• Exploratory report 1,3-butadiene

      Slooff W; Bont PFH; Hesse JM; Thomas R; RPC Delft; ECO; ACT; LAE (1994-02-28)
      Abstract niet beschikbaar
    • Exploratory Report Chloronitrobenzenes

      Slooff W; Bont PFH; Hesse JM; Ros JPM; ECO; ACT; LAE; RPC Moret Ernst & Young (1996-05-31)
      Dit document rapporteert gegevens over chloornitrobenzenen betreffende richtlijnen, bronnen en emissies, blootstellings- en effectniveaus en risico's voor mens en ecosystemen. Op basis van de beschikbare gegevens wordt voorlopig geconcludeerd dat de chloornitrobenzenen geen significant risico opleveren voor mens en ecosystemen. Het gebruik van pentachloornitrobenzeen is sinds januari 1990 verboden en er zijn geen aanwijzingen dat andere chloornitrobenzenen worden of zullen worden toegepast, geproduceerd of ge-emitteerd in Nederland. Derhalve wordt voorgesteld om deze groep van stoffen van de aandachtstoffenlijst af te voeren.
    • Exploratory Report Chlorotoluenes

      Slooff W; Bont PFH; Hesse JM; Poel P van der; ECO; ACT; LAE; RPC Moret Ernst & Young (1996-05-31)
      Dit document rapporteert gegevens over chloortoluenen betreffende richtlijnen, bronnen en emissies, blootstellings- en effectniveaus en risico's voor mens en ecosystemen. Op basis van beperkte informatie over blootstellings- en effectniveaus is voorlopig geconcludeerd dat n-chloortoluenen en ring-gechloreerde alpha-chloortoluenen geen significant risico lijken te vormen voor mens en ecosystemen in Nederland. Voorgesteld wordt om n-chloortoluenen en de ring-gechloreerde alpha-chloortoluenen af te voeren van de aandachtstoffenlijst. Alpha-chloortoluenen lijken geen risico te vormen voor ecosystemen. Bij mensen wordt naar verwachting de toxicologische advieswaarde voor orale blootstelling niet overschreden. Er zijn te weinig gegevens om de carcinogene risiso's van alpha-chloortoluenen in de binnenlucht in Nederland te evalueren. Blootstellingsniveau's kunnen binnenshuis (gedurende korte perioden) verhoogd zijn doordat alpha-chloortoluenen vrijkomen uit vinyl vloertegels en mogelijk ook andere producten waarin butyl benzyl ftalaat is verwerkt. In de nabije toekomst komt meer informatie beschikbaar over alpha-chloortoluenen, vanwege een aantal internationale ontwikkelingen. Om deze reden wordt aanbevolen de alpha-chloortoluenen niet van de aandachtstoffenlijst af te halen. Op dit moment wordt voor de alpha-chloortoluenen geen onderzoek voorgesteld ; mogelijke verdere studies of activiteiten hangen af van de resultaten van de OECD- en EU-studies.
    • Exploratory report phthalic anhydride

      Slooff W; Bont PFH; Hesse JM; Matthijsen AJCM; ECO; RPC bv Delft; ACT; LAE (1994-06-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Extrapolation factors to be used in case of small samples of toxicity data (with a special focus on LD50 values for birds and mammals)

      Luttik R; Aldenberg T; ACT; LWD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-11-30)
      For the evaluation of the possible environmental hazard/risk for birds and mammals of the use of an agricultural pesticide normally the lowest available LD50 is used. Especially in the case of only one or two LD50s an underestimation of the potential hazard/risk can be a real possibility, because there could be uncertainty that these tested animals represent the most sensitive species. An approach towards extrapolating laboratory toxicity data to acceptable concentrations in the field is to estimate the HC5, the Hazardous Concentrations for 5% of the species (Kooijman 1987, Van Straalen & Denneman 1989, Wagner & Lokke 1990 and Aldenberg & Slob 1994). Although this method formally works for n=2 to infinity, in practice it is applied for n=4 to infinity, only. However, when only one NOEC is available, the method cannot be applied. In this report, a proposal is made to estimate an analogous HD5 (Hazardous Dose) for LD50 data and to estimate the standard deviation from other LD50 data sets than the toxic substance at hand in case of small samples (especially those smaller than 4). The safety factors to be applied to the geometric mean of the LD50s for a median estimate of the HD5 of birds and mammals are 5.7 and 3.8, respectively. The SFs for the 95% confidence limit of the HD5 of birds for n= 1, 2 and 3 are 33, 20 and 16, respectively. For mammals these SFs are 15, 10 and 8.
    • Extrapolation factors to be used in case of small samples of toxicity data (with a special focus on LD50 values for birds and mammals)

      Luttik R; Aldenberg T; ACT; LWD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-11-30)
      Voor de inschatting van het mogelijke risico voor vogels en zoogdieren bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de landbouw wordt in het algemeen uitgegaan van de laagste beschikbare LD50. Speciaal in het geval van slechts 1 of 2 LD50-waarden is de kans op onderschatting van het mogelijke risico niet denkbeeldig, omdat men nooit zeker kan zijn of de geteste soorten bij benadering een van de gevoelige soorten vertegenwoordigen. Een methode om laboratoriumgegevens te extrapoleren naar een acceptabele concentratie voor een risicoschatting is de HC5-waarde, de Hazardous Concentration voor 5% van de soorten, te berekenen (Kooijman 1987, Van Straalen & Denneman 1989, Wagner & Lokke 1990 en Aldenberg & Slob 1994). Deze methode berekent uit een set van 'n' laboratorium toxiciteitsgegevens het gemiddelde en de standaard afwijking van de log getransformeerde NOEC concentraties. Alhoewel deze methode in principe geschikt is voor n = 2 tot oneindig, wordt de methode in de praktijk toegepast voor n = 4 tot oneindig. De methode kan echter in geen geval gebruikt worden indien er slechts een NOEC voorhanden is. In dit rapport stellen we voor een HD5-waarde (Hazardous Dose) uit LD50's te berekenen op dezelfde manier als een HC5-waarde uit NOEC's. Daarnaast schatten we een standaard afwijking uit LD50-datasets met informatie voor tenminste 4 soorten per stof, die gebruikt kan worden bij stoffen waarvoor minder informatie beschikbaar is. De veiligheidsfactoren voor de HD5(50) waarden voor LD50's van vogels en zoogdieren zijn 5,7 en 3,8. De HD5(95) voor vogels voor n = 1, 2 en 3, zijn respectievelijk 33, 20 en 16 en voor zoogdieren 15, 10 en 8.<br>
    • A further look at zinc - A response to the Industry addendum to the integrated criteria document zinc

      Janus JA; Beelen P van; Vaal MA; Senhorst HAJ; Guchte C van de; ACT; LAE; RIZA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-07-31)
      This report comprises a response to the 'Industry addendum' (IA), published in 1995, in which comments are given on the 'Integrated Criteria Document Zinc' (ICDZ) published in 1992 by RIVM. It is focused on the main points of criticism: (i) the ecotoxicological data (NOEC values) used in deriving maximum tolerable concentrations (MTC values) in surface water and soil, (ii) the value of the MTC in surface water and soil, in relation to the background concentration in these compartments, and (iii) the estimate of the emission due to atmospheric corrosion of zinc and galvanized steel. With respect to the ecotoxicological data the comments in the IA are largely rejected. Hence, the current MTC values for zinc in surface water and soil, derived in the ICDZ, are still considered to be valid. Therefore and because of the fact that the MTC values for metals, zinc included, are currently being re-evaluated in the framework of RIVM-project 'Setting Integrated Environmental Quality Objectives', this report gives no specific proposal for a revision of the current MTC values. With respect to the corrosion-related zinc emissions from inland sources, the ICDZ overestimated the corrosion load, with a value of 4,125 tonnes/year. In more recent RIZA/RIVM publications the corrosion load has already been corrected downwards to approximately 1,600-1,700 tonnes/year. The current RIZA/RIVM estimates are in agreement with a recent estimate of the Dutch Central Bureau of Statistics (1,340 tonnes/year), but are still considerably higher than the industry estimates (IA: 490 tonnes/year, recently revised to 560 tonnes/year).
    • A further look at zinc - A response to the Industry addendum to the integrated criteria document zinc

      Janus JA; van Beelen P; Vaal MA; Senhorst HAJ; van de Guchte C; ACT; LAE; RIZA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-07-31)
      In dit document wordt een reactie gegeven op het in 1995 uitgebrachte 'Industrie addendum' (IA), waarin commentaar wordt geleverd op het in 1992 door het RIVM uitgebrachte 'Basisdocument Zink'. Het rapport gaat vooral in op de belangrijkste kritiekpunten: i) de ecotoxicologische gegevens (NOEC-waarden) die zijn gebruikt bij de afleiding van maximaal toelaatbare risiconiveaus (MTR-waarden) in oppervlaktewater en bodem, ii) de hoogte van het MTR in oppervlaktewater en bodem, in relatie tot de achtergrondconcentraties in deze compartimenten, en iii) de schatting van de emissie door atmosferische corrosie van zink en verzinkt staal. Met betrekking tot de ecotoxicologische gegevens wordt de in het IA vermelde kritiek grotendeels verworpen. De huidige MTR-waarden, afgeleid in het basisdocument, worden daarom nog steeds geldig geacht. Om deze reden en vanwege het feit dat er momenteel in het kader van het project 'Integrale Normstelling Stoffen' een her-evaluatie plaatsvindt van MTR-waarden voor metalen, waaronder zink, wordt in dit rapport geen concreet voorstel gedaan voor een herziening van de huidige MTR-waarden. Met betrekking tot de emissies door corrosie is in het basisdocument een totale corrosievracht vanuit binnenlandse bronnen geschat van 4125 ton/jaar, hetgeen volgens de huidige inzichten inderdaad een overschatting is. In recentere RIZA/RIVM-publicaties is de corrosievracht reeds naar beneden bijgesteld, naar ca. 1600-1700 ton/jaar. De huidige RIZA/RIVM-schattingen zijn in overeenstemming met een recente schatting van het Centraal Bureau voor de Statistiek (1340 ton/jaar), maar zijn nog steeds aanzienlijk hoger dan de schattingen van de industrie (IA ; 490 ton/jaar ; recentelijk bijgesteld naar 560 ton/jaar).<br>
    • Guidance document on the derivation of ecotoxicological criteria for serious soil contamination in view of the intervention value for soil clean-up

      Crommentuijn GH; Plassche EJ van de; Canton JH; ACT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-11-30)
      The intervention value for soil clean-up (formerly C-value) is based on the integration of a separately derived human-toxicological as well as an ecotoxicological criterium for serious soil contamination. The aim of this document is to update the methodology to derive the ecotoxicological criterium for serious soil contamination, as described by Denneman and Van Gestel (1990, 1991), with recommendations given by the Soil Protection Committee (TCB, 1992) and with scientific information and methods which have become available in recent years. The methodology used to derive the human-toxicological criterium will be described in report nr. 711701006 (Janssen, 1995).The ecotoxicological criterium for serious soil contamination is that there is a serious danger for a soil ecosystem when 50% of the species and 50% of the microbial processes are threatened. This will be the case when the NOEC (No-Observed-Effect-Concentration) for effects on vital life-functions of species (like survival, growth and reproduction) and microbial and enzymatic processes are exceeded. If a substance has a potential for secondary poisoning, the possible adverse effects due to secondary poisoning are incorporated in the criterium. The methodology used to derive the ecotoxicological criterium for serious soil contamination is described in a stepwise protocol in this report.
    • Guidance document on the derivation of ecotoxicological criteria for serious soil contamination in view of the intervention value for soil clean-up

      Crommentuijn GH; van de Plassche EJ; Canton JH; ACT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-11-30)
      De interventie waarde (voorheen C-waarde) is gebaseerd op de integratie van zowel een humaan toxicologisch als een ecotoxicologisch criterium voor ernstige bodemverontreiniging. Het doel van dit rapport is om de methodiek voor het afleiden van het ecotoxicologisch criterium voor ernstige bodemverontreiniging, zoals beschreven door Denneman en Van Gestel (1990, 1991), te updaten met de aanbevelingen gedaan door de Technische Commissie Bodembescherming (TCB, 1992) en de wetenschappelijke informatie en methoden die de laatste jaren beschikbaar zijn gekomen. De methodiek waarmee het humaan toxicologisch criterium wordt afgeleid zal beschreven worden in rapportnummer 711701 006 (Janssen, 1995). Het ecotoxicologisch criterium voor ernstige bodemverontreiniging is dat er een ernstig gevaar voor een bodemecosysteem bestaat wanneer 50% van de soorten en 50% van de microbiele processen worden bedreigd. Dit is het geval wanneer de NOEC (No-Observed-Effect-Concentration) voor vitale levensfuncties van soorten (zoals overleving, groei en reproduktie) en microbiele en enzymatische processen worden overschreden. Voor stoffen met een potentieel risico voor doorvergiftiging zijn de mogelijk negatieve effecten ten gevolge van doorvergiftiging meegenomen in het criterium. De methodiek die gebruikt wordt voor het afleiden van het ecotoxicologisch criterium voor ernstige bodemverontreiniging is beschreven in een protocol in dit rapport.<br>
    • Harmonization of Model parameters

      Heijna-Merkus E; Hof M; ACT; DGM/SVS (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1993-12-31)
      For the hazard and risk assessment of substances to man and environment several methods are in use in the Netherlands. The methods were developed in the framework of various (inter)national regulations and, consequently, differences occur. It is recognized that unnecessary differences in the models need to be harmonized. The underlying study was performed to harmonize the substance independent parameters. To this end the subject was discussed in a broad group of experts. The report gives the need for harmonization, the followed procedure, the processes within the assessment systems, the parameters under discussion and the harmonized values plus motivation.<br>
    • Human-Toxicological Criteria for Serious Soil Contamination: Compounds evaluated in 1993 &amp; 1994

      Janssen PJCM; Apeldoorn ME van; Koten-Vermeulen JEM van; Mennes WC; ACT (1995-08-31)
      Dit rapport geeft een overzicht van het humaantoxicologische werk uitgevoerd door het Adviescentrum Toxicologie in de jaren 1993 en 1994 in het kader van het RIVM-project betreffende bodeminterventiewaarden. De methode voor afleiding van het Maximum Toelaatbare Risico (MTR), zoals beschreven in het eerdere RIVM-rapport van Vermeire et al. (1991), werd met slechts geringe wijzigingen toegepast voor een set van 26 stoffen. Binnen het project worden deze stoffen aangeduid als de tweede en derde serie van stoffen (de in het rapport van Vermeire et al. behandelde stoffen vormen de eerste serie). Voor elk van de in het huidige rapport opgenomen stoffen kon een MTR worden afgeleid. Voor een aantal van de stoffen is de afgeleide waarde een voorlopige vanwege beperkingen in de voor deze stoffen beschikbare datasets.
    • Immunotoxiciteit van natuurlijke toxinen. Een literatuur overzicht

      Deijns AJ; van Egmond HP; Speijers GJA; van Loveren H; ACT; ARO; TOX; PAT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-02-28)
      The data about the possible toxicity of natural toxins indicate that many of these toxins are immunotoxic. This was found in various animal species and in man. The effects on the immune system often involve clinical implications, i.e. reduced resistance towards infections. For many of the natural toxins, however, investigations on the immunotoxic effects are far from complete. The relation of the observed effects on the immune system to other toxic effects is often not clear. On several occasions effects on one or more immunological parameters have been described, whereas the significance for the ultimate functionality remains unclear. This means that the knowledge about the potential immunotoxicity is fragmentary for the majority of the natural toxins. The knowledge on the toxicological profile of many less well investigated natural toxins would be desirable. In particular attention should be given to the immune system as a possible target for toxicity. The mycotoxins Fumonisin B1 and Ochratoxin A should be considered for further immune toxicity studies, in view of the toxicological significance, the gaps in the knowledge and the possibilities to have enough material available for (immune-)toxicity studies.<br>
    • Initial assessment of the hazards and risks of new chemicals to man and the environment. PART III

      Hulzebos EM; Vermeire TG; ACT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-12-31)
      Dit rapport is het derde in een serie die de initiele risicobeoordeling van nieuwe stoffen op het RIVM beschrijft. Deze beoordeling betreft zowel de mens als het milieu en wordt uitgevoerd in het kader van Europese Commissie (EC) Richtlijn 67/548/EEG over de evaluatie en controle van nieuwe stoffen, de hierop gebaseerde Wet Milieugevaarlijke Stoffen en de recent aangenomen EC Richtlijn 93/67/EEG over de risicobeoordeling van nieuwe stoffen. Deze laatste Richtlijn wordt ondersteund door een Technische Leidraad die de beoordeling van blootstelling en effecten en de risicokarakterisering beschrijft voor zowel mens als milieu. Dit derde rapport, Deel III, bespreekt opnieuw een aantal problemen in de beoordeling van effecten evenals een aantal teststrategieen, met name in relatie tot hetgeen hierover in de EC Technische Leidraad is geschreven. Dit rapport zal tevens ingaan op nog niet eerder besproken onderwerpen ook weer rekening houdend met de EC Technische Leidraad. Dit rapport staat niet op zichzelf en kan alleen samen met Deel I en II in deze serie gebruikt worden. Als zodanig zijn deze rapporten op de eerste plaats geschreven als een gids voor hen die op het RIVM betrokken zijn bij de beoordeling van stoffen, maar ook voor beleidsmedewerkers die belast zijn met de regulering en de algehele evaluatie van dossiers van nieuwe stoffen en voor overige geinteresseerden, bijvoorbeeld bij de industrie, particuliere organisaties en het algemene publiek. Een index van de voornaamste onderwerpen die in de drie rapporten besproken worden is toegevoegd om de toegankelijkheid te verhogen.<br>
    • Initial risk assessment of musk ketone and musk xylene in the Netherlands in accordance with the EU-TGD

      Tas JW; Plassche EJ van de; ACT (1996-03-31)
      Een voorlopige risico-evaluatie ten aanzien van het milieu is uitgevoerd voor musk keton en musk xyleen volgens het EU Technical Guidance Document for New and Existing Chemicals (concept-versie oktober 1995). Musk keton en musk xyleen worden gebruikt als geurstoffen in cosmetica en huishoudelijke produkten. De risico-evaluatie is gebaseerd op informatie en studies aangeleverd door de geurstoffen-industrie vertegenwoordigd in Nederland door de Vereniging van Geur- en Smaakstoffenfabrikanten (NEA), door het Research Institute for Fragrance Materials (RIFM) en op gegevens uit de openbare literatuur. Geevalueerd zijn de risico's voor aquatische organismen in oppervlaktewater en bodemorganismen na toepassing van zuiveringsslib. Tevens is gekeken naar doorvergiftiging. Een vergelijking wordt gemaakt tussen de zogenaamde Predicted Environmental Concentration (PEC) en de Predicted No Effect Concentration (PNEC). Aangezien beide stoffen gemeten zijn in oppervlaktewater en vis is de PNEC tevens vergeleken met gemeten concentraties in plaats van voorspelde concentraties. Alle PEC/PNEC ratio's, behalve voor bodem, waren lager dan 1.
    • Integrated Criteria Document Fine Particulate Matter

      Annema JA; Booij H; Hesse JM; Meulen A van der; Slooff W (eds); ACT; ECO; LAE; LLO; TOX; et al. (1996-01-31)
      Dit document rapporteert gegevens over fijn stof betreffende bronnen en emissies, blootstellingsniveaus, effectniveaus, risico's en de technische mogelijkheden om deze risico's te reduceren. Deze informatie vormt de wetenschappelijke basis voor de formulering van een effect-gericht milieubeleid in Nederland. De aard van het fijn stof en het aandeel van fijn stof, SO2 en NO2 in het luchtverontreinigingsmengsel is veranderend. In de huidige situatie zijn de fijn stof en NO2 concentraties relatief hoog en de SO2 concentraties relatief laag. Het huidige fijne stof is opgebouwd uit ongeveer evenveel primair als secundair aerosol. (Gecorrigeerde) metingen wijzen uit dat de huidige Nederlandse advieswaarden voor PM10 van 40 mug per kubieke meter (jaargemiddeld) en 140 mug per kubieke meter (daggemiddelde) in het hele land worden overschreden. Nederlandse en Amerikaanse studies, uitgevoerd bij luchtverontreinigingssituaties enigermate karakteristiek voor het nieuwe episode mengsel, tonen aan dat daggemiddelde concentraties van lager dan 140 mug per kubieke meter geassocieerd zijn met verscheidene effecten. In een studie werden ook aanwijzingen gevonden voor het optreden van effecten bij kinderen bij jaargemiddelde concentraties rond 40 mug per kubieke meter. Er werd geconcludeerd dat beide advieswaarden naar beneden bijgesteld dienen te worden. Bij de huidige Nederlandse blootstellingsniveaus van PM10 kunnen effecten optreden. De emissies van primair en (voorlopers van) secundair fijn stof zullen verder afnemen ten gevolge van het huidige beleid en sociaal-economische scenario's. De reducties in PM10 emissies (na 1990) zijn met name gerealiseerd door de industrie; er wordt bijna geen emissiereductie verwacht bij bronnen, die op lokale schaal bijdragen aan episoden (zoals verkeer). De jaargemiddelde fijn stof niveaus zouden door het huidige beleid mogelijk tot ruim onder 40 mug per kubieke meter kunnen dalen, mits buitenlandse bronnen evenveel afnemen als de Nederlandse. Na het afronden van dit document (april 1993) is een aantal (concept) publicaties verschenen betreffende het verband tussen fijn stof en acute effecten. De resultaten van deze studies vormen een verdere ondersteuning van de in dit document getrokken conclusies. De betreffende studies zijn niet apart beschreven.
    • Integrated Criteria Document Mercury

      Slooff W; van Beelen P; Annema JA; Janus JA; ACT; ECO; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-01-31)
      Onderhavig document omvat gegevens over kwik inzake de bronnen en verspreiding en de risico's op basis van afweging van blootstellingsniveaus en schadelijke concentraties. Tevens worden de autonome ontwikkelingen in de emissies geschetst en inzicht gegeven in de mogelijke aanvullende technische maatregelen voor verdere emissiereductie. De emissie naar het milieu door Nederlandse bronnen bedraagt enkele tonnen per jaar. De bijdrage aan de kwikbelasting vanuit het buitenland is groot. Voor het oppervlakte-water wordt deze geschat op 75%. Ook de depositie wordt vooral bepaald door het achtergrondniveau en vormt de belangrijkste belasting van de bodem in Nederland. Op basis van de gegevens in dit document wordt geconcludeerd dat de huidige en toekomstige blootstellingsniveaus voor de mens op een toelaatbaar risiconiveau liggen. Met betrekking tot de water- en (water)bodemecosystemen en de daarvan afhankelijke hogere predatoren zijn er aanwijzingen dat de bestaande risico's beperkt zijn, met de kanttekening dat de risicoschatting grote onzekerheden kent. De afgeleide MTR-waarden liggen op een vergelijkbaar niveau als de grenswaarden. De grenswaarden worden in het aquatisch milieu op veel plaatsen overschreden ; terugdringen van het risico zal door emissie-reducties weliswaar plaatsvinden, maar het is onzeker of de gestelde emissie-doelstellingen worden gehaald. In het terrestrisch milieu is normoverschrijding minder evident ; hier geldt echter het probleem dat de emissiedoelstelling niet zal worden gehaald en er sprake blijft van accumulatie van kwik in de bodem.<br>
    • Integrated Environmental Quality Objectives for Polycyclic Aromatic Hydrocarbons (PAHs)

      Kalf DF; Crommentuijn GH; Posthumus R; Plassche EJ van de; ACT (1995-12-31)
      In dit rapport zijn Maximaal Toelaatbare Risiconivo's (MTR's) voor 10 Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK's) afgeleid. Voor het aquatisch milieu zijn MTR's afgeleid uit de beschikbare experimentele gegevens. Voor 3 PAK's zijn geen experimentele gegevens beschikbaar. Deze MTR's zijn berekend met behulp van de QSAR-methode (Van Leeuwen et al., 1992). Voor bodem en sediment zijn MTR's afgeleid met behulp van de beschikbare experimentele gegevens. Doordat experimentele gegevens erg schaars zijn, is het voor slechts 3 PAK's mogelijk MTR's af te leiden voor de bodem. Vervolgens zijn deze MTR's voor bodem afgestemd met die voor water met behulp van de evenwichtspartitie-methode. Voor de overige PAK's, 7 voor bodem en 10 voor sediment zijn MTR's afgeleid met behulp van de evenwichtspartitie-methode, waarbij de MTR's voor bodem en sediment worden berekend uit de MTR's voor het aquatische milieu. Omdat er onzekerheden zijn in de werkingsmechanismen voor PAK's is het op dit moment niet mogelijk een wetenschappelijk onderbouwde somnorm voor de 10 PAK's te berekenen.
    • Integrated Environmental Quality Objectives for Polycyclic Aromatic Hydrocarbons (PAHs)

      Kalf DF; Crommentuijn GH; Posthumus R; Plassche EJ van de; ACT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-12-31)
      In the present report Maximum Permissible Concentrations (MPCs) are derived for 10 Polycyclic Aromatic Hydrocarbons (PAHs). For the aquatic environment MPCs are derived from the available experimental data. For 3 PAHs no experimental data are available. These MPCs are calculated using the QSAR-approach (Van Leeuwen et al., 1992). For soil and sediment the MPCs are derived from the available experimental data. This resulted in only 3 MPCs for soil. These three MPCs for soil are harmonized with the MPCs for the aquatic environment, using the equilibrium partitioning method. The remaining MPCs, 7 for soil and 10 for sediment are calculated from the MPC water also using the equilibrium partitioning method. Because of uncertainties in the mode of action of PAHs, it is at this moment not possible to derive a scientifically underpinned risk limit for the mixture of the 10 PAHs.
    • Kwaliteitsborging binnen literatuuronderzoek

      van Loon EML; Melis PHAM; Polder MD; Swartjes FA; van der Zwan CW; ACT; FB-BDA; BKG; CIE; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-06-30)
      Literatuuronderzoek is een van de vele vormen van onderzoek die bij het RIVM worden uitgevoerd. Elke onderzoeker voert regelmatig literatuuronderzoek uit, hetzij als zelfstandig onderzoek, hetzij als onderdeel van een groter onderzoek. Net als op elk ander type onderzoek zijn op literatuuronderzoek kwaliteitseisen als reproduceerbaarheid en aantoonbare wetenschappelijke borging van toepassing. In deze leidraad worden aandachtspunten gegeven, die het mogelijk maken het proces van literatuuronderzoek gecontroleerd te laten verlopen. Hierbij wordt uitgegaan van de verschillende processtappen in literatuuronderzoek: probleemstelling en planning, recherche, selectie, verzameling, acceptatie, verwerking en rapportage. Deze processtappen worden beschreven. Bij elke processtap worden borgpunten aangegeven die het proces traceerbaar maken en wetenschappelijke betrouwbaarheid aantonen.<br>