• Ecologische typologie van de Nederlandse bodem op basis van de vrijlevende nematodenfauna. Verslag van het project "Het functioneren van nematoden in bodemecosystemen

      Bongers AMT; Goede RGM de; Kappers FI; Manger R (1989-01-31)
      In het rapport wordt een aanzet gegeven tot een typologie van de Nederlandse bodem op basis van de vrijlevende nematodenfauna. De bovenste 10 cm van de minerale bodem van 46 locaties van elkaar verschillend in vegetatie/bodemcombinatie, werden bemonsterd in sept. 1985. De nematoden uit deze monsters werden gekwantificeerd en op naam gebracht. De volgende bodemanalyses werden uitgevoerd: TOC, pH, textuur, kalk, CEC, K, Ca, Mg, basebezetting, N totaal, P totaal, vochtgehalte, porositeit. Het vegetatietype op de locaties werd genoteerd. Van de 46 locaties werden 8 eenmaal per kwartaal bemonsterd om na te gaan in hoeverre de seizoenen invloed hebben op de classificatie. Door middel van het clusteren van monsterpunten is een typologie op grond van nematodendsoorten en milieukenmerken ontworpen. Opgenomen zijn tabellen met: maturity-index, nematoden gerangschikt per type, uniciteit van de monsterpunten, ecosysteemparameters per cluster, relatie tussen nematodensoorten en milieuvariabelen, presentie soorten t.o.v. grondsoort, vochttoestand en vegetatie, fysisch/ chemische analyses, samenstelling nematodenfauna in humus en strooisellaag, inventarisatie nematodenfauna 46 locaties.
    • Ecologisering van het belastingstelsel ; Indicatieve berekeningen van de milieu-effecten van belastingen op het terrein van energie en verkeer en vervoer

      Gerwen OJG van; Honig E; Wee GP van; MNV (1996-02-29)
      Op verzoek van de werkgroep 'vergroening van het fiscale stelsel' (ingesteld door het Ministerie van Financien) heeft het RIVM de milieu-effecten van een aantal fiscale maatregelen geraamd, die betrekking hebben op het energiegebruik (en de daaraan gekoppelde CO2-emissies) en op het personenautogebruik. Het betreft zowel maatregelen die in het verleden zijn genomen, als beleidsvoornemens of mogelijke beleidsopties voor de toekomst. Op het energieterrein zijn de effecten geraamd van de brandstofheffing (WBM) in het verleden en van een reeel constante brandstofheffing tot en met het jaar 2000. Tevens is het effect gekwantificeerd als 25% van de heffingsopbrengst in de periode 1994-2000 wordt teruggesluisd naar de betreffende doelgroepen voor extra maatregelen voor energiebesparing. Ten aanzien van verkeer en vervoer is een schatting gemaakt van het effect van de (reele) verhoging van de brandstofaccijns in het verleden en van een verhoging van de brandstofaccijns in de toekomst conform NMP-2. Tot slot zijn berekeningen gemaakt van de effecten van veranderingen in het reiskostenforfait. Alle geraamde effecten zijn uitgedrukt in reducties in energiegebruik, in CO2-emissies en - voor zover relevant - in personenautogebruik.
    • Ecologisering van het belastingstelsel ; Indicatieve berekeningen van de milieu-effecten van belastingen op het terrein van energie en verkeer en vervoer

      Gerwen OJG van; Honig E; Wee GP van; MNV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-02-29)
      By order of the Dutch Ministry of Finance a working group is investigating the possibilities of introducing a 'greener' tax system in the Netherlands. At the request of this working group, the Dutch National Institute of Public Health and the Environment (RIVM) has quantified the environmental effects of possible energy and fuel taxes in the future. Besides, the energy-saving effects have been estimated of returning 25% of the energy-tax revenues in the period 1995-2000 to consumers and firms to simulate additional investments in energy efficiency. For transport special attention has been paid to the effect of changes in travel-cost allowances for commuters by car on car use, CO2 emissions and congestion. All effects are expressed in reductions in energy use, CO2 emissions and - if relevant - in car use.
    • Economic evaluation of prevention. Fourth report on the cost-effectiveness of preventive interventions

      van den Berg M; van Gils PF; de Wit GA; Schuit AJ; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-07-10)
      In dit rapport zijn zeven preventieve maatregelen gesignaleerd die volgens literatuuronderzoek kosteneffectief zijn en in Nederland nog niet landelijk worden aangeboden. Kosteneffectief houdt in dat de kosten relatief laag zijn in verhouding tot de verwachte gezondheidswinst. Meer onderzoek is nodig om te kijken of deze interventies voor Nederland wenselijk zijn. Voor de meeste ontbreekt namelijk overtuigende bewijslast of ze medisch gezien effectief zijn. Bovendien zijn ze niet allemaal eenvoudig te implementeren, bijvoorbeeld omdat mensen terughoudend zijn om zich te laten screenen of vaccineren. Het gaat om de volgende preventieve maatregelen: - screening op en behandeling van infectie met Helicobacter pylori om maagaandoeningen te voorkomen; - vaccinatie van gezonde kinderen tegen griep; - screening op osteoporose van vrouwen van 70 jaar of ouder door het meten van de botdichtheid; - preventieve behandeling van mensen met een verhoogd risico op hart- en vaatziekten met aspirine; - een oefenprogramma voor zelfstandig wonende ouderen om te voorkomen dat ze vallen en valgerelateerde verwondingen oplopen; - preventieve behandeling van mensen die een hartinfarct hebben doorgemaakt met omega-3 visvetzuren; - leefstijlinterventie voor mensen met verstoorde glucosetolerantie ter preventie van diabetes mellitus. In het rapport zijn het gezondheidsprobleem waar de interventie zich op richt, de interventie zelf, de effectiviteit, en de kosteneffectiviteit beschreven. Vervolgens zijn aspecten van vertaalbaarheid van de economische evaluaties naar de Nederlandse situatie en van implementatie van de interventie in Nederland besproken. Dit rapport is het vierde uit een serie van over economische aspecten van preventie en is in samenwerking met ZonMw geschreven.
    • Economic evaluation of prevention. Modelling the cost-effectiveness of increasing alcohol taxes and of prevention of major depression

      van Baal PHM; van den Berg M; Tariq L; Hoogenveen RT; Schoemaker CG; Schuit AJ; de Wit GA; VTV; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-07-10)
      Accijnsverhogingen op alcohol en een vroegtijdige opsporing van depressies leveren veel gezondheidswinst op tegen relatief lage kosten. De opsporing van dit stadium van een depressie door de huisarts, gevolgd door minimale contact psychotherapie (MCP) levert naar verwachting 13.000 gezonde levensjaren op en kost op termijn gemiddeld euro 6.800,- per gewonnen gezond levensjaar. De geplande accijnsverhoging voor 2009 levert naar verwachting 13.000 gezonde levensjaren op en kost op termijn gemiddeld euro 5.100,- per gewonnen gezond levensjaar. Beide maatregelen zijn daarmee kosteneffectieve interventies. Uit eerder onderzoek bleek dat beide interventies effectief zijn in het voorkomen van ziekte, alleen was nog weinig bekend over de kosteneffectiviteit. Daarom is in dit rapport met behulp van modelberekeningen de mogelijke kosteneffectiviteit in de Nederlandse context onderzocht. Hierbij is uitgegaan van grootschalige implementatie van de maatregelen. De gezondheidseffecten zijn uitgedrukt in voor kwaliteit gecorrigeerde gewonnen levensjaren (QALYs, oftewel gewonnen gezonde levensjaren) en alleen kosten binnen het gezondheidszorgperspectief zijn meegenomen. Andere kosten- en effectencategorieen zoals ziekteverzuim hebben ook een grote invloed op de kosteneffectiviteit van de interventies. Onderzoek naar de bredere kosten en effecten van preventieve interventies is daarom gewenst.
    • Economic evaluation of prevention; further evidence

      de Wit GA; Verweij A; van Baal PHM; Vijgen SMC; van den Berg M; Busch MCM; Barnhoorn MJM; Schuit AJ; de Wit GA; Schuit AJ; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMZonMw, 2007-07-20)
      Dit rapport is de derde in een serie van rapporten over de doelmatigheid van preventieve interventies die nog niet systematisch in Nederland in de (openbare) gezondheidzorg zijn ingevoerd. In het eerste deel van dit rapport worden vijf nieuwe preventieve interventies gepresenteerd en wordt tevens de kennis ten aanzien van zes eerder beschreven interventies up-to-date gemaakt. Per interventie wordt achtereenvolgens het gezondheidsprobleem waar de interventie op gericht is, de interventie zelf, de doelmatigheid (kosteneffectiviteit) op basis van buitenlandse studies, de kansrijkheid van invoering en de vertaalbaarheid van de resultaten naar de Nederlandse situatie beschreven. Het onderzoek toont aan dat er sterke bewijslast voor kosteneffectiviteit is voor de volgende interventies: (1) screening op neonatale groep bhta streptokokkeninfecties, (2) fluoridering van het drinkwater, (3) verplicht verrijken van graanproducten met foliumzuur, (4) varicella zoster (waterpokken), virusvaccinatie en (5) stoppen-met-roken interventies via de huisarts. De bewijslast voor kosteneffectiviteit is matig voor (6) griepvaccinatie bij gezonde werknemers, (7) rotavirus- vaccinatie bij pasgeborenen, (8) universele hepatitis B-vaccinatie, (9) pertussis (kinkhoest) vaccinatie bij adolescenten, (10) humane papiloma virus vaccinatie bij adolescenten en (11) pneumokokkenvaccinatie bij ouderen. Echter, bij alle interventies is de vertaalbaarheid van buitenlandse onderzoeksresultaten naar de Nederlandse situatie beperkt en is meer onderzoek nodig om de doelmatigheid in de Nederlandse context te bestuderen. Met betrekking tot de haalbaarheid van invoering wordt screening op neonatale groep beta streptokokken infecties, pertussis vaccinatie bij adolescenten, griepvaccinatie bij gezonde werknemers en pneumokokken vaccinatie bij ouderen kansrijk geacht. In het tweede deel van het rapport wordt de doelmatigheid van twee interventies berekend, die in het buitenland kosteneffectief zijn gebleken en waarbij geen belangrijke barrieres bij de implementatie te verwachten zijn. Dit zijn terugvalpreventie van depressie door regelmatige cognitieve gedragstherapie (mCBT) en preventie van chronische ziekten door farmacologische behandeling van obesitas. Uit de economische evaluatie bleek dat mCBT doelmatiger is dan de huidige behandeling, die bestaat uit het voorschrijven van anti-depressiva. De kosteneffectiviteitsratio van mCBT is 15.000 per QALY. De doelmatigheid van het verstrekken van farmacologische behandeling (Orlistat) in combinatie met een dieet is relatief hoog. De kosten per gewonnen QALY zijn 62.000 voor Orlistat in combinatie met een dieet ten opzichte van dieet alleen. De modelleerstudie onderstreept het belang van de uitvoering van economische evaluaties in de Nederlandse context en bevestigt de slechte vertaalbaarheid van buitenlandse studies naar de Nederlandse situatie.
    • Economic evaluations of hepatitis B vaccination strategies - A systematic review of the literature

      Wit GA de; Welte R; CZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-11-00)
      National and international economic evaluations of universal vaccination against hepatitis B were systematically selected from the literature. Only the studies meeting the following criteria were selected: (a) original data reported in Dutch, English, French or German; (b) at least one universal vaccination strategy evaluated; (c) a high methodological quality shown and (d) conducting of the study in countries with a hepatitis B epidemiological pattern comparable to the Dutch situation. Sixteen relevant studies were identified out of 1060 publications registered in the databases, COCHRANE LIBRARY, CURRENT CONTENTS, DARE, HEED, INAHTA DATABASE, MEDLINE, NEED, and by applying the system of reference tracking. Despite the strict inclusion criteria, great divergence was seen among assumptions applied to a study, methodologies, outcomes and conclusions. Some studies show universal screening to be cost-saving, while others report unfavourable cost-effectiveness ratios. Studies that investigated similar vaccination strategies reach dissimilar conclusions on the most cost-effective strategy. Several parameters were found to have a usually large impact on the results and conclusions of a study. These are: a) vaccine costs, b) discount rate, c) hepatitis B incidence, d) inclusion of indirect costs and effects, e) percentage of acute infections that lead to chronic hepatitis, f) discounting effects and h) assumed lifelong costs of hepatitis B infection, including long-term consequences such as cirrhosis and liver cancer. Hence, in any further study these important variables should be subject to an extensive sensitivity analysis. Economic evaluations that are intended to assist in local policy-making should take careful account of local circumstances. The 16 selected studies have little practical relevance for Dutch policy-makers.
    • Economic modelling approaches to land use and cover change

      Groeneveld RA; Ierland EC van; NOP (2000-03-06)
      Abstract niet beschikbaar
    • Economie, energie en milieu. Een verkenning tot 2010

      MNV (Centraal Planbureau CPBDen Haag, 2002-03-27)
      In het licht van de verkiezingen voor de Tweede Kamer in mei 2002 en daarop aansluitend het begin van een nieuwe kabinetsperiode biedt deze verkenning een analyse van vraagstukken rond energie en milieu tot 2010. Dit geschiedt tegen de achtergrond van een verkenning van de bedrijfstakontwikkeling in twee scenario's voor de Nederlandse economie welke aansluiten op de in december j.l. door het CPB gepubliceerde Economische Verkenning 2003-2006. Deze studie is een gezamenlijk product van CPB en RIVM.
    • Economie, energie en milieu. Een verkenning tot 2010

      Centraal Planbureau CPB, Den Haag; MNV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-03-27)
      In het licht van de verkiezingen voor de Tweede Kamer in mei 2002 en daarop aansluitend het begin van een nieuwe kabinetsperiode biedt deze verkenning een analyse van vraagstukken rond energie en milieu tot 2010. Dit geschiedt tegen de achtergrond van een verkenning van de bedrijfstakontwikkeling in twee scenario's voor de Nederlandse economie welke aansluiten op de in december j.l. door het CPB gepubliceerde Economische Verkenning 2003-2006. Deze studie is een gezamenlijk product van CPB en RIVM.
    • Economische evaluatie van preventie - Kansen voor het Nederlandse volksgezondheidsbeleid

      Vijgen SMC; Busch MCM; Wit GA de; Zoest F van; Schuit AJ; VTV; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-12-13)
      It is widely argued that cost-effectiveness should play a role in health care priority setting. In this report, ten preventive interventions are identified, with a favourable cost-benefit ratio. These interventions are not yet systematically provided in the Netherlands. It is expected that these intervention will be cost-effective within 5 years (defined as cost per life year saved < 20,000 euro). These interventions are: (1) opportunistic screening for chlamydia among young women in urban settings (2) screening for retinopathy among diabetes type 2 patients, (3) prevention of head injuries through use of bicycle helmets in children (4) cardiac rehabilitation programs, (5) screening for abdominal aortic aneurysm in elderly men (6) prevention relapse of depression, (7) prevention cardiac arrest by automatic external defibrillators, (8) prevention of cervical cancer by screening on human papilloma virus in combination with cervical smear, (9) prevention of chronic diseases by treatment of obesity and finally (10) prevention of hip fracture by external hip protectors. For the first four interventions both the cost-effectiveness as well as feasibility of implementing in the Netherlands are considered to be most favourable. The latter six interventions are promising, but more research has to be done with regard to the translation of the mostly foreign study results to the Dutch situation.
    • Economische evaluatie van preventie - Kansen voor het Nederlandse volksgezondheidsbeleid

      Vijgen SMC; Busch MCM; de Wit GA; van Zoest F; Schuit AJ; VTV; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-12-13)
      Kosteneffectiviteit (doelmatigheid) is een van de pijlers van het Nederlandse volksgezondheidsbeleid. In dit literatuuroverzicht worden een tiental preventieve interventies gesignaleerd met een gunstige verhouding tussen de kosten en de te behalen gezondheidswinst. Het betreft interventies die in Nederland nog niet systematisch en op continue wijze zijn ingevoerd. Verwacht wordt dat deze interventies binnen vijf jaar kosten-effectief (gedefinieerd als kosten per gewonnen levensjaar lager dan 20.000,- euro) of zelfs kostenbesparend kunnen zijn. De geselecteerde interventies zijn: (1) screenen van jongvolwassen vrouwen en hun partners op chlamydia infecties, (2) screenen op retinopathie bij diabetespatienten ter preventie van blindheid, (3) preventie van hoofdletsel door het dragen van fietshelmen door kinderen, (4) preventie van een nieuw hartinfarct door revalidatie bij hartpatienten, (5) screening van oudere mannen op aneurysma van de buikaorta, (6) preventie van terugval na een depressie door behandeling, (7) preventie van plotselinge hartdood door gebruik van automatische externe defibrillatoren, (8) preventie van baarmoederhalskanker door screening op humaan papillomavirus in combinatie met het uitstrijkje, (9) preventie van chronische ziekten door behandeling van obesitas, en (10) preventie van een heupfractuur door het dragen van heupbeschermers. Van de eerste vier interventies wordt zowel de kosteneffectiviteit als de haalbaarheid van (verdere) invoering in Nederland bijzonder gunstig ingeschat. Voor de overige interventies geldt dat ze veelbelovend zijn, maar dat nader onderzoek ten aanzien van de vertaling van veelal buitenlandse onderzoeksresultaten naar de Nederlandse situatie nog gedaan moet worden.
    • Economische waardering van milieugerelateerde gezondheidseffecten. Een verkenning

      Dusseldorp A; Kempen EEMM van; Franssen AEM; LBM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-12-10)
      A literature study was conducted to get an overview of activities concerning the monetary valuation of environmental health effects. The report focuses on the applicability of economic valuation methods for health effects of air pollution and noise. Advantages and disadvantages of the economic valuation methods are briefly described. The application of economic valuation of environmental health effects is still under debate. Important topics are the limited availability of data (health endpoints, risk estimates, estimations of their monetary value) and methodological problems (expression of mortality in statisical life year or life year gained, benefit transfer). Due to assumptions in monetary valuations, as well as uncertainties in the underlying health risk assessments, the resulting estimations of health related costs and benefits vary substantially. Despite these uncertainties, it is still useful to have insight into the costs and benefits of (environmental) measures. Several studies show that health benefits contribute substantially to total benefits of measures and sometimes exceed the costs of the measure concerned. The health related costs and benefits could therefore add another dimension to discussions on measures to be taken. If estimations will be made in the Netherlands, it is recommended to determine specific WTP values for the Dutch situation. This will also be helpful for the discussion on methodology and the understanding of the monetary valuation of health, which may improve the (decision on the) use of monetary valuation in the future.
    • Economische waardering van milieugerelateerde gezondheidseffecten. Een verkenning

      Dusseldorp A; van Kempen EEMM; Franssen AEM; LBM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-12-10)
      Dit rapport richt zich op de toepasbaarheid van methoden voor het economisch waarderen van milieugerelateerde gezondheidseffecten. Daartoe zijn verschillende studies naar economische waardering van gezondheidseffecten van luchtverontreiniging en geluid geevalueerd. Uit deze verkenning blijkt dat het economisch waarderen van milieugerelateerde gezondheidseffecten op onderdelen nog veel onzekerheden bevat. Deze hebben vooral betrekking op de beperkte beschikbaarheid van data (de juiste gezondheidseindpunten, risico-schattingen, schattingen van de daarmee samenhangende bedragen) en methodologische problemen (uitdrukken van mortaliteit in waarde van een statistisch leven of waarde voor een gewonnen levensjaar, het overzetten van waarden uit een andere context zoals gebied of type risico). Omdat voorafgaand aan de geldelijke schattingen ook onzekerheden zitten in het schatten van de te verwachten gezondheidseffecten, ontstaan grote marges in de geschatte 'eindbedragen'. Ondanks de onzekerheden is het nuttig om naast de bekende kosten ook inzicht te hebben in de (vaak onbekende) baten van bepaalde maatregelen. Uit de verschillende studies blijkt namelijk dat de gezondheidsbaten vaak een groot aandeel hebben in de totale baten van een maatregel en ook groter kunnen zijn dan de kosten. Derhalve lijkt het nuttig de gezondheidsbaten in discussies over maatregelen te kunnen betrekken. Wanneer in Nederland dergelijke schattingen gemaakt worden, is het raadzaam de betalingsbereidheid specifiek voor de Nederlandse situatie te bepalen. Een bijkomend voordeel hiervan is dat de discussie over methodieken en het begrip van het waarderen van gezondheid in geld, zullen toenemen, hetgeen de (beslissing over de) toepassing ervan in de toekomst ten goede kan komen.<br>
    • Ecosysteemdiensten als ordenend principe voor duurzaam bodembeheer en gebiedsinrichting : Rekenen met de Triple-O aanpak in het Leiden Bio Science Park

      Rutgers M; Oude Boerrigter P; Starink J; Winkler T; Hendriks C; LER; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMGrontmijMinisterie van Infrastructuur en MilieuGIDO Stichting, 2013-02-18)
      Het RIVM heeft meegewerkt aan de ontwikkeling van een methode waarmee kan worden afgewogen welk bodembeheer en welke ruimtelijke inrichtingsplannen het meest bijdragen aan een 'duurzame' groene infrastructuur in een gebied. Deze zogeheten Triple-O aanpak biedt mogelijkheden om de voordelen die de mens heeft van een natuurlijk systeem (bodem, water en groen, oftewel ecosysteemdiensten) in te zetten bij bodembeheer en gebiedsontwikkeling. Triple-O staat voor Ontdekken, Overeenkomen en Ontwikkelen. Met deze methode worden economische en sociale gebiedsontwikkeling en het bodembeheer verbonden met het natuurlijke systeem, zodat een duurzame situatie gecreëerd kan worden. Voorheen waren dit gescheiden werelden. Natuurvriendelijke oevers De methode is ontwikkeld aan de hand van drie pilotgebieden in Nederland. Eén daarvan is het Leiden Bio Science Park (LBSP), een economische hotspot met een groot aantal kennisinstellingen en bedrijven, een academisch medisch centrum en twee musea. Voor deze locatie zijn vijftien maatregelen gescreend op de mate waarin ze bijdragen aan een duurzame 'groene' inrichting. De aanleg van natuurvriendelijke oevers blijkt de grootste bijdrage te leveren. Als vervolgens ook de kosteneffectiviteit wordt meegenomen, dan draagt de aanleg van educatieve wandelroutes relatief gezien het meest bij. De drie fasen van Triple-O Als eerste stap wordt geïnventariseerd en gewogen wat voor de betrokken partijen de bestaande en gewenste kwaliteiten van een gebied zijn ('Ontdekken'). Voor het LBSP zijn deze partijen de gemeente Leiden, de Universiteit Leiden (UL), het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC), NCB/Naturalis, het Waterschap en de gezamenlijke biotechnologiebedrijven. Zij vonden de kwaliteit 'lerende omgeving' en de daaraan te koppelen ecosysteemdienst 'voorzien in esthetiek en inspiratie' het belangrijkst. Vervolgens brengen de partijen de mogelijkheden met elkaar in verband en ontwikkelen zij een gezamenlijke visie voor de gebiedsontwikkeling ('Overeenkomen'). Zo ontstond de wens dat het park voor de verschillende doelgroepen bijdragen levert aan de kwaliteit van de omgeving, als leeromgeving en recreatielocatie, en aan de wateropgaven (kwaliteit en kwantiteit). Ten slotte worden plannen gemaakt voor uitvoering en financiering door de rendementen van het natuurlijke systeem voor alle betrokkenen in beeld te brengen ('Ontwikkelen').
    • Ecosysteemdiensten van grondwater en ondergrond : Beschrijvingen en relaties met activiteiten en maatregelen

      Vermooten S; Lijzen JPA; DDB; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMDeltares, 2015-06-05)
      De mens maakt steeds meer gebruik van de 'diensten' die het grondwater en de ondergrond (onder het maaiveld) leveren. Voorbeelden van deze zogeheten ecosysteemdiensten zijn de beschikbaarheid van water voor drinkwaterproductie, de opslag van energie en het reinigend vermogen van de ondergrond. De kennis van deze ecosysteemdiensten is belangrijk voor publieke en private partijen om de waarde van het grondwater en de ondergrond beter te bepalen, wat eraan kan bijdragen dat afwegingen over maatregelen en inrichting van gebieden beter kunnen worden gemaakt. In 2013 is een concept opgesteld voor een afwegingskader voor het gebruik van het grondwater en de ondergrond. Er is een inventarisatie en beschrijving gemaakt van activiteiten en van ecosysteemdiensten van het grondwater en de ondergrond. Voor het eerst is weergegeven hoe activiteiten van de mens en ecosysteemdiensten van het grondwater en de ondergrond elkaar beïnvloeden. In dit vervolg zijn de ecosysteemdiensten van grondwater en ondergrond uitgebreider gedefinieerd en uitgewerkt; kwalitatief en zo mogelijk kwantitatief. Er is duidelijk gemaakt welke voorwaarden een ecosysteem stelt om duurzaam een ecosysteemdienst te kunnen leveren, hoe de ecosysteemdienst wordt beïnvloed, maar ook welke beleidsopgaven er mogelijk volgen uit die voorwaarden. Er zijn elf ecosysteemdiensten. Ze zijn onverdeeld in productie-, regulerende en culturele diensten. De twee productiediensten zijn beschikbaarheid van voldoende water van een bepaalde kwaliteit en energie. De zeven regulerende diensten zijn: reinigend vermogen van de ondergrond, draagkracht, bergingscapaciteit, de rol van de ondergrond en grondwater in biochemische cycli, temperatuurregulatie, voorzien in watervoerendheid en waterkwaliteit oppervlaktewater, en voeding van grondwaterafhankelijke natuur. De twee culturele diensten betreffen belevings- en cultuurhistorische waarden, en de biodiversiteit.
    • Ecosysteemgerichte risicobeoordeling van stoffen. Eindrapport Ecosysteemrendement

      Traas TP; Klijn F; Aldenberg T; LWD/CML (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiene (RIVM)Centrum voor milieukunde Leiden (CML), 1995-08-31)
      Dit rapport is een afsluiting van het project Ecosysteemrendement. Doel van dit project is de ontwikkeling van een onderzoeksinstrument om prioriteiten te kunnen stellen in het gebiedsgerichte stoffenbeleid door het berekenen van effecten op ecosystemen als gevolg van stoffenbelasting. Het onderzoeksinstrument bestaat uit twee hoofdonderdelen: ecosysteemclassificaties en een risico-georienteerde voorspellingsmethodiek. Bij de classificatie van ecosysteemeenheden bleek de onderbouwing vanuit empirische onderzoeksgegevens tijdrovend, zodat de indeling vooral het kwantificeren van allerlei proceskenmerken en bijbehorende voedselwebstructuren behoeft. Het grootste knelpunt bij het berekenen van natuurwinst en -verlies blijkt het ontbreken van dosis-effectrelaties van "voldoende" stoffen op "voldoende" biotische compartimenten. Voor de meeste stoffen zal een gebiedsgerichte risico-analyse de kans berekenen op overschrijding van bestaande normen en/of grenswaarden in zowel het abiotisch milieu als in het voedselweb.
    • Ecosysteemgerichte risicobeoordeling van stoffen. Eindrapport Ecosysteemrendement

      Traas TP; Klijn F; Aldenberg T; Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiene (RIVM), Centrum voor milieukunde Leiden (CML); LWD/CML (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-08-31)
      This is the final report of the project 'Ecosysteemrendement'. The goal of the project was the development of an instrument for risk assessment of toxic chemicals, by comparing calculated ecological risks. The instrument consists of two parts: ecosystem classification and a risk-based ecosystem model. The underpinning of the ecological classification was time consuming and needs further quantification of processes and food web structures. The main problem in calculating ecosystem effects proved to be a lack of appropriate dose-response relationships. A regional risk assessment for most toxicants will result in calculated probabilities at exceeding environmental quality criteria or toxicological limit values in both the exposure media (soil, water, sediment) and the food web.