• National legal and regulatory framework in various North Sea countries concerning the transboundary movement of NORM residues

      Goemans P; de Melker HE; ABI; VLH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-01-16)
      In binnen- en buitenland hebben verschillende niet-nucleaire industriële sectoren, zoals de olie- en gasindustrie, te maken met materialen die van nature radioactiviteit bevatten ('NORM'). Als gevolg van de productieprocessen kunnen reststoffen ontstaan die van nature radioactiviteit bevatten ('NORM reststoffen'). 'Reststoffen' zijn in dit onderzoek gedefinieerd als materialen die nog verder verwerkt kunnen worden voor (gedeeltelijk) hergebruik. Bij de verwerking van deze reststoffen kunnen afvalstoffen ontstaan die van nature radioactiviteit bevatten ('NORM afvalstoffen'). Deze afvalstoffen kunnen niet meer worden hergebruikt en moeten als radioactieve afvalstoffen worden afgevoerd voor opslag of stort. In het buitenland worden ook NORM reststoffen ingevoerd voor verdere verwerking. Het RIVM heeft daarom het beleid en de wet- en regelgeving van België, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen voor de invoer van NORM reststoffen in kaart gebracht. In het algemeen is het in deze landen niet toegestaan om NORM reststoffen in te voeren en vervolgens direct als afval af te voeren. Onder voorwaarden is het toegestaan om NORM reststoffen verder te verwerken, bijvoorbeeld als hierdoor materialen kunnen worden hergebruikt. Dit onderzoek is op verzoek van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) uitgevoerd. Op basis hiervan is op hoofdlijnen een advies geformuleerd over welke criteria Nederland zou kunnen gebruiken om een aanvraag voor de invoer van NORM reststoffen te beoordelen. Deze criteria zouden kunnen worden toegepast in te ontwikkelen regelgeving op dit gebied.
    • De ontwikkeling van Storybuilder : Achtergrond en verantwoording

      Sol V; Bellamy L; van Eijk V; Mud M; ABI; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMWhite QueenRPS, 2014-03-04)
      Storybuilder is een instrument waarmee de achterliggende oorzaken van ernstige arbeidsongevallen kunnen worden geanalyseerd. Deze analyse kan bedrijven helpen om maatregelen te nemen om dergelijke ongevallen te voorkomen. Dit is belangrijk omdat in Nederland op het werk jaarlijks nog 80 tot 90 dodelijke slachtoffers vallen; dat is bijna 2 doden per week. Het instrument is door het RIVM ontwikkeld en is online beschikbaar via rivm.nl. Het is een database met informatie over ernstige arbeidsongevallen die is gekoppeld aan een speciaal ontwikkeld computerprogramma. In dit rapport staat beschreven hoe de Storybuilder-database tot stand is gekomen. Hierbij wordt ingegaan op de belangrijke discussiepunten en begrippen, en worden de gemaakte keuzes toegelicht. De Storybuilder-database is gemaakt op basis van de informatie van de Inspectie SZW (voorheen Arbeidsinspectie) over 23.000 ernstige incidenten die zij vanaf 1998 heeft onderzocht. Op basis van deze informatie is een onderscheid gemaakt tussen 36 typen ongevallen. Het type ongeval dat het meest voorkomt is dat mensen vallen van een hoogte (van een ladder, dak, steiger, enzovoort), omdat er geen rand- of valbeveiliging aanwezig is en/of ze een ondoordachte beweging maken. Op de tweede plaats staat bekneld raken tussen bewegende delen van machines, omdat die onvoldoende afgeschermd zijn. Elk ongeval is in het computer programma weergegeven via een grafisch weergegeven verhaallijn, die stapsgewijs inzicht geeft in het ontstaan en verloop van een bepaald type ongeval en de gevolgen daarvan. Wat deed het slachtoffer toen het ongeval zich voordeed? Welke middelen, zoals machines of steigers, waren daarbij betrokken? Wat was de directe oorzaak van het ongeval (waar ging het mis) en wat waren de achterliggende oorzaken (hoe en waarom ging het mis). Ernstige arbeidsongevallen moeten bij de Inspectie SZW worden gemeld, waarna wordt onderzocht wat de oorzaken van het ongeval zijn en of deze een gevolg is van een overtreding van de wet. Met Storybuilder is de informatie van de Inspectie zodanig toegankelijk gemaakt dat er lessen uit kunnen worden getrokken. Storybuilder is uniek vanwege zijn gedetailleerde informatie en de beschrijving van ongevallen uit een breed scala van sectoren.
    • Radiologisch onderzoek bij kinderen : Inventarisatie van de Nederlandse praktijk met de focus op dosis-reducerende maatregelen

      Bijwaard H; Valk D; ABI; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-06-02)
      In opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft het RIVM onderzoek gedaan naar stralingsbescherming in de kinderradiologie. Volgens recente wetenschappelijke inzichten zijn de risico's van ioniserende straling voor kinderen namelijk groter dan eerder werd gedacht. Ten eerste valt op hoe verschillend ziekenhuizen te werk gaan. Zo worden in kinderziekenhuizen speciale kinderprotocollen voor radiologische verrichtingen gebruikt, in algemene ziekenhuizen gebeurt dat niet altijd. Ook zijn er grote verschillen in het gebruik van tegen straling beschermende maatregelen. Daarnaast is het aantal verrichtingen waarbij relatief hoge doses straling worden gebruikt de afgelopen jaren sterk gestegen. Voorbeelden zijn CT-scans en zogenoemde doorlichtonderzoeken, waarbij de patiënt real time wordt bekeken tijdens een ingreep. Vooral de toename met grofweg 80% van het aantal CTscans ten opzichte van 2005 is opmerkelijk. Overigens doet deze stijging zich ook onder volwassenen voor. Ten slotte worden in ongeveer de helft van de ziekenhuizen de gebruikte doses niet vergeleken met de zogeheten Diagnostische Referentieniveaus (DRN's) voor kinderen. Dit komt waarschijnlijk door het geringe aantal kinderen dat wordt onderzocht; voor deze toets is een minimaal aantal van twintig kinderen nodig. In de ziekenhuizen waar die vergelijking wel wordt gemaakt, worden deze waarden in gemiddeld een op de vijf gevallen overschreden. DRN's zijn bedoeld als indicatie voor een aanvaardbare dosis waarmee een goed radiologisch beeld kan worden verkregen bij radiologische handelingen. Bij zware patiënten en complexe procedures kunnen DRN's overschreden worden. Afdelingen radiologie zijn niet verplicht zich aan de waarden te houden. De redenen van het toegenomen aantal verrichtingen bij kinderen zijn niet bekend. Het is van belang dit nader uit te zoeken. Ook het geringe aantal vergelijkingen met de DRN's en de regelmatige overschrijding ervan verdienen aandacht. Verder wordt aanbevolen om de kennis bij de kinderziekenhuizen breder uit te dragen naar de algemene ziekenhuizen, opdat alle ziekenhuizen bij kinderen gebruik maken van state-of-the-art-kinderradiologie. Voor deze studie is literatuuronderzoek gedaan naar de state of the art in kinderradiologie. Daarnaast is een digitale enquête gehouden onder alle zeven kinderziekenhuizen in Nederland en bij 22 algemene ziekenhuizen.
    • Radon, thoron en gammastraling op werkplekken en in publiek toegankelijke gebouwen in Nederland : Resultaten RIVM-meetcampagne 2016-2017

      Goemans P; de Waard IR; Blaauboer RO; Smetsers RCGM; de Groot GM; ABI; VLH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-10-04)
      Op vrijwel alle werkplekken en in openbare gebouwen zijn de gemeten radonconcentraties laag, gemiddeld 15,9 Bq/m3 (Becquerel per kubieke meter). Wereldwijd bedraagt de gemiddelde radonconcentratie in gebouwen ongeveer 40 Bq/m3. Slechts in enkele zeer specifieke gevallen in dit onderzoek zijn de radonconcentraties hoger dan 300 Bq/m3. Bijvoorbeeld bij enkele grondwater-zuiveringsstations bij drinkwaterbedrijven en ondergrondse ruimten zoals grotten. De radonconcentraties zijn, net als in woningen, iets hoger in Zuid-Limburg en het Rivierengebied dan in de rest van Nederland. Dit komt doordat er in deze gebieden van nature meer radon vrijkomt uit de bodem. Dit blijkt uit een meetcampagne die het RIVM in de periode 2016-2017 heeft uitgevoerd op enkele honderden werkplekken en openbare gebouwen in Nederland. De resultaten van de meetcampagne geven een beeld van de radonconcentraties in gebouwen in Nederland. Dit is onder andere nodig om Europese regelgeving te implementeren. Een van de Europese verplichtingen is om nationale referentieniveaus vast te stellen voor radon op werkplekken en voor radon in openbare gebouwen. Beide referentieniveaus zijn in Nederland sinds 6 februari 2018 in het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming vastgesteld op 100 Bq/m3. Behalve naar radon is onderzoek gedaan naar zogeheten thorondochters en naar gammastraling. Deze dragen net als radon bij aan de blootstelling aan natuurlijke radioactiviteit in gebouwen. De thorondochterconcentraties die nu op Nederlandse werkplekken en in openbare gebouwen zijn gemeten, liggen in lijn met de waarden die volgens internationale organisaties in gebouwen verwacht kunnen worden. De resultaten van de metingen naar gammastraling zijn vergelijkbaar met die in eerder uitgevoerde onderzoeken in Nederland en zijn laag ten opzichte van het vastgestelde referentieniveau voor gammastraling uit bouwmaterialen. Radon en thoron zijn radioactieve edelgassen die van nature ontstaan in de bodem en in bouwmaterialen die daarvan worden gemaakt. Radon kan vanuit de bodem en bouwmaterialen in gebouwen terechtkomen. Thoron in gebouwen komt met name uit materialen waarmee de muren en plafonds zijn afgewerkt. De radioactieve stoffen die ontstaan als radon en thoron vervallen, vergroten het risico op het krijgen van longkanker, vooral bij rokers. Gammastraling in gebouwen komt uit bouwmaterialen en uit het buitenmilieu (al wordt de straling van buiten grotendeels weer door het gebouw afgeschermd) en draagt bij aan de blootstelling aan externe straling in gebouwen. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS).
    • Radon, thoron en gammastraling op werkplekken en in publiek toegankelijke gebouwen in Nederland : Resultaten RIVM-meetcampagne 2016-2017

      Goemans P; de Waard IR; Blaauboer RO; Smetsers RCGM; de Groot GM; ABI; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-10-04)
      Op vrijwel alle werkplekken en in openbare gebouwen zijn de gemeten radonconcentraties laag, gemiddeld 15,9 Bq/m3 (Becquerel per kubieke meter). Wereldwijd bedraagt de gemiddelde radonconcentratie in gebouwen ongeveer 40 Bq/m3. <br> <br>Slechts in enkele zeer specifieke gevallen in dit onderzoek zijn de radonconcentraties hoger dan 300 Bq/m3. Bijvoorbeeld bij enkele grondwater-zuiveringsstations bij drinkwaterbedrijven en ondergrondse ruimten zoals grotten. De radonconcentraties zijn, net als in woningen, iets hoger in Zuid-Limburg en het Rivierengebied dan in de rest van Nederland. Dit komt doordat er in deze gebieden van nature meer radon vrijkomt uit de bodem. <br> <br>Dit blijkt uit een meetcampagne die het RIVM in de periode 2016-2017 heeft uitgevoerd op enkele honderden werkplekken en openbare gebouwen in Nederland. De resultaten van de meetcampagne geven een beeld van de radonconcentraties in gebouwen in Nederland. Dit is onder andere nodig om Europese regelgeving te implementeren. Een van de Europese verplichtingen is om nationale referentieniveaus vast te stellen voor radon op werkplekken en voor radon in openbare gebouwen. Beide referentieniveaus zijn in Nederland sinds 6 februari 2018 in het Besluit basisveiligheidsnormen stralingsbescherming vastgesteld op 100 Bq/m3. <br> <br>Behalve naar radon is onderzoek gedaan naar zogeheten thorondochters en naar gammastraling. Deze dragen net als radon bij aan de blootstelling aan natuurlijke radioactiviteit in gebouwen. De thorondochterconcentraties die nu op Nederlandse werkplekken en in openbare gebouwen zijn gemeten, liggen in lijn met de waarden die volgens internationale organisaties in gebouwen verwacht kunnen worden. De resultaten van de metingen naar gammastraling zijn vergelijkbaar met die in eerder uitgevoerde onderzoeken in Nederland en zijn laag ten opzichte van het vastgestelde referentieniveau voor gammastraling uit bouwmaterialen. <br> <br>Radon en thoron zijn radioactieve edelgassen die van nature ontstaan in de bodem en in bouwmaterialen die daarvan worden gemaakt. Radon kan vanuit de bodem en bouwmaterialen in gebouwen terechtkomen. Thoron in gebouwen komt met name uit materialen waarmee de muren en plafonds zijn afgewerkt. De radioactieve stoffen die ontstaan als radon en thoron vervallen, vergroten het risico op het krijgen van longkanker, vooral bij rokers. Gammastraling in gebouwen komt uit bouwmaterialen en uit het buitenmilieu (al wordt de straling van buiten grotendeels weer door het gebouw afgeschermd) en draagt bij aan de blootstelling aan externe straling in gebouwen. <br> <br>Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS). <br>
    • Recent developments in medical techniques involving ionising or non-ionising radiation : Update 2014

      de Waard-Schalkx I; Stam R; van der Schaaf M; Bijwaard H; ABI; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-12-17)
      Het RIVM heeft geïnventariseerd welke nieuwste medische technieken met straling in opkomst zijn, welke daarvan nog experimenteel zijn en welke al in de praktijk worden gebruikt. Het gaat om technieken die gebruikmaken van ioniserende en niet-ioniserende straling. Beide soorten worden zowel voor diagnostiek als behandelingen ingezet. Met de nieuwe technieken kan meer informatie worden ingewonnen, zodat een verfijndere diagnose en een effectievere behandeling kunnen worden geboden. Daarnaast kunnen ze met minder straling hetzelfde of een beter 'beeld' maken zodat de patiënt aan minder straling blootstaat. De rapportage is een update van een inventarisatie uit 2011 en is in opdracht van de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) uitgevoerd. Hiervoor is een literatuurstudie uitgevoerd en is op basis van ervaringen van deskundigen in kaart gebracht welke technieken in Nederland inmiddels hun weg naar de praktijk hebben gevonden. Voorbeelden van medische technieken die gebruikmaken van ioniserende straling zijn röntgenfotografie en CT (computertomografie), waarmee beelden van de inwendige mens worden gemaakt. Een nieuwe ontwikkeling hierin betreft het gebruik van de golfeigenschappen van de röntgenstraling om meer informatie uit de röntgendata te halen. Daarnaast zijn technieken om de hoeveelheid straling te verminderen sterk in opkomst. Het gaat hierbij vooral om zogeheten buisstroommodulatie, waarbij de straling aangepast wordt aan de omvang van het te bestralen lichaamsdeel. De nieuwste ontwikkeling op het gebied van radiotherapie is beeldvorming tijdens de bestraling (met MRI). Door deze combinatie kunnen tumoren die niet op een vaste plek zitten gerichter worden bestraald. Protonentherapie, waarmee tumoren preciezer kunnen worden behandeld, is al een tijd in opkomst en zal binnenkort in Nederland beschikbaar zijn. Voorbeelden van technieken die met niet-ioniserende straling werken zijn elektromagnetische velden (bijvoorbeeld MRI) en optische technieken. Behalve verbeteringen van de MRI is compacte apparatuur in opkomst die gebruikmaakt van zwakke elektromagnetische velden om een beeld te krijgen van huid en bloedvaten. Een andere ontwikkeling is het toenemende gebruik van draadloze technieken om camera's en (medicijn)implantaten aan te sturen. Voor optische beeldvorming worden steeds vaker infrarode straling en inwendige technieken gebruikt.
    • Regelgeving in omringende landen over de invoer van NORM reststoffen

      Goemans P; Folkertsma E; ABI; VLH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-01-16)
      In binnen- en buitenland hebben verschillende niet-nucleaire industriële sectoren, zoals de olie- en gasindustrie, te maken met materialen die van nature radioactiviteit bevatten ('NORM'). Als gevolg van de productieprocessen kunnen reststoffen ontstaan die van nature radioactiviteit bevatten ('NORM reststoffen'). 'Reststoffen' zijn in dit onderzoek gedefinieerd als materialen die nog verder verwerkt kunnen worden voor (gedeeltelijk) hergebruik. Bij de verwerking van deze reststoffen kunnen afvalstoffen ontstaan die van nature radioactiviteit bevatten ('NORM afvalstoffen'). Deze afvalstoffen kunnen niet meer worden hergebruikt en moeten als radioactieve afvalstoffen worden afgevoerd voor opslag of stort. In het buitenland worden ook NORM reststoffen ingevoerd voor verdere verwerking. Het RIVM heeft daarom het beleid en de wet- en regelgeving van België, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen voor de invoer van NORM reststoffen in kaart gebracht. In het algemeen is het in deze landen niet toegestaan om NORM reststoffen in te voeren en vervolgens direct als afval af te voeren. Onder voorwaarden is het toegestaan om NORM reststoffen verder te verwerken, bijvoorbeeld als hierdoor materialen kunnen worden hergebruikt. Dit onderzoek is op verzoek van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) uitgevoerd. Op basis hiervan is op hoofdlijnen een advies geformuleerd over welke criteria Nederland zou kunnen gebruiken om een aanvraag voor de invoer van NORM reststoffen te beoordelen. Deze criteria zouden kunnen worden toegepast in te ontwikkelen regelgeving op dit gebied.
    • Risico-inventarisatie gevaarlijke stofgroepen : Samenvatting

      Zweers PGPC; de Groot GM; Bakker J; ABI; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-02-11)
      Het RIVM heeft van een breed scala aan stofgroepen geïnventariseerd welke daarvan de grootste risico's vormen voor milieu, consumenten en werknemers. De risico-inventarisatie is bedoeld om de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) te helpen om prioriteiten te stellen bij het toezicht op het gebied van gevaarlijke stoffen. In de inventarisatie staat beschreven op welke manier de stoffen voor de 55 stofgroepen zijn geselecteerd, welke criteria zijn gebruikt om de risico's te beoordelen, en welke beslisregels zijn gebruikt om te komen tot een rangorde van de stofgroepen. Eerst zijn voor de risico-inventarisatie per stofgroep 4 tot 8 stoffen geselecteerd die de stofgroep representeren. Vervolgens zijn de stoffen beoordeeld op hun gevaarseigenschappen, zoals de mate waarin ze brandgevaarlijk, explosief of giftig zijn, en de kans dat mensen of het milieu eraan blootstaan. Ten slotte zijn de stofgroepen, afhankelijk van het beschermingsdoel (milieu, werknemer of consument), door middel van beslisregels ingedeeld in verschillende risicoklassen. Als andere risicocriteria of beslisregels worden gebruikt, kan dat tot andere uitkomsten leiden. De risico-inventarisatie is gemaakt in samenwerking met TNO-Triskelion, in opdracht van de ILT. Als vervolgstap op deze inventarisatie is voor een aantal stofgroepen die hoog scoren onderzocht welke branches de desbetreffende stofgroep produceren, importeren, distribueren en/of verwerken in chemische producten of voorwerpen. Dit rapport is in het Engels verschenen met nummer 2014-0159
    • Risk inventory of groups of hazardous substances : Summary

      Zweers PGPC; de Groot GM; Bakker J; ABI; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-02-11)
      Het RIVM heeft van een breed scala aan stofgroepen geïnventariseerd welke daarvan de grootste risico's vormen voor milieu, consumenten en werknemers. De risico-inventarisatie is bedoeld om de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) te helpen om prioriteiten te stellen bij het toezicht op het gebied van gevaarlijke stoffen. In de inventarisatie staat beschreven op welke manier de stoffen voor de 55 stofgroepen zijn geselecteerd, welke criteria zijn gebruikt om de risico's te beoordelen, en welke beslisregels zijn gebruikt om te komen tot een rangorde van de stofgroepen. Eerst zijn voor de risico-inventarisatie per stofgroep 4 tot 8 stoffen geselecteerd die de stofgroep representeren. Vervolgens zijn de stoffen beoordeeld op hun gevaarseigenschappen, zoals de mate waarin ze brandgevaarlijk, explosief of giftig zijn, en de kans dat mensen of het milieu eraan blootstaan. Ten slotte zijn de stofgroepen, afhankelijk van het beschermingsdoel (milieu, werknemer of consument), door middel van beslisregels ingedeeld in verschillende risicoklassen. Als andere risicocriteria of beslisregels worden gebruikt, kan dat tot andere uitkomsten leiden. De risico-inventarisatie is gemaakt in samenwerking met TNO-Triskelion, in opdracht van de ILT. Als vervolgstap op deze inventarisatie is voor een aantal stofgroepen die hoog scoren onderzocht welke branches de desbetreffende stofgroep produceren, importeren, distribueren en/of verwerken in chemische producten of voorwerpen. Dit rapport is in het Nederlands verschenen met nummer 2014-0124
    • Stralingsniveaumetingen aan het terrein van de EPZ kerncentrale Borssele in 2017

      Tanzi CP; ABI; M&amp;V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-11-01)
      Het gammastralingsniveau aan de terreingrens van kerncentrale Borssele lag in 2017 onder het toegestane maximum van 10 microsievert per jaar. De hoogste vastgestelde dosis is 1,04 microsievert. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert jaarlijks in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) of de kerncentrale aan de vergunningseis voldoet. <br> <br>De kerncentrale moet ervoor zorgen dat de blootstelling van personen buiten de terreingrens maximaal 10 microsievert per jaar is. Dat is in de revisie van de kernenergiewetvergunning van 2016 vastgelegd. Om de maximale effectieve dosis te berekenen wordt op de terreingrens het gammastralingsniveau gemeten. Dit gebeurt met het door het RIVM beheerde MONET-meetnet. Van de meting wordt vervolgens de natuurlijke achtergrondwaarde afgetrokken. De resulterende meetwaarde wordt gecorrigeerd met de zogeheten Actuele Blootstelling Correctiefactor (ABC-factor). Een ABC-factor hangt samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve stralingsdosis kan worden opgelopen. Rond het terrein van kerncentrale Borssele is de bestemming uitsluitend industriële doeleinden en daarvoor geldt een ABC-factor van 0,2. Na de toepassing van deze ABC-factor is de berekende maximale effectieve dosis 1,04 microsievert per jaar. <br> <br>In 2017 is met vier monitoren op de terreingrens het gammastralingsniveau continu gemeten. In juni 2017 is het reguliere netwerk van acht monitoren hersteld, dat in 2016 vanwege werkzaamheden was onderbroken. In dit rapport zijn de daggemiddelden van de metingen van de MONET-monitoren rond de kerncentrale in 2017 weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald. <br>
    • Stralingsniveaumetingen aan het terrein van de EPZ kerncentrale Borssele in 2017

      Broek I van den; ABI; VLH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-11-01)
      Het gammastralingsniveau aan de terreingrens van kerncentrale Borssele lag in 2017 onder het toegestane maximum van 10 microsievert per jaar. De hoogste vastgestelde dosis is 1,04 microsievert. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert jaarlijks in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) of de kerncentrale aan de vergunningseis voldoet. De kerncentrale moet ervoor zorgen dat de blootstelling van personen buiten de terreingrens maximaal 10 microsievert per jaar is. Dat is in de revisie van de kernenergiewetvergunning van 2016 vastgelegd. Om de maximale effectieve dosis te berekenen wordt op de terreingrens het gammastralingsniveau gemeten. Dit gebeurt met het door het RIVM beheerde MONET-meetnet. Van de meting wordt vervolgens de natuurlijke achtergrondwaarde afgetrokken. De resulterende meetwaarde wordt gecorrigeerd met de zogeheten Actuele Blootstelling Correctiefactor (ABC-factor). Een ABC-factor hangt samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve stralingsdosis kan worden opgelopen. Rond het terrein van kerncentrale Borssele is de bestemming uitsluitend industriële doeleinden en daarvoor geldt een ABC-factor van 0,2. Na de toepassing van deze ABC-factor is de berekende maximale effectieve dosis 1,04 microsievert per jaar. In 2017 is met vier monitoren op de terreingrens het gammastralingsniveau continu gemeten. In juni 2017 is het reguliere netwerk van acht monitoren hersteld, dat in 2016 vanwege werkzaamheden was onderbroken. In dit rapport zijn de daggemiddelden van de metingen van de MONET-monitoren rond de kerncentrale in 2017 weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald.
    • Stralingsniveaumetingen aan het terrein van de EPZ kerncentrale te Borssele in 2016

      Broek I van den; ABI; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-05-23)
      Het gammastralingsniveau aan de terreingrens van de kerncentrale in Borssele lag in 2016 onder het toegestane maximum. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert jaarlijks in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) of de kerncentrale aan de vergunningseis voldoet. Volgens de revisie van de kernenergiewetvergunning van 2016 moet de kerncentrale ervoor zorgen dat personen buiten de terreingrens een stralingsdosis ontvangen van hoogstens 10 microsievert per jaar. Om dit te controleren wordt op minimaal vier punten op de terreingrens het gammastralingsniveau gemeten. Dit gebeurt met het door het RIVM beheerde MONET-meetnet. Van de meting wordt vervolgens de natuurlijke achtergrondwaarde afgetrokken. Om het resultaat te vergelijken met het toegestane niveau, wordt de zogeheten Actuele Blootstelling Correctiefactor (ABC-factor) toegepast. ABC-factoren hangen samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve stralingsdosis kan worden opgelopen. Rond het terrein van de kerncentrale in Borssele geldt voor de kerncentrale een ABC-factor van 0,2. In dit rapport zijn de daggemiddelden van de metingen van de MONET-monitoren rond de kerncentrale in 2016 weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald. In 2016 was de hoogste waarde van de stralingsdosis op de vier locaties waar continu metingen zijn verricht, na aftrek van de natuurlijke achtergrond, 5,7 microsievert per jaar. Na de toepassing van de ABC-factor is de berekende maximale effectieve dosis 1,1 microsievert per jaar. Deze dosis is lager dan de vergunde maximale stralingsdosis van 10 microsievert per jaar.
    • Stralingsniveaumetingen rond het terrein van COVRA N.V. te Borsele in de periode 2011-2014 met het MONET-meetnet

      Tanzi CP; ABI; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-09-09)
      Het stralingsniveau aan de terreingrens van de Centrale Organisatie voor Radioactief Afval (COVRA N.V.) te Borsele lag in 2011, 2012, 2013 en 2014 onder het toegestane maximum. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Volgens de kernenergiewet-vergunning mag de stralingsdosis aan de terreingrens van COVRA N.V ten hoogste 40 microsievert per jaar bedragen. Om dit te controleren wordt met stralingsmonitoren op zestien locaties het stralingsniveau gemeten. De monitoren zijn op de terreingrens, of langs een omheining binnen de terreingrens, geplaatst. De stralingsmetingen horen bij het door het RIVM beheerde MONET-meetnet. Van deze bruto metingen wordt de natuurlijke achtergrondwaarde afgetrokken. Ook wordt gekeken naar bijdragen aan het stralingsniveau die niet door COVRA N.V worden veroorzaakt. Om het netto resultaat te vertalen naar een effectieve stralingsdosis voor een persoon, wordt de zogeheten Actuele Blootstellings Correctiefactor (ABC-factor) toegepast. ABC-factoren hangen samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve stralingsdosis kan worden opgelopen. Over de periode 2011-2014 is, na het toepassen van de ABC-factor en, na aftrek van de natuurlijke achtergrond, de hoogste berekende jaarwaarde 18 microsievert (in 2014). Het RIVM rapporteert in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS, voorheen Kernfysische Dienst) en toetst of COVRA N.V. aan de vergunningseis voldoet. Voor de jaren 2011, 2012, 2013 en 2014 zijn de daggemiddelden van de zestien MONET-monitoren rond COVRA N.V. weergegeven, is de achtergrondwaarde bepaald, en is de netto effectieve stralingsdosis per jaar berekend.
    • Stralingsniveaumetingen rond het terrein van de EPZ kerncentrale te Borssele in 2012

      Tanzi CP; ABI; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-01-16)
      Het stralingsniveau aan de terreingrens van kerncentrale Borssele lag in 2012 onder het toegestane maximum. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Volgens de kernenergiewetvergunning moet de kerncentrale ervoor zorgen dat personen buiten de terreingrens een effectieve stralingsdosis ontvangen van ten hoogste 40 microsievert per jaar. Om dit te controleren wordt op acht punten op de terreingrens het stralingsniveau gemeten. Dit gebeurt met het door het RIVM beheerde MONET-meetnet. Van de meting wordt vervolgens de natuurlijke achtergrondwaarde afgetrokken. Om het resultaat te vergelijken met het toegestane niveau, wordt de zogeheten Actuele Blootstellings Correctiefactor (ABC-factor) toegepast. ABC-factoren hangen samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve stralingsdosis kan worden opgelopen. Rond Borssele geldt voor de kerncentrale een ABC-factor van 0,2. In opdracht van de Kernfysische Dienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport, Ministerie van Infrastructuur en Milieu rapporteert het RIVM jaarlijks of de kerncentrale aan deze vergunningseis voldoet. In dit rapport zijn voor 2012 de daggemiddelden van de metingen van de acht MONET-monitoren rond de kerncentrale weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald. In 2012 was de hoogste waarde, na aftrek van de natuurlijke achtergrond, 6,1 microsievert per jaar. Na toepassing van de ABC-factor, voor toetsing aan de vergunningslimiet, is de berekende maximale effectieve dosis 1,2 microsievert per jaar.
    • Stralingsniveaumetingen rond het terrein van de EPZ kerncentrale te Borssele in 2013

      Tanzi CP; ABI; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-08-28)
      Het stralingsniveau aan de terreingrens van de kerncentrale in Borssele lag in 2013 onder het toegestane maximum. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert jaarlijks of de kerncentrale aan de vergunningseis voldoet. Volgens de kernenergiewetvergunning moet de kerncentrale ervoor zorgen dat personen buiten de terreingrens een effectieve stralingsdosis ontvangen van ten hoogste 40 microsievert per jaar. Om dit te controleren wordt op acht punten op de terreingrens het stralingsniveau gemeten. Dit gebeurt met het door het RIVM beheerde MONET-meetnet. Van de meting wordt vervolgens de natuurlijke achtergrondwaarde afgetrokken. Om het resultaat te vergelijken met het toegestane niveau, wordt de zogeheten Actuele Blootstellings Correctiefactor (ABC-factor) toegepast. ABC-factoren hangen samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve stralingsdosis kan worden opgelopen. Rond Borssele geldt voor de kerncentrale een ABC-factor van 0,2. Het RIVM rapporteert in opdracht van de Kernfysische Dienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport. In dit rapport zijn de daggemiddelden van de metingen van de acht MONET-monitoren rond de kerncentrale in 2013 weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald. In 2013 was de hoogste waarde, na aftrek van de natuurlijke achtergrond, 3,8 microsievert per jaar. Na de toepassing van de ABC-factor, voor de toetsing van de vergunningslimiet, is de berekende maximale effectieve dosis 0,8 microsievert per jaar.
    • Stralingsniveaumetingen rond het terrein van de EPZ kerncentrale te Borssele in 2014

      Tanzi CP; ABI; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-12-07)
      Het stralingsniveau aan de terreingrens van de kerncentrale in Borssele lag in 2014 onder het toegestane maximum. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert jaarlijks of de kerncentrale aan de vergunningseis voldoet. Volgens de kernenergiewetvergunning moet de kerncentrale ervoor zorgen dat personen buiten de terreingrens een effectieve stralingsdosis ontvangen van ten hoogste 40 microsievert per jaar. Om dit te controleren wordt op acht punten op de terreingrens het stralingsniveau gemeten. Dit gebeurt met het door het RIVM beheerde MONET-meetnet. Van de meting wordt vervolgens de natuurlijke achtergrondwaarde afgetrokken. Om het resultaat te vergelijken met het toegestane niveau, wordt de zogeheten Actuele Blootstellings Correctiefactor (ABC-factor) toegepast. ABC-factoren hangen samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve stralingsdosis kan worden opgelopen. Rond Borssele geldt voor de kerncentrale een ABC-factor van 0,2. Het RIVM rapporteert in opdracht van de Kernfysische Dienst van de Inspectie Leefomgeving en Transport. In dit rapport zijn de daggemiddelden van de metingen van de acht MONET-monitoren rond de kerncentrale in 2014 weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald. In 2014 was de hoogste waarde, na aftrek van de natuurlijke achtergrond, 1,7 microsievert per jaar. Na de toepassing van de ABC-factor, voor de toetsing van de vergunningslimiet, is de berekende maximale effectieve dosis 0,3 microsievert per jaar.
    • Stralingsniveaumetingen rond het terrein van de EPZ kerncentrale te Borssele in 2015

      Tanzi CP; ABI; VLH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-02-12)
      Het stralingsniveau aan de terreingrens van de kerncentrale in Borssele lag in 2015 onder het toegestane maximum. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert jaarlijks in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) of de kerncentrale aan de vergunningseis voldoet. Volgens de kernenergiewetvergunning moet de kerncentrale ervoor zorgen dat personen buiten de terreingrens een stralingsdosis ontvangen van ten hoogste 40 microsievert per jaar. Om dit te controleren wordt op acht punten op de terreingrens het stralingsniveau gemeten. Dit gebeurt met het door het RIVM beheerde MONET-meetnet. Van de meting wordt vervolgens de natuurlijke achtergrondwaarde afgetrokken. Om het resultaat te vergelijken met het toegestane niveau, wordt de zogeheten Actuele Blootstelling Correctiefactor (ABC-factor) toegepast. ABC-factoren hangen samen met de bestemming van het gebied waar de stralingsdosis kan worden opgelopen. Aan het terrein van de kerncentrale Borssele geldt een ABC-factor van 0,2. In dit rapport zijn de daggemiddelden van de metingen van de acht MONET-monitoren rond de kerncentrale in 2015 weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald. In 2015 was de hoogste waarde, na aftrek van de natuurlijke achtergrond, 3,2 microsievert per jaar. Na de toepassing van de ABC-factor is de berekende maximale effectieve dosis 0,6 microsievert per jaar.
    • Voorbij de brand: Leren van ongevallen bij de brandweer : Resultaten van een pilotonderzoek met Storybuilder

      van Kampen J; Chambon M; ABI; M&amp;V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-12-10)
      Het werk van de brandweer kan voor het brandweerpersoneel zelf gevaarlijke situaties en (bijna-)ongevallen met zich meebrengen, waardoor ze gewond kunnen raken. Dit kan gebeuren als ze in actie zijn bij een brand, of tijdens voorbereidende activiteiten op de kazerne of trainingsactiviteiten. Denk aan werken met een (ketting)zaag, duikwerkzaamheden of situaties waarin gevaarlijke stoffen vrijkomen. Om de veiligheid van de werknemers te verbeteren, wil de brandweer leren van incidenten. Het RIVM heeft daarom met de brandweer een instrument ontwikkeld dat door alle veiligheidsregio's gebruikt kan worden om op eenduidige wijze gegevens te verzamelen en te analyseren. Zo ontstaat een betere samenwerking tussen de veiligheidsregio's om incidenten te voorkomen. <br> <br>Momenteel worden incidenten bij brandweerpersoneel per veiligheidsregio geregistreerd. Voor dit onderzoek is met zes veiligheidsregio's systematisch informatie verzameld over 140 (bijna-)ongevallen en gevaarlijke situaties bij de brandweer. Welk type ongeval is (bijna) opgetreden, welke veiligheidsmaatregelen hebben hierbij mogelijk gefaald en met welk gereedschap werd er gewerkt? Het ontwikkelde instrument is gebaseerd op Storybuilder, een bestaand instrument voor nationaal onderzoek naar alle ernstige, meldingsplichtige arbeidsongevallen. <br> <br>Dit onderzoek is een pilot waarbij de ontwikkeling van het instrument voorop stond. Niet alle ongevallen in Nederland zijn meegenomen. De gebruikte ongevallen zijn daarom niet representatief, maar geven een indruk. Om het instrument op nationaal niveau te kunnen gebruiken, is het gewenst om het verder te ontwikkelen en aanvullend onderzoek te doen. Het onderzoek maakt ook duidelijk dat Storybuilder aangepast kan worden om binnen een specifieke sector incidenten te analyseren. <br>