• Informative Inventory Report 2019 : Emissions of transboundary air pollutants in the Netherlands 1990-2017

      Wever, D; Coenen, PWHG; Dröge, R; Geilenkirchen, GP; 't Hoen, M; Honig, E; Koch WWR; Leekstra, AJ; Lagerwerf, LA; te Molder, RAB; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-11)
      De uitstoot van ammoniak is in 2017 gestegen ten opzichte van 2016 en ligt met 132,4 kiloton boven het maximum van 128 kiloton dat vanuit Europa voor Nederland is bepaald. De toename wordt veroorzaakt doordat nieuwe bronnen die ammoniak uitstoten zijn toegevoegd aan de emissie-inventarisatie: sfeerverwarming (open haarden en allesbranders), vreugdevuren, woningbranden en mestverwerking. Ook komt het door ontwikkelingen in de landbouw, zoals een hogere mestproductie per melkkoe en een hoger gehalte aan stikstof in het gevoerde gras. De emissie van vluchtige organische stoffen is in 2017 gestegen tot 254 kiloton en ligt daarmee boven het maximum van 185 kiloton dat vanuit Europa voor Nederland is bepaald. Ook hier komt dat vooral doordat nieuwe bronnen zijn toegevoegd, met als belangrijkste het gebruik van kuilvoer. Daarnaast blijkt door nieuwe inzichten dat consumenten er meer van uitstoten via het gebruik van schoonmaakmiddelen. De door Europa vastgestelde maxima zijn gebaseerd op de situatie in 2000. Bronnen die daarna zijn toegevoegd, hoeven voor de toetsing aan de vastgestelde maxima niet mee te tellen. Nederland heeft daartoe een verzoek opgenomen in dit rapport. Voor ammoniak zijn dat de bronnen afrijping van gewassen, gewasresten in de bodem en mestverwerking. Voor vluchtige organische stoffen zijn dat de uitstoot uit landbouwbodems en het gebruik van kuilvoer. Dit blijkt uit het Informative Inventory Report (IIR) 2019. Het RIVM analyseert en rapporteert hierin jaarlijks met diverse partnerinstituten de uitstoot van stoffen. Lidstaten van de Europese Unie zijn hiertoe verplicht. Nederland gebruikt de analyses om beleid te onderbouwen.
    • Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland : Rapportage 2019

      Hoogerbrugge, R; Geilenkirchen, GP; den Hollander, HA; van der Swaluw, E; Visser, S; de Vries, WJ; Wichink Kruit, RJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-11)
      Het RIVM geeft elk jaar de concentraties in de lucht in Nederland op kaarten weer, onder andere van stikstofdioxide en fijnstof. Ook wordt op kaarten aangegeven in welke mate stikstof op de bodem neerslaat. In dit rapport gaat het om de situatie in 2018. Daarnaast zijn berekeningen voor de verwachte concentraties en deposities van deze stoffen gemaakt voor 2020, 2025 en 2030. Deze GCN-kaarten worden onder andere gebruikt voor een programma om de luchtkwaliteit in Nederland te verbeteren (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit; NSL). De kaarten worden ook gebruikt bij de berekening van de effecten van ruimtelijke plannen op de concentraties vervuilende stoffen in de lucht. Stikstofdioxide- en fijnstofconcentraties in de lucht De gemeten concentraties stikstofdioxide (NO2) in de lucht zijn in 2018 gemiddeld iets lager dan in 2017. Voor 2020 worden de concentraties enkele microgrammen hoger ingeschat dan vorig jaar. Dat komt vooral door tegenvallers in de verkeersemissies. De gemeten concentraties fijnstof (PM10 en PM2,5) waren in 2018 iets hoger dan in 2017. De inschattingen voor 2020 en 2030 zijn iets lager dan de inschattingen van vorig jaar. Hogere ammoniak De gemeten concentraties ammoniak (NH3) in de lucht zijn in 2018 veel hoger dan in 2017. Vooral het extreem warme, zonnige en zeer droge weer is hiervan de oorzaak. Ammoniak is een component van stikstof. Als te veel ammoniak op de bodem neerslaat, is dat schadelijk voor de natuur (biodiversiteit). Door de hogere concentraties in de lucht was er meer ammoniak beschikbaar om op de bodem neer te slaan. Naast ammoniak zijn de stikstofoxiden een ander onderdeel van de stikstofdepositie. De depositie van stikstofoxiden daalde. De uitstoot van ammoniak is licht gestegen ten opzichte van de voorgaande jaren (2012-2016). Het RIVM maakt de GCN-kaarten in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW).
    • Methodology for the calculation of emissions from product usage by consumers, construction and services

      Jansen, BI; Meesters, JAJ; Nijkamp, MM; Koch, WWR; Dröge, R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-11)
      Het RIVM beschrijft de geactualiseerde methoden waarmee de Nederlandse Emissieregistratie berekent welke en hoeveel verontreinigende stoffen in de lucht terechtkomen door het gebruik van producten. Het gaat hier bijvoorbeeld om oplosmiddelen uit cosmetica, luchtverfrissers, spuitbussen, verf, en stoffen die vrijkomen bij het stoken van hout en het afsteken van vuurwerk. Met deze beschrijving wordt de gerapporteerde uitstoot onderbouwd. Nederland rapporteert jaarlijks volgens de meest actuele wetenschappelijke inzichten over de uitstoot van broeikasgassen, verzurende stoffen en stoffen die gerelateerd zijn aan grootschalige luchtverontreiniging. Dat is verplicht vanwege internationale verdragen, zoals het Kyoto-protocol, de EU-Emissieplafonds (NEC-Directive) en de Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (CLRTAP). Deze rapportage is bedoeld voor de (internationale) reviewers die de Nederlandse rapportages aan de EU en VN valideren.
    • Methodology report on the calculation of emissions to air from the sectors Energy, Industry and Waste : as used by the Dutch Pollutant Release and Transfer Register

      Peek, CJ; Montfoort, JA; Dröge, R; Guis, B; Baas, K; van Huet, B; van Hunnik, OR; van den Berghe, ACWM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-11)
      Het RIVM beschrijft de geactualiseerde methoden waarmee de Nederlandse Emissieregistratie de uitstoot van verontreinigende stoffen naar de lucht berekent vanuit de sectoren Industrie, Energieopwekking en Afvalverwerking (ENINA). Met deze beschrijving wordt de gerapporteerde uitstoot onderbouwd. Nederland rapporteert jaarlijks volgens de meest actuele wetenschappelijke inzichten over de uitstoot van broeikasgassen, verzurende stoffen en stoffen die gerelateerd zijn aan grootschalige luchtverontreiniging. Dit is verplicht vanwege internationale verdragen, zoals het Kyoto-protocol, de EU-Emissieplafonds (NEC-Directive) en de Convention on Long-range Transboundary Air Pollution (CLRTAP). Doelgroep voor deze rapportage zijn de (internationale) reviewers die de Nederlandse rapportages aan de EU en VN valideren.
    • Risicogestuurd toezicht en handhaving: Ranking ongewenste gebeurtenissen in de bodemketen

      Swartjes, FA; Kok, L; Vercruijsse, W; Dekker, E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-06)
      Bij werkzaamheden met grond, bijvoorbeeld om wegen en dijken aan te leggen, wordt de grond onder andere gekeurd, gesaneerd of verplaatst. Deze werkzaamheden kunnen negatieve effecten hebben op de gezondheid, het milieu, de economie en het welbevinden van mensen, zoals stress door geluidoverlast. Het RIVM heeft 258 van deze werkzaamheden met negatieve effecten vastgesteld. Een voorbeeld van deze 'ongewenste gebeurtenissen' is dat niet is gecontroleerd of een sanering goed is uitgevoerd. Of dat een partij vervuilde grond illegaal is vermengd met schone grond, zodat hij toch te gebruiken is. De grond kan ook door weersomstandigheden verwaaien. Experts uit tal van overheidsorganisaties en het bedrijfsleven hebben de ongewenste gebeurtenissen gerangschikt op de impact die ze hebben. Van de twintig meest ongewenste gebeurtenissen is bij ten minste een derde bewust de regels niet opgevolgd (fraude). Het merendeel van de ongewenste gebeurtenissen heeft te maken met de opslag van partijen grond, vermenging van grond en de beoordeling van de kwaliteit van partijen grond, om te bepalen waarvoor het mag worden gebruikt. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Met deze kennis kan Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) het toezicht en de handhaving gericht op werkzaamheden met grond zo efficiënt mogelijk samen met haar ketenpartners uitvoeren.
    • Annual report Surveillance of influenza and other respiratory infections in the Netherlands: winter 2018/2019

      Reukers, DFM; van Asten, L; Brandsema, PS; Dijkstra, F; Donker, GA; van Gageldonk-Lafeber, AB; Hooiveld, M; de Lange, MMA; Marbus, S; Teirlinck, AC; et al. (Rijksinstituut voor Volkgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-05)
      Griepepidemie De griepepidemie in de winter van 2018/2019 was mild en duurde 14 weken. Dat is langer dan het gemiddelde van negen weken in de afgelopen 20 jaar, maar korter dan de lange griepepidemie van 2017/2018 (18 weken). In totaal zijn tussen oktober 2018 en mei 2019 ongeveer 400.000 mensen ziek geworden door het griepvirus. Ongeveer 165.000 mensen gingen naar de huisarts met griepachtige klachten. Minder mensen moesten vanwege complicaties van griep (meestal longontsteking) in het ziekenhuis worden opgenomen. Naar schatting waren dit er ruim 11.000, tegenover 16.000 in het griepseizoen 2017/2018. Mensen zijn vooral ziek geworden van het type A griepvirus. Tijdens de griepepidemie zijn er 2900 mensen meer overleden dan normaal is in deze periode. Effectiviteit griepvaccin In het griepseizoen 2018/2019 hadden gevaccineerden in Nederland 57 procent minder kans op griep. Dat is ongeveer hetzelfde als in vorige griepseizoenen. In Europa werkte het vaccin minder goed tegen een van de meest voorkomende griepvirussen. Internationaal wordt uitgezocht wat de reden daarvan is. De effectiviteit van het griepvaccin kan per seizoen sterk verschillen. Dat komt omdat een half jaar van tevoren wordt bepaald welke virussen in het griepvaccin komen. Dat gebeurt op basis van de virussen die het griepseizoen ervoor in de wereld het meest voorkwamen. Maar griepvirussen kunnen veranderen, of andere griepvirussen kunnen overheersen tegen de tijd dat het griepseizoen in Nederland begint. Daardoor kan van tevoren nooit precies worden voorspeld welke griepvirussen hierin omloop zullen zijn. Meldingsplichtige luchtweginfecties Sommige luchtweginfecties moeten bij de GGD worden gemeld. De GGD kan ze dan intensief volgen en als het nodig is op tijd actie ondernemen om te voorkomen dat ze zich verder verspreiden. Het aantal meldingen van legionella is in 2018 nog verder gestegen naar 584, het hoogste aantal ooit gerapporteerd. Het aantal gemelde gevallen van tuberculose (806), Q-koorts (18) en psittacose (64) bleef stabiel. Q-koorts, psittacose en legionella uiten zich meestal in de vorm van longontstekingen. Het aantal gemelde gevallen is lager dan het werkelijke aantal. Dat komt doordat vaak niet op deze ziekten wordt getest als mensen een longontsteking hebben.
    • Recente ontwikkelingen in medische stralingstoepassingen : Update ioniserende straling 2018/2019

      Boudewijns, LHA; de Waard, IR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-05)
      Het RIVM heeft een overzicht gemaakt van welke nieuwe ontwikkelingen gaande zijn bij medische technieken die ioniserende straling gebruiken. Deze technieken worden gebruikt om diagnoses te stellen of ziekten te behandelen. De meeste ontwikkelingen richten zich erop om de hoeveelheid röntgenstraling te verminderen, of om preciezer te kunnen behandelen. Voorbeelden van deze medische technieken zijn röntgenfoto's en CT-scans die beelden van de binnenkant van de mens maken om een diagnose te kunnen stellen. Radiotherapie en nucleaire therapie maken de behandeling van ziektes mogelijk. Ziekten als kanker zijn met de nieuwe beeldvormende technieken beter te zien. Ook kunnen de nieuwe technieken de kwaliteit van de beelden verbeteren, waardoor minder röntgenstraling nodig is. Door nieuwe technieken in de radiotherapie kan bijvoorbeeld kanker nog preciezer worden behandeld. Het gezonde weefsel dat rond de tumor ligt, blijft daardoor zo veel mogelijk gespaard. In 2018 en 2019 zijn in Groningen, Delft en Maastricht centra geopend waarin tumoren met een ander soort straling (protonen) worden behandeld. Deze behandeling heeft voordelen bij bijvoorbeeld sommige hersentumoren en oogtumoren. Ook hier blijft het gezonde weefsel zo veel mogelijk gespaard. Bij nucleaire therapie wordt een radioactief medicijn in de bloedbaan gebracht dat kankercellen opspoort en ze gericht bestraalt. Voor de behandeling van prostaatkanker zijn grote ontwikkelingen gaande met de radioactieve stof Lutetium. Experts verwachten hier veel van. Dit overzicht is een vervolg op een rapport uit 2014. Voorbeelden van deze medische technieken zijn röntgenfoto's en CT-scans die beelden van de binnenkant van de mens maken om een diagnose te kunnen stellen. Radiotherapie en nucleaire therapie maken de behandeling van ziektes mogelijk. Ziekten als kanker zijn met de nieuwe beeldvormende technieken beter te zien. Ook kunnen de nieuwe technieken de kwaliteit van de beelden verbeteren, waardoor minder röntgenstraling nodig is. Door nieuwe technieken in de radiotherapie kan bijvoorbeeld kanker nog preciezer worden behandeld. Het gezonde weefsel dat rond de tumor ligt, blijft daardoor zo veel mogelijk gespaard. In 2018 en 2019 zijn in Groningen, Delft en Maastricht centra geopend waarin tumoren met een ander soort straling (protonen) worden behandeld. Deze behandeling heeft voordelen bij bijvoorbeeld sommige hersentumoren en oogtumoren. Ook hier blijft het gezonde weefsel zo veel mogelijk gespaard. Bij nucleaire therapie wordt een radioactief medicijn in de bloedbaan gebracht dat kankercellen opspoort en ze gericht bestraalt. Voor de behandeling van prostaatkanker zijn grote ontwikkelingen gaande met de radioactieve stof Lutetium. Experts verwachten hier veel van. Dit overzicht is een vervolg op een rapport uit 2014.
    • TEEB Stadtool : Actualisatie en Doorontwikkeling

      Does, B; Remme, R; de Nijs, T (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-04)
      Groen en water vergroten de gezondheid en het woonplezier in de steden. Bij stedelijke ontwikkeling is er vaak onvoldoende aandacht voor dit soort baten en krijgen economische baten voorrang. Met de TEEB Stadtool kan de maatschappelijke waarde van groen en water in steden worden berekend. De tool is nu geactualiseerd en er zijn enkele baten aan toegevoegd. De vorige versie van de TEEB Stadtool komt uit oktober 2015. De nieuwe versie bevat nieuwe of geactualiseerde 'kengetallen'. Deze getallen worden gebruikt om het effect van een maatregel in te schatten in natuurlijke en vervolgens monetaire eenheden. Beschreven is welke kengetallen uit de wetenschappelijke literatuur zijn geselecteerd en waarom. Verder is de tool uitgebreid met een groot aantal nieuwe berekeningen, zoals voor het effect van groen op luchtkwaliteit, de berging van regenwater in de bodem en de opslag van koolstofdioxide door bomen. Om de tool relevant te houden wordt geadviseerd om de berekeningen van de baten elk jaar te actualiseren. Bovendien worden suggesties gedaan over de ontwikkeling van de tool in de toekomst. TEEB, The Economics of Ecosystems and Biodiversity, is een wereldwijd initiatief uit 2007 dat wordt gefaciliteerd door de Verenigde Naties. Het is erop gericht de waarde van ecosysteemdiensten en biodiversiteit te erkennen en vast te leggen. De TEEB Stadstool is in 2013 ontwikkeld in wordt sinds 2016 beheerd door het RIVM, als onderdeel van de Atlas Natuurlijk Kapitaal.
    • Assurance system regarding the influence of medicinal products on results of IVD tests

      Moltó-Puigmartí, C; de Bruijn, A; van Drongelen, A; Meneses Leonardo Alves, T; Weda, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-03)
      Om een diagnose te kunnen stellen, worden soms tests uitgevoerd in een laboratorium, bijvoorbeeld op basis van bloed. Sommige medicijnen kunnen invloed hebben op de diagnostische test, waardoor de uitslag niet goed is. Het is daarom belangrijk dat kennis en informatie over de invloed van medicijnen op de uitslag wordt uitgewisseld tussen bedrijven en laboratoria. Doordat deze kennis niet systematisch wordt gedeeld, is de informatie niet altijd bij hen bekend. Er is nog geen centraal punt waar laboratoria, fabrikanten van tests en farmaceutische bedrijven deze informatie kunnen vinden. Daarnaast zijn laboratoria vaak niet op de hoogte van de medicijnen die een patiënt gebruikt. Daardoor is het niet altijd meteen duidelijk dat een medicijn de oorzaak is van een afwijkende testuitslag. Dat blijkt uit onderzoek van het RIVM in opdracht voor de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). Diagnostische tests in laboratoria worden in vitro diagnostica (IVDs) genoemd. De invloed van medicijnen, zogenoemde interferenties, is niet altijd bekend op het moment dat het IVD wordt ontwikkeld. Ze komen vaak pas aan het licht nadat het in de handel is gebracht en wordt gebruikt in laboratoria. Als wordt ontdekt dat een medicijn interfereert met een diagnostische test, past de fabrikant van het IVD de gebruiksinstructies aan. Dan weten laboratoria dat ze rekening moeten houden met deze interferentie. Het is onbekend hoe vaak interferenties tussen medicijnen en IVD's voorkomen. Bij de IGJ komen per jaar één tot twee meldingen van nieuw ontdekte interferenties binnen. Het is mogelijk dat interferenties niet altijd worden ontdekt. Hierbij moet worden opgemerkt dat een arts zijn oordeel vaak niet alleen baseert op een IVD-test. Een arts voert vaak ook nog andere tests uit om een diagnose te stellen en weegt de symptomen en klachten van de patiënt mee.
    • Agricultural practices and water quality on farms registered for derogation in 2017

      Lukacs, S; Blokland, PW; Prins, H; Vrijhoef, A; Fraters, D; Daatselaar, CHG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-09-02)
      In Nederland mogen agrarische bedrijven die aan specifieke randvoorwaarden voldoen, meer dierlijke mest op hun land gebruiken dan in de algemene norm van de Nitraatrichtlijn is voorgeschreven. Deze verruiming wordt derogatie genoemd. Het RIVM en Wageningen Economic Research monitoren de gevolgen van deze derogatie voor de waterkwaliteit op driehonderd bedrijven. Dit rapport beschrijft de monitoringsresultaten voor derogatiebedrijven in het jaar 2017 en de trend vanaf 2006. Op basis van deze resultaten concluderen we dat de derogatie geen negatieve effecten heeft op de waterkwaliteit. Bedrijfsvoering In 2017 hebben derogatiebedrijven gemiddeld 245 kilogram stikstof uit dierlijke mest per hectare gebruikt. Een derogatiebedrijf mag 230 of 250 kilogram stikstof per hectare uit graasdiermest gebruiken, afhankelijk van de bodemsoort en regio. Door verbeteringen in de bedrijfsvoering in de afgelopen jaren wordt meer stikstof uit mest gebruikt voor de aanwas, en dus productie, van gewassen: de indicator 'stikstofbodemoverschot' is daardoor sinds 2006 met 20 procent gedaald. Een dalend stikstofbodemoverschot houdt in dat stikstof efficiënter wordt gebruikt. Hierdoor kan er minder nitraat met regenwater wegzakken naar diepere lagen in de bodem en in het grondwater terechtkomen. Grondwaterkwaliteit Bij derogatiebedrijven is daardoor sinds 2006 minder of evenveel nitraat in het grondwater terechtgekomen. Sinds 2015 ligt de gemiddelde nitraatconcentratie van derogatiebedrijven in alle regio's onder de EU-norm van 50 milligram per liter. Dit geldt voor gemiddelden per regio. Op bedrijfsniveau wordt de nitraatnorm soms nog wel overschreden, maar gemiddeld genomen voldoen steeds meer derogatiebedrijven de laatste jaren aan deze norm. De hoogste nitraatconcentraties zijn in 2017 aangetroffen in de Lössregio (38 milligram per liter) en in het zuidelijk en oostelijk deel van de Zandregio (31 milligram per liter). In deze regio's komen drogere gronden voor, waar nitraat in mindere mate in de bodem wordt afgebroken en daardoor meer kan wegzakken naar het grondwater.
    • Onderzoek zoönosen in de vleesveehouderij in 2017

      Cuperus, T; Opsteegh, M; Wit, B; Dierikx, C; Hengeveld, P; Dam, C; Uiterwijk, M; Roelfsema, J; van Hoek, A; van der Giessen, J (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-07-30)
      Dieren kunnen ziekteverwekkers bij zich dragen waar mensen ook ziek van kunnen worden. De ziekten die ze veroorzaken heten ook wel zoönosen. In 2017 onderzochten het RIVM en de NVWA hoe vaak enkele van deze ziekteverwekkers voorkwamen bij runderen die gefokt worden voor hun vlees. Hiervoor zijn runderen op 196 bedrijven onderzocht. Daarnaast hebben 129 veehouders, gezinsleden en medewerkers meegedaan aan dit onderzoek. Het RIVM heeft gekeken of dezelfde ziekteverwekkers ook bij de deelnemers voorkwamen. De meeste van deze ziekteverwekkers veroorzaken diarree, maar soms kunnen infecties ernstiger verlopen. Er is ook naar ESBL-producerende bacteriën gekeken, omdat zij ongevoelig zijn voor een groep antibiotica. Bij de onderzochte runderen komen een aantal ziekteverwekkers vaak voor. Ze zitten in de darmen van de dieren en dus ook in de mest. Het vlees kan besmet raken in het slachthuis als er mest op het vlees komt. Mensen kunnen een besmetting voorkomen door alleen rundvlees te eten als het goed gaar is. Ook is het belangrijk te voorkomen dat ander voedsel in contact komt met rauw vlees. Vooral de bacterie Campylobacter kwam veel voor bij de runderen: op 86 procent van de bedrijven. Bij veehouders en gezinsleden kwam deze bacterie bij 2 procent van de deelnemers voor. STEC en ESBL-producerende bacteriën kwamen minder vaak voor bij de runderen; namelijk op 25 procent (STEC) en 15 procent (ESBL) van de bedrijven. Eén van de deelnemers droeg de STEC-bacterie bij zich. ESBL-producerende bacteriën zijn bij 7 procent van de deelnemers gevonden. Dit is ongeveer even vaak als bij de Nederlandse bevolking. Op 4 procent van de bedrijven kwam de salmonellabacterie voor bij de runderen. Meestal waren dit typen salmonellabacteriën die bij mensen diarree kunnen veroorzaken. Salmonella is niet gevonden bij de veehouders en gezinsleden die meededen.
    • Risicogrenzen bodem voor het gebruik van PFAS-houdende grond en bagger voor akkerbouw en veeteelt

      Wintersen, AM; Römkens, PFAM; Rietstra, RPJJ; Zeilmaker, MJ; Bokkers, BGH; Swartjes, FA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-07-15)
      PFOS en PFOA zijn chemische stoffen die van nature niet in het milieu voorkomen. Deze stoffen behoren tot de groep poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) en zijn door mensen gemaakt. Deze stoffen zijn in veel producten toegepast. Daardoor, en door fabrieksemissies en incidenten, zijn PFAS in het milieu terechtgekomen en zitten nu onder andere in de bodem, in bagger en in het oppervlaktewater. Bagger komt vrij als watergangen worden onderhouden om bijvoorbeeld de bevaarbaarheid en de waterafvoer zeker te stellen. Deze bagger wordt vaak op het aangrenzend perceel gelegd. Op deze manier kunnen PFAS op agrarisch land terecht komen. Het RIVM heeft de risicogrenzen bepaald voor PFAS in grond voor de landbouwvormen akkerbouw en veeteelt. Dit is gedaan omdat er (nog) geen landelijke normen bestaan voor PFAS in grond en bagger voor deze bodemfuncties. Een aantal decentrale overheden, waaronder de provincie Noord-Holland en de gemeente Haarlemmermeer, hebben daarom zelf lokale normen voor grond vastgesteld. Hiervoor zijn risicogrenzen gebruikt die het RIVM eerder heeft bepaald voor niet-agrarische bodemfuncties. In opdracht van het Hoogheemraadschap van Rijnland is onderzocht of deze risicogrenzen ook veilig genoeg zijn voor akkerbouw en veeteelt. Op basis van wat nu bekend is liggen concentraties PFAS in bagger meestal onder de risicogrenzen voor grond als deze op akkerbouwland wordt gebruikt. De risicogrenzen voor veeteelt zijn strenger dan die voor akkerbouw. De verwachting is dat de bagger op de meeste plaatsen ook zal voldoen aan de risicogrenzen voor veeteelt.
    • Kennisoverzicht vraagstukken diffuus lood in de bodem

      Brand, E; Touchant, K; van Holderbeke, M; Zeilmaker, MJ; van Keer, I; Geerts, L; Bierkens, J; Schouten, AJ; van Gestel, G; van Otte, PF (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-07-04)
      Recent gepubliceerd onderzoek bevestigt dat lood in de bodem ook bij lage blootstelling een risico kan zijn voor de gezondheid van jonge kinderen (lagere IQ). Bovendien blijkt dat bij hogere blootstellingsniveaus aan lood dit ook bij volwassenen gezondheidsproblemen kan veroorzaken. Voorbeelden zijn nierfalen en hart- en vaatziekten. Het is daarom belangrijk om met maatregelen de blootstelling te verkleinen op plekken waar lood in de bodem zit. De wetenschappelijke literatuur bevestigt de uitgangspunten waarop het Nederlandse en Vlaamse bodembeleid voor lood is gebaseerd. Waar het niet mogelijk is om de bodem schoon te maken of af te graven, krijgen mensen adviezen over hoe zij de blootstelling kunnen verminderen. Bijvoorbeeld over hoe ze hun huis kunnen schoonmaken (vaker en met een dweil in plaats van statische doekjes). Aanbevolen wordt om verder te onderzoeken welke maatregelen hiervoor effectief zijn. Zo kan het toevoegen van compost aan de grond ervoor zorgen dat het lood aan de bodemdeeltjes 'vastzit' waardoor voorkomen wordt dat het lood in planten of het menselijk lichaam wordt opgenomen. Dit gebeurt echter alleen onder bepaalde omstandigheden, waardoor de effectiviteit per locatie verschilt. Dit blijkt uit een literatuurstudie van het RIVM en de Vlaamse onderzoeksorganisatie VITO naar de kennis over gezondheidsrisico's van diffuus lood in de bodem. De studie is uitgevoerd om de kennis up to date te houden en adequaat te kunnen adviseren over deze bodemverontreinigingen. Bij diffuus bodemlood gaat het om grotere gebieden met concentraties lood die door de jaren heen zijn ontstaan door menselijk handelen, bijvoorbeeld door industriële activiteiten of door land op te hogen met afvalstoffen. Door de grote hoeveelheid verontreinigingen en de kosten is het niet mogelijk om al deze vervuilde grond af te graven. Nederland en Vlaanderen zoeken daarom naar praktische en haalbare oplossingen.
    • Mineral Oils in food; a review of occurrence and sources

      Buijtenhuijs, D; van de Ven, BM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-07-04)
      Minerale oliën kunnen in voedsel zitten doordat ze eraan zijn toegevoegd, of er als verontreiniging in zijn terechtgekomen. Door maatregelen en handhaving zijn de hoeveelheden in voedsel de laatste decennia afgenomen. Op basis van de gehaltes die tot nu toe bekend zijn, verwacht het RIVM in Nederland geen schadelijke gezondheidseffecten. Dit blijkt uit een evaluatie van beschikbare kennis over minerale oliën in voedsel en bronnen van waaruit minerale oliën in voedsel terecht kunnen komen. Minerale oliën worden in verschillende stappen van de productie, bereiding, distributie en opslag van voedsel gebruikt. Bijvoorbeeld als gewasbeschermingsmiddel, als smeerolie voor voedselverwerkende machines, als voedseladditief, of als toevoeging in plastic verpakkingsmateriaal. Per toepassing is de samenstelling van minerale oliën anders. Minerale oliën bestaan uit twee groepen stoffen: verzadigde koolwaterstoffen (MOSH) en aromatische koolwaterstoffen (MOAH). De mogelijke schadelijke gezondheidseffecten van deze groepen verschillen. MOSH en MOAH in voedsel zijn voornamelijk afkomstig van gezuiverde oliën. MOAH uit onvoldoende gezuiverde oliën kunnen al bij een lage blootstelling kankerverwekkend zijn. Daarom mogen deze oliën in de voedselketen niet worden gebruikt. Zo mogen bijvoorbeeld cacao, rijst en noten niet worden geïmporteerd als deze in juten zakken zijn verpakt die met ongezuiverde oliën zijn behandeld. Ondanks de algemene daling van minerale oliën in voedsel, worden er soms nog hoge gehaltes gemeten. Om te achterhalen waar ze vandaan komen en welke levensmiddelen een belangrijk aandeel leveren in de blootstelling, heeft de Europese Commissie in 2017 lidstaten opgeroepen gehalten van minerale oliën in voedselproducten te meten. In Nederland wordt dit uitgevoerd door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Op basis van de verzamelde meetgegevens, en wat de belangrijkste bronnen lijken te zijn van waaruit de minerale oliën in de producten terechtkomen, kan worden onderzocht welke maatregelen mogelijk zijn.
    • Vijftien jaar incidentanalyse : Oorzaken, gevolgen en andere kenmerken van incidenten met gevaarlijke stoffen in de periode 2004-2018

      Kooi, ES; Manuel, HJ; Mud, M (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-07-04)
      Het RIVM heeft 326 incidenten met gevaarlijke stoffen geanalyseerd die tussen 2004 en 2018 plaatsvonden bij grote chemische bedrijven. Bij deze incidenten was de veiligheid van werknemers in het geding. In totaal vielen er 215 slachtoffers, onder wie vijf doden. De aard, omvang en oorzaken van de incidenten zijn in de onderzochte periode gelijk gebleven. Het jaarlijkse aantal incidenten met relatief ernstige gevolgen is in de periode ook niet wezenlijk veranderd. Bij 90 procent van de incidenten kwamen gevaarlijke stoffen vrij. Bij 28 procent ontstond een brand of explosie. Drie keer (1 procent) gingen werknemers een installatie met gevaarlijke stoffen binnen. Incidenten ontstonden vooral tijdens de normale werkzaamheden (60 procent) of tijdens het onderhoud (20 procent). Slachtoffers ademden giftige of schadelijke stoffen in of kregen brandwonden door chemische reacties of hitte. Bij de incidenten tijdens het onderhoud vielen verhoudingsgewijs meer slachtoffers. Chemische bedrijven zijn ervoor verantwoordelijk dat installaties op orde zijn en de productieprocessen en -werkzaamheden veilig worden uitgevoerd. De incidenten ontstonden doordat in de reguliere procesvoering dingen mis gingen. De afwijkingen die daar het gevolg van waren, zijn niet op tijd opgemerkt. De veiligheid kan onder meer worden verbeterd door geschikte maatregelen in te voeren om deze afwijkingen op tijd in beeld te krijgen en te herstellen. Dit verkleint onder andere de kans dat incidenten ontstaan door ongewenste menselijke handelingen of door materiaalverzwakking. Voor deze analyse zijn incidentonderzoeken van de Inspectie SZW gebruikt. In opdracht van het ministerie van SZW gaat het RIVM na wat de overeenkomsten en verschillen tussen de onderzochte incidenten zijn. Inspectiediensten kunnen de analyse gebruiken voor hun inspectie- en handhavingsstrategieën. Bedrijven kunnen de inzichten gebruiken om de veiligheid te verbeteren.
    • Disease burden of food-related pathogens in the Netherlands, 2018

      Pijnacker, R; Friesema, IHM; Mughini Gras, L; Lagerweij, GR; van Pelt, W; Franz, E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-07-04)
      Het RIVM onderzoekt elk jaar hoeveel mensen ziek worden en overlijden door maag-darminfecties die zij via voedsel oplopen. Virussen, bacteriën of parasieten kunnen hier de oorzaak van zijn. Deze ziektelast wordt uitgedrukt in DALY's (Disability Adjusted Life Year). Dit is een internationale maat voor het aantal gezonde levensjaren dat verloren gaat aan ziekte of vroegtijdig overlijden. De onderzochte 14 ziekteverwekkers kunnen niet alleen via voedsel aan de mens worden overgedragen (in totaal ongeveer 40 procent). Dat kan namelijk ook via het milieu (bijvoorbeeld via oppervlaktewater), via dieren, en van mens op mens. Het verschilt per ziekteverwekker via welke van deze routes de meeste mensen ziek worden. Sommige ziekteverwekkers verspreiden zich vooral via voeding, zoals Salmonella. Voor andere ziekteverwekkers zijn andere routes belangrijker. Het rotavirus bijvoorbeeld wordt vooral van mens op mens overgedragen. Het totaal aantal DALY's als gevolg van deze 14 ziekteverwekker is in 2018 hetzelfde als in 2017 (11.000 DALY's). De ziektelast via voedsel is in 2018 geschat op 4.300 DALY's, en is daarmee bijna hetzelfde als in 2017 (4.200). De totale kosten van deze ziektelast worden geschat op 426 miljoen euro, en zijn daarmee hoger dan in 2017 (397 miljoen). Deze cost of illness zijn de directe medische kosten, maar ook de kosten voor de patiënt en/of zijn familie, zoals reiskosten, en de kosten binnen andere sectoren, bijvoorbeeld door werkverzuim. De kosten als gevolg van besmet voedsel zijn ook iets hoger: 171 miljoen euro in 2018 ten opzichte van 163 miljoen euro in 2017. De verschillen in DALY's en kosten zijn vooral een gevolg van schommelingen in het aantal infecties van de onderzochte ziekteverwekkers.
    • Analyse van incidenten met gevaarlijke stoffen bij grote bedrijven 2018

      Manuel, HJ; Kooi, ES; Mud, M; Wolting, B (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-07-04)
      Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM Samenvatting Het RIVM analyseert elk jaar de aard, omvang en oorzaak van incidenten met gevaarlijke stoffen bij grote chemische bedrijven in Nederland. In de analyse van 2018 waren dat er veertien. Bij twaalf incidenten kwamen gevaarlijke stoffen vrij, bij drie hiervan was er ook brand. Eén keer was er een explosie, gevolgd door een brand. In totaal raakten negen mensen gewond. Bij acht van hen was het letsel vermoedelijk tijdelijk. Eén persoon liep blijvend letsel door brandwonden op. Chemische bedrijven zijn ervoor verantwoordelijk dat installaties op orde zijn en dat productieprocessen en werkzaamheden veilig worden uitgevoerd. Bij de onderzochte incidenten ging het op verschillende onderdelen mis. Zo raakten materialen verzwakt of waren chemische processen niet goed onder controle. Hierdoor liepen de processen anders, wat niet op tijd is ontdekt en hersteld. Bedrijven hadden de noodmaatregelen die zij achter de hand moeten hebben, vaak niet of niet goed ingevoerd. Een voorbeeld van zo'n maatregel is voorkomen dat een installatie in brand raakt via ontvlambare materialen in de omgeving. Zes incidenten hadden met een noodmaatregel kunnen worden voorkomen. Bij twee incidenten was de vaardigheid van het personeel om het werk veilig uit te voeren, niet op orde. Ook is aandacht nodig voor persoonlijke beschermingsmiddelen, omdat daar bij vijf incidenten iets mee misging. Wanneer gevaarlijke stoffen vrijkomen, is het mogelijk om de schadelijke effecten te beperken. Bij acht incidenten is voorkomen dat de stoffen zich naar de omgeving verspreidden. Deze rapportage maakt deel uit van de opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) om incidenten te analyseren die de Inspectie SZW heeft onderzocht. Het RIVM gaat na wat de overeenkomsten en verschillen tussen deze incidenten zijn. De resultaten kunnen worden gebruikt voor inspectie- en handhavingsstrategieën. Bedrijven kunnen de inzichten gebruiken om hun veiligheidsbeleid te verbeteren.
    • Marktontwikkeling en leveringszekerheid voor medische radionucliden : Uitbreiding op RIVM Rapporten 2017-0063 en 2018-0075

      Roobol, LP; de Waard, IR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-07-04)
      Het RIVM heeft aanvullend onderzoek gedaan naar de leveringszekerheid van diagnostische en therapeutische radionucliden voor Nederland en naar de effecten van het niet bouwen van de Pallas reactor, de beoogde opvolger van de HFR. Radioactieve stoffen kunnen worden gebruikt om een diagnose te stellen. Ook kunnen ze verschillende soorten kanker behandelen of pijn bestrijden bij terminale patiënten, zogenoemde therapeutische radionucliden. De meeste medische radionucliden worden in Europa gemaakt in zes kernreactoren, waarvan er één in Nederland staat (de HFR). Op één reactor na zijn deze installaties op gevorderde leeftijd en zullen ze vroeg of laat moeten sluiten. De markt is op dit moment fragiel: als één grote reactor of één van de gespecialiseerde laboratoria onverwacht uitvalt, kunnen op wereldschaal leveringsproblemen ontstaan. Bij een onverwachte uitval kunnen de overige reactoren de vraag lang niet altijd opvangen, wat de leveringszekerheid voor de wereld (en dus ook voor Nederland) vrij onzeker maakt. Dat geldt zowel voor diagnostische als therapeutische radionucliden. De vraag naar molybdeen-99/technetium-99m in de wereld zal op de lange termijn stijgen. Geschatte percentages variëren van 5% tot 8% jaarlijkse stijging van de vraag in de opkomende economieën. De groei in de omzet van de therapeutische isotopen zal veel hoger zijn. Bij een vraaggroei voor lutetium-177 van 7% per jaar bijvoorbeeld zijn er al binnen vijf jaar tekorten te verwachten. Om de productieketen van medische radionucliden toekomstbestendig te maken, is een overgang nodig naar een prijsstelling nodig die alle kosten in de keten dekt. In het afgelopen jaar is er meer duidelijkheid gekomen over de aanbodkant van de productie van medische radionucliden. Er zijn initiatieven gaande in Duitsland, Frankrijk en België om de bestaande productiecapaciteit voor medische radionucliden te vergroten en nieuwe capaciteit te bouwen. Zelfs wanneer al deze initiatieven slagen, zullen zij echter niet de productiecapaciteit kunnen vervangen van de reactoren in België (BR2) en Nederland (HFR) die op termijn gaan sluiten. De Europese Commissie heeft onlangs de voorzieningszekerheid van medische radio-isotopen laten onderzoeken. Die studie concludeert dat het, ondanks de genoemde initiatieven, nodig is in de EU nóg een reactor te bouwen om de EU zelfvoorzienend te laten blijven en tekorten op wereldschaal te voorkomen. De studie wijst Pallas hiervoor aan als de gerede kandidaat om de benodigde productiecapaciteit in de komende decennia te garanderen. Nederland is in de unieke positie dat een groot deel van de leveringsketen binnen eigen land aanwezig is: van onderzoek en ontwikkeling, via productie van radionucliden tot de verwerking daarvan tot radiofarmaceutische producten. Hierdoor heeft Nederland ook een goede positie om het land te blijven waar nieuwe radiofarmaceutische producten ontwikkeld worden. De nabijheid van academische ziekenhuizen, een reactor, gespecialiseerde laboratoria dragen daaraan bij. Mocht de HFR sluiten zonder dat de Pallas-reactor wordt gerealiseerd, dan verliest Nederland haar positie binnen die leveringsketen. De kans is dan groot dat de radiofarmacie haar werk van Petten naar het buitenland zal verplaatsen. Daarnaast zal dit grote en negatieve gevolgen hebben voor de (lokale) werkgelegenheid in de nucleaire sector: een derde van de mensen die in Nederland in de nucleaire sector werken en ongeveer 1000 bij toeleveranciers zullen hun baan verliezen. De nucleaire kennisinfrastructuur zal hieronder lijden. Ook vervallen dan de diensten die vanuit Petten worden geleverd aan de nucleaire industrie, andere industrietakken en overheden.
    • Actualisatie giftige voorbeeldstoffen transport gevaarlijke stoffen

      van de Ven, MF; Stam, G (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-07-03)
      Per 1 april 2015 is in Nederland een wet in werking getreden om gevaarlijke stoffen veilig te vervoeren. Dit zogeheten Basisnet is bedoeld om een evenwicht te creëren tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en veiligheid voor de omgeving. De veiligheid van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt berekend en in risico's uitgedrukt. Hiervoor zijn de stoffen in enkele categorieën samengevoegd en wordt per categorie één voorbeeldstof gebruikt voor de risicoanalyse. De huidige voorbeeldstoffen zijn in de jaren negentig van de vorige eeuw bepaald. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat de giftige voorbeeldstoffen nu niet meer representatief zijn. Ze worden niet of zelden vervoerd, of er zijn nieuwe inzichten over de giftigheid ervan. Ze zijn daarom ook moeilijk te verantwoorden aan de omgeving wanneer de werkwijze wordt uitgelegd. Het RIVM heeft verschillende mogelijkheden voor actualisatie uitgewerkt en beveelt nieuwe voorbeeldstoffen aan. Daarbij is rekening gehouden met nieuwe inzichten over de giftigheid van stoffen en hoeveel ze vervoerd worden. Bij de berekening van de risico's wordt een onderscheid gemaakt tussen gassen en vloeistoffen. Voor giftige gassen zijn de berekende risico's met de nieuwe voorbeeldstoffen lager. Voor twee stofcategorieën van giftige vloeistoffen zijn de berekende risico's lager en voor twee andere categorieën hoger. Bij de vloeistoffen met een hoger risico gaat het om klein aantal stoffen die in kleine hoeveelheden worden vervoerd. Hierdoor neemt het totale berekende risico van alle stoffen samen naar verwachting niet toe. Dit onderzoek is gebaseerd op het totaal aan stoffen dat in Nederland wordt vervoerd. Om de gevolgen voor de berekende risico's voor afzonderlijke trajecten te bepalen is gedetailleerder onderzoek nodig. Het onderzoek is uitgevoerd op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Het RIVM analyseerde voor dit onderzoek recente transportaantallen van giftige stoffen, gegevens over de giftige effecten en voerde risicoberekeningen uit.
    • Staat van infectieziekten in Nederland, 2018

      de Gier, B; Schimmer, B; Mooij, SH; Raven, CFH; Leenstra, T; Hahné, SJM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-07-02)
      Dit rapport bevat een erratum d.d. 08-07-2019 op pagina 42 en d.d. 10-09-2019 op pagina 43. De afgelopen jaren neemt het aantal mensen dat ziek is geworden van de meningokokken type W-bacterie toe. Deze stijging zette in 2018 door (103 patiënten in 2018, 80 in 2017). Vaccinatie tegen dit type meningokok is daarom sinds mei 2018 toegevoegd aan de vaccinatie voor kinderen van 14 maanden. Daarnaast wordt deze meningokokken ACWY-vaccinatie in 2019 aangeboden aan jongeren die tussen 2001 en 2005 zijn geboren. Een deel van de jongeren uit 2004, is hier al in 2018 voor uitgenodigd. Het griepseizoen 2018-2019 verliep, met naar schatting 400.000 zieken, aanzienlijk milder dan de hevige epidemie van 2017-2018 (900.000 zieken). In juli en augustus 2018 zijn opvallend veel meldingen gedaan van kraamvrouwenkoorts door groep A streptokokken (27 patiënten). In die periode zagen huisartsen ook veel mensen met krentenbaard. Na onderzoek van het RIVM bleek dat de vrouwen die kraamvrouwenkoorts kregen relatief vaak in contact waren geweest met mensen met roodvonk, krentenbaard of keelontsteking; drie ziekten die de groep A streptokok kan veroorzaken. De infectieziekten waaraan in de afgelopen vijf jaar de meeste 'gezonde levensjaren' in Nederland verloren gingen, zijn griep, pneumokokkenziekte, en infecties met legionella, hiv en campylobacter. Dit blijkt uit de Staat van Infectieziekten van het RIVM. Deze jaarlijkse rapportage geeft beleidsmakers bij onder andere het ministerie van VWS en GGD-en een overzicht van de belangrijkste ontwikkelingen van infectieziekten in Nederland en het buitenland. Het verdiepende thema gaat dit jaar over muggen en de ziekten die deze insecten kunnen overbrengen. In de media worden vaak muggensoorten, risico's en de factoren die hierop van invloed zijn, verward. Dit kan onnodige bezorgdheid veroorzaken. Daarom is een overzicht gemaakt van welke muggensoort welke ziekten kan overbrengen, en onder welke omstandigheden. Deze kennis is belangrijk om te kunnen bepalen of er een risico is voor de Nederlandse volksgezondheid. Het is nog onduidelijk wat de invloed van klimaatverandering (temperatuurstijging, meer regen en aanhoudende droogte) is op de risico's van mugoverdraagbare ziekten.