• Dutch Environmental Indicator for Plant Protection Products - Description of input data and calculation methods

      Linden AMA van der; Deneer JW; Luttik R; Smidt RA; LDL; SEC; Alterra (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-03-15)
      The Dutch Environmental Indicator for plant protection products (NMI) is a software package used for calculating the potential environmental impact of plant protection products, which are used in agriculture. The software package can be used for calculations at the regional and national scale, amongst other for calculations for the Environmental Balance of the Netherlands and the Emission Registration. It is foreseen that the software package will be used in the evaluation of the current policy on plant protection products. This report gives an overview of input data and calculation procedures used to estimate the emissions and potential impacts of these products.
    • Dutch Environmental Indicator for Plant Protection Products - Description of input data and calculation methods

      van der Linden AMA; Deneer JW; Luttik R; Smidt RA; LDL; SEC; Alterra (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-03-15)
      De Nationale MilieuIndicator (NMI) voor gewasbeschermingsmiddelen is een softwarepakket dat wordt gebruikt voor de berekening van emissies en milieubelasting van deze middelen. Het pakket kan worden ingezet voor berekeningen op regionale en nationale schaal, voor onder andere de MilieuBalans en de EmissieRegistratie. Een uitgebreide toepassing van het pakket is voorzien in de evaluatie van het gewasbeschermingsbeleid voor de periode 2001 - 2010. Dit rapport geeft een beschrijving van benodigde invoergegevens van het softwarepakket en de concepten van de gebruikte berekeningswijzen.
    • Dutch Environmental Indicator for plant protection products, version 2. Input, calculation and aggregation procedures

      van der Linden AMA; Groenwold JG; Kruijne R; Luttik R; Merkelbach RCM; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-04-18)
      De Nationale Milieu-Indicator voor gewasbeschermingsmiddelen is een softwarepakket dat wordt gebruikt voor de berekening van emissies en milieubelasting van deze middelen. Dit rapport geeft een beschrijving van benodigde invoergegevens van het softwarepakket en de concepten van de gebruikte aggregatie- en berekeningswijzen.
    • Dutch Health Care Performance Report

      Westert GP; Verkleij H; PZO; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-10-24)
      Dit is de eerste Zorgbalans. Hierin worden de kwaliteit, de toegankelijkheid en de kosten van de Nederlandse gezondheidszorg in 2004 gepresenteerd. De Zorgbalans schetst een breed beeld op basis van ongeveer 125 indicatoren. Waar mogelijk wordt dat gedaan met behulp van tijdreeksen en internationale vergelijkingen. In opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport brengt het RIVM de Zorgbalans iedere twee jaar uit. Nederland heeft anno 2004 een toegankelijk zorgsysteem. Wel zijn de kosten van zorg tussen 2000 en 2004 sterk gestegen. In vergelijking met andere landen in de Europese Unie, heeft Nederland wat betreft kostenontwikkeling niet een sterk afwijkende positie: iets boven het EU-15 gemiddelde. Internationaal gezien is de kwaliteit van zorg op meerdere onderdelen bovengemiddeld. Wat betreft de effectiviteit van preventie en zorg, patientveiligheid en ketenzorg is nog veel winst te boeken.
    • Dutch Health Care Performance Report 2008

      Westert GP; Berg MJ van den; Koolman X; Verkleij H (eds); VTV (EURNIVEL, 2008-12-31)
      De Zorgbalans beschrijft met behulp van ruim honderd indicatoren de prestaties van de Nederlandse gezondheidszorg in 2006 (en deels 2007). De Zorgbalans schetst een breed beeld van de toegankelijkheid, het kostenniveau en de kwaliteit van de Nederlandse zorg. Waar mogelijk wordt dat gedaan met behulp van tijdreeksen en internationale vergelijkingen. In deze tweede Zorgbalans besteden we speciale aandacht aan drie thema's: de doelmatigheid van de zorg, het oordeel van de burgers over de zorg en de effecten van de ingezette stelselwijziging. In opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport brengt het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu tot op heden de Zorgbalans iedere twee jaar uit. Op hoofdlijnen concludeert de tweede Zorgbalans: Toegankelijk, kostenstijging gemiddeld, kwaliteit kan beter. Nederland heeft een toegankelijk zorgsysteem. De zorguitgaven stegen sinds 2004 jaarlijks met 5%. Dit groeitempo is vergelijkbaar met de ons omringende landen. De kwaliteit van zorg is hoog op veel onderdelen, maar internationaal excelleert Nederland niet. De burgers en de zorggebruikers zijn positief over de geboden zorg, maar er zijn verschillen tussen de onderdelen. Een punt van zorg is de beschikbaarheid van verplegend en verzorgend personeel. De coordinatie en afstemming in de zorg en de patientveiligheid scoren relatief laag. De doelmatigheid van de zorg in Nederland is nog niet optimaal. Kwaliteit is (nog) geen sturende factor in de zorgmarkt.
    • Dutch Health Care Performance Report 2010

      Westert GP; van den Berg MJ; Zwakhals SLN; de Jong JD; Verkleij H; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-11-11)
      Vanuit het perspectief van de overheid is het van belang te weten hoe goed de verschillende onderdelen van de gezondheidszorg functioneren en of iedereen in Nederland in gelijke mate van de ingezette middelen profiteert. Gezien de toenemende uitgaven aan de gezondheidszorg is de vraag naar de relatie tussen de ingezette middelen en de opbrengsten die er mee worden bereikt relevant: hoe doelmatig is de Nederlandse gezondheidszorg? Om de ontwikkelingen in de kwaliteit, de toegankelijkheid en de kosten van de gezondheidszorg te monitoren, heeft het ministerie van VWS het RIVM gevraagd de Zorgbalans tweejaarlijks uit te brengen. Deze derde Zorgbalans beschrijft op basis van een beperkte set van indicatoren de prestaties van de Nederlandse gezondheidszorg in 2008 en 2009 en vergelijkt deze met eerdere jaren en internationaal. at valt op in de bevindingen van de Zorgbalans 2010? Allereerst een aantal gunstige ontwikkelingen. De toegankelijkheid van de Nederlandse zorg blijkt veelal uitstekend. Ook de kwaliteit van de zorg is op veel onderdelen goed en er zijn aantoonbare verbeteringen. De meeste zorggebruikers zijn onveranderd positief over de zorg. De kostengroei in de zorg wordt vooral veroorzaakt doordat meer zorg wordt verleend. De Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2010 meldt dat Nederlanders steeds langer leven en dat twee extra levensjaren die er recent zijn bijgekomen in goede gezondheid worden doorgebracht (Van der Lucht en Polder, 2010). Preventie en zorg dragen in belangrijke mate bij aan deze gezondheidswinst. Tegenover deze gunstige bevindingen staat dat de gezondheidszorg niet op alle punten aan alle hoge ambities en verwachtingen voldoet. Het kan beter. Op onderdelen is de toegankelijkheid onvoldoende te noemen, zoals op het punt van wachttijden in sommige onderdelen van de zorg en de matige telefonische bereikbaarheid van huisartsenpraktijken. Er bestaan grote verschillen in prijs en kwaliteit tussen zorgverleners. De afstemming en coördinatie van de zorg tussen zorgverleners is niet optimaal. Hoewel er voorbeelden zijn dat kwaliteitsverbetering gepaard kán gaan met kostenverlaging, is dat voor het totale pakket van geleverde zorg niet duidelijk aantoonbaar. De totale kosten voor de zorg stijgen snel; de kwaliteit verbetert langzaam. Een belangrijke voorwaarde voor het goed functioneren van het zorgstelsel is de beschikbaarheid en vervolgens het gebruik van goede kwaliteitsinformatie. Ondanks de toename van informatie is het nog onvoldoende mogelijk zorgaanbieders te vergelijken op kwaliteit en de uitkomsten van zorg.
    • Dutch Health Care Performance Report 2014

      van den Berg MJ; de Boer D; Gijsen R; Heijink R; Limburg LCM; Zwakhals SLN; VZP; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-04-21)
      De Zorgbalans geeft een beeld van de kwaliteit, de toegankelijkheid en de betaalbaarheid van de Nederlandse gezondheidszorg. Hieruit blijkt onder andere dat de toegankelijkheid van de gezondheidszorg een van de sterkste eigenschappen van de gezondheidszorg in Nederland is. De meeste eerstelijnszorgverleners zoals huisartsen, fysiotherapeuten of verloskundigen kunnen binnen een paar minuten worden bereikt. Een autorit naar een ziekenhuis duurt bijna nooit langer dan een half uur. Verder zijn wachttijden sinds 2008 voor de meeste behandelingen afgenomen. Er wacht nog wel een aanzienlijk aantal mensen op een plek in een verzorgingshuis of verpleeghuis, maar daardoor ontstaan zelden ernstige problemen. Het aantal mensen dat vanwege de kosten wel eens afziet van zorg is sinds 2010 toegenomen. Zo had 12 procent van de volwassen bevolking in 2013 wel eens afgezien van een bezoek aan een arts vanwege de kosten, tegenover 2 procent drie jaar daarvoor. Hiermee lijkt de financiële toegankelijkheid minder vanzelfsprekend dan voorheen; andere voorbeelden zijn medicijnen afhalen of een labonderzoek laten doen. Wat de kwaliteit van zorg betreft zijn er enkele gunstige ontwikkelingen te zien: het aantal mensen dat 30 dagen na een beroerte of hartinfarct stierf, nam af, evenals de (vermijdbare) sterfte in ziekenhuizen en het aantal ziekenhuisinfecties. Mensen met een gebroken heup worden sneller geopereerd, de vijfjaarsoverleving bij verschillende vormen van kanker steeg, en er zijn minder mensen in de langdurige zorg ondervoed. Ook internationaal scoort Nederland op veel punten bovengemiddeld. Zo worden veel minder antibiotica voorgeschreven in de eerste lijn dan in de meeste andere landen. Minder gunstig zijn het aantal sterfgevallen na een beroerte en de babysterfte. In de ouderenzorg is het tekort aan tijd en aandacht die worden besteed aan cliënten een veel voorkomend probleem. Meer dan de helft van de werknemers in verpleeghuizen gaf in 2013 aan dat er onvoldoende personeel is om goede kwaliteit van zorg te kunnen leveren. Verder blijkt de behandeling per zorgaanbieder sterk te kunnen verschillen. Een voorbeeld daarvan is de behandeling bij vrouwen die in een ziekenhuis bevallen van hun eerste kind zonder dat er sprake is van bijzonderheden (zoals een meerling of een stuitligging). In sommige ziekenhuizen wordt 40 procent van zulke bevallingen ingeleid, terwijl dit bij de meest ziekenhuizen in slechts 10 procent gedaan wordt. Vergelijkbare verschillen zijn waargenomen bij het uitvoeren van kunstverlossingen en keizersneden. De zorguitgaven vertonen na 2011 een opvallende trendbreuk. De uitgaven stegen tussen 2000 en 2013 gemiddeld met 5,5 procent per jaar, maar deze stijging vlakte de laatste drie jaar af. Binnen Europa hoort Nederland nog altijd tot de landen met de hoogste zorguitgaven als percentage van het Bruto Binnenlands Product, wat voornamelijk is toe te schrijven aan uitgaven aan de langdurige zorg. De Zorgbalans is nuttig voor iedereen die meer wil weten over de stand van zaken en ontwikkelingen binnen de Nederlandse gezondheidszorg. Aan de basis van de Zorgbalans ligt een schat aan informatie uit ruim 65 verschillende databronnen.
    • Dutch National Food Consumption Survey 2007-2010 : Diet of children and adults aged 7 to 69 years

      van Rossum CTM; Fransen HP; Verkaik-Kloosterman J; Buurma-Rethans EJM; Ocke MC; CVG; vgc (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-10-05)
      Nederlanders eten nog steeds te weinig fruit, groente, vis en vezel. Wel is het type vet in de voeding verbeterd, doordat vooral de hoeveelheid transvetzuren in voedingsmiddelen is afgenomen. Het aandeel verzadigde vetzuren in de voeding is echter nog ongunstig en overgewicht komt frequent voor. Dit blijkt uit recente voedselconsumptiegegevens van het RIVM. Hiervoor is tussen 2007 en 2010 in kaart gebracht wat kinderen en volwassenen consumeren. Belang gezond voedingspatroon: Een gezond voedingspatroon is van belang om overgewicht en chronische ziekten tegen te gaan. Met de verkregen kennis van het huidige consumptiepatroon kan een gezondere voeding worden gestimuleerd. Dit kan via veranderingen in het voedselaanbod en het voedingsgedrag. Inname van vitamines en mineralen: Uit de peiling blijkt ook dat een deel van de bevolking minder vitamine A, B1, C en E, magnesium, kalium en zink binnen krijgt dan wordt aanbevolen. Onderzoek is nodig naar de effecten hiervan op de gezondheid. Verder wordt het advies aan specifieke leeftijdsgroepen voor hogere innames van foliumzuur (voor vrouwen die zwanger willen worden), vitamine D (voor senioren), ijzer (voor vrouwen in de vruchtbare leeftijd) en calcium (voor adolescenten) lang niet altijd opgevolgd. Dit onderschrijft de adviezen van de Gezondheidsraad aan genoemde groepen om foliumzuur- en vitamine D-supplementen te slikken. Voor de lage inname van ijzer en calcium zijn de gezondheidsconsequenties onduidelijk. Hiernaar is meer onderzoek nodig. Toepassingen voedselconsumptiegegevens: Deze voedselconsumptiepeiling bevat gedetailleerdere gegevens dan de vorige bevolkingsbrede peiling in 1997/1998. De actuele gegevens kunnen worden gebruikt als ondersteuning van beleid op het gebied van gezonde voeding en veilig voedsel, om het voedingsmiddelenaanbod te verbeteren, bij voedingsvoorlichting en binnen het voedingsonderzoek.
    • Dutch National Food Consumption Survey Young Children 2005/2006

      Ocke MC; van Rossum CTM; Fransen HP; Buurma EM; de Boer EJ; Brants HAM; Niekerk EM; van der Laan JD; Drijvers JJMM; Ghameshlou Z; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNO, 2008-02-20)
      Peuters en kleuters in Nederland eten te weinig groenten, fruit, vis en vezelrijke voedingsmiddelen. Bovendien bevat de voeding van kleuters te veel verzadigde vetzuren. De ongezonde voeding van deze generatie kinderen kan leiden tot overgewicht en op latere leeftijd tot chronische ziekten. Beleid is nodig om een gunstig lichaamsgewicht te bevorderen en om de consumptie van groenten, fruit, vis, vezelrijke producten en voedingsmiddelen met een goede vetzuursamenstelling te stimuleren. Een peiling onder kinderen van 2 tot en met 6 jaar laat zien dat het aandeel van vet, eiwitten en koolhydraten in hun voeding goed is. Wel is het type vet in de voeding van veel jonge kinderen ongunstig. Ze eten te weinig vis (rijk aan visvetzuren) en vooral de voeding van kleuters bevat te veel verzadigde vetzuren. Daarnaast zijn er weinig jonge kinderen die voldoende groenten eten. Voor fruit is het beeld iets gunstiger: een op de vier jonge kinderen eet de geadviseerde hoeveelheid. Verder is een op de zeven kinderen in mindere of meerdere mate te dik. Het lijkt erop dat zij dus meer energie binnenkrijgen dan verbruiken. Jonge kinderen krijgen van de meeste vitamines en mineralen voldoende binnen. Van vitamine D en foliumzuur is de inname echter laag. Slechts drie op de vijf peuters gebruikt een supplement met vitamine D. Vervolgonderzoek is nodig om vast te stellen of daadwerkelijk sprake is van tekorten. Bovendien is nader onderzoek nodig naar de gevolgen van een hoge inname van zink, koper, retinol (een type vitamine A) en synthetisch foliumzuur bij een deel van de kinderen.
    • The Dutch National Precipitation Chemistry Monitoring Network over the period 1992-2004

      van der Swaluw E; Asman WAH; Hoogerbrugge R; CMM; MEV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-12-03)
      Tussen 1992 en 2004 heeft er een afname plaatsgevonden in Nederland van de hoeveelheid verontreinigende stoffen welke uit de buitenlucht via regenwater zijn neergeslagen op bodem, oppervlakte- en grondwater (natte depositie). Dit blijkt uit metingen van het RIVM van de chemische samenstelling van regenwater. Het is van belang om deze ontwikkelingen te volgen, omdat een groot deel van Nederlandse bodem en water te veel met verzurende en stikstofhoudende stoffen wordt belast. De totale depositie van bovengenoemde stoffen op bodem en water ligt namelijk nog steeds boven de doelstelling voor 2010 die hieraan gesteld is in het vierde Nationaal Milieubeleidsplan. Als het regent komt een deel van de verontreinigende stoffen in de lucht via het regenwater in bodem en water terecht. In Nederland wordt sinds 1978 de chemische samenstelling van het regenwater gemeten middels een nationaal meetnet. Hiermee wordt onder andere de natte depositie van verontreinigende stoffen op bodem, oppervlaktewater en grondwater gemeten. Deze depositie is een significant deel van de totale depositie van verontreinigende stoffen op bodem en water. Het netwerk van meetpunten is min of meer gelijkmatig over Nederland verspreid en bestond in de onderzochte periode uit 15 vaste meetlocaties.
    • DUTCH PRIORITY SETTING SYSTEM FOR EXISTING CHEMICALS: a systematic procedure for ranking chemicals according to increasing estimated hazards. To be incorporated into the UNIFORM SYSTEM FOR THE EVALUATION OF SUBSTANCES (USES)

      van de Meent D; Toet C (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1992-10-31)
      This report describes the Dutch PRiority Setting system for Existing Chemicals (PRISEC). PRISEC is designed to be incorporated into the Uniform System for Evaluation of Substances together with the Dutch Risk Assessment System for New Chemicals and the Dutch Risk Assessment System for Pesticides. The Uniform System for the Evaluation of Substances is developed in order to comply with action point 41 of the Dutch National Environmental Policy Plan. PRISEC will be used as decision support system by institutes involved in assessment procedures for chemicals and by ministeries. Furthermore it will be available to industry. The procedure proposed in this document has been desgined to link up with the proposed Council Regulation on the evaluation and control of the environmental risks of existing substances. In PRISEC existing chemicals are ranked according to the probability that, upon in-depth hazard assessment, they may turn out hazardous. The ranking is based on the quotient of predicted dose/no-effect dose or predicted environmental concentration (PEC)/no-effect concentration (NEC), estimated for each of the chemicals. These quotients are derived for adverse effects on the targets: ecosystems and man. The main components of PRISEC are: data input handling, exposure assessment, effects assessment, hazard assessment, and ranking. PRISEC has been tested on functionality using data on 34 example chemicals.<br>
    • Dutch Risk Assessment System for New Chemicals: Soil Groundwater Module

      Swartjes FA; van der Linden AMA; van den Berg R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1993-05-31)
      A new Soil-Groundwater Module has been developed for incorporation in the Dutch Risk Assessment System for New Chemicals. In this module, the exposure of humans and the environment to xenobiotic substances due to sewage sludge application have been determined. Exposure criteria were: 1. accumulation in the uppermost soil layer one year after sewage sludge application, and 2. the maximal substance-concentration of the deeper groundwater. The calculation procedure is incorporated in the menu driven computer program of the Risk Assessment System. For the quantification of the exposure to each new xenobiotic substance the following inputs are needed: - substance characteristics: the sorption coefficient based on organic matter, Kom, and the half-life, DT50-soil, which represent sorption and transformation of the substance, respectively. - the actual substance dose rate on the soil, expressed in kg/ha, which is calculated in the Sewage Sludge Module of the Risk Assessment System. The Kom and DT50-soil should be determined from the n-octanol/water distribution coefficient, Kow, and the Readily Biodegradability test result, respectively.<br>
    • The Dutch Soil Type Correction : An alternative approach

      Spijker J; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-06-12)
      Het RIVM heeft een alternatieve methode ontwikkeld voor de zogenoemde bodemtypecorrectie voor metalen. De verschillende bodemtypen in Nederland bevatten van nature namelijk uiteenlopende concentraties van metalen (achtergrondwaarden). Met de bodemtypecorrectie wordt de algemene bodemnorm voor Nederland omgerekend naar de lokale situatie. De laatste jaren zijn veel nieuwe bodemdata en inzichten gepubliceerd die het mogelijk maken om deze methode, die is gebaseerd op onderzoek van twintig jaar geleden, te verbeteren. Met de nieuwe data presteert de alternatieve methode op hetzelfde niveau of beter dan de huidige bodemtypecorrectie voor achtergrondwaarden. Fundamentele discussie nodig over bodemtypecorrectie: Voortvloeiend uit de herziene methode beveelt het RIVM aan om een fundamentele discussie te voeren waarvoor een bodemtypecorrectie voor bodemnormen wordt gebruikt. Deze werkt namelijk goed om de diversiteit in achtergrondwaarden te bepalen, maar niet voor verontreinigingen op het niveau van de interventiewaarde, de grens voor ernstige bodemverontreiniging. Hiervoor is een andere manier van corrigeren nodig om de verschillen tussen bodemtypes te kunnen beschrijven. De huidige formule in het Besluit Bodemkwaliteit beschrijft statistisch gezien deze verschillen niet correct. Als er gekozen wordt om de alternatieve bodemtypecorrectie over te nemen in het bodembeleid, zullen de bodemnormen veranderen. Om de norm te kunnen bepalen zijn de achtergrondwaarden en de risiconiveaus voor mens en milieu nodig. Het RIVM heeft met de alternatieve bodemtypecorrectie de Nederlandse achtergrondwaarden opnieuw berekend. De data waarmee de risico's voor het ecosysteem zijn berekend, moeten nog worden herzien. Onzekerheden inzichtelijk gemaakt: Voor de alternatieve bodemtypecorrectie zijn bestaande datasets gecombineerd. Hierdoor zijn extra onzekerheden geïntroduceerd. Deze onzekerheden zijn in het onderzoek inzichtelijk gemaakt door de uiteindelijke resultaten te vergelijken met onafhankelijke data.
    • Duurzaam consumentengedrag : Verkenning van de rol van de overheid, interventies en de Interventiedatabase

      Zwart MH; Schriel AM; Smit K; van Zijverden M; DDB; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-10-17)
      Het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) wil graag dat consumenten zich milieuvriendelijker (duurzamer) gaan gedragen. Het RIVM is gevraagd te inventariseren wat een doelgroep succesvol tot ander gedrag aanzet, te beginnen bij een duurzamer eetpatroon. Daaraan zijn enkele criteria ontleend voor werkzame interventies (gerichte activiteiten of maatregelen). Zo moet goed beschreven worden wat het doel, de doelgroep en de methodiek van de interventie zijn. Ook moet de doelgroep betrokken worden bij de ontwikkeling ervan. Ten slotte moet de interventie goed onderbouwd zijn en moet zo snel mogelijk nadat hij is ingezet, worden getoetst of hij effectief is. Verder blijkt het zinvol dat de overheid verschillende partijen, initiatieven en projecten bijeen brengt. De rol van verbinder stimuleert kennisuitwisseling, ook over de kwaliteit van de interventies. Het RIVM is voor deze verkenning gevraagd, omdat het ervaring heeft met (gezondheidsbevorderende) interventies, verzameld in de Interventiedatabase (www.loketgezondleven.nl). Deze database biedt een goede eerste mogelijkheid om interventies gericht op een duurzamer eetpatroon te ontsluiten. Deze aansluiting is in praktische zin logisch, omdat dan geen nieuwe digitale infrastructuur hoeft te worden opgezet en gebruik gemaakt wordt van de reeds opgedane ervaring. Inhoudelijk zijn er ook raakvlakken, omdat maatregelen om milieuvriendelijker te eten en drinken vaak ook gezonder zijn en andersom. Eten volgens de richtlijnen voor een gezonde voeding geeft een lagere milieubelasting ten opzichte van het huidige voedselpatroon van de gemiddelde Nederlander. Zo is meer kraanwater drinken en minder frisdrank met suiker zowel gezonder als minder belastend voor het milieu. Aspecten als het productieproces en het transport van frisdrank kosten immers meer energie dan water uit de kraan drinken.
    • Duurzaam ruimtegebruik in het landelijk gebied ; een methodische verkenning naar de bijdrage van veranderd ruimtegebruik aan de milieukwaliteit

      Hoogland T; Velde RJ van de; Kamphuis HW; Waveren RH van; Kuiper R; Laan Y van der; Spit R; LBG (1997-04-30)
      De aanleiding voor deze studie vormde de behoefte bij de Rijksplanologische Dienst van het Ministerie van VROM (Programma Ruimte Water, Milieu) om de beschikbare kennis over de relaties tussen functies in het landelijk gebied en de milieukwaliteit te ontsluiten en te integreren. In dit rapport wordt een methode beschreven die is ontwikkeld om de relatie tussen de ruimtelijke functies natuur en drinkwaterwinning en de milieukwaliteit te kunnen analyseren. Daarnaast biedt deze methode, door het opsporen van ruimtelijke relaties via lucht en water tussen gebieden en functies, aanknopingspunten voor het formuleren van ruimtelijke strategieen voor het oplossen van milieuproblemen. Het onderzoek naar de milieukwaliteit in relatie tot de functies is geconcentreerd op de volgende gebiedscategorieen: 1) de grote natuurgebieden uit de ecologische hoofdstructuur, voornamelijk in hoog-Nederland ; 2) de grotere, aaneengesloten kwel- en infiltratiegebieden ; 3) de veenweidegebieden ; 4) en de grote oppervlaktewateren in verband met de bereiding van drinkwater. Op basis van recente milieukwaliteitsgegevens, voor het grootste deel ontleend aan de Milieubalans 1995 en 1996, wordt per gebiedscategorie een rangschikking gemaakt van de voornaamste bedreigingen en worden voor zover de 'stand der kennis' dat toelaat uitspraken gedaan over de belangrijkste milieuproblemen, alsmede de regionale verschillen daarin. Deze verschillen worden mede veroorzaakt door de variatie in de abiotische draagkracht van het systeem. In het tweede deel van de analyses wordt uitgebreid ingegaan op de ruimtelijke relaties tussen gebieden via stofstromen in lucht en oppervlaktewater. Op basis van de analyse van de bedreigingen en potenties voor de functies natuur en drinkwaterwinning, gelet op de milieubelasting en de draagkracht van het abiotische systeem, en de ruimtelijke samenhang via de stof- en waterstromen, worden ruimtelijke strategieen opgesteld. Deze strategieen moeten worden beschouwd als indicaties voor oplossingsrichtingen voor de geconstateerde bedreigingen.
    • Duurzame en effectieve knaagdierbeheersing : Verkennend onderzoek effectiviteit en optimalisatie geïntegreerde knaagdierbeheersing

      Komen, CMD; Scheepmaker, JWA; Wezenbeek, JM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-03-03)
      Ratten en muizen veroorzaken gezondheidsproblemen, economische schade en overlast. In het verleden zijn ze vooral met chemische middelen bestreden, maar die zijn voor de mens, andere zoogdieren en vogels zeer giftig. Sinds 1 januari 2017 is IPM, oftewel Integrated Pest Management, verplicht bij de bestrijding van ratten buiten gebouwen. Het doel van dit beleid is bepaalde chemische middelen (anticoagulantia) zo min mogelijk in te zetten door ratten- en muizenplagen zo veel mogelijk te voorkomen. Als preventieve maatregelen niet genoeg werken, horen eerst mechanische producten zoals klapvallen worden ingezet. Pas daarna mogen, indien nodig, de dieren worden bestreden met anticoagulantia. Om die middelen buiten te mogen gebruiken is een opleiding én een certificaat nodig. Rond 2023 wordt deze aanpak ook verplicht voor de bestrijding van ratten én muizen binnen gebouwen. Voor particulieren blijven na 2023 naar verwachting wel andere chemische bestrijdingsmiddelen tegen muizen beschikbaar, zonder de genoemde IPM-verplichtingen. Vanwege de uitbreiding van de IPM-aanpak beschrijft het RIVM knelpunten en mogelijke oplossingen om dit beleid voor knaagdieren zo goed mogelijk te laten werken. Een van de genoemde knelpunten is onduidelijkheid over de rollen en verantwoordelijkheden van de overheidspartijen. Bij het knaagdierbeleid zijn vier ministeries betrokken (Infrastructuur, Landbouw, Volksgezondheid en Binnenlandse Zaken). Ook hebben provincies en gemeenten een rol. Meer duidelijkheid is nodig wie de regie heeft over welke maatregel. Om overlast te voorkomen is het belangrijk dat huizen, gebouwen, bedrijven en de ruimte eromheen schoon blijven. Dan is er geen voedsel voor ratten en muizen. Dit is vooral 's nachts belangrijk, omdat knaagdieren juist dan actief zijn. Voorlichting kan helpen, net als een goed afvalbeleid (geen plastic zakken gebruiken maar afgesloten containers) en een doordachte ruimtelijke inrichting (geen plaatsen waar ratten zich kunnen nestelen).
    • Duurzame ontwikkeling als richtinggevend kader voor milieubeleid

      Greef J de; Vries HJM de (1991-05-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Duurzame oplossingen voor het broeikaseffect, mogelijkheden voor onderzoek

      Poel IR van de (1991-02-28)
      Abstract niet beschikbaar
    • Dynamics of sociotechnical change in transport and mobility - opportunities for governance

      Moors EHM; Geels FW; NOP (Universiteit Twente (UTw), 2001-12-02)
      Abstract niet beschikbaar
    • Dynamiek van de mondiale biosfeer (DYNAMOB). Initiatief tot een nationale onderzoeksimpuls

      Zoeteman BCJ (1987-11-30)
      De komende decennia zijn ernstige milieuproblemen op mondiale schaal te voorzien. Zo zal rond 2050 in Nederland de gemiddelde temperatuur 3-6 graden C hoger zijn en de spiegel van de Noordzee ca. 0.5 meter zijn gestegen. Voor maatregelen is kwantificeerbare kennis noodzakelijk van de werkingsmechanismen die het zelfregulerende systeem van de aarde bepalen. Het geintegreerde macro-ecologisch onderzoek naar stofstromen in oceanen en luchtlagen en hun uitwerking op de biosfeer staat evenwel nog in de kinderschoenen. Het schrikbeeld van een onleefbare planeet maakt nieuwe onderzoeksinitiatieven noodzakelijk. In deze nota wordt door het RIVM een initiatief-programma voor onderzoek naar de "Dynamiek van de mondiale biosfeer (DYNAMOB)" voorgesteld. Het programma omvat vier categorieen van onderzoek. Voorgesteld wordt de realisatie in vier fasen gedurende 5 jaar uit te werken, waarbij na een orientatie- en definitiefase de realisatie eerst op nationaal en parallel daaraan op internationaal niveau plaatsvindt. Het initiatiefprogramma DYNAMOB omvat in de eindfase een extra inzet van 75 plaatsen en een totaal aan jaarlijkse extra kosten van 20 miljoen.