• Dunnelaag chromatografische methoden voaor het aantonen van transquillizers en beta-blokkeerders in nieren van slachtvarkens

      Olling M; Besamusca P (1987-03-31)
      Een dunnelaagchromatografische methode werd aangepast voor de bepaling van de tranquillizers acepromazine, azaperon, chloorpromazine, haloperidol, propiopromazine en xylazine en de beta-blokkeerder carazolol in nieren van slachtvarkens. Na vloeistof/vloeistofextractie van nierhomogenaten wordt een clean-up uitgevoerd met een Sep-Pak kolommetje. De scheiding wordt uitgevoerd op ee n dunnelaagchromatografie-plaat (HPTLC, kieselgel) en de stoffen worden aangetoond onder UV licht en na bespuiten met Dragendorffreagens. De ondergrenzen voor de bepaling liggen tussen de 0,5 mu g/g voor xylazine en 0,02 mu g/g voor acepromazine. De ontwikkelde methode is geschikt als screeningsmethode in varkensnieren voor azaperon en propioprozine. Voor de overige verbindingen dient nader vastgesteld te worden of de hier bepaalde ondergrenzen voldoende laag zijn voor het aantonen van de stoffen in varkensnieren.
    • Duplicaat 24 uurs voedingen 1994 - inname aan calcium, magnesium, barium, strontium en mangaan

      Loon JW van; Ooik A van; Ritsema R; LAC (1998-07-20)
      In 1994 zijn 123 duplicaten van 24-uurs voedingen verzameld, gevriesdroogd en nadien onderzocht. Op basis van de analyseresultaten is de dagelijkse inneming aan calcium (Ca), magnesium (Mg), barium (Ba), strontium (Sr) en mangaan (Mn) door evenzovele consumenten van deze voedingen vastgesteld. De gehalten aan genoemde elementen in het gevriesdroogde materiaal zijn bepaald door analyseporties te ontsluiten in een drukvat gevolgd door metingen met 'Inductively Coupled Plasma (ICP) - Optical Emmision Spectrometry' en zijn een 'bijvangst' bij de gehaltebepaling van andere, beoogde, elementen. De prestatiekenmerken van de Ca, Mg en Mn analyses zijn geverifieerd door onderzoek van het gecertificeerde referentiemateriaal 'Total Diet' van het Agricultural Research Centre te Finland en herhaalde analyses van monstermateriaal. Deze resultaten zijn bevredigend. De dagelijkse inneming aan Ca is 1015 mg (259 - 2955 mg), aan Mg 305 mg (139 - 790 mg) en aan Mn 3,6 mg (1,2 - 8,6 mg). De innemingen zijn gemiddeld voldoende in vergelijking met de aanbevolen hoeveelheden. De kwaliteit van Ba en Sr analyses zijn slechts ondersteund door herhaalbaarheidsmetingen. De reproduceerbaarheid van de Sr bepalingen zijn bevredigend, echter in enkele gevallen is die ten aanzien van de Ba-analyses teleurstellend. Bij gebrek aan referentiemateriaal hebben de vastgestelde dagelijkse innemingen derhalve een indicatief karakter en bedragen voor Ba gemiddeld 0,48 mg met als bereik 0,19 - 1,30 mg en voor Sr 1,31 mg, bereik 0,66 - 3,60 mg. Een extreem hoge Ba-inname, die is bepaald op 17,6 mg, is onverklaard gebleven en derhalve niet bij de voornoemde indicatie betrokken.
    • Duplicaat 24 uurs voedingen 1994 - inname aan lood en cadmium

      Loon JW van; Joode P de; Ooik A van; Ritsema R; LAC (1998-07-30)
      Beschreven worden de resultaten van het onderzoek naar de dagelijkse inname aan lood en cadmium via de voeding, inclusief drank en drinkwater. Hiervoor werden 123 duplicaten van 24-uurs voedingen verzameld in de regio Utrecht waarbij twee groepen vrijwilligers werden geselecteerd die, sociaal en qua leeftijd, een zo getrouw mogelijk beeld vormden van de Nederlandse volwassen bevolking. Een groep (n=62) bemonsterde hun voeding in maart 1994, de tweede groep (n=61) in september 1994. De 24-uurs voedingen werden verzameld en gehomogeniseerd waarna deelporties werden gevriesdroogd en opnieuw gehomogeniseerd. Het gehalte aan lood en cadmium werd bepaald door analyseporties van de gevriesdroogde monsters met salpeterzuur te ontsluiten in een microgolfoven, gevolgd door metingen met vlamloze atoomabsorptie met Zeeman achtergrondcorrectie. Uit de resultaten van het onderzoek werd de dagelijkse lood- en cadmiuminname via de voeding door de respondenten berekend. De resultaten van meervoudige analyses van diverse monsters en van het gecertificeerde referentiemateriaal "Total Diet", van het Agricultural Research Centre te Finland voldoen voor beide elementen aan de prestatiekenmerken van de toegepaste methode. De neerwaartse trend in loodbelasting, vastgesteld in de twee voorgaande, vergelijkbare studies in 1976/1978 en in 1984/1985, zette door. Ten opzichte van 1984/1985 is de loodinname bijna gehalveerd. De dagelijkse cadmiuminname veranderde daarentegen nauwelijks.In dit 24-uurs voedingenonderzoek bedroeg de gemiddelde inname per dag 17,9 �g lood (bereik 4,1 tot 134 �g) en 11,4 �g cadmium (bereik 3,4 tot 29,0 �g). De dagelijkse inname door mannen (n=60) was gemiddeld 19,5 �g lood (bereik 4,1 tot 96,6 �g) en 11,4 �g cadmium (bereik 3,4 tot 29,0 �g). Minder voeding met een relatief hoger vochtgehalte leidde bij vrouwen tot lagere lood- en cadmiuminnamen. De gemiddelde inname door de vrouwelijke respondenten (n=63) bedroeg 16,5 �g lood (bereik 4,7 tot 134 �g) en 10,2 �g cadmium (bereik 3,6 tot 27,1 �g). De FAO/WHO adviseert (voorlopig) een toelaatbare wekelijkse inname van 25 �g lood en 7 �g cadmium per kg lichaamsgewicht, wat neerkomt op een maximaal toelaatbare dagelijkse inname van 3,6 �g lood en 1,0 �g cadmium. De dagelijkse innamen aan beide elementen van alle respondenten lagen ruim beneden deze normen. Per kg lichaamsgewicht werd gemiddeld 0,25 �g lood (bereik 0,05 tot 2,17 �g) en 0,15 �g cadmium (bereik 0,05 tot 0,43 �g) ingenomen.
    • Duplicaat 24-uurs voeding onderzoek 1994 - Verzamelen en bewerken van het monstermateriaal

      Vaessen HAMG; Ooik A van; Loon JW van; Vliet JJH van; Kieft AJ; Burg G van den; Ritsema R; ARO (1995-12-31)
      In 1994 is door 123 vrijwilligers elk een duplicaat verzameld van hun voeding inclusief drank en drinkwater. De deelnemers aan deze studie zijn via een quota-steekproef geselecteerd door het voedings-enquetebureau AGB Fresh Foods in een gebied met een straal van circa 50 km rond Bilthoven en vormen een afspiegeling van de Nederlandse bevolking van 18-74 jaar. De studie is uitgevoerd in twee onderzoeksessies van telkens een week beginnend op maandag en eindigend op de daaropvolgende zondag. De eerste onderzoeksessie vond plaats in maart 1994, de tweede in september daaropvolgend. In maart namen 31 mannen en 31 vrouwen deel, in september waren dat 29 mannen en 32 vrouwen. De gemiddelde leeftijd van alle deelnemers was 44 jaar, het gemiddelde lichaamswicht 75 kg. De samenstelling van de quota-steekproef sluit zeer goed aan bij die van de 24-uurs duplicaat voeding studie uitgevoerd in 1984/1985 waaraan 110 vrijwilligers deelnamen. Het gemiddelde gewicht van de verzamelde monsters duplicaat 24-uurs voeding was 2603 gram, bereik 1491 tot 4449 gram. Door de vrouwen (N=63) werd gemiddeld 2452 gram totaal dieet verzameld met een bereik van 1491 tot 4160 gram. Deze getallen waren voor mannen (N=60) res-pectievelijk 2761 gram en 1639 tot 4449 gram. Een invloed van het seizoen op de gemiddeld verzamelde hoeveelheid voeding werd niet geconstateerd. Na het homogeniseren is elk verzamelmonster gesplitst in meerdere deelporties en is per verzamelmonster een portie van ca. 1 kg gevriesdroogd. Ten opzichte van het duplicaat 24-uurs voeding onderzoek 1984/1985 werd nu gemiddeld 16,5% meer voeding verzameld. De deelnemers aan de 1994 studie waren echter gemiddeld 5 kg zwaarder dan die in 1984/1985.
    • Duplicaat 24-uurs voedingen 1994 - seleeninname

      Loon JW van; Ooik A van; Ritsema R; LAC (1996-06-30)
      Beschreven worden de resultaten van het onderzoek naar de dagelijkse seleeninname met de voeding, inclusief drank en drinkwater. Hiervoor zijn 123 duplicaten van 24-uurs voedingen verzameld in de regio Utrecht waarbij twee groepen vrijwilligers zijn geselecteerd die, sociaal en qua leeftijd, een zo getrouw mogelijk beeld vormen van de Nederlandse volwassen bevolking. Een groep (n=62) bemonsterde hun voeding in maart 1994, de tweede groep (n=61) in september 1994. De 24-uurs voedingen zijn verzameld en gehomogeniseerd waarna deelporties zijn gevriesdroogd en opnieuw gehomogeniseerd. In het gevriesdroogd materiaal is het gehalte aan seleen bepaald door analyseporties te ontsluiten, het seleen vervolgens te complexeren tot 3,4-benzopiazselenol en het complex na extractie met cyclohexaan te meten met fluorescentie spectrometrie. Herhaalde analyses van porties gecertificeerd referentiemateriaal "Wholemeal Flour" (BCR 189) en van het onderzoeksmateriaal bevestigden dat de resultaten van deze bepalingen voldeden aan de prestatiekenmerken van de analysemethode. Als bron voor de seleenvoorziening verschillen de in het voorjaar verzamelde voedingen nauwelijks van de voedingen die in het najaar zijn verzameld. Daarom zijn de voedingen samengevoegd tot een studie met 123 monsters verzameld in 1994. De seleeninname door de respondenten in deze studie verschilt niet ten opzichte van die in de vergelijkbare studie uit 1984/1985. De respondenten hebben in 1994 gemiddeld 40 mug met een bereik van 14 mug tot 140 mug seleen per dag via de voeding ingenomen: mannen gemiddeld 44 mug per dag en vrouwen gemiddeld 35 mug per dag. Voor volwassenen hanteert de voormalige Voedingsraad 50 mug tot 150 mug seleen per dag als een adequaat gebied van inneming. Geen van de respondenten bleek meer dan 140 mug per dag via hun voeding in te nemen. Wel bleek dat 41 (68%) mannen en 55 (87%) vrouwen, met minder dan 50 mug per dag, een onvoldoende adequate seleeninname te hebben.
    • Duplicaat 24-uurs voedingen 1994 - ijzerinname -

      Ooik A van; Burg-van Essen G van den; Ritsema R; Loon JW van; Vaessen HAMG; LAC (1996-03-31)
      Beschreven worden de resultaten van het onderzoek naar de dagelijkse ijzerinname met de voeding, inclusief drank en drinkwater. Hiervoor zijn 123 duplicaten van 24-uurs voedingen verzameld in de regio Utrecht waarbij twee groepen vrijwilligers zijn geselecteerd die, sociaal en qua leeftijd, een zo getrouw mogelijk beeld vormen van de Nederlandse volwassen bevolking. Een groep (n=62) bemonsterde hun voeding in maart 1994 en de tweede groep (n=61) in september 1994. De voedingen zijn verzameld en gehomogeniseerd waarna deelporties zijn gevriesdroogd. Het gehalte aan ijzer is bepaald in het gevriesdroogde materiaal door analyseporties te ontsluiten, het ijzer vervolgens te complexeren met bathofenanthroline en het complex te meten met molecuul absorptie spectrometrie. Herhaalde analyses van enkele monsters 24-uurs voeding alsmede analyse van porties referentiemateriaal 'Brown Bread' (BCR 191) bevestigden dat de resultaten van deze bepalingen voldeden aan de prestatiekenmerken van de methode. De voedingen verzameld in het voorjaar verschillen als bron voor de ijzervoorziening nauwelijks met de voedingen die in het najaar zijn verzameld. Derhalve zijn de voedingen samengevoegd tot een studie met 123 monsters. Ten opzichte van de vergelijkbare studie uit 1984/1985 is nu gemiddeld meer 24-uurs voeding geconsumeerd hetgeen heeft geleid tot een enigszins grotere ijzerinname door respondenten. De ijzerinname bedroeg in 1994 gemiddeld 9,6 mg per persoon en per dag met een bereik van 3,9 tot 24,5 mg. Ten opzichte van de aanbevolen hoeveelheden, zoals de Voedingsraad die heeft vastgesteld, is de dagelijkse ijzervoorziening voor volwassen mannen en voor vrouwen van 50 jaar en ouder gemiddeld voldoende. Voor volwassen vrouwen jonger dan 50 jaar is de ijzerinname aanzienlijk lager dan wordt aanbevolen. Voor deze groep bedraagt de ijzervoorziening gemiddeld zelfs minder dan 60% van de wenselijk geachte hoeveelheid. De relatie tussen de ijzerinname en de gezondheidstoestand verdient voor deze groep derhalve nadere bestudering.
    • Duplicaat 24-uurs voedingen 1994, koperinname

      Loon JW van; Ooik A van; Ritsema R; LAC (1996-12-31)
      In 1994 zijn 123 duplicaten van 24-uurs voedingen verzameld door een geselecteerde groep consumenten die statistisch een zo getrouw mogelijke afspiegeling van de Nederlandse volwassen bevolking vormde. Elk duplicaat werd gehomogeniseerd waarna deelporties zijn gevriesdroogd. Het gehalte aan koper in het gevriesdroogde materiaal is bepaald door analyseporties te ontsluiten in een drukvat gevolgd door metingen met vlamloze atoomabsorptie met Zeeman achtergrondcorrectie. Ten opzichte van de twee voorgaande, vergelijkbare studies in 1976/1978 en in 1984/1985 is het gemiddeld gehalte aan koper in de voedingen afgenomen. Consumptie van de grotere hoeveelheid voeding in 1994 leidde tot een vergelijkbare dagelijkse koperinname bij mannen en een marginale afname bij vrouwen. In 1994 was de dagelijkse inname aan koper van mannen gemiddeld 1,40 mg (n=60) met een bereik van 0,45 tot 4,24 mg. Deze is duidelijk hoger dan die van vrouwen, die gemiddeld 0,99 mg (n=63) bedroeg met een bereik 0,51 tot 1,90 mg. Deels kan dit verklaard worden door het feit dat vrouwen gemiddeld minder voeding consumeren met een relatief hoger vochtgehalte. In deze studie is door de respondenten per 24 uur gemiddeld 1,19 mg koper ingenomen met een bereik van 0,45 tot 4,24 mg. Als adequaat gebied van koperinname heeft de voormalige Voedingsraad voor volwassenen hoeveelheden van 1,5 - 3,5 mg vastgesteld. Slechts een 24-uurs voeding bevatte meer dan 3,5 mg koper terwijl van 96 (78%) respondenten de koperinname te laag was. Uit deze studie blijken 41 (68%) mannen en 55 (87%) vrouwen minder dan 1,5 mg koper te hebben ingenomen.
    • Duplicaat 24-uurs voedingen 1994, inname aan zink

      Loon JW van; Ooik A van; Ritsema R; LAC (1997-02-28)
      Voor het onderzoek naar de dagelijkse inname aan zink via de voeding, inclusief drank en drinkwater werden 123 duplicaten van 24-uurs voedingen verzameld in de regio Utrecht. Twee groepen vrijwilligers werden geselecteerd die, sociaal en qua leeftijd, een zo getrouw mogelijk beeld vormden van de Nederlandse volwassen bevolking. Een groep (n=62) bemonsterde hun voeding in maart 1994, de tweede groep (n=61) in september 1994. De 24-uurs voedingen werden verzameld en gehomogeniseerd waarna deelporties werden gevriesdroogd en opnieuw gehomogeniseerd. In het gevriesdroogd materiaal werd het gehalte aan zink bepaald door analyseporties in een drukvat te ontsluiten en, na verdunning, te meten met ICP- AES. Het gemiddeld zinkgehalte van de gevriesdroogde 24-uurs voedingen wijkt nauwelijks af van het gemiddelde zinkgehalte van de twee voorgaande vergelijkbare studies van 1976/1978 en 1984/1985. Uit de gemiddelde meetresultaten bleek dat verschillen in de hoeveelheid voeding en in het gehalte aan vocht leidden tot verschillen in zinkinname, waarbij mannen meer zink innemen dan vrouwen. De voormalige Voedingsraad heeft als adequaat gebied van zinkinname voor volwassen mannen hoeveelheden van 7 - 10 mg en voor volwassen vrouwen van 6 - 9 mg vastgesteld. De gemiddelde inname aan zink ligt voor beide groepen binnen deze grenzen. Uit deze studie blijkt echter dat 15 (25%) mannen minder dan 7 mg en 11 (17%) vrouwen minder dan 6 mg zink innemen. Van alle respondenten had 21% minder zink per 24 uur ingenomen dan de hoeveelheid die door de Voedingsraad wenselijk wordt geacht.
    • Duplicaat 24-uurs voedingen 1994, inname van natrium en kalium

      van Loon JW; van Ooik A; Ritsema R; LAC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-12-31)
      Beschreven worden de resultaten van het onderzoek naar de dagelijkse inname aan natrium en kalium via de voeding, inclusief drank en drinkwater. Hiervoor zijn 123 duplicaten van 24-uurs voedingen verzameld in de regio Utrecht waarbij twee groepen vrijwilligers zijn geselecteerd die, sociaal en qua leeftijd, een zo getrouw mogelijk beeld vormen van de Nederlandse volwassen bevolking. Een groep (n=62) bemonsterde hun voeding in maart 1994, de tweede groep (n=61) in september 1994. De 24-uurs voedingen zijn verzameld en gehomogeniseerd waarna deelporties zijn gevriesdroogd en opnieuw gehomogeniseerd. In het gevriesdroogd materiaal is het gehalte aan zowel natrium als kalium bepaald door middel van metingen met ICP/AES. De gemiddelde dagelijkse inname aan natrium en kalium door de respondenten is in dit 24-uurs voedingenonderzoek hoger dan in het vergelijkbare onderzoek van 1984/1985. Deze toename van zowel natrium als kalium is het gevolg van de grotere hoeveelheid dagelijkse voeding in 1994. De molaire natrium/kalium verhouding in de duplicaten van 24-uurs voeding van mannen is gemiddeld 1,72. Deze ligt ongeveer 10% hoger dan de gemiddelde molaire natrium/kalium verhouding van 1,56 die in de voedingen van vrouwen is bepaald. Een verhouding groter dan 1 wordt als risicofactor beschouwd ter bevordering van hypertensie. De natriuminname via de onderzochte voedingen is eveneens uitgedrukt in keukenzoutinname in gram per dag. In de Richtlijnen Goede Voeding wordt geadviseerd maximaal 9 gram per dag aan keukenzout te gebruiken. Uit deze studie blijken 17 (28%) mannen en 7 (11%) vrouwen per dag meer dan 9 gram keukenzout, berekend op basis van de natriuminname, in te nemen.<br>
    • Duplicaat 24-uurs voedingonderzoek 1994 - Nitraat en nitriet: methode-ontwikkeling en inname per persoon per dag

      Vliet JJH van; Vaessen HAMG; Schothorst RC; Burg G van den; ARO (1996-02-29)
      In het voor- en najaar van 1994 zijn door 123 respondenten duplicaten verzameld van alle geconsumeerde voeding. Elke respondent verzamelde een duplicaat van zijn voeding, inclusief drank en drinkwater, in een aaneengesloten periode van 24 uur. Gevriesdroogde deelporties van de verzamelde 123 monsters duplicaat 24-uurs voeding zijn onderzocht op nitriet- en nitraatgehalte en hieruit is de nitriet- en nitraatinname per persoon en per dag berekend. Voor het bepalen van nitriet en nitraat is een HPIC/UV-methode ontwikkeld en gevalideerd. Het monster werd verdund met water, onteiwit met Carrez-reagentia, chromatografisch gezuiverd over een SPE C18-kolom en vervolgens gechromatografeerd over een analytische ionenwisselaarkolom en gedetecteerd bij 208 nm. Voor alle deelnemers was de mediaan van de nitrietinname 0,1 mg/persoon/dag en de gemiddelde nitraatinname 80 mg/persoon/dag. Zowel de gemeten nitriet- als nitraatinname is groter dan die gemeten in de 1984/1985 duplicaat 24-uurs voedingstudie. De nitrietbelasting is in het algemeen laag met slechts 7 respondenten met een inname van meer dan 10% van de ADI van 0,13 mg nitriet/kg lichaamsgewicht. Van 23 deelnemers is de nitraatbelasting groter dan 50% van de ADI van 3,67 mg nitraat/kg lichaamsgewicht. In 1 geval wordt de nitriet ADI overschreden en in 5 gevallen die voor nitraat. Een nitraatinname van meer dan 50% van de ADI komt, bij een endogene conversie van gemiddeld 6,5% nitraat naar nitriet, overeen met een potentiele endogene nitrietbelasting van 0,12 mg /kg lichaamsgewicht. Gebleken is dat bladgroente de grootste bijdrage levert aan de nitraatinname. Verrassend is echter dat ook sperziebonen hieraan aanzienlijk kunnen bijdragen.
    • Duplicaat 24-uurs voedingonderzoek 1994 sterolen ; methode ontwikkeling en inname per persoon per dag

      Jekel AA; Vaessen HAMG; Schothorst RC; ARO (1997-04-30)
      In het voor- en najaar van 1994 hebben 123 respondenten deelgenomen aan een duplicaat voedingenonderzoek. Elke respondent verzamelde een duplicaat van zijn voeding, inclusief drank en drinkwater, in een aaneengesloten periode van 24 uur. Voor het bepalen van de sterolen is een gaschromatografische methode ontwikkeld en gevalideerd. De sterolen in het cyclohexaanextract werden bepaald met behulp van GCGC met FID detectie. Gevriesdroogde deelmonsters zijn onderzocht op het gehalte aan cholesterol, coprosterol, brassicasterol, campesterol, stigmasterol en beta-sitosterol. De gemiddelde inname aan cholesterol bedroeg 202 mg/persoon/dag, aan brassicasterol 1 mg/persoon/dag, aan campesterol 27 mg/persoon/dag, aan stigmasterol 15 mg/persoon/dag en aan beta-sitosterol 102 mg/persoon/dag. Coprosterol is in geen enkel monster aangetoond. De gemiddelde inname aan plantsterolen bedroeg 146 mg/persoon/dag en de gemiddelde totale inname aan sterolen was 348 mg/persoon/dag. Van 32 respondenten was de cholesterolinname hoger dan de huidige aanbeveling van de Voedingsraad van maximaal 33 mg/MJ. De gemiddelde inname aan cholesterol bleef met 25 mg/MJ echter onder deze aanbeveling. De nu bepaalde totale inname aan sterolen kwam goed overeen met de in het 24-uurs duplicaatvoedingenonderzoek van 1984/1985 gevonden inname. Wordt de inname aan sterolen uitgedrukt per energie-eenheid, dan komen de resultaten van de studie goed overeen met die van onderzoeken gebaseerd op Voedselconsumptiepeiling (VCP) en het Market Basket onderzoek.
    • Duplicaat 24-uurs voedingonderzoek 1994 sterolen ; methode ontwikkeling en inname per persoon per dag

      Jekel AA; Vaessen HAMG; Schothorst RC; ARO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-04-30)
      In spring and fall 1994, 123 respondents participated in duplicate 24-hour diet study. Each respondent collected one duplicate of the food and drinks, including drinking water he/she consumed in a continuous 24-hour period. A gas chromatographic method was developed and validated for the determination of sterols. The sterols in the extract are determined by GCGC with FID. Lyophilised subsamples were analysed for cholesterol, coprosterol, brassicasterol, campesterol, stigmasterol and beta-sitosterol content. From these data the sterol intake per capita per day was calculated. The average intake was: for cholesterol 202 mg/person/day, for brassicasterol 1 mg/person/day, for campesterol 27 mg/person/day, for stigmasterol 15 mg/person/day and for beta-sitosterol 102 mg/person/day. The coprosterol intake was below the limit of determination for all samples. The average intake for the plantsterols was 146 mg/person/day and the average total sterol intake was 348 mg/person/day. The cholesterol intake of 32 respondents was above the recommendation of the Netherlands Food and Nutrition Council of a maximum of 33 mg/MJ. The average intake of cholesterol of 25 mg/MJ is below this recommendation. The total sterol intake found in this study corresponds well with the results found in the 1984/1985 duplicate diet study. The sterol intake in mg/MJ found in this study corresponds well with the results from the Dutch National Food Consumption Survey and the Market Basket study.
    • Het duplicaatvoedingen project 1984/1985 - Uitvoering en enkele resultaten

      Vaessen HAMG; Kamp CG van de; Ooik A van (1987-07-31)
      De opzet, uitvoering alsmede enkele resultaten van het onderzoek van 110 duplicaat porties van de 24-uurs van evenzovele vrijwilligers uit de regio Utrecht worden beschreven. De macro-samenstelling van de onderzochte voedingen verschilt gemiddeld slechts weinig met vergelijkbaar onderzoek uitgevoerd in 1976/1978 toen 201 duplicaat porties van 24-uurs werden verzameld door RIV-vrijwilligers. Een kg "market-basket" voeding (CIVO/TNO 1984/1986) en een kg duplicaat portie voeding verschillen gemiddeld vrijwel niet in macro-samenstelling, gehalte aan spoorelementen en mineralen. In vergelijk met internationale aanbevelingen zou de gemiddelde 24-uurs inneming aan vet en eiwit omlaag moeten en aan complexe koolhydraten omhoog. Wat betreft de spoorelementen wordt alleen voldoende mangaan opgenomen ; de opname aan de mineralen fosfor en natrium is te hoog en aan de krappe kant voor kalium en magnesium.
    • Duplicaatvoedingsonderzoek 2011 bij volwassenen : opzet en uitvoering

      Wilson-van den Hooven C; Ocke M; Alewijn M; van den Top HJ; van der A DL; Boer JMA; M&B; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMRIKILT, 2013-06-20)
      Sinds 1976 wordt in Nederland periodiek gemeten in welke mate mensen via voeding schadelijke stoffen binnenkrijgen, zoals metalen en gewasbeschermingsmiddelen. Hiervoor verzamelt een representatieve groep deelnemers in een gekoelde box dezelfde porties van alles wat zij gedurende 24 uur hebben gegeten en gedronken (duplicaatvoeding). Vervolgens wordt het voedsel gevriesdroogd en in laboratoria geanalyseerd. Het RIVM coördineert dit zogeheten duplicaatvoedingsonderzoek in opdracht van de Nederlandse Voedselen Warenautoriteit (NVWA). Het materiaal van dit onderzoek wordt bewaard om in de toekomst analyses naar schadelijke stoffen te kunnen uitvoeren. In dit rapport is gedocumenteerd hoe het onderzoek in 2011 is opgezet en uitgevoerd. Vergelijking duplicaatvoedingen - voedingsdagboekjes In het voor- en najaar van 2011 hebben 122 volwassenen in de leeftijd van 25-65 jaar uit de regio Wageningen een duplicaatvoeding verzameld; gemiddeld was dat 2,7 kilogram per deelnemer. Daarnaast hebben zij in een voedingsdagboekje genoteerd wat zij gedurende het etmaal hebben geconsumeerd. Dit is gedaan om te checken of alle consumpties in de box zijn verzameld, zodat eventueel ontbrekende onderdelen konden worden aangevuld. De gegevens uit het voedingsdagboekje zijn vervolgens vergeleken met de hoeveelheid voedingsstoffen (koolhydraten, eiwitten en vetten) in de gekoelde box. Gemiddeld werd er in de inhoud van de gekoelde box 13 tot 21 procent minder eiwitten en vetten gemeten dan dat de deelnemers volgens de dagboekjes hadden opgegeven. Hier zijn meerdere verklaringen voor mogelijk. Eén verklaring is bijvoorbeeld dat de deelnemers de omvang van de genuttigde porties in de dagboekjes anders inschatten. Representativiteit De deelnemers aan het duplicaatvoedingsonderzoek waren representatief voor de Nederlandse bevolking wat betreft leeftijd en geslacht. Personen met een lage opleiding waren enigszins ondervertegenwoordigd. Voor de representativiteit is ook gekeken of deelnemers aan het duplicaatonderzoek evenveel voedingstoffen binnenkrijgen als een vergelijkbare groep mensen in de Voedselconsumptiepeiling (VCP). Volgens de voedingsdagboekjes kregen deelnemers aan het duplicaatonderzoek gemiddeld genomen 10 tot 20 procent minder energie en voedingsstoffen binnen dan de deelnemers aan de VCP. De lange termijn gemiddelde ('gebruikelijke') inname van deelnemers in het duplicaatvoedingsonderzoek is waarschijnlijk onderschat, bijvoorbeeld doordat de deelnemers minder zijn gaan eten op de dag dat ze hun duplicaatvoeding verzamelen. Als de blootstelling aan schadelijke stoffen in de duplicaatvoedingen wordt gemeten, moet deze onderschatting worden ingecalculeerd.
    • Duplicaatvoedingsonderzoek bij kinderen 2014: eerste resultaten :

      Wilson-van den Hooven EC; Alewijn M; van den Top HJ; van der A DL; Roos AM; Drijvers JJMM; Etemad Z; Ocke MC; M&B; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-02-02)
      Dit rapport beschrijft de consumptie van kinderen die in 2014 hebben deelgenomen aan het zogeheten duplicaatvoedingsonderzoek. Daarnaast geeft het aanvullende informatie over de verzamelde voedingen, bijvoorbeeld of een dieet is gevolgd. Duplicaatvoedingsonderzoek wordt sinds 1976 periodiek in Nederland uitgevoerd en maakt het mogelijk om door de jaren heen te volgen welke hoeveelheden van bepaalde chemische stoffen en schimmels een bevolkingsgroep dagelijks via voeding binnenkrijgen. Voorbeelden hiervan zijn gewasbeschermingsmiddelen of zware metalen. Bovendien kan worden gecontroleerd of deze hoeveelheden binnen de gestelde veiligheidsgrenzen blijven. Dit duplicaatvoedingsonderzoek vond plaats in het voor- en najaar van 2014 en is uitgevoerd door het RIVM en het RIKILT, in opdracht van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA). Aan het onderzoek deden ouders/verzorgers mee van 126 kinderen van 2 tot en met 6 jaar uit de regio Wageningen. Zij verzamelden in een gekoelde box dezelfde porties van alles wat de kinderen gedurende 24 uur hadden gegeten en gedronken (duplicaatvoeding). Daarnaast hebben zij de geconsumeerde voeding in een dagboekje genoteerd. De duplicaatvoedingen zijn verwerkt tot gevriesdroogde monsters en opgeslagen bij het RIKILT. De resultaten van dit onderzoek laten zien dat er voor veel kinderen minder duplicaatvoeding is verzameld dan er waarschijnlijk gegeten is. Hiermee moet rekening gehouden worden bij de interpretatie van de resultaten over de blootstelling aan schadelijke stoffen.
    • Duplicaatvoedingsonderzoek bij kinderen 2014: opzet en uitvoering

      Wilson-van den Hooven EC; Alewijn M; van den Top HJ; van der A DL; Roos AM; Drijvers J; Ocke MC; M&B; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-07-23)
      Sinds 1976 wordt in Nederland periodiek gemeten in welke mate mensen via voeding schadelijke stoffen binnenkrijgen, zoals metalen en gewasbeschermingsmiddelen. Hiervoor verzamelt een representatieve groep deelnemers in een gekoelde box de equivalenten van alles wat zij gedurende een etmaal hebben gegeten en gedronken (duplicaatvoeding). Het RIVM en het RIKILT voeren dit zogeheten duplicaatvoedingsonderzoek uit in opdracht van de Nederlandse Voedsel-en Warenautoriteit (NVWA). In dit rapport is beschreven hoe het onderzoek in 2014 is opgezet en uitgevoerd. In het voor- en najaar van 2014 hebben de ouders/verzorgers van 126 kinderen in de leeftijd van 2 tot en met 6 jaar uit de regio Wageningen succesvol een duplicaatvoeding verzameld. Deze kinderen waren representatief voor de Nederlandse kinderen wat betreft leeftijd, geslacht en sociale klasse. Naast het verzamelen van de duplicaatvoedingen hebben de ouders/verzorgers in een voedingsdagboekje genoteerd wat hun kind gedurende het etmaal heeft geconsumeerd. Het dagboekje diende onder andere om te checken of alle consumpties in de box zijn verzameld, zodat eventueel ontbrekende onderdelen konden worden aangevuld. De gevriesdroogde monsters van de duplicaatvoedingen worden bewaard bij het RIKILT en zijn bedoeld om nu en in de toekomst risico's van stoffen te beoordelen. Van de duplicaten is beschreven om welke voedingsmiddelen het gaat en in welke hoeveelheden ze zijn geconsumeerd. Het duplicaatvoedingsonderzoek maakt het zo mogelijk om door de jaren heen te volgen welke hoeveelheden van bepaalde stoffen mensen dagelijks binnenkrijgen. Daarbij kan worden gecontroleerd of deze hoeveelheden binnen de gestelde veiligheidsgrenzen blijven.
    • Duplicate 24-hour diet study 1994 organochlorine and organophosphorous pesticides

      Baumann RA; Hoogerbrugge R; Zoonen P van; LOC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-08-26)
      Duplicate diet samples collected in 1994 were analysed for organochlorine and organophosphorous pesticides. It was not possible to evaluate wether dietary intake exceeded the established Acceptable Daily Intake (ADI). For the other organophosphorous compounds as well as for the organoclorine pesticides, the calculated daily intake was well below the ADI.
    • Duplicate 24-hour diet study 1994 organochlorine and organophosphorous pesticides

      Baumann RA; Hoogerbrugge R; van Zoonen P; LOC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-08-26)
      In 1994 namen 123 respondenten deel aan een duplicaat 24-uurs voedingsonderzoek. De verzamelde duplicaat voeding monsters werden geanalyseerd op macro parameters, nutrieten, mineralen, sporenelementen en contaminanten. Bij aanvang van het onderzoek werd een inschatting gemaakt of de aanwezigheid van pesticiden in deze monsters een mogelijk risico voor de consument opleverde. Hiertoe werd een methodiek ontwikkeld om potentieel verdachte pesticiden te selecteren gebaseerd op gegevens omtrent voedsel consumptie, Acceptabele Dagelijkse Inname (ADI) en Maximum Residu Limiet (MRL). Een aantal organochloor en organofosfor pesticiden werd geselecteerd voor nader onderzoek. Voor beide groepen pesticiden werd een 20-tal monsters, uit de monsterserie van 123 geselecteerd voor analyse. Een analysemethode gebaseerd op vloeistof extractie, clean-up met Gel Permeatie Chromatografie en kwantitatieve bepaling met gas chromatografie met selectieve detectie werd ontwikkeld om de genoemde verbindingen te analyseren. Bij het analyseren van de 20 monsters op organochloor pesticiden werd driemaal een residu aangetroffen. De berekende gehalten vinclozolin waren resp. 11 en 22 ug/kg en voor dicofol 17ug/kg. De berekende dagelijkse innames bedroegen slechts een fractie van de vastgestelde ADI's, namelijk 5% en 10% voor vinclozolin, en 28% voor dicofol. Voor een aantal organofosfor pesticiden was het niet mogelijk om aan te kunnen tonen of een dagelijkse inname de vastgestelde ADI overschreed, omdat de aantoonbaarheidsgrenzen van de analysemethode voor deze verbindingen te hoog waren. Voor de andere geselecteerde organofosfor pesticiden werden geen rediduen in de 20 geanalyseerde duplicaat voeding monsters aangetroffen.<br>
    • The Dutch CAFE baseline: In or out of line?

      Jimmink BA; Folkert RJM; Thomas R; Beck JP; Eerdt MM van; Elzenga HE; Hoek KW van der; Hoen A; Peek CJ; LED; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-11-30)
      The European Commission is constructing a strategy on air pollution within the Clean Air For Europe (CAFE) programme. This strategy will be based on assessments using the RAINS model for different policy ambitions where the CAFE baseline scenario and control strategies are employed. The Netherlands Environment Assessment Agency verified the data in RAINS and the CAFE baseline. In this verification the CAFE baseline was shown to be unsuitable for determining the Dutch position in negotiations for new European air pollution policy (like the NEC review). The Netherlands will have to introduce a national scenario of its own to bring forward the Dutch expectations on future developments. While the RAINS model would seem appropriate for calculating abatement scenarios, contra-expertise will still be necessary during the CAFE process to assess differences in RAINS on calculated abatement costs and emission levels.
    • The Dutch CAFE baseline: In or out of line?

      Jimmink BA; Folkert RJM; Thomas R; Beck JP; van Eerdt MM; Elzenga HE; van der Hoek KW; Hoen A; Peek CJ; LED; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-11-30)
      De Europese Commissie zet een strategie op voor de aanpak van luchtverontreiniging in het Clean Air for Europe (CAFE) programma. De strategie wordt gebaseerd op beoordelingen met het RAINS model van verschillende beleidsambities met het CAFE scenario en bestrijdingsstrategieen. Het Milieu- en Natuurplanbureau van het RIVM heeft de juistheid van gegevens in RAINS en het CAFE scenario gecontroleerd. Uit deze controle bleek dat voor de positiebepaling van Nederland in onderhandelingen over nieuw Europees luchtverontreinigingsbeleid het CAFE scenario niet volstaat. Er is een eigen nationaal scenario nodig om de Nederlandse toekomstverwachtingen goed in te brengen. Het RAINS model lijkt geschikt om beleidsscenario's uit te rekenen, maar contra expertise blijft nodig voor de beoordeling van verschillen in RAINS op berekende kosten en emissieniveaus in beleidsscenario's.