkwaterbereiding uit oppervlaktewater: verkennende analyse herkomst vier geneesmiddelen : Carbamazepine, metoprolol, metformine, amidotrizoïnezuur

      van der Aa NGFM; Moermond CTA; Meijers E; Bak-Eijsberg CI; DDB; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMDeltares, 2015-01-07)
      Restanten van humane geneesmiddelen komen voornamelijk via gezuiverd rioolwater in het oppervlaktewater terecht. Aangezien oppervlaktewater wordt gebruikt voor de drinkwaterproductie, is het van belang dat dit water zo min mogelijk verontreinigingen bevat. Daarom is met een rekenmodel onderzocht in hoeverre de waterkwaliteit bij de innamepunten voor de drinkwaterproductie wordt beïnvloed door restanten uit Nederlands rioolwater, dan wel door de aanvoer uit het buitenland via de Rijn en de Maas. Het onderzoek is uitgevoerd door het RIVM samen met kennisinstituut Deltares en richt zich op vier geneesmiddelen. Deze middelen worden door de drinkwaterbedrijven als probleemstoffen beschouwd. Er bestaan nog geen wettelijke normen voor. Het gaat om metformine, een medicijn tegen diabetes type 2, carbamazepine, een anti-epilepticum, metoprolol, een bloeddrukverlager en amidotrizoïnezuur, een röntgencontrastmiddel. De bijdragen vanuit het buitenland en Nederland blijken sterk te verschillen per stof, per rivier en per innamepunt. Ook is de hoeveelheid water die door de rivieren wordt aangevoerd van invloed. Bij de innamepunten langs de Maas zijn zowel de buitenlandse aanvoer als emissies vanuit Nederlandse rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's) van belang voor de waterkwaliteit. Met name in droge perioden is de invloed van gezuiverd rioolwater vanuit Nederland groter. Bij de meeste innamepunten langs de Rijn is de buitenlandse aanvoer via de Rijn belangrijker, zelfs in droge perioden. Een uitzondering vormt metoprolol, waarvoor de bijdrage vanuit Nederlandse rwzi's het grootst is. Dit komt doordat dit middel in Nederland meer wordt gebruikt dan in het buitenland. Op basis van de bevindingen kan worden bepaald welke maatregelen effectief zijn om de concentraties van deze geneesmiddelen bij de innamepunten voor drinkwater te verlagen. Zowel bij de Rijn als de Maas zal de waterkwaliteit verbeteren als de emissies in het buitenland dalen. Als emissies vanuit Nederlandse rwzi's afnemen, heeft dat een groter effect bij de innamepunten langs de Maas dan langs de Rijn, vooral stroomafwaarts. De bevindingen zijn ondermeer relevant voor de strategie die de Europese Commissie momenteel ontwikkelt met betrekking tot de aanpak van waterverontreiniging door restanten van geneesmiddelen. De conclusies zijn gebaseerd op een landelijk model met daarbij passende schematisatie. Lokaal kan het beeld anders zijn, evenals bij kleinere wateren in Nederland die niet zijn meegenomen in deze studie.
    • De drinkwaterkwaliteit in Nederland van 1992 tot 2002 - Een overzicht van tien jaar kwaliteitsbewaking

      Versteegh JFM; Morgenstern PP; Biesebeek JD Te; IMD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-11-19)
      The Minister for Housing, Spatial Planning and the Environ-ment (VROM) informs the Dutch Parliament every year on the quality of the drinking water in the Netherlands. The drinking water quality has been overviewed in this report for a ten-year period, from1992 to 2002. From the digital data sent yearly from the Dutch Water Supply Companies to the Inspectorate of the VROM Ministry, drinking water has, in general, been found to be of fairly good quality. For almost all the quality parameters compliance was found to be over 99.5 percent, making non-compliance usually incidental. For the parameters,iron and manganese, occurring in the drinking water of the distribution networks, the slight decreases in percentages of non-compliance were found due to poor maintenance of the networks, although there are still a few production sites showing non-compliance for one or more parameters (manganese, pH) every year. Yearly, 4 to 7 different pesticides are found in drinking water on an incidental basis, bentazon being the most frequently detected. Although the drinking-water quality is fairly high, monitoring the whole drinking-water production chain from 'source to tap' is very important for production of safe drinking water.
    • De drinkwaterkwaliteit in Nederland van 1992 tot 2002 - Een overzicht van tien jaar kwaliteitsbewaking

      Versteegh JFM; Morgenstern PP; te Biesebeek JD; IMD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-11-19)
      In Nederland voldoet het drinkwater bijna altijd aan de kwaliteitseisen en is dus veilig en gezond. Voor bijna alle parameters voldoet meer dan 99,5 procent van de monsters aan de norm. Incidentele normoverschrijdingen komen voor en zullen ook in de toekomst voor blijven komen. Bewaking van de grondstof en de productkwaliteit zal ook in de toekomst een belangrijke activiteit van de drinkwatersector blijven. De productie van drinkwater wordt in Nederland uitgevoerd door waterbedrijven waarvan de aandelen in handen van de (regionale) overheden zijn. De Minister van VROM is door middel van de Waterleidingwet verantwoordelijk voor de kwaliteit van het drinkwater voor de consument. In dit kader wordt jaarlijks aan het Parlement gerapporteerd. Dit rapport geeft een overzicht van de afgelopen tien jaar. Opvallend is de afname van het aantal waterbedrijven van 43 in 1992 tot 14 in 2004. Fusies van bedrijven om de efficiency en de slagvaardigheid te verhogen liggen hieraan ten grondslag. De productie van drinkwater is redelijk constant gebleven (ca. 1250 Miljoen m3). De kwaliteit van drinkwater wordt vastgesteld aan de hand van chemische, fysische en microbiologische parameters. In het algemeen is er een verbetering opgetreden voor de indicatorparameters (ammonium, ijzer, mangaan). Pompstations waar het zuiveringsproces niet optimaal functioneerde zijn gerenoveerd of soms gesloten. Colibacterien (indicatoren voor fecale verontreinigingen) komen jaarlijks op circa tien, steeds andere, productielocaties in enkele monsters voor. Indien noodzakelijk wordt een kookadvies gegeven. De aandacht voor deze microbiologische indicatorparameters blijft belangrijk vooral omdat het drinkwater op de meeste locaties niet wordt gedesinfecteerd.
    • Drinkwaterkwaliteit in nieuwbouwwoningen

      Wuijts S; Slaats PGG; Versteegh JFM; Meerkerk MA; MEV; IMD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMKiwa Water Research, 2008-04-24)
      Drinkwater in nieuw gebouwde woningen bevat vaak verhoogde gehalten lood, nikkel en koper. Daardoor voldoet het drinkwater in deze woningen niet aan de eisen van het Waterleidingbesluit. Mogelijk is de kwaliteit van het drinkwater ook bij oplevering van de woning onvoldoende. Vooralsnog is echter geen sprake van acute gezondheidsrisico's. De normstelling gaat uit van een langdurige blootstelling aan deze metalen, en dat is in deze situatie waarschijnlijk niet het geval. Dit probleem kan verholpen worden door voor de oplevering langdurig en tijdens de eerste maanden van bewoning dagelijks 's ochtends de kranen een aantal minuten te laten lopen. Bewoners dienen hierover beter geinformeerd te worden door de installateur of het waterleidingbedrijf. Dit concludeert het RIVM nadat het de drinkwaterkwaliteit in bijna honderd nieuwbouwwoningen heeft onderzocht. Het onderzoek is uitgevoerd in samenwerking met Kiwa Water Research en een aantal waterleidinglaboratoria. In vrijwel alle onderzochte nieuwbouwwoningen zijn de verhoogde gehalten metalen aangetroffen. Ze zijn afkomstig uit gebruikte materialen zoals, kranen, koppelingen, soldeer en leidingen. Nieuwe materialen geven gedurende de eerste maanden metalen af. Ook zijn hoge aantallen bacterien aangetroffen. Er zijn echter geen aanwijzingen dat er ziekteverwekkende organismen in het drinkwater zitten.
    • Droge depositie: een geautomatiseerd gradient-systeem

      Haan D de (1988-10-31)
      Voor de bepaling van de depositiesnelheid voor droge depositie van SO2 en de oppervlakteweerstand Rs is een automatische meetopstelling gebouwd volgens de gradientmethode. De opstelling is circa 4 maanden geplaatst bij het meetstation Zegveld, van het Landelijke Meetnet Luchtkwaliteit, in een gebied met grasland. In het algemeen bleek de opstelling goed te kunnen functioneren terwijl de optredende storingen meestal externe oorzaken hadden. De bepalingen van de gemeten grootheden windsnelheid, standaarddeviatie van windrichting, temperatuur, nettostraling en SO2-concentratie zijn betrouwbaar. Binnen het theoretische concept komen de gevonden waarden voor de depositiesnelheid vd en de transportweerstanden, Ra, Rb en Rs niet goed overeen. De verschillen zijn waarschijnlijk terug te voeren op schalingsfouten. Overigens blijkt enerzijds het theoretisch concept wel vrij goed te voldoen bij hoge windsnelheden (>4 m/s). Er volgt dan vd=2,0 +/- 0,4 cm/s, Rs is ca. 25 s/m. Anderzijds leidt een aanpassing van de dimensieloze temperatuursgradient phi-h bij neutrale stabiliteit tot de volgende resultaten: phi-h=1,5 + 8 z/L en vd is ca. 1 cm/s.
    • Drogedepositiemetingen van ammoniak in Natura 2000-gebied Bargerveen

      Stolk A; Noordijk H; van Zanten MC; ILG; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-06-09)
      De gemiddelde droge depositie van ammoniak in Natura 2000-gebied Bargerveen (Drenthe) ligt per jaar tussen 7 en 10 kilo stikstof (N) per hectare. Dit blijkt uit metingen van het RIVM, die tussen september 2011 en september 2012 zijn uitgevoerd. Het is de eerste keer dat de droge depositie van ammoniak gerapporteerd wordt op basis van metingen met de zogeheten COTAG-opstelling (Conditional Time Averaged Gradient). Droge depositie is een proces waarbij ammoniak vanuit de lucht neerslaat, zonder dat daar neerslag aan te pas komt. Natura 2000 is een Europees netwerk van natuurgebieden waar planten en dieren worden beschermd. De metingen zijn in opdracht van het ministerie van Economische Zaken uitgevoerd in het kader van de aanpak van de hoge stikstofdepositie op de Nederlandse natuur (Programmatische Aanpak Stikstof, PAS). Door een overmaat aan stikstof vermest de natuur, waardoor het aantal soorten dieren en planten afneemt. In Nederlandse natuurgebieden draagt ammoniak, dat voornamelijk afkomstig is uit de landbouw, in belangrijke mate bij aan de totale stikstofdepositie. De totale stikstofdepositie op Natura 2000 gebieden wordt met modelberekeningen bepaald. Meetgegevens zijn belangrijk om de berekeningen te toetsen. De COTAG-opstelling is in het Verenigd Koninkrijk ontwikkeld en de afgelopen jaren binnen een Europees onderzoeksproject (NitroEurope) in meerdere landen gebruikt. Het meet de ammoniakconcentratie op twee hoogtes, waarna deze gegevens worden gecombineerd met meteorologische gegevens over windsnelheid en temperatuur om de droge depositie te bepalen. Meteorologische omstandigheden zijn namelijk van invloed op de mate waarin de concentraties tussen de twee hoogte 'uitwisselen'. Op basis van de resultaten van dit eerste meetjaar lijkt de COTAGmeetopstelling geschikt om de droge ammoniakdepositie in Nederland te meten. De resultaten komen onder andere overeen met de metingen van de ammoniakconcentraties die vanuit het Meetnet Ammoniak in Natuurgebieden in Bargerveen zijn uitgevoerd. Dit meetnet, opgezet in 2005, meet de concentraties ammoniak in een zestigtal natuurgebieden in Nederland.
    • Drugs of abuse and tranquilizers in Dutch surface waters, drinking water and wastewater : Results of screening monitoring 2009

      van der Aa NGFM; Dijkman E; Bijlsma L; Emke E; van de Ven BM; van Nuijs ALN; de Voogt P; IMG; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMKWR Watercycle Research InstituteResearch Institute for Pesticides and WaterUniversity Jaume ISpainUniversity of AntwerpBelgium, 2011-05-09)
      In oppervlaktewater van de Rijn en de Maas zijn lage concentraties aangetoond van twaalf stoffen die zijn opgenomen in de Opiumwet. Het gaat om stoffen uit de groepen amphetaminen, slaap- en kalmeringsmiddelen (barbituraten en benzodiazepinen) opiaten en cocaïne. De meeste van deze stoffen worden verwijderd of sterk in concentratie verlaagd tijdens de drinkwaterzuivering. In het drinkwater worden uiteindelijk nog drie stoffen aangetroffen, allen barbituraten. De concentraties zijn zeer laag (maximaal 12 nanogram per liter). Hiermee worden de gezondheidskundige risiconormen voor drinkwater niet overschreden. Het is raadzaam om de aanwezigheid van deze stoffen in het watersysteem te blijven volgen met het oog op mogelijke effecten op de volksgezondheid op lange termijn. Daarnaast wordt aanbevolen om de mogelijke effecten op het ecosysteem te onderzoeken. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, in opdracht van de VROM-Inspectie van het ministerie van Infrastructuur & Milieu. Het onderzoek is uitgevoerd in samenwerking met KWR Watercycle Research Institute en het Research Institute for Pesticides and Water van de Spaanse Universiteit Jaume I. In totaal zijn 65 watermonsters onderzocht op de aanwezigheid van 37 verschillende drugs en afbraakproducten. Behalve oppervlaktewater en drinkwater is ook stedelijk afvalwater onderzocht. De aangetroffen stoffen konden worden opgespoord dankzij geavanceerde meettechnieken die sinds kort beschikbaar zijn, maar zijn waarschijnlijk al aanwezig in het watersysteem sinds mensen ze gebruiken. Een substantieel deel van de onderzochte stoffen in de Maas en Rijn komt vanuit het buitenland. Vervolgens draagt ook het afvalwater van rioolwaterzuiveringsinstallaties in Nederland hieraan bij. De gevonden concentraties in Nederlands afvalwater zijn van dezelfde ordegrootte als de concentraties in andere West-Europese landen. Met behulp van de gemeten concentraties was het mogelijk om de cocaine consumptie in een aantal steden te schatten en met elkaar te vergelijken.
    • Dry deposition monitoring over the Speulder forest. Description of the equipment and evaluation of the measuring methods

      Mennen MG; Uiterwijk JW; Putten EM van; Hellemond J van; Wiese CJ; Regts TA; Hogenkamp JEM; Erisman JW; Bosveld FC; Wyers GP; et al. (1997-03-31)
      Dit rapport maakt deel uit van een serie rapporten, die geschreven zijn als afsluiting van de projecten Speuld (RIVM project 722108) en EC LIFE (93/NL/A23/NL/3547). Het rapport bevat een uitgebreide beschrijving van de opstelling voor de continue bepaling (monitoring) van droge depositiefluxen van verzurende componenten in het Speulderbos, en een evaluatie van de instrumenten en van de opstelling als geheel. Ook wordt een gedetailleerde foutenanalyse gegeven van de gas- en deeltjesfluxen die uit de meetgegevens zijn afgeleid, en worden enkele suggesties voor verbeteringen en correctieprocedures voor de fluxberekeningen gedaan. Uit de foutenanalyse volgt dat de fluxen van SO2, NH3 en NO met voldoende nauwkeurigheid kunnen worden bepaald. De onzekerheden in jaargemiddelde fluxen bedragen slechts een paar procent. Voor NOx en NO2 zijn de onzekerheden in uur- en jaargemiddelde fluxen veel groter, vooral door systematische fouten veroorzaakt door interferenties van HNO2, HNO3 and NH3, waardoor de fluxen 50% tot 100% overschat worden. In de toekomst kunnen de onzekerheden aanzienlijk worden gereduceerd door frictiesnelheden en sensibele warmtefluxen te corrigeren voor obstructie van de flow ; door sensibele warmtefluxen te corrigeren voor de invloed van vocht en windsnelheid ; en door gasconcentraties te corrigeren voor drukeffecten en interferenties. Voor dit laatste is het noodzakelijk de concentraties en gradienten van de interfererende componenten ook continu te meten ; eventueel kunnen de gradienten worden geschat uit geparametriseerde depositiesnelheden. De correctieprocedures worden in dit rapport beschreven. De onzekerheden in fluxen van HNO2, HNO3, HCl en deeltjesvormige componenten werden geschat op 30% voor de zure gassen, 40% voor de zure aerosolen en basische kationen en 50% voor de zware metalen. Ze worden vooral bepaald door onzekerheden in geparametriseerde depositiesnelheden.