• Dutch Health Care Performance Report 2014

      van den Berg MJ; de Boer D; Gijsen R; Heijink R; Limburg LCM; Zwakhals SLN; VZP; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-04-21)
      De Zorgbalans geeft een beeld van de kwaliteit, de toegankelijkheid en de betaalbaarheid van de Nederlandse gezondheidszorg. Hieruit blijkt onder andere dat de toegankelijkheid van de gezondheidszorg een van de sterkste eigenschappen van de gezondheidszorg in Nederland is. De meeste eerstelijnszorgverleners zoals huisartsen, fysiotherapeuten of verloskundigen kunnen binnen een paar minuten worden bereikt. Een autorit naar een ziekenhuis duurt bijna nooit langer dan een half uur. Verder zijn wachttijden sinds 2008 voor de meeste behandelingen afgenomen. Er wacht nog wel een aanzienlijk aantal mensen op een plek in een verzorgingshuis of verpleeghuis, maar daardoor ontstaan zelden ernstige problemen. Het aantal mensen dat vanwege de kosten wel eens afziet van zorg is sinds 2010 toegenomen. Zo had 12 procent van de volwassen bevolking in 2013 wel eens afgezien van een bezoek aan een arts vanwege de kosten, tegenover 2 procent drie jaar daarvoor. Hiermee lijkt de financiële toegankelijkheid minder vanzelfsprekend dan voorheen; andere voorbeelden zijn medicijnen afhalen of een labonderzoek laten doen. Wat de kwaliteit van zorg betreft zijn er enkele gunstige ontwikkelingen te zien: het aantal mensen dat 30 dagen na een beroerte of hartinfarct stierf, nam af, evenals de (vermijdbare) sterfte in ziekenhuizen en het aantal ziekenhuisinfecties. Mensen met een gebroken heup worden sneller geopereerd, de vijfjaarsoverleving bij verschillende vormen van kanker steeg, en er zijn minder mensen in de langdurige zorg ondervoed. Ook internationaal scoort Nederland op veel punten bovengemiddeld. Zo worden veel minder antibiotica voorgeschreven in de eerste lijn dan in de meeste andere landen. Minder gunstig zijn het aantal sterfgevallen na een beroerte en de babysterfte. In de ouderenzorg is het tekort aan tijd en aandacht die worden besteed aan cliënten een veel voorkomend probleem. Meer dan de helft van de werknemers in verpleeghuizen gaf in 2013 aan dat er onvoldoende personeel is om goede kwaliteit van zorg te kunnen leveren. Verder blijkt de behandeling per zorgaanbieder sterk te kunnen verschillen. Een voorbeeld daarvan is de behandeling bij vrouwen die in een ziekenhuis bevallen van hun eerste kind zonder dat er sprake is van bijzonderheden (zoals een meerling of een stuitligging). In sommige ziekenhuizen wordt 40 procent van zulke bevallingen ingeleid, terwijl dit bij de meest ziekenhuizen in slechts 10 procent gedaan wordt. Vergelijkbare verschillen zijn waargenomen bij het uitvoeren van kunstverlossingen en keizersneden. De zorguitgaven vertonen na 2011 een opvallende trendbreuk. De uitgaven stegen tussen 2000 en 2013 gemiddeld met 5,5 procent per jaar, maar deze stijging vlakte de laatste drie jaar af. Binnen Europa hoort Nederland nog altijd tot de landen met de hoogste zorguitgaven als percentage van het Bruto Binnenlands Product, wat voornamelijk is toe te schrijven aan uitgaven aan de langdurige zorg. De Zorgbalans is nuttig voor iedereen die meer wil weten over de stand van zaken en ontwikkelingen binnen de Nederlandse gezondheidszorg. Aan de basis van de Zorgbalans ligt een schat aan informatie uit ruim 65 verschillende databronnen.
    • Dutch National Food Consumption Survey 2007-2010 : Diet of children and adults aged 7 to 69 years

      van Rossum CTM; Fransen HP; Verkaik-Kloosterman J; Buurma-Rethans EJM; Ocke MC; CVG; vgc (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-10-05)
      Nederlanders eten nog steeds te weinig fruit, groente, vis en vezel. Wel is het type vet in de voeding verbeterd, doordat vooral de hoeveelheid transvetzuren in voedingsmiddelen is afgenomen. Het aandeel verzadigde vetzuren in de voeding is echter nog ongunstig en overgewicht komt frequent voor. Dit blijkt uit recente voedselconsumptiegegevens van het RIVM. Hiervoor is tussen 2007 en 2010 in kaart gebracht wat kinderen en volwassenen consumeren. Belang gezond voedingspatroon: Een gezond voedingspatroon is van belang om overgewicht en chronische ziekten tegen te gaan. Met de verkregen kennis van het huidige consumptiepatroon kan een gezondere voeding worden gestimuleerd. Dit kan via veranderingen in het voedselaanbod en het voedingsgedrag. Inname van vitamines en mineralen: Uit de peiling blijkt ook dat een deel van de bevolking minder vitamine A, B1, C en E, magnesium, kalium en zink binnen krijgt dan wordt aanbevolen. Onderzoek is nodig naar de effecten hiervan op de gezondheid. Verder wordt het advies aan specifieke leeftijdsgroepen voor hogere innames van foliumzuur (voor vrouwen die zwanger willen worden), vitamine D (voor senioren), ijzer (voor vrouwen in de vruchtbare leeftijd) en calcium (voor adolescenten) lang niet altijd opgevolgd. Dit onderschrijft de adviezen van de Gezondheidsraad aan genoemde groepen om foliumzuur- en vitamine D-supplementen te slikken. Voor de lage inname van ijzer en calcium zijn de gezondheidsconsequenties onduidelijk. Hiernaar is meer onderzoek nodig. Toepassingen voedselconsumptiegegevens: Deze voedselconsumptiepeiling bevat gedetailleerdere gegevens dan de vorige bevolkingsbrede peiling in 1997/1998. De actuele gegevens kunnen worden gebruikt als ondersteuning van beleid op het gebied van gezonde voeding en veilig voedsel, om het voedingsmiddelenaanbod te verbeteren, bij voedingsvoorlichting en binnen het voedingsonderzoek.
    • Dutch National Food Consumption Survey Young Children 2005/2006

      Ocke MC; van Rossum CTM; Fransen HP; Buurma EM; de Boer EJ; Brants HAM; Niekerk EM; van der Laan JD; Drijvers JJMM; Ghameshlou Z; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNO, 2008-02-20)
      Peuters en kleuters in Nederland eten te weinig groenten, fruit, vis en vezelrijke voedingsmiddelen. Bovendien bevat de voeding van kleuters te veel verzadigde vetzuren. De ongezonde voeding van deze generatie kinderen kan leiden tot overgewicht en op latere leeftijd tot chronische ziekten. Beleid is nodig om een gunstig lichaamsgewicht te bevorderen en om de consumptie van groenten, fruit, vis, vezelrijke producten en voedingsmiddelen met een goede vetzuursamenstelling te stimuleren. Een peiling onder kinderen van 2 tot en met 6 jaar laat zien dat het aandeel van vet, eiwitten en koolhydraten in hun voeding goed is. Wel is het type vet in de voeding van veel jonge kinderen ongunstig. Ze eten te weinig vis (rijk aan visvetzuren) en vooral de voeding van kleuters bevat te veel verzadigde vetzuren. Daarnaast zijn er weinig jonge kinderen die voldoende groenten eten. Voor fruit is het beeld iets gunstiger: een op de vier jonge kinderen eet de geadviseerde hoeveelheid. Verder is een op de zeven kinderen in mindere of meerdere mate te dik. Het lijkt erop dat zij dus meer energie binnenkrijgen dan verbruiken. Jonge kinderen krijgen van de meeste vitamines en mineralen voldoende binnen. Van vitamine D en foliumzuur is de inname echter laag. Slechts drie op de vijf peuters gebruikt een supplement met vitamine D. Vervolgonderzoek is nodig om vast te stellen of daadwerkelijk sprake is van tekorten. Bovendien is nader onderzoek nodig naar de gevolgen van een hoge inname van zink, koper, retinol (een type vitamine A) en synthetisch foliumzuur bij een deel van de kinderen.
    • The Dutch National Precipitation Chemistry Monitoring Network over the period 1992-2004

      van der Swaluw E; Asman WAH; Hoogerbrugge R; CMM; MEV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-12-03)
      Tussen 1992 en 2004 heeft er een afname plaatsgevonden in Nederland van de hoeveelheid verontreinigende stoffen welke uit de buitenlucht via regenwater zijn neergeslagen op bodem, oppervlakte- en grondwater (natte depositie). Dit blijkt uit metingen van het RIVM van de chemische samenstelling van regenwater. Het is van belang om deze ontwikkelingen te volgen, omdat een groot deel van Nederlandse bodem en water te veel met verzurende en stikstofhoudende stoffen wordt belast. De totale depositie van bovengenoemde stoffen op bodem en water ligt namelijk nog steeds boven de doelstelling voor 2010 die hieraan gesteld is in het vierde Nationaal Milieubeleidsplan. Als het regent komt een deel van de verontreinigende stoffen in de lucht via het regenwater in bodem en water terecht. In Nederland wordt sinds 1978 de chemische samenstelling van het regenwater gemeten middels een nationaal meetnet. Hiermee wordt onder andere de natte depositie van verontreinigende stoffen op bodem, oppervlaktewater en grondwater gemeten. Deze depositie is een significant deel van de totale depositie van verontreinigende stoffen op bodem en water. Het netwerk van meetpunten is min of meer gelijkmatig over Nederland verspreid en bestond in de onderzochte periode uit 15 vaste meetlocaties.
    • DUTCH PRIORITY SETTING SYSTEM FOR EXISTING CHEMICALS: a systematic procedure for ranking chemicals according to increasing estimated hazards. To be incorporated into the UNIFORM SYSTEM FOR THE EVALUATION OF SUBSTANCES (USES)

      van de Meent D; Toet C (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1992-10-31)
      This report describes the Dutch PRiority Setting system for Existing Chemicals (PRISEC). PRISEC is designed to be incorporated into the Uniform System for Evaluation of Substances together with the Dutch Risk Assessment System for New Chemicals and the Dutch Risk Assessment System for Pesticides. The Uniform System for the Evaluation of Substances is developed in order to comply with action point 41 of the Dutch National Environmental Policy Plan. PRISEC will be used as decision support system by institutes involved in assessment procedures for chemicals and by ministeries. Furthermore it will be available to industry. The procedure proposed in this document has been desgined to link up with the proposed Council Regulation on the evaluation and control of the environmental risks of existing substances. In PRISEC existing chemicals are ranked according to the probability that, upon in-depth hazard assessment, they may turn out hazardous. The ranking is based on the quotient of predicted dose/no-effect dose or predicted environmental concentration (PEC)/no-effect concentration (NEC), estimated for each of the chemicals. These quotients are derived for adverse effects on the targets: ecosystems and man. The main components of PRISEC are: data input handling, exposure assessment, effects assessment, hazard assessment, and ranking. PRISEC has been tested on functionality using data on 34 example chemicals.<br>
    • Dutch Risk Assessment System for New Chemicals: Soil Groundwater Module

      Swartjes FA; van der Linden AMA; van den Berg R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1993-05-31)
      A new Soil-Groundwater Module has been developed for incorporation in the Dutch Risk Assessment System for New Chemicals. In this module, the exposure of humans and the environment to xenobiotic substances due to sewage sludge application have been determined. Exposure criteria were: 1. accumulation in the uppermost soil layer one year after sewage sludge application, and 2. the maximal substance-concentration of the deeper groundwater. The calculation procedure is incorporated in the menu driven computer program of the Risk Assessment System. For the quantification of the exposure to each new xenobiotic substance the following inputs are needed: - substance characteristics: the sorption coefficient based on organic matter, Kom, and the half-life, DT50-soil, which represent sorption and transformation of the substance, respectively. - the actual substance dose rate on the soil, expressed in kg/ha, which is calculated in the Sewage Sludge Module of the Risk Assessment System. The Kom and DT50-soil should be determined from the n-octanol/water distribution coefficient, Kow, and the Readily Biodegradability test result, respectively.<br>
    • The Dutch Soil Type Correction : An alternative approach

      Spijker J; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-06-12)
      Het RIVM heeft een alternatieve methode ontwikkeld voor de zogenoemde bodemtypecorrectie voor metalen. De verschillende bodemtypen in Nederland bevatten van nature namelijk uiteenlopende concentraties van metalen (achtergrondwaarden). Met de bodemtypecorrectie wordt de algemene bodemnorm voor Nederland omgerekend naar de lokale situatie. De laatste jaren zijn veel nieuwe bodemdata en inzichten gepubliceerd die het mogelijk maken om deze methode, die is gebaseerd op onderzoek van twintig jaar geleden, te verbeteren. Met de nieuwe data presteert de alternatieve methode op hetzelfde niveau of beter dan de huidige bodemtypecorrectie voor achtergrondwaarden. Fundamentele discussie nodig over bodemtypecorrectie: Voortvloeiend uit de herziene methode beveelt het RIVM aan om een fundamentele discussie te voeren waarvoor een bodemtypecorrectie voor bodemnormen wordt gebruikt. Deze werkt namelijk goed om de diversiteit in achtergrondwaarden te bepalen, maar niet voor verontreinigingen op het niveau van de interventiewaarde, de grens voor ernstige bodemverontreiniging. Hiervoor is een andere manier van corrigeren nodig om de verschillen tussen bodemtypes te kunnen beschrijven. De huidige formule in het Besluit Bodemkwaliteit beschrijft statistisch gezien deze verschillen niet correct. Als er gekozen wordt om de alternatieve bodemtypecorrectie over te nemen in het bodembeleid, zullen de bodemnormen veranderen. Om de norm te kunnen bepalen zijn de achtergrondwaarden en de risiconiveaus voor mens en milieu nodig. Het RIVM heeft met de alternatieve bodemtypecorrectie de Nederlandse achtergrondwaarden opnieuw berekend. De data waarmee de risico's voor het ecosysteem zijn berekend, moeten nog worden herzien. Onzekerheden inzichtelijk gemaakt: Voor de alternatieve bodemtypecorrectie zijn bestaande datasets gecombineerd. Hierdoor zijn extra onzekerheden geïntroduceerd. Deze onzekerheden zijn in het onderzoek inzichtelijk gemaakt door de uiteindelijke resultaten te vergelijken met onafhankelijke data.
    • Duurzaam consumentengedrag : Verkenning van de rol van de overheid, interventies en de Interventiedatabase

      Zwart MH; Schriel AM; Smit K; van Zijverden M; DDB; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-10-17)
      Het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) wil graag dat consumenten zich milieuvriendelijker (duurzamer) gaan gedragen. Het RIVM is gevraagd te inventariseren wat een doelgroep succesvol tot ander gedrag aanzet, te beginnen bij een duurzamer eetpatroon. Daaraan zijn enkele criteria ontleend voor werkzame interventies (gerichte activiteiten of maatregelen). Zo moet goed beschreven worden wat het doel, de doelgroep en de methodiek van de interventie zijn. Ook moet de doelgroep betrokken worden bij de ontwikkeling ervan. Ten slotte moet de interventie goed onderbouwd zijn en moet zo snel mogelijk nadat hij is ingezet, worden getoetst of hij effectief is. Verder blijkt het zinvol dat de overheid verschillende partijen, initiatieven en projecten bijeen brengt. De rol van verbinder stimuleert kennisuitwisseling, ook over de kwaliteit van de interventies. Het RIVM is voor deze verkenning gevraagd, omdat het ervaring heeft met (gezondheidsbevorderende) interventies, verzameld in de Interventiedatabase (www.loketgezondleven.nl). Deze database biedt een goede eerste mogelijkheid om interventies gericht op een duurzamer eetpatroon te ontsluiten. Deze aansluiting is in praktische zin logisch, omdat dan geen nieuwe digitale infrastructuur hoeft te worden opgezet en gebruik gemaakt wordt van de reeds opgedane ervaring. Inhoudelijk zijn er ook raakvlakken, omdat maatregelen om milieuvriendelijker te eten en drinken vaak ook gezonder zijn en andersom. Eten volgens de richtlijnen voor een gezonde voeding geeft een lagere milieubelasting ten opzichte van het huidige voedselpatroon van de gemiddelde Nederlander. Zo is meer kraanwater drinken en minder frisdrank met suiker zowel gezonder als minder belastend voor het milieu. Aspecten als het productieproces en het transport van frisdrank kosten immers meer energie dan water uit de kraan drinken.
    • Duurzaam ruimtegebruik in het landelijk gebied ; een methodische verkenning naar de bijdrage van veranderd ruimtegebruik aan de milieukwaliteit

      Hoogland T; Velde RJ van de; Kamphuis HW; Waveren RH van; Kuiper R; Laan Y van der; Spit R; LBG (1997-04-30)
      De aanleiding voor deze studie vormde de behoefte bij de Rijksplanologische Dienst van het Ministerie van VROM (Programma Ruimte Water, Milieu) om de beschikbare kennis over de relaties tussen functies in het landelijk gebied en de milieukwaliteit te ontsluiten en te integreren. In dit rapport wordt een methode beschreven die is ontwikkeld om de relatie tussen de ruimtelijke functies natuur en drinkwaterwinning en de milieukwaliteit te kunnen analyseren. Daarnaast biedt deze methode, door het opsporen van ruimtelijke relaties via lucht en water tussen gebieden en functies, aanknopingspunten voor het formuleren van ruimtelijke strategieen voor het oplossen van milieuproblemen. Het onderzoek naar de milieukwaliteit in relatie tot de functies is geconcentreerd op de volgende gebiedscategorieen: 1) de grote natuurgebieden uit de ecologische hoofdstructuur, voornamelijk in hoog-Nederland ; 2) de grotere, aaneengesloten kwel- en infiltratiegebieden ; 3) de veenweidegebieden ; 4) en de grote oppervlaktewateren in verband met de bereiding van drinkwater. Op basis van recente milieukwaliteitsgegevens, voor het grootste deel ontleend aan de Milieubalans 1995 en 1996, wordt per gebiedscategorie een rangschikking gemaakt van de voornaamste bedreigingen en worden voor zover de 'stand der kennis' dat toelaat uitspraken gedaan over de belangrijkste milieuproblemen, alsmede de regionale verschillen daarin. Deze verschillen worden mede veroorzaakt door de variatie in de abiotische draagkracht van het systeem. In het tweede deel van de analyses wordt uitgebreid ingegaan op de ruimtelijke relaties tussen gebieden via stofstromen in lucht en oppervlaktewater. Op basis van de analyse van de bedreigingen en potenties voor de functies natuur en drinkwaterwinning, gelet op de milieubelasting en de draagkracht van het abiotische systeem, en de ruimtelijke samenhang via de stof- en waterstromen, worden ruimtelijke strategieen opgesteld. Deze strategieen moeten worden beschouwd als indicaties voor oplossingsrichtingen voor de geconstateerde bedreigingen.
    • Duurzame en effectieve knaagdierbeheersing : Verkennend onderzoek effectiviteit en optimalisatie geïntegreerde knaagdierbeheersing

      Komen, CMD; Scheepmaker, JWA; Wezenbeek, JM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-03-03)
      Ratten en muizen veroorzaken gezondheidsproblemen, economische schade en overlast. In het verleden zijn ze vooral met chemische middelen bestreden, maar die zijn voor de mens, andere zoogdieren en vogels zeer giftig. Sinds 1 januari 2017 is IPM, oftewel Integrated Pest Management, verplicht bij de bestrijding van ratten buiten gebouwen. Het doel van dit beleid is bepaalde chemische middelen (anticoagulantia) zo min mogelijk in te zetten door ratten- en muizenplagen zo veel mogelijk te voorkomen. Als preventieve maatregelen niet genoeg werken, horen eerst mechanische producten zoals klapvallen worden ingezet. Pas daarna mogen, indien nodig, de dieren worden bestreden met anticoagulantia. Om die middelen buiten te mogen gebruiken is een opleiding én een certificaat nodig. Rond 2023 wordt deze aanpak ook verplicht voor de bestrijding van ratten én muizen binnen gebouwen. Voor particulieren blijven na 2023 naar verwachting wel andere chemische bestrijdingsmiddelen tegen muizen beschikbaar, zonder de genoemde IPM-verplichtingen. Vanwege de uitbreiding van de IPM-aanpak beschrijft het RIVM knelpunten en mogelijke oplossingen om dit beleid voor knaagdieren zo goed mogelijk te laten werken. Een van de genoemde knelpunten is onduidelijkheid over de rollen en verantwoordelijkheden van de overheidspartijen. Bij het knaagdierbeleid zijn vier ministeries betrokken (Infrastructuur, Landbouw, Volksgezondheid en Binnenlandse Zaken). Ook hebben provincies en gemeenten een rol. Meer duidelijkheid is nodig wie de regie heeft over welke maatregel. Om overlast te voorkomen is het belangrijk dat huizen, gebouwen, bedrijven en de ruimte eromheen schoon blijven. Dan is er geen voedsel voor ratten en muizen. Dit is vooral 's nachts belangrijk, omdat knaagdieren juist dan actief zijn. Voorlichting kan helpen, net als een goed afvalbeleid (geen plastic zakken gebruiken maar afgesloten containers) en een doordachte ruimtelijke inrichting (geen plaatsen waar ratten zich kunnen nestelen).
    • Duurzame ontwikkeling als richtinggevend kader voor milieubeleid

      Greef J de; Vries HJM de (1991-05-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Duurzame oplossingen voor het broeikaseffect, mogelijkheden voor onderzoek

      Poel IR van de (1991-02-28)
      Abstract niet beschikbaar
    • Dynamics of sociotechnical change in transport and mobility - opportunities for governance

      Moors EHM; Geels FW; NOP (Universiteit Twente (UTw), 2001-12-02)
      Abstract niet beschikbaar
    • Dynamiek van de mondiale biosfeer (DYNAMOB). Initiatief tot een nationale onderzoeksimpuls

      Zoeteman BCJ (1987-11-30)
      De komende decennia zijn ernstige milieuproblemen op mondiale schaal te voorzien. Zo zal rond 2050 in Nederland de gemiddelde temperatuur 3-6 graden C hoger zijn en de spiegel van de Noordzee ca. 0.5 meter zijn gestegen. Voor maatregelen is kwantificeerbare kennis noodzakelijk van de werkingsmechanismen die het zelfregulerende systeem van de aarde bepalen. Het geintegreerde macro-ecologisch onderzoek naar stofstromen in oceanen en luchtlagen en hun uitwerking op de biosfeer staat evenwel nog in de kinderschoenen. Het schrikbeeld van een onleefbare planeet maakt nieuwe onderzoeksinitiatieven noodzakelijk. In deze nota wordt door het RIVM een initiatief-programma voor onderzoek naar de "Dynamiek van de mondiale biosfeer (DYNAMOB)" voorgesteld. Het programma omvat vier categorieen van onderzoek. Voorgesteld wordt de realisatie in vier fasen gedurende 5 jaar uit te werken, waarbij na een orientatie- en definitiefase de realisatie eerst op nationaal en parallel daaraan op internationaal niveau plaatsvindt. Het initiatiefprogramma DYNAMOB omvat in de eindfase een extra inzet van 75 plaatsen en een totaal aan jaarlijkse extra kosten van 20 miljoen.
    • e-Medication met behulp van apps : Gebruik en gebruikerservaringen

      van Kerkhof LWM; van de Laar K; Schooneveldt B; Hegger I; EVG; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-12-15)
      De afgelopen jaren zijn er veel apps voor het gebruik van medicijnen beschikbaar gekomen, voor zowel professionals als burgers. In hoeverre deze apps worden gewaardeerd, hangt vooral af van het gebruiksgemak. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM onder gebruikers van apps die voor diabetici en anesthesiologen zijn ontwikkeld. Beide groepen gebruikers ervaren veel voordelen en weinig nadelen bij het gebruik. Het grootste voordeel is dat informatie snel en up-to-date beschikbaar is. Gezondheidswinst en verbeterde zelfredzaamheid (voor mensen met diabetes) zijn andere voordelen. De mate waarin de apps worden gebruikt door de onderzochte doelgroepen, loopt sterk uiteen. De ondervraagden geven aan gezondheidsapps niet te gebruiken als ze tijdrovend of niet handig in het gebruik zijn of onbetrouwbaar lijken. Gebruikers maken zich niet zozeer zorgen over zaken als privacy van hun gegevens en de kwaliteit van de app. Voor professionals als doelgroep onderzocht het RIVM het gebruik van apps onder anesthesiologen tijdens hun werk. Ze worden veel gebruikt, vooral om doseringen te berekenen, een keus te maken in de anesthetica en om te checken of het gekozen middel matcht met andere medicijnen die de patiënt gebruikt. Voor burgers als doelgroep is bekeken hoe diabetici apps gebruiken die hen ondersteunen bij het reguleren van hun bloedglucoseniveaus. De intensiteit van het gebruik was heel anders: dit type apps wordt slechts door ongeveer een derde van de ondervraagde mensen met diabetes gebruikt. Degenen die aangeven geen apps te gebruiken, weten vaak niet dat dergelijke apps bestaan, maar zijn er in principe wel in geïnteresseerd. Een goede instructie over het gebruik en een garantie op betrouwbaarheid zijn voorwaarden om ze te gaan gebruiken. Degenen die de apps wel gebruiken, zijn erg positief over het nut ervan.
    • Early warning systems to detect new and emerging risks in Europe

      Palmen NGM; NAT; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-05-24)
      Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wil dat mensen op de werkvloer minder aan kankerverwekkende stoffen blootstaan. Hiervoor is het belangrijk dat stoffen en processen die kanker kunnen veroorzaken snel worden opgespoord. Op Europees niveau is ook interesse voor deze zogeheten early warning systems, maar landen gebruiken hiervoor verschillende systemen. Het RIVM heeft in 51 Europese landen geïnventariseerd welke dat zijn om nieuwe en toenemende risico's op te sporen. Zeven landen hebben, soms met een ander land, een 'signaleringssysteem' ontworpen. Hiermee kunnen artsen gezondheidseffecten, waaronder kanker, melden als ze vermoeden dat die effecten worden veroorzaakt door stoffen of arbeidsprocessen waarvan het kankerverwekkende effect nog niet bekend is. Naar aanleiding van een melding onderzoekt vervolgens een expertgroep of er daadwerkelijk sprake is van een oorzakelijk verband tussen de blootstelling en de gemelde gezondheidseffecten. Tien andere landen gebruiken een systeem dat niet speciaal is ontworpen om onbekende risico's te signaleren, maar daar desgewenst wel voor kan worden ingezet. Naast de signaleringssystemen zijn er een aantal databases beschikbaar die informatie bevatten over de blootstelling aan gevaarlijke stoffen of processen en gezondheidseffecten. Deze databases kunnen worden gebruikt om mogelijk schadelijke stoffen op te sporen. Ook hier vervullen expertgroepen een elementaire rol om de signalen te evalueren. Experts vinden het essentieel dat elk land expertisecentra heeft waar werknemers terecht kunnen die mogelijk ziek zijn geworden door hun werk en die onderzoeken of er een verband is tussen de blootstelling en het gemelde gezondheidseffect. Deze casussen dienen te worden verzameld en geëvalueerd; volgens de meeste landen die aan dit onderzoek hebben meegedaan bij voorkeur in internationaal verband. Ook hebben zij hiervoor mogelijkheden aangereikt. Onder andere is voorgesteld om het bestaande netwerk van specialisten op het gebied van arbeidsgelateerde gezondheidseffecten (MODERNET) of andere internationale comités die hierover adviseren, te gebruiken. Als uit de evaluaties blijkt dat er werkelijke sprake is van een nieuw of toenemend risico, is actie nodig om het risico te beperken. Deze studie reikt hiervoor mogelijkheden aan.
    • Early-life viral infections are associated with disadvantageous immune and microbiota profiles and recurrent respiratory infections.

      de Steenhuijsen Piters, Wouter A A; Watson, Rebecca L; de Koff, Emma M; Hasrat, Raiza; Arp, Kayleigh; Chu, Mei Ling J N; de Groot, Pieter C M; van Houten, Marlies A; Sanders, Elisabeth A M; Bogaert, Debby (2022-01-20)
    • EARSS Annual report 2005, On-going surveillance of S. pneumoniae, S. aureus, E. faecalis, E. faecium, E. coli, K. pneumoniae and P. aeruginosa

      CIE (EARSS Management Teammembers of the Advisory Boardand national representatives of EARSS, 2006-10-01)
      Abstract niet beschikbaar
    • EARSS Annual report 2005, On-going surveillance of S. pneumoniae, S. aureus, E. faecalis, E. faecium, E. coli, K. pneumoniae and P. aeruginosa

      EARSS Management Team, members of the Advisory Board, and national representatives of EARSS; CIE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-10-01)
      The European Antimicrobial Resistance Surveillance System (EARSS) is an international initiative funded by the Director General for Health and Consumer Protection (DG SANCO) of the European Commission and the Dutch Ministry of Health, Welfare and Sports. It maintains a comprehensive surveillance and information system that links national networks by providing comparable and validated data on the prevalence and spread of major invasive bacteria with clinically and epidemiologically relevant antimicrobial resistance in Europe. EARSS collects routinely generated antimicrobial susceptibility (AST) data, provides spatial trend analyses and makes timely feedback available via an interactive website at www.rivm.nl/earss. Routine data for major indicator pathogens (Streptococcus pneumoniae, Staphylococcus aureus, Enterococcus faecalis, Enterococcus faecium, Escherichia coli, Klebsiella pneumonia and Pseudomonas aeruginosa) are regularly submitted by over 900 laboratories serving around 1400 hospitals in 32 European countries. By the end of 2005 two new countries joined the EARSS initiative, Lithuania and Turkey. Based on a previous laboratory/hospital questionnaire, the overall hospital catchment population of the EARSS network is estimated to include over 100 million inhabitants in the European region, with national coverage rates that ranged between 20-100% for individual countries. In 2005, information on the laboratory demands for external quality assessment (EQA) was collected by questionnaire. Several countries do not have formal agreements on national or international quality assessment schemes in place. Among the international providers of EQA the British UK-NEQAS scheme was most frequently named by countries. Alternatively, different national schemes are in place, either alone or in combination with one of the international programs. Importantly, the majority of laboratories that participate in EARSS utilise some type of EQA, demonstrating their commitment to diagnostic accuracy. In Europe the proportion of antibiotic resistant S. pneumoniae keeps changing with decreasing penicillin-resistance in some highly endemic countries and with continuous loss of susceptibility against penicillin and erythromycin in others. The main resistance phenotypes in pneumococci are confined to few serogroups, all of which are included in the currently promoted conjugate vaccines. This suggests that vaccination, especially in young children, may represent an effective additional means of controlling antibiotic resistance in pneumococcal disease in Europe. The increase of MRSA is consistent throughout Europe and includes countries with high, medium and low baseline MRSA endemicity. At the same time it appears that the MRSA pandemic is not an irreversible secular trend as two European countries (Slovenia and France) succeeded in constantly reducing the proportion of MRSA among S. aureus blood stream infections over the past five or six years. The speed with which fluoroquinolones loose their activity against E. coli is next to no other compound pathogen combination in the EARSS database. Combined resistance is a frequent occurrence, with co-resistance to three antimicrobial classes including third generation cephalosporins already among the four most common resistance patterns encountered in invasive E. coli in Europe, and undeniably these resistance traits are on the increase as well. In K. pneumoniae a high prevalence of resistant strains to third generation cephalosporins, fluoroquinolones and aminoglycosides becomes evident in Eastern and Southeastern Europe. Combined resistance is the dominant threat imposed by invasive P. aeruginosa. Our data suggest that the same geographical gradient exists for all gramnegative pathogens and shows that lower resistance prevails in the Northwest with increasing resistance towards the Southeast of Europe. It appears that the overall threat imposed on European communities by the increasing loss of antimicrobial effectiveness continues unabated with the same speed as has been previously described by our network. This is shown most convincingly among the pathogens that are frequently transmitted in health care settings (MRSA and VRE) and for antimicrobial compounds that are available for oral administration and hence preferred in ambulatory care (aminopenicillins, macrolides, and fluoroquinolones). The growing availability of third-line antimicrobial drugs as oral formulations is in this context a matter of concern and underscores the need of locally or nationally advised prescribing practices for both ambulatory and hospital-based care.
    • EARSS: European Antimicrobial Resistance Surveillance System; data from the Netherlands (1999).Incidence and resistance rates for Streptococcus pneumoniae and Staphylococcus aureus

      Goettsch WG; Neeling AJ de; CIE; LIO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-07-30)
      In a porspective prevalence and incidence survey in The Netherlands in 1999 antimicrobial susceptibility data on invasive Streptococcus pneumoniae and Staphylococcus aureus infections were collected sithin the framework of European Antomicrobial Resistance Surveillance System (EARSS). The EARSS project covered approximately 40% of the Dutch population (extramural) and 40% of the total number of patient-days (intramural). Penicillin resistance in S. pneumoniae was minimal; only 9 of 767 (1,2%) isolates were non-susceptible. Resistance to oxacillin in S. aureus was low, only (0,3%) isolates were MRSA (mecA positive). The incidence of invasive S. pneumoniae was 117 cases/1.000.000 person-years; the incidence of invasive penicillin non-susceptible S. pneumoniae was 1 case/1.000.000 person-years. The incidence of invasive S. aureus infections was 0.25 cases/1000 patient-days; the incidence of invasive MRSA infections was 0.0006 cases/1000 patient-days. It may be concluded that resistance to antibiotics in these two pathogens, when compared to other European countries, is still very low.