• Ecologisch herstel van biologisch gereinigde grond

      Kappers FI; Manger R (1990-12-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Ecologisch herstel van thermisch gereinigde grond

      Kappers FI (1990-11-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Ecologische effectberekening voor de 2e Nationale Natuurverkenning: terrestrische systemen

      Hoek DCJ van der; Hoffmans WH; Hinsberg A van; Esbroek M van; Alkemade JRM; NLB (2003-02-27)
      In de 2e Nationale Natuurverkenning gaat het Milieu- en NatuurPlanbureau (MNP) na hoe trends in maatschappelijke ontwikkelingen natuur en landschap rond 2030 kunnen gaan beinvloeden. De achterliggende analyse van vier contrasterende integrale omgevingsscenario's kwantificeert de ecologische effecten van het totale samenspel van trends. Dit rapport beschrijft de methode van de ecologische effectberekening voor de terrestrische natuur oftewel natuur op het land, waarin de stappen 1) van scenariobeschrijving tot modelinvoer 2) van modelinvoer tot modeluitvoer 3) van modeluitvoer tot graadmeter, aan bod komen. Daarnaast behandelt het rapport de resultaten met enkele illustrerende analyses en enige discussiepunten bij de methode en resultaten. De terrestrische natuurkwaliteit als geheel herstelt zich in de komende dertig jaar met gemiddeld circa 10 a 15% van de waarde van optimaal ontwikkelde natuur. De kwaliteitsverbetering verschilt echter sterk per natuurtype (tot maximaal 60%) en tussen soortgroepen. De natuurkwaliteit op het land neemt duidelijk toe. De natuurkwaliteit van het agrarisch deel verandert daarentegen niet.
    • Ecologische effectberekening voor de 2e Nationale Natuurverkenning: terrestrische systemen

      Hoek DCJ van der; Hoffmans WH; Hinsberg A van; Esbroek M van; Alkemade JRM; NLB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-02-27)
      In the Dutch national Nature Outlook 2 the Environmental Assessment Office analyses effects of social trends on biodiversity. The possible future changes in biodiversity have been quantified in four integrated scenarios. This report describes how changes in terrestrial ecosystems were calculated with ecological models. It includes the descriptions of: 1) the definition of model input from the scenarios, 2) the ecological modelling itself and, 3) the visualisation of the calculated biodiversity changes in the Natural Capital Index. In each of the four scenarios, environmental quality improves and more space becomes available for nature areas. The improvement of environmental quality causes an increase in the quality of nature. Flora in particular benefits from lowering the deposition of acid and nitrogen components and improving the hydrology in natural areas. Integrated nature and environmental policy measures can enable the quality of nature to restore in the coming 30 years with an average of 10-15% to approximately 60% of the value of an optimally developed ecosystem. Not all types of ecosystem and group of species profit in a similar way. The increase in biodiversity is large in natural areas, whereas in urban areas the quality of nature does not improve.
    • Ecologische effecten van bodemverontreiniging. Maatschappelijke kosten en batenanalyse bodemsanering

      Rutgers M; Spijker J; Wintersen A; Posthuma L; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-02-27)
      Als onderdeel van de maatschappelijke kosten- en batenanalyse van bodemsaneringen (MKBA-Bosa) in Nederland zijn de ecologische effecten van bodemverontreiniging geevalueerd. Ecologische effecten van bodemverontreiniging worden in sterke mate veroorzaakt door de aanwezigheid van zink, koper en/of lood, en in mindere mate door cadmium. Immobiele organische stoffen, zoals polycyclische koolwaterstoffen, hebben ook een significant ecologisch effect, maar vergeleken met metalen is het kleiner van omvang. Mobiele en vluchtige organische stoffen zijn minder belangrijk voor de inschatting van de totale ecologische effecten. De ecologische effecten zijn het grootst voor oppervlakkige verontreiniging, bijvoorbeeld als gevolg van storten, dempen, sedimentatie, atmosferische depositie en bodembewerking. Er is nog te weinig bekend over ecologische effecten in de diepe ondergrond. Uit wetenschappelijk en toegepast onderzoek is gebleken dat ecologische effecten daadwerkelijk optreden en toegeschreven kunnen worden aan de aanwezigheid van de verontreinigende stoffen in de bodem. Het is nog niet mogelijk om ecologische effecten rechtstreeks uit te drukken in een economische maat, bijvoorbeeld via de aantasting van de ecologische diensten van de bodem.
    • Ecologische effecten van saneren bij ecologische risicos van bodemverontreiniging

      Lukacs S; Mesman M; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-02-05)
    • Ecologische kwaliteit van de bodem

      Breure AM; Rutgers M; Bloem J; Brussaard L; Didden E; Jagers op Akkerhuis G; Mulder Ch; Schouten AJ; Wijnen HJ van; LER; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-12-12)
      This report describes the meaning of ecological quality of soil and two ways to quantify such quality. A high number of processes takes place in the soil. These processes are important for mankind (ecosystem services) as they contribute to, e.g., food production, the quality and type of nature and the production of clean groundwater (for the drinking water production). The role of soil organisms is important in these processes. For a sustainable use of the soil it is important to use and manage the soil organisms in a way that these processes are secured for the future. Also a change in soil use must always be possible. To facilitate a sustainability policy for the soil a biological indicator for soil quality (BISQ) is being developed, which is designed for application on a national scale. Therefore ecological data are collected on species diversity, species abundance and activity of soil organisms. For environmental policy making a system must be developed to characterise the ecological quality of soil as 'good' or 'bad', or in a sense of 'desired' and 'undesired'. Two ways to derive quality criteria for soil based on interpretation of the collected data are described. The mechanistic or functional method: In this method the wanted combination of ecosystem services on a certain place is determined and subsequently the optimal biodiversity within such an ecosystem is deduced by statistic interpretation of soil ecological data that have been collected. The statistic method: In this method for a certain combination of land-use and soil type data are collected from a group of reference locations that have been classified on beforehand as 'good'. Based on these data, a statistically derived optimal composition of an ecosystem type is given, with the label 'good quality'. In the application of the indicator, in both approaches it is possible to formulate how far a present local quality satisfies the desired state. Because of the complexity of the subject it is proposed to use both approaches independently in further development according to the 'multiple lines of evidence' principle. Ideally both approaches will lead to corresponding results. Finally the further development of the indicator for application on both international and local scale is discussed.
    • Ecologische kwaliteit van de bodem

      Breure AM; Rutgers M; Bloem J; Brussaard L; Didden E; Jagers op Akkerhuis GAJM; Mulder C; Schouten AJ; van Wijnen HJ; LER; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-12-12)
      In dit rapport wordt beschreven wat ecologische kwaliteit van bodem is, en op welke wijze deze gekwantificeerd kan worden. In bodem vinden een groot aantal processen plaats, die van belang zijn voor de mens (nutsfuncties), omdat ze bijdragen aan bijvoorbeeld de voedselvoorziening, het type en de kwaliteit van de natuur en de levering van schoon grondwater (voor de productie van drinkwater). Bodemorganismen spelen een belangrijke rol in die processen. Bij een duurzaam gebruik van de bodem is het van belang, om de bodemorganismen zodanig te gebruiken en te beheren, dat deze processen ook voor de toekomst gewaarborgd zijn. Hierbij moet ook de mogelijkheid beschikbaar blijven om het bodemgebruik te veranderen. Ter onderbouwing van het duurzaamheidsbeleid van de bodem wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een bodembiologische indicator (BoBI) voor gebruik op nationale schaal. Daarvoor worden ecologische gegevens over de soortdiversiteit, het aantal organismen per soort en de activiteit van de organismen verzameld. Ten behoeve van het beleid moet een karakteriseringsysteem van de bodem worden ontwikkeld in de termen van 'goed' en 'slecht'. In dit rapport worden twee benaderingen beschreven om tot dergelijke kwaliteitscriteria te komen op basis van de tot dusver verzamelde data. 1) De mechanistische of functionele methode. Hierbij wordt nagegaan welke combinatie van nutsfuncties op een bepaalde plek gewenst is en vervolgens wordt de samenstelling van het daarbij behorende 'goede' bodemecosysteem beschreven met behulp van statistische interpretatie van de verzamelde bodemecologische data. 2) De statistische methode. Bij deze methode wordt voor een bepaalde combinatie van grondsoort en bodemgebruik bodemecologische data van een groep van geografische referenties verzameld en op basis daarvan wordt dan aangegeven wat de optimale samenstelling van het bodemecosysteem type is. Bij de toepassing van de indicator zou dan, in beide benaderingen, moeten worden aangegeven, in hoeverre de huidige kwaliteit voldoet aan de criteria van de gewenste kwaliteit. Vanwege de complexiteit van de materie wordt voorgesteld beide benaderingen onafhankelijk van elkaar te ontwikkelen volgens het principe van multiple lines of evidence. Idealiter zullen beide benaderingen uiteindelijk tot een overeenkomend resultaat leiden. Tenslotte wordt een verdere ontwikkeling van de indicator voor toepassing op internationale en lokale schaal besproken.<br>
    • Ecologische risicobeoordeling depotterrein gemeente Epe

      Mesman M; Spijker J; Schouten AJ; Rutgers M; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-01-16)
      Op arseenhoudende depotgrond bij de gemeente Epe (Gelderland) zijn ecologische effecten waargenomen. Het arseen lijkt een remmende werking te hebben op de activiteit van bacterien en algen. Veldonderzoek aan vegetatie, aaltjes en regenwormen laat ook verschillen zien tussen de depots en de omgeving Deze effecten zijn duidelijk aanwezig, maar klein. Dit concludeert het RIVM na onderzoek naar de ecologische risico's van deze arseenhoudende depotgrond. De concentratie arseen overschrijdt de maximum toelaatbare waarde, maar is bij de ijzerhoudende gronden in de nabije omgeving eveneens hoog. Wel gedraagt het arseen in de depotgrond zich op een andere wijze dan in de natuurlijke omgeving. De concentraties arseen in het bodemvocht zijn hoger.
    • Ecologische risicobeoordeling van grondwater

      Beelen P van; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-05-02)
    • Ecologische risicobeoordeling van verontreinigde (water)bodem - voorstellen ter verbetering van de urgentiesystematiek

      Rutgers M; Aldenberg T; Franken ROG; Jager DT; Lijzen Peijnenburg WJGM; Schouten AJ; Traas TP; Zwart D de; Posthuma L; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-04-27)
      In the Netherlands the application of a decision support system to determine the urgency for remediation (hereafter the urgency system) when a site is contaminated above the standards for soil contamination (intervention values combined with criteria for polluted volume and surface area) is advised by the Soil Protection Act. The urgency system is now in function for about 5 years. New technical and scientific insights, bottlenecks in the application of the urgency system, and new soil protection policy are pressing towards reflection and reformulation of the current practice. The aim of this study is to create applicable proposals for site-specific ecological risk assessment possibly to improve the current urgency system, accommodating the current trends. The first proposal is focussed on a central role of the calculation of the toxic pressure per chemical and of the combined toxic pressure of all chemicals together at the site, rather than comparison of concentrations of chemicals with HC50 values or soil quality standards. The second proposal is focussed on elaboration of the assessment with site specific biological information such as the results from bioassay testing and ecological field observations. The combination of three disciplines in a Triad approach (environmental chemistry, bioassay testing, ecological field observations) will improve the reliability of the assessment, because it will efficiently eliminate intrinsic and conceptual uncertainties in assessment techniques.
    • Ecologische risicobeoordeling van verontreinigde (water)bodem - voorstellen ter verbetering van de urgentiesystematiek

      Rutgers M; Aldenberg T; Franken ROG; Jager DT; Lijzen JPA; Peijnenburg WJGM; Schouten AJ; Traas TP; de Zwart D; Posthuma L; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-04-27)
      De systematiek voor de bepaling van de saneringsurgentie in de Wet bodembescherming (Wbb; kortweg urgentiesystematiek) is nu ongeveer 5 jaar operationeel. Een van de onderdelen in de urgentiesystematiek betreft de afleiding van actuele ecologische risico's van (water)bodemverontreiniging. In dit rapport zijn voorstellen geformuleerd voor eenvoudige methodieken om locatiespecifieke ecologische risico's af te leiden op basis van de technisch-wetenschappelijk ontwikkelingen anno 2000. De voorgestelde methodieken kunnen in principe worden gebruikt ter vervanging van de rekenregels in de urgentiesystematiek of als een aanvullend instrumentarium. Het eerste voorstel is uitsluitend gebaseerd op een inschatting van de ecologische risico's op basis van de aanwezigheid van verontreinigende stoffen en literatuurgegevens voor toxiciteit. Bij het tweede voorstel wordt de beoordeling volgens de uitgangspunten van een Triade-benadering uitgevoerd, waarbij de milieuchemische benadering van voorstel 1 wordt aangevuld met biologische gegevens, zoals meetbare toxiciteit in monsters van de verontreinigde locaties m.b.v. bioassays, en ecologische veldwaarnemingen. De combinatie van drie typen gegevens in de Triade-benadering (milieuchemische gegevens, resultaten van bioassays en ecologische waarnemingen) vermindert de conceptuele onzekerheden van individuele beoordelingsparameters waardoor de beoordeling betrouwbaarder wordt.<br>
    • Ecologische typologie van de Nederlandse bodem op basis van de vrijlevende nematodenfauna. Verslag van het project &quot;Het functioneren van nematoden in bodemecosystemen

      Bongers AMT; Goede RGM de; Kappers FI; Manger R (1989-01-31)
      In het rapport wordt een aanzet gegeven tot een typologie van de Nederlandse bodem op basis van de vrijlevende nematodenfauna. De bovenste 10 cm van de minerale bodem van 46 locaties van elkaar verschillend in vegetatie/bodemcombinatie, werden bemonsterd in sept. 1985. De nematoden uit deze monsters werden gekwantificeerd en op naam gebracht. De volgende bodemanalyses werden uitgevoerd: TOC, pH, textuur, kalk, CEC, K, Ca, Mg, basebezetting, N totaal, P totaal, vochtgehalte, porositeit. Het vegetatietype op de locaties werd genoteerd. Van de 46 locaties werden 8 eenmaal per kwartaal bemonsterd om na te gaan in hoeverre de seizoenen invloed hebben op de classificatie. Door middel van het clusteren van monsterpunten is een typologie op grond van nematodendsoorten en milieukenmerken ontworpen. Opgenomen zijn tabellen met: maturity-index, nematoden gerangschikt per type, uniciteit van de monsterpunten, ecosysteemparameters per cluster, relatie tussen nematodensoorten en milieuvariabelen, presentie soorten t.o.v. grondsoort, vochttoestand en vegetatie, fysisch/ chemische analyses, samenstelling nematodenfauna in humus en strooisellaag, inventarisatie nematodenfauna 46 locaties.
    • Ecologisering van het belastingstelsel ; Indicatieve berekeningen van de milieu-effecten van belastingen op het terrein van energie en verkeer en vervoer

      Gerwen OJG van; Honig E; Wee GP van; MNV (1996-02-29)
      Op verzoek van de werkgroep 'vergroening van het fiscale stelsel' (ingesteld door het Ministerie van Financien) heeft het RIVM de milieu-effecten van een aantal fiscale maatregelen geraamd, die betrekking hebben op het energiegebruik (en de daaraan gekoppelde CO2-emissies) en op het personenautogebruik. Het betreft zowel maatregelen die in het verleden zijn genomen, als beleidsvoornemens of mogelijke beleidsopties voor de toekomst. Op het energieterrein zijn de effecten geraamd van de brandstofheffing (WBM) in het verleden en van een reeel constante brandstofheffing tot en met het jaar 2000. Tevens is het effect gekwantificeerd als 25% van de heffingsopbrengst in de periode 1994-2000 wordt teruggesluisd naar de betreffende doelgroepen voor extra maatregelen voor energiebesparing. Ten aanzien van verkeer en vervoer is een schatting gemaakt van het effect van de (reele) verhoging van de brandstofaccijns in het verleden en van een verhoging van de brandstofaccijns in de toekomst conform NMP-2. Tot slot zijn berekeningen gemaakt van de effecten van veranderingen in het reiskostenforfait. Alle geraamde effecten zijn uitgedrukt in reducties in energiegebruik, in CO2-emissies en - voor zover relevant - in personenautogebruik.
    • Ecologisering van het belastingstelsel ; Indicatieve berekeningen van de milieu-effecten van belastingen op het terrein van energie en verkeer en vervoer

      Gerwen OJG van; Honig E; Wee GP van; MNV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-02-29)
      By order of the Dutch Ministry of Finance a working group is investigating the possibilities of introducing a 'greener' tax system in the Netherlands. At the request of this working group, the Dutch National Institute of Public Health and the Environment (RIVM) has quantified the environmental effects of possible energy and fuel taxes in the future. Besides, the energy-saving effects have been estimated of returning 25% of the energy-tax revenues in the period 1995-2000 to consumers and firms to simulate additional investments in energy efficiency. For transport special attention has been paid to the effect of changes in travel-cost allowances for commuters by car on car use, CO2 emissions and congestion. All effects are expressed in reductions in energy use, CO2 emissions and - if relevant - in car use.
    • Economic evaluation of prevention. Fourth report on the cost-effectiveness of preventive interventions

      van den Berg M; van Gils PF; de Wit GA; Schuit AJ; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-07-10)
      In dit rapport zijn zeven preventieve maatregelen gesignaleerd die volgens literatuuronderzoek kosteneffectief zijn en in Nederland nog niet landelijk worden aangeboden. Kosteneffectief houdt in dat de kosten relatief laag zijn in verhouding tot de verwachte gezondheidswinst. Meer onderzoek is nodig om te kijken of deze interventies voor Nederland wenselijk zijn. Voor de meeste ontbreekt namelijk overtuigende bewijslast of ze medisch gezien effectief zijn. Bovendien zijn ze niet allemaal eenvoudig te implementeren, bijvoorbeeld omdat mensen terughoudend zijn om zich te laten screenen of vaccineren. Het gaat om de volgende preventieve maatregelen: - screening op en behandeling van infectie met Helicobacter pylori om maagaandoeningen te voorkomen; - vaccinatie van gezonde kinderen tegen griep; - screening op osteoporose van vrouwen van 70 jaar of ouder door het meten van de botdichtheid; - preventieve behandeling van mensen met een verhoogd risico op hart- en vaatziekten met aspirine; - een oefenprogramma voor zelfstandig wonende ouderen om te voorkomen dat ze vallen en valgerelateerde verwondingen oplopen; - preventieve behandeling van mensen die een hartinfarct hebben doorgemaakt met omega-3 visvetzuren; - leefstijlinterventie voor mensen met verstoorde glucosetolerantie ter preventie van diabetes mellitus. In het rapport zijn het gezondheidsprobleem waar de interventie zich op richt, de interventie zelf, de effectiviteit, en de kosteneffectiviteit beschreven. Vervolgens zijn aspecten van vertaalbaarheid van de economische evaluaties naar de Nederlandse situatie en van implementatie van de interventie in Nederland besproken. Dit rapport is het vierde uit een serie van over economische aspecten van preventie en is in samenwerking met ZonMw geschreven.
    • Economic evaluation of prevention. Modelling the cost-effectiveness of increasing alcohol taxes and of prevention of major depression

      van Baal PHM; van den Berg M; Tariq L; Hoogenveen RT; Schoemaker CG; Schuit AJ; de Wit GA; VTV; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-07-10)
      Accijnsverhogingen op alcohol en een vroegtijdige opsporing van depressies leveren veel gezondheidswinst op tegen relatief lage kosten. De opsporing van dit stadium van een depressie door de huisarts, gevolgd door minimale contact psychotherapie (MCP) levert naar verwachting 13.000 gezonde levensjaren op en kost op termijn gemiddeld euro 6.800,- per gewonnen gezond levensjaar. De geplande accijnsverhoging voor 2009 levert naar verwachting 13.000 gezonde levensjaren op en kost op termijn gemiddeld euro 5.100,- per gewonnen gezond levensjaar. Beide maatregelen zijn daarmee kosteneffectieve interventies. Uit eerder onderzoek bleek dat beide interventies effectief zijn in het voorkomen van ziekte, alleen was nog weinig bekend over de kosteneffectiviteit. Daarom is in dit rapport met behulp van modelberekeningen de mogelijke kosteneffectiviteit in de Nederlandse context onderzocht. Hierbij is uitgegaan van grootschalige implementatie van de maatregelen. De gezondheidseffecten zijn uitgedrukt in voor kwaliteit gecorrigeerde gewonnen levensjaren (QALYs, oftewel gewonnen gezonde levensjaren) en alleen kosten binnen het gezondheidszorgperspectief zijn meegenomen. Andere kosten- en effectencategorieen zoals ziekteverzuim hebben ook een grote invloed op de kosteneffectiviteit van de interventies. Onderzoek naar de bredere kosten en effecten van preventieve interventies is daarom gewenst.
    • Economic evaluation of prevention; further evidence

      de Wit GA; Verweij A; van Baal PHM; Vijgen SMC; van den Berg M; Busch MCM; Barnhoorn MJM; Schuit AJ; de Wit GA; Schuit AJ; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMZonMw, 2007-07-20)
      Dit rapport is de derde in een serie van rapporten over de doelmatigheid van preventieve interventies die nog niet systematisch in Nederland in de (openbare) gezondheidzorg zijn ingevoerd. In het eerste deel van dit rapport worden vijf nieuwe preventieve interventies gepresenteerd en wordt tevens de kennis ten aanzien van zes eerder beschreven interventies up-to-date gemaakt. Per interventie wordt achtereenvolgens het gezondheidsprobleem waar de interventie op gericht is, de interventie zelf, de doelmatigheid (kosteneffectiviteit) op basis van buitenlandse studies, de kansrijkheid van invoering en de vertaalbaarheid van de resultaten naar de Nederlandse situatie beschreven. Het onderzoek toont aan dat er sterke bewijslast voor kosteneffectiviteit is voor de volgende interventies: (1) screening op neonatale groep bhta streptokokkeninfecties, (2) fluoridering van het drinkwater, (3) verplicht verrijken van graanproducten met foliumzuur, (4) varicella zoster (waterpokken), virusvaccinatie en (5) stoppen-met-roken interventies via de huisarts. De bewijslast voor kosteneffectiviteit is matig voor (6) griepvaccinatie bij gezonde werknemers, (7) rotavirus- vaccinatie bij pasgeborenen, (8) universele hepatitis B-vaccinatie, (9) pertussis (kinkhoest) vaccinatie bij adolescenten, (10) humane papiloma virus vaccinatie bij adolescenten en (11) pneumokokkenvaccinatie bij ouderen. Echter, bij alle interventies is de vertaalbaarheid van buitenlandse onderzoeksresultaten naar de Nederlandse situatie beperkt en is meer onderzoek nodig om de doelmatigheid in de Nederlandse context te bestuderen. Met betrekking tot de haalbaarheid van invoering wordt screening op neonatale groep beta streptokokken infecties, pertussis vaccinatie bij adolescenten, griepvaccinatie bij gezonde werknemers en pneumokokken vaccinatie bij ouderen kansrijk geacht. In het tweede deel van het rapport wordt de doelmatigheid van twee interventies berekend, die in het buitenland kosteneffectief zijn gebleken en waarbij geen belangrijke barrieres bij de implementatie te verwachten zijn. Dit zijn terugvalpreventie van depressie door regelmatige cognitieve gedragstherapie (mCBT) en preventie van chronische ziekten door farmacologische behandeling van obesitas. Uit de economische evaluatie bleek dat mCBT doelmatiger is dan de huidige behandeling, die bestaat uit het voorschrijven van anti-depressiva. De kosteneffectiviteitsratio van mCBT is 15.000 per QALY. De doelmatigheid van het verstrekken van farmacologische behandeling (Orlistat) in combinatie met een dieet is relatief hoog. De kosten per gewonnen QALY zijn 62.000 voor Orlistat in combinatie met een dieet ten opzichte van dieet alleen. De modelleerstudie onderstreept het belang van de uitvoering van economische evaluaties in de Nederlandse context en bevestigt de slechte vertaalbaarheid van buitenlandse studies naar de Nederlandse situatie.