• Ecosysteemdiensten als ordenend principe voor duurzaam bodembeheer en gebiedsinrichting : Rekenen met de Triple-O aanpak in het Leiden Bio Science Park

      Rutgers M; Oude Boerrigter P; Starink J; Winkler T; Hendriks C; LER; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMGrontmijMinisterie van Infrastructuur en MilieuGIDO Stichting, 2013-02-18)
      Het RIVM heeft meegewerkt aan de ontwikkeling van een methode waarmee kan worden afgewogen welk bodembeheer en welke ruimtelijke inrichtingsplannen het meest bijdragen aan een 'duurzame' groene infrastructuur in een gebied. Deze zogeheten Triple-O aanpak biedt mogelijkheden om de voordelen die de mens heeft van een natuurlijk systeem (bodem, water en groen, oftewel ecosysteemdiensten) in te zetten bij bodembeheer en gebiedsontwikkeling. Triple-O staat voor Ontdekken, Overeenkomen en Ontwikkelen. Met deze methode worden economische en sociale gebiedsontwikkeling en het bodembeheer verbonden met het natuurlijke systeem, zodat een duurzame situatie gecreëerd kan worden. Voorheen waren dit gescheiden werelden. Natuurvriendelijke oevers De methode is ontwikkeld aan de hand van drie pilotgebieden in Nederland. Eén daarvan is het Leiden Bio Science Park (LBSP), een economische hotspot met een groot aantal kennisinstellingen en bedrijven, een academisch medisch centrum en twee musea. Voor deze locatie zijn vijftien maatregelen gescreend op de mate waarin ze bijdragen aan een duurzame 'groene' inrichting. De aanleg van natuurvriendelijke oevers blijkt de grootste bijdrage te leveren. Als vervolgens ook de kosteneffectiviteit wordt meegenomen, dan draagt de aanleg van educatieve wandelroutes relatief gezien het meest bij. De drie fasen van Triple-O Als eerste stap wordt geïnventariseerd en gewogen wat voor de betrokken partijen de bestaande en gewenste kwaliteiten van een gebied zijn ('Ontdekken'). Voor het LBSP zijn deze partijen de gemeente Leiden, de Universiteit Leiden (UL), het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC), NCB/Naturalis, het Waterschap en de gezamenlijke biotechnologiebedrijven. Zij vonden de kwaliteit 'lerende omgeving' en de daaraan te koppelen ecosysteemdienst 'voorzien in esthetiek en inspiratie' het belangrijkst. Vervolgens brengen de partijen de mogelijkheden met elkaar in verband en ontwikkelen zij een gezamenlijke visie voor de gebiedsontwikkeling ('Overeenkomen'). Zo ontstond de wens dat het park voor de verschillende doelgroepen bijdragen levert aan de kwaliteit van de omgeving, als leeromgeving en recreatielocatie, en aan de wateropgaven (kwaliteit en kwantiteit). Ten slotte worden plannen gemaakt voor uitvoering en financiering door de rendementen van het natuurlijke systeem voor alle betrokkenen in beeld te brengen ('Ontwikkelen').
    • Ecosysteemdiensten van grondwater en ondergrond : Beschrijvingen en relaties met activiteiten en maatregelen

      Vermooten S; Lijzen JPA; DDB; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMDeltares, 2015-06-05)
      De mens maakt steeds meer gebruik van de 'diensten' die het grondwater en de ondergrond (onder het maaiveld) leveren. Voorbeelden van deze zogeheten ecosysteemdiensten zijn de beschikbaarheid van water voor drinkwaterproductie, de opslag van energie en het reinigend vermogen van de ondergrond. De kennis van deze ecosysteemdiensten is belangrijk voor publieke en private partijen om de waarde van het grondwater en de ondergrond beter te bepalen, wat eraan kan bijdragen dat afwegingen over maatregelen en inrichting van gebieden beter kunnen worden gemaakt. In 2013 is een concept opgesteld voor een afwegingskader voor het gebruik van het grondwater en de ondergrond. Er is een inventarisatie en beschrijving gemaakt van activiteiten en van ecosysteemdiensten van het grondwater en de ondergrond. Voor het eerst is weergegeven hoe activiteiten van de mens en ecosysteemdiensten van het grondwater en de ondergrond elkaar beïnvloeden. In dit vervolg zijn de ecosysteemdiensten van grondwater en ondergrond uitgebreider gedefinieerd en uitgewerkt; kwalitatief en zo mogelijk kwantitatief. Er is duidelijk gemaakt welke voorwaarden een ecosysteem stelt om duurzaam een ecosysteemdienst te kunnen leveren, hoe de ecosysteemdienst wordt beïnvloed, maar ook welke beleidsopgaven er mogelijk volgen uit die voorwaarden. Er zijn elf ecosysteemdiensten. Ze zijn onverdeeld in productie-, regulerende en culturele diensten. De twee productiediensten zijn beschikbaarheid van voldoende water van een bepaalde kwaliteit en energie. De zeven regulerende diensten zijn: reinigend vermogen van de ondergrond, draagkracht, bergingscapaciteit, de rol van de ondergrond en grondwater in biochemische cycli, temperatuurregulatie, voorzien in watervoerendheid en waterkwaliteit oppervlaktewater, en voeding van grondwaterafhankelijke natuur. De twee culturele diensten betreffen belevings- en cultuurhistorische waarden, en de biodiversiteit.
    • Ecosysteemgerichte risicobeoordeling van stoffen. Eindrapport Ecosysteemrendement

      Traas TP; Klijn F; Aldenberg T; LWD/CML (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiene (RIVM)Centrum voor milieukunde Leiden (CML), 1995-08-31)
      Dit rapport is een afsluiting van het project Ecosysteemrendement. Doel van dit project is de ontwikkeling van een onderzoeksinstrument om prioriteiten te kunnen stellen in het gebiedsgerichte stoffenbeleid door het berekenen van effecten op ecosystemen als gevolg van stoffenbelasting. Het onderzoeksinstrument bestaat uit twee hoofdonderdelen: ecosysteemclassificaties en een risico-georienteerde voorspellingsmethodiek. Bij de classificatie van ecosysteemeenheden bleek de onderbouwing vanuit empirische onderzoeksgegevens tijdrovend, zodat de indeling vooral het kwantificeren van allerlei proceskenmerken en bijbehorende voedselwebstructuren behoeft. Het grootste knelpunt bij het berekenen van natuurwinst en -verlies blijkt het ontbreken van dosis-effectrelaties van "voldoende" stoffen op "voldoende" biotische compartimenten. Voor de meeste stoffen zal een gebiedsgerichte risico-analyse de kans berekenen op overschrijding van bestaande normen en/of grenswaarden in zowel het abiotisch milieu als in het voedselweb.
    • Ecosysteemgerichte risicobeoordeling van stoffen. Eindrapport Ecosysteemrendement

      Traas TP; Klijn F; Aldenberg T; Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiene (RIVM), Centrum voor milieukunde Leiden (CML); LWD/CML (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-08-31)
      This is the final report of the project 'Ecosysteemrendement'. The goal of the project was the development of an instrument for risk assessment of toxic chemicals, by comparing calculated ecological risks. The instrument consists of two parts: ecosystem classification and a risk-based ecosystem model. The underpinning of the ecological classification was time consuming and needs further quantification of processes and food web structures. The main problem in calculating ecosystem effects proved to be a lack of appropriate dose-response relationships. A regional risk assessment for most toxicants will result in calculated probabilities at exceeding environmental quality criteria or toxicological limit values in both the exposure media (soil, water, sediment) and the food web.
    • Ecosystem Vulnerability and Climate Protection Goals

      Leemans R; Hootsmans R; MNV (1999-02-02)
      Dit rapport verschaft achtergrondinformatie voor en resulterende informatie van de workshop 'Ecosystem Vulnerability and Climate Protection Goals'. Doel van deze workshop was om beleidsmakers te voorzien van een voorlopige synthese van de huidige ecologische inzichten in de dynamiek van klimaatseffecten en om adequate indicatoren te definiren voor klimaatsbeleid. De noodzaak voor zulke informatie kwam naar voren tijdens een reeks workshops waarin wetenschappers van het IMAGE-team en FCCC-gedelegeerden discussieerden over the IMAGE 2 scenarioAs en resultaten om de klimaatsonderhandelingen te ondersteunen. De discussies leidden tot de ontwikkeling van de zogenaamde 'safe-landing' analyse waarin korte termijn emissiecorridors via een reeks klimaatsindicatoren gekoppeld worden aan lange termijn klimaatsbeleid. De in dit rapport beschreven workshop behandelt de geschiktheid van de alom gebruikte indicatoren en doet een serieuze poging om ze te koppelen aan regionale effecten op ecosystemen en landbouwsystemen. Het rapport presenteert tevens een kort en onvolledig overzicht van de huidige kennis omtrent klimaatseffecten op ecosystemen en landbouw. Dit overzicht is gebaseerd op de Second Assessment Report van de IPCC, maar maakt ook gebruik van nieuwe inzichten. Naast de belangrijkste IPCC-conclusie dat klimaatsverandering een belangrijke, additionele druk zal vormen op vele systemen, concluderen we dat het klimaat en daarbijbehorende CO2-concentraties een veel grotere rol spelen in de definitie en benvloeding van ecologische processen dan tot nu toe werd aangenomen. Dit betekent ook dat ecosystemen veel gevoeliger zijn voor klimaatsverandering. Dit is recentelijk aangetoond voor boreale gebieden met behulp van een remote sensing benadering. Kleine temperatuursveranderingen leiden tot een onevenredige toename in de lengte van het groeiseizoen, zoveel dat de effecten al waargenomen kunnen worden in seizoensaspecten van de mondiale koolstofcyclus. Aanvullende, snelle veranderingen in het klimaat zullen zodoende ecosystemen veranderen. Grootschalige reacties van soorten en ecosystemen worden echter niet verwacht. Het zal eerder leiden tot een toenemend uitsterven van soorten, met een negatieve invloed op biodiversiteit. Zeespiegelstijging leidt, bijvoorbeeld, tot het verlies van habitats in kustgebieden, terwijl hoog gelegen gebieden soorten kwijtraken die op de grootste hoogte voorkomen. Het is helaas nog altijd moeilijk om een uitgebreide synthese te maken van regionale effecten in de toekomst, vanwege de complexiteit en de beperkte beschikbaarheid van basisgegevens en -studies met voldoende resolutie over de reikwijdten van soorten en hun reacties op een regionale schaal.Scenario's van broeikasgasemissies en klimaatsverandering worden gepresenteerd aan de hand van het IMAGE 2 model. Dit model simuleert de veranderende emissies vanuit energie en landgebruik, en berekent de opbouw van atmosferische broeikasgassen en daaruit voortkomende regionale klimaatsverandering en -effecten. Indicatoren die relevant zijn voor verschillende sectoren (zeespiegelstijging, ecosystemen, gewasopbrengsten) worden gepresenteerd. Zowel positieve als negatieve effecten kunnen voorkomen, maar de patronen van deze effecten kunnen van gebied tot gebied verschillen. Sommige effecten van klimaatsverandering op planten worden uitgedrukt in toenemende atmosferische CO2 concentraties. Het verlagen van de mondiaal gemiddelde temperatuur door het verlagen van emissies kan algemeen gesproken leiden tot lagere regionale en locale risico's op schade. Regionale effecten kunnen echter niet compleet uitgeschakeld worden.Als gevolg van de beperktheid van mondiale klimaatsindicatoren zoals de gemiddelde jaarlijkse temperatuurstijging, hebben we verschillende benaderingen beschouwd waarmee 'significant verschillende' toekomstige klimaten kunnen worden gevalueerd. Deze nieuwe indicatoren hebben betrekking op het overschrijden van het huidige temperatuursbereik en verschillende aspecten van het groeiseizoen, zoals bepaald door vochtbeschikbaarheid en geschikte temperatuur voor plantengroei. Ruimtelijke en seizoensafhankelijke patronen van de indicatoren worden getoond en het kan geconcludeerd worden dat deze indicatoren aantrekkelijk zijn om verschillen te visualiseren die aanwezig zijn in toekomstige klimaten. Het is helaas nog moeilijk om de 'overschrijdingsindicator' direct te koppelen aan de kwetsbaarheid en het herstellingsvermogen van ecosystemen en deze indicator is daarom minder geschikt om effecten op ecosystemen en landbouw te schatten. Het is echter wel een indicator die in staat is om mensen die minder bekend zijn met het feit dat het toekomstige klimaat anders zal zijn op de hoogte te brengen van de ernst van klimaatsverandering.De consensus die op de workshop ontstond, versterkte het belang van een 'rate of change' indicator. Hierbij dient opgemerkt te worden dat een dergelijke indicator niet onafhankelijk is van de uiteindelijke (absolute) grootte van de verandering, maar het stelt grenzen aan het pad dat moet leiden tot die uiteindelijke grootte. Ecologisch gezien is de definitie van zo'n pad belangrijk, omdat het direct gekoppeld is aan de aanpassingsmogelijkheden van ecosystemen. De algemeen als 'veilig' geaccepteerde waarde van 0.1oC toename in mondiaal gemiddelde temperatuur per decennium gedurende langere tijd wordt gezien als de uiterste bovengrens, aangezien in veel kwetsbare gebieden, zoals boreale ecosystemen, de temperatuursverandering veel hoger kan blijken te zijn. Palaeo-ecologische kennis suggereert dat een effectieve aanpassing alleen voor kan komen bij lagere temperatuursveranderingen of over een veel langere tijd dan decennia
    • Ecotoxicity of toxicant mixtures in soils. Recommendations for application in the Dutch regulatory context, as derived from a scientific review on approaches, models and data.

      Mesman M; Posthuma L; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-07-24)
      This report proposes an approach to address the ecotoxicological risks of mixtures in soils that can be applied in the context of various practical risk assessment problems. The approach is derived from an evaluation of recent scientific developments and validation studies. An explicit distinction is made between the possibilities to interpret experimental data on mixture effects in detail and the extrapolation of these findings to the field of risk assessment. The proposed approach consists of three steps, through which environmental, toxicological and ecological interactions are addressed separately. In the first step exposure is addressed. In the second step, a toxicological 'mixed-model' approach is applied. That is: the total toxic pressure of groups of compounds with the same toxic mode of action is predicted by assuming concentration additivity for the biologically active fractions within such groups, while the overall risks over all such groups and remaining compounds (with a unique toxic mode of action in such a mixture) is predicted by assuming response addition for the biologically active fractions. Third, ecological interactions need to be addressed. However, concerning the last step, theory development is weak, and data are hardly available - if at all. Options for implementation of the proposed approach in risk assessment practice are discussed, by listing advantages and disadvantages of implementing the proposed approach.
    • Ecotoxicity of toxicant mixtures in soils. Recommendations for application in the Dutch regulatory context, as derived from a scientific review on approaches, models and data.

      Mesman M; Posthuma L; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-07-24)
      In dit rapport wordt een methode voorgesteld om de ecotoxicologische risico's van mengsels in de bodem te beoordelen voor diverse risicobeoordelingssituaties. De methode is afgeleid uit een evaluatie van recente wetenschappelijke ontwikkelingen en validatiestudies. Een expliciet onderscheid wordt gemaakt tussen de mogelijkheden om experimentele resulaten van mengseleffecten in detail te interpreteren en de extrapolatie van deze resulaten naar het veld van risicobeoordeling. De methode bestaat uit drie stappen, waarbij milieu-chemische, toxicologische en ecologische interacties apart behandeld worden. In de eerste stap wordt blootstelling behandeld. In de tweede stap wordt de "mixed-model approach" toegepast. Hierbij wordt de toxische druk van groepen van stoffen met hetzelfde werkingsmechanisme voorspeld door concentratie addititie aan te nemen voor de biologische actieve fracties binnen deze groepen, terwijl de algehele risico's over deze groepen en de overgebleven groepen (met een uniek werkingsmechanisme in het mengsel) voorspeld wordt door response addititie aan te nemen voor de biologische actieve fracties. De derde stap is het inschatten van de ecologische interacties. Voor deze laatste stap is de theoretische onderbouwing echter zwak en zijn er nauwelijks -tot geen- gegevens voorhanden. Mogelijkheden voor het toepassen van de voorgestelde methode in de risicobeoordelingspraktijk worden bediscussieerd door de voor- en nadelen op te sommen voor de diverse risicobeoordelingssituaties.<br>
    • Ecotoxicological Hazard Assessment of Genotoxic Substances

      Roex EWM; Traas TP; Slooff W; CSR (2001-10-11)
      De huidige kennis over de ecologische relevantie van mutagene stoffen wordt beschreven. Mutaties kunnen worden verdeeld in somatische en kiemcelmutaties. De huidige screeningsmethoden binnen de genotoxicologie hebben bescherming van de mens als doel, met als gevolg dat somatische mutaties het belangrijkst zijn. In het veld zijn somatische mutaties echter alleen een gevaar voor soorten met een lage reproductieve capaciteit. Deze soorten worden verwacht beschermd te worden met de huidige testen. Kiemcelmutaties lijken in dit verband relevanter, maar screening voor deze mutaties vindt niet of nauwelijks plaats. Waarschijnlik is de frequentie van deze mutaties veel lager dan die voor somatische mutaties. Kiemcelmutaties kunnen worden verdeeld in letale en niet-letale mutaties. Alleen niet-letale mutaties vormen een risico, daar zij zich in de populatie kunnen vestigen. Echter alleen als zij de fitness van het fenotype verminderen, vormen zij een reeel risico. De huidige screeningsmethoden voor somatische mutaties worden verondersteld ook te beschermen tegen overerfbare effecten. Er kan dus geconcludeerd worden dat de huidige testen waarschijnlijk als een redelijk basis dienen voor de bescherming tegen mutagene testen.
    • Ecotoxicological Hazard Assessment of Genotoxic Substances

      Roex EWM; Traas TP; Slooff W; CSR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-10-11)
      The current knowledge about the ecological relevance of mutagenic substances is described. Mutations can be divided in somatic and germ-line mutations. Current screening methods in genotoxicology are focussed on the protection of man, and therefore somatic mutations are the most crucial. In the field, these mutations are only a hazard for natural populations of species with a low reproductive output. These species are supposed to be protected by the current screening methods. Germ-line mutations seem to be more relevant for natural populations, but screening on these mutations does not take place in the regular testing of substances. However, the frequency of germ-line mutations is probably much lower. Germ-line mutations can be divided between non-lethal and lethal mutations. Lethal mutations do not pose a risk, as they disappear in the next generation. Non-lethal mutations only pose a risk when genes are affected that influence the fitness of the phenotype negatively. However, the current screening methods for somatic mutations are supposed to act as a safeguard for heritable effects. It is concluded that the methods in the regular hazard assessment of substances likely provide a base for protecting natural populations against mutagenic substances.
    • Ecotoxicological models for Dutch environmental policy - Models to be addressed in the Stimulation Program System-Oriented Ecotoxicological Research (NWO/SSEO)

      Posthuma L; Klok C; Vijver MG; Brink P van den; Ende FP van den; Traas TP; Hendriks AJ; Alterra; RIZA; Radbout Universiteit Nijmegen; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-02-14)
      Ministries have each their own models to assess risks of chemicals. This report gives an overview of models used in environmental policy to asses risks on ecosystems. Nowadays, many locations deal with contamination that exceeds the risk limits. It therefore becomes crucial for environmental policy to determine real ecological risks of diffuse and chronic stress caused by single contaminants and by mixtures thereof. Effects of diffuse, chronic stressors are difficult to identify in the field. These issues triggered the development of the Stimulation Program Systems-Oriented Ecotoxicological Research (SSEO). Within the SSEO program, data are collected from diffuse and chronic contaminated fields. These data will be used in the next research phase to validate the eco(toxico)logical models used for policy formulation. The validation of models gives insight on the fact if policy measures should be (partially) intensified or relaxed for reaching the environmental policy targets.
    • Ecotoxicological models for Dutch environmental policy - Models to be addressed in the Stimulation Program System-Oriented Ecotoxicological Research (NWO/SSEO)

      Posthuma L; Klok C; Vijver MG; ten Brink P; van den Ende FP; Traas TP; Hendriks AJ; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMAlterraRIZARadbout Universiteit Nijmegen, 2006-02-14)
      Elk ministerie heeft zijn eigen modellen voor inschatting van risico's van stoffen. Dit rapport bevat een selectie van modellen die gebruikt worden om risico's voor planten en dieren te schatten. De resultaten van veldmetingen worden vergeleken met normen. De laatste tijd is het aantal gevallen waarin milieunormen worden overschreden gegroeid. De volgende vragen moeten worden beantwoord: Hoe erg is normoverschrijding? Zijn de normen streng genoeg, om effecten van mengsels van stoffen te voorkomen? Het aantonen van effecten veroorzaakt door mengels van verontreinigingen is moeilijk. Daarom is een onderzoeksprogramma opgezet: "Stimulerings-programma Systeemgericht Ecotoxicologisch Onderzoek" (SSEO). In het SSEO programma zijn metingen verzameld op plaatsen met langdurige verontreinigingen met mengsels van stoffen in lage concentraties. De gemeten concentraties zullen in de volgende onderzoeksfase worden gebruikt om de toepasbaarheid van de modellen te onderzoeken. Er wordt nagegaan, of het beleid gelijk kan blijven of veranderd moet worden om de gestelde beleidsdoelstellingen kunnen halen.
    • Ecotoxicological Serious Risk Concentrations for soil, sediment and (ground)water: updated proposals for first series of compounds

      Verbruggen EMJ; Posthumus R; Wezel AP van; CSR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-08-01)
      The Intervention Value for soil and groundwater is based on the integration of a separately derived human toxicological Serious Risk Concentration or SRChuman as well as an ecotoxicological Serious Risk Concentration or SRCeco. This report presents proposals for updated SRCseco for the first series of compounds. For substances for which MPCs/NCs have been derived between 1990 and now, the same data are used to derive the SRCeco. Together with the derivation of the SRCeco, also a new MPC is derived, according the most recent guidelines as summarised in this report. The information in this report is used in the technical evaluation of Intervention Values for soil, sediment and groundwater, RIVM report 711701 023.
    • Ecotoxicological Serious Risk Concentrations for soil, sediment and (ground)water: updated proposals for first series of compounds. Annex

      Posthumus R; Verbruggen EMJ; CSR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-08-01)
      This annex is supplementary to RIVM report 711701020, 'Ecotoxicological Serious Risk Concentrations for soil, sediment and (ground)water: updated proposals for first series of compounds' (E.M.J. Verbruggen, R. Posthumus and A.P. van Wezel). For the compounds considered in this report, which were not yet evaluated in the context of the project 'Setting Integrated Environmental Quality Standards', new toxicity data have been searched for. Further, additional toxicity data were collected for chlorophenols. These toxicity data are incorporated in this annex. The data are single species toxicity data for terrestrial and aquatic organisms and effect data on terrestrial processes. All toxicity data on aquatic and terrestrial organisms refer to effects that may affect the species at the population level.
    • Ecotoxicological Serious Risk Concentrations for soil, sediment and (ground)water: updated proposals for first series of compounds

      Verbruggen EMJ; Posthumus R; van Wezel AP; CSR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-08-01)
      De Interventiewaarde voor bodem, sediment en grondwater is gebaseerd op een integratie van onafhankelijk afgeleide humaan toxicologische Ernstig Risico Concentraties of SRChuman en ecotoxicologische Ernstig Risico Concentraties of SRCeco. Dit rapport presenteert voorstellen voor herziene SRCeco voor de eerste serie stoffen. Voor stoffen, waarvoor MTRs/VRs zijn afgeleid tussen 1990 en nu, zijn dezelfde gegevens gebruikt om de SRCeco af te leiden. Samen met de afleiding van de SRCeco is ook een nieuwe MTR waarde afgeleid, in overeenstemming met de meest recente richtlijnen, zoals samengevat in dit rapport. De informatie in dit rapport wordt gebruikt in de technische evaluatie van de Interventiewaarden voorbodem, sediment en grondwater, RIVM rapport 711701 023.<br>
    • Ecotoxicological Serious Risk Concentrations for soil, sediment and (ground)water: updated proposals for first series of compounds. Annex

      Posthumus R; Verbruggen EMJ; CSR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-08-01)
      This annex is supplementary to RIVM report 711701020, 'Ecotoxicological Serious Risk Concentrations for soil, sediment and (ground)water: updated proposals for first series of compounds' (E.M.J. Verbruggen, R. Posthumus and A.P. van Wezel). For the compounds considered in this report, which were not yet evaluated in the context of the project 'Setting Integrated Environmental Quality Standards', new toxicity data have been searched for. Further, additional toxicity data were collected for chlorophenols. These toxicity data are incorporated in this annex. The data are single species toxicity data for terrestrial and aquatic organisms and effect data on terrestrial processes. All toxicity data on aquatic and terrestrial organisms refer to effects that may affect the species at the population level.<br>
    • Ecotoxicological serious soil contamination concentrations: Fourth series of compounds

      Posthumus R; Crommentuijn T; Plassche EJ van de; CSR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-03-31)
      The Intervention Value for soil and groundwater is based on the integration of a separately derived human toxicological serious soil contamination concentration or HUM-TOX SCC as well as an ecotoxicological serious soil contamination concentration or ECOTOX SCC. Availability of data was scarce for all of the considered substances. For none of the substances considered enough terrestrial data were available to derive an HC50 for terrestrial species as well an HC50 for processes. Only for the monochloroanilines and dichloroanilines the ECOTOX SCC is based on a limited amount of terrestrial data resulting in a value with a moderate reliability. For all the other substances the ECOTOX SCC is based on aquatic data and applying equilibrium partitioning resulting in a value with low reliability. For some of the substances considered QSARs were used to derive the aquatic HC50: 1,1,2-trichloroethane, 1,1-dichloroethene, dichloropropanes, ethylacetate, butylacetate and tribromomethane.
    • Ecotoxicological serious soil contamination concentrations: Fourth series of compounds

      Posthumus R; Crommentuijn T; van de Plassche EJ; CSR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-03-31)
      De interventiewaarde voor bodem en grondwater is gebaseerd op de integratie van een humaan toxicologisch ernstige bodem verontreinigingsconcentratie of HUM-TOX EBVC en ecotoxicologische ernstige bodemverontreiningsconcentratie of ECOTOX EBVC. In dit rapport zijn voorstellen voor ECOTOX EBVC's gedaan voor de zogenaamde 4e serie stoffen. De data beschikbaarheid was laag voor alle in dit rapport opgenomen stoffen. Voor geen van de stoffen was het mogelijk om een HC50 voor zowel terrestrische soorten als processen af te leiden. Alleen voor de monochlooranilines en dichlooranilines is de ECOTOX SCC gebaseerd op een beperkte set terrestrische data, resulterend in een waarde met een matige betrouwbaarheid. Voor alle andere stoffen is de ECOTOX SCC gebaseerd op aquatische data en het toepassen van de equilibrium partitie methode resulterend in een waarde met lage betrouwbaarheid. Voor sommige stoffen zijn aquatische data geschat met behulp van QSARs: 1,1,2-trichloroethane, 1,1-dichloroethene, dichloorpropanen, ethylacetaat, butylacetaat en tribroommethaan.<br>
    • Ecotoxicologically based environmental risk limits for several volatile aliphatic hydrocarbons

      de Jong FMW; Posthuma-Doodeman CJAM; Verbruggen EMJ; SEC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-09-27)
      In dit rapport worden ecotoxicologische milieurisicogrenzen voor een aantal vluchtige organische verbindingen afgeleid. Op basis van geevalueerde literatuurgegevens doet het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) voorstellen voor ecotoxicologische milieurisicogrenzen voor deze stoffen in water, bodem, sediment en lucht. De voorgestelde milieurisicogrenzen vormen de wetenschappelijke basis voor milieukwaliteitsnormen die worden vastgesteld door de interdepartementale Stuurgroep Stoffen. Er worden drie niveaus onderscheiden: een Verwaarloosbaar Risiconiveau (VR); een niveau waarbij geen schadelijke effecten zijn te verwachten (Maximaal Toelaatbaar Risiconiveau; MTR) en een niveau waarbij mogelijk ernstige effecten zijn te verwachten (Ernstig Risiconiveau; EReco). De milieukwaliteitsnormen spelen een belangrijke rol bij de uitvoering van het nationale stoffenbeleid. De stoffen waarvoor in dit rapport gegevens zijn samengebracht, zijn: acrylonitril, ethyleen, ethyleenoxide, dichloormethaan, trichloormethaan, tetrachloormethaan, 1,1-dichloorethaan, 1,2-dichloorethaan, 1,1,1-trichloorethaan, 1,1,2-trichloorethaan, 1,1,2,2-tetrachloorethaan, pentachloorethaan, hexachloorethaan, 1,2-dichloorpropaan, 1,3-dichloorpropaan, chloorethyleen, 1,1-dichloorethyleen, 1,2-dichloorethyleen (trans- en cis-1,2-dichloorethyleen), trichloorethyleen, tetrachloorethyleen, 3-chloorpropeen, 1,3-dichloorpropeen (trans- en cis-1,3-dichloorpropeen), 2,3-dichloorpropeen, chloropreen en hexachloorbutadieen. Voor acht stoffen zijn de milieurisicogrenzen afgeleid op basis van beschikbare EU-documenten, opgesteld in het kader van de Bestaande Stoffen Verordening of de Kaderrichtlijn Water (acrylonitril, dichloormethaan, trichloormethaan, tetrachloormethaan, 1,2-dichloorethaan, trichloorethyleen, tetrachloorethyleen en hexachloorbutadieen). Voor vier stoffen zijn te weinig betrouwbare gegevens beschikbaar om milieurisicogrenzen af te kunnen leiden (ethyleen, 1,1-dichloorethaan, chloorethyleen en 2,3-dichloorpropeen). In dit onderzoek is voor een stof, hexachloorbutadieen, gebleken dat de gemeten concentratie in Nederlands oppervlaktewater eenmalig hoger uitkwam dan het MTR.
    • Ecotoxicologische evaluatie van bestrijdingsmiddelen in grondwater

      Notenboom J; Gestel CAM van; Linders JBHJ (1992-02-29)
      Abstract niet beschikbaar