• Exposure assessment of food additives with use levels provided by industry : A pilot study

      Wapperom D; van Donkersgoed G; Koopman N; Niekerk EM; van Rossum CTM; van Klaveren JD; Bakker MI; SIR; vgc (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-05-15)
      Door gebruik te maken van door de voedingsindustrie aangeleverde gegevens kan de blootstelling aan kleurstoffen nauwkeuriger worden geschat. Het RIVM concludeert dit na een pilotstudy waarin de blootstelling van Nederlandse kinderen aan twee kleurstoffen geschat wordt met behulp van door fabrikanten opgegeven gebruikte hoeveelheden in voedingsproducten. De aanleiding voor deze studie was dat blootstelling aan additieven vaak wordt overschat. Voorheen werden voor de schatting van inname van additieven vaak de maximaal toegestane hoeveelheden voor een product gebruikt, die meestal hoger zijn dan de door de fabrikanten gebruikte hoeveelheden. Daarnaast was vaak een uitgangspunt dat deze hoeveelheden voor de gehele voedselcategorie (zoals alle soepen) gelden, in plaats van voor bepaalde typen producten (zoals tomatensoep). In het huidige onderzoek zijn de specifieke gegevens van de producttypen gebruikt. De nieuwe data van de hoeveelheden kleurstoffen zijn vervolgens gekoppeld aan de mate waarin mensen kleurstofbevattende producten consumeren. Deze laatste gegevens zijn ontleend aan de consumptiedata uit de Voedselconsumptiepeiling onder jonge kinderen (2005/2006). Met deze methode worden de blootstellingschattingen naar verwachting lager en realistischer. Dit onderzoek is in samenwerking met de industrie uitgevoerd op initiatief van de Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie (FNLI) en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Hiervoor heeft de industrie data aangeleverd van het gebruik van de kleurstoffen E120 (karmijnrood) en E133 (briljantblauw) in voedselproducten. Deze data blijken geschikt te zijn om de blootstelling te monitoren, op voorwaarde dat ze de in Nederland veel geconsumeerde voedselproducten goed vertegenwoordigen. Daarnaast is een goede communicatie tussen het RIVM en de industrie belangrijk om eventuele onduidelijkheden in de verkregen data op te helderen. De methode lijkt bruikbaar om uiteenlopende additieven te kunnen monitoren en kan in principe door alle Europese lidstaten worden gebruikt. Dit onderzoek is uitgevoerd in een publiek-private samenwerking.
    • Exposure assessment of the food additive titanium dioxide (E 171) based on use levels provided by the industry

      Sprong C; Bakker M; Niekerk M; Vennemann M; VVH; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-03-03)
      Titaniumdioxide (E 171) is een kleurstof die gebruikt wordt om voedingsmiddelen als snoep, sauzen en decoraties van banketwaren, toetjes of ijs (zoals glazuur, fondant of pareltjes) een witte kleur te geven. Het RIVM heeft op basis van de meest recente inzichten berekend aan hoeveel milligram per kilo lichaamsgewicht mensen gemiddeld door de jaren heen blootstaan. Er bestaat geen maximum voor de inname van deze kleurstof. <br> <br>Bij verschillende leeftijdsgroepen is de inname berekend. Mensen van 70 jaar en ouder worden door de jaren heen per dag aan gemiddeld 0,5 milligram per kilo lichaamsgewicht blootgesteld (met een bovenste limiet van 1,1 mg/kg lichaamsgewicht per dag). Bij mensen tussen 7 en 69 jaar is dat ietsje hoger (0,7; bovenste limiet 1,3). Voor kinderen van 2 tot en met 6 jaar is de inname het hoogst doordat zij in verhouding meer binnenkrijgen per kilo lichaamsgewicht: 1,4 milligram per kilo lichaamsgewicht per dag voor kinderen (met als bovenste limiet 3,2 mg/kg lichaamsgewicht per dag). Afhankelijk van de leeftijdsgroep is de hoogste blootstelling een factor 3 tot 4 hoger. Mensen krijgen de kleurstof vooral binnen via (gedecoreerde) banketwaren, toetjes en sauzen.<br> <br>De resultaten zijn gebaseerd op informatie die de industrie heeft aangeleverd over de voedingsmiddelen waarin zij E 171 gebruiken en de hoeveelheid kleurstof die daarin wordt verwerkt. De werkelijke inname is waarschijnlijk wat lager doordat onder meer een bredere range aan producten is meegeteld in de innameberekening (bijvoorbeeld alle cakes in plaats van alleen cake met een wit laagje) dan uitsluitend die producten waar de kleurstof daadwerkelijk aan is toegevoegd. Dit is gedaan omdat gegevens over de consumptie van wit-gekleurde producten ontbreken. De blootstellingschattingen kunnen verder worden verfijnd door de schattingen te preciseren.<br> <br>De studie is uitgevoerd op initiatief van het ministerie van Volksgezondheid, VWS en de Federatie van de Nederlandse Levensmiddelenindustrie (FNLI).<br>
    • Exposure informed testing under REACH

      Vermeire TG; Bakker J; Bessems JGM; van de Bovenkamp M; Dang Z; van Engelen JGM; Gunnarsdottir S; Hagens WI; Links I; Marquart H; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNO, 2008-09-26)
      De mate waarin mensen blootstaan aan chemicalien kan het aantal testen met proefdieren beinvloeden dat nodig is om de veiligheid van een stof te beoordelen. Dit betekent dat bepaalde onderzoeken niet nodig zijn als mensen of organismen in het milieu niet of nauwelijks aan een stof staan blootgesteld (Exposure Based Waiving, EBW). Hierdoor zijn minder proefdieren nodig. Bij relatief hoge blootstellingen kunnen juist extra testen met proefdieren nodig zijn (Exposure Based Triggering, EBT). Goede kennis van deze blootstelling via modellering of meting is hiervoor onontbeerlijk, zowel voor EBW als EBT. Dit geldt voor alle relevante stadia in de levenscyclus van een stof, van productie tot de afvalfase. Alleen dan kan gezegd worden of een blootstelling niet of juist wel relevant is. Het gaat om blootstelling van de mens, direct via consumentenproducten of op de werkplek of indirect via het milieu, en om blootstelling van organismen in het milieu. Het RIVM en TNO hebben onderzocht hoe dit onderdeel van teststrategieen kan worden aangewend om proefdiergebruik te verminderen. Het rapport is een deelproduct van het Europese Zesde Kaderproject OSIRIS (Optimized Strategies for Risk Assessment of Industrial Chemicals through Integration of Non-Test and Test Information). Doel van dit project is om teststrategieen te ontwikkelen voor toepassing onder REACH die het proefdiergebruik kunnen verminderen. De nieuwe Europese Verordening voor registratie, beoordeling, autorisatie en beperkingen voor chemische stoffen (REACH) verplicht de industrie om een registratiedossier voor haar stoffen in te dienen. De verplichte testen zijn in REACH vastgelegd en afhankelijk van de hoeveelheid stof die op de markt komt. Onder bepaalde voorwaarden, zoals de mate van blootstelling, kan hiervan worden afgeweken.
    • Exposure to and toxicity of methyl-, ethyl- and propylparaben : A literature review with a focus on endocrine-disrupting properties

      Brand W; Boon PE; Hessel EVS; Meesters JAJ; Weda M; Schuur AG; CPV; M&amp;V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-03-21)
      Parabenen zijn stoffen die als conserveermiddel in verschillende consumentenproducten kunnen worden gebruikt, zoals persoonlijke verzorgingsproducten, voedsel en medicijnen. Ze gaan de groei van schimmels en bacteriën tegen. Parabenen worden er van verdacht dat ze een hormoonverstorende werking hebben. Hormoonverstorende stoffen kunnen de hormoonhuishouding in de war brengen. <br> <br>Het RIVM heeft in een literatuurstudie voor de drie meest gebruikte parabenen (methyl-, ethyl- en propylparabeen) onderzocht of deze als een hormoonverstorende stof beschouwd kunnen worden. De beschikbare gegevens uit dierstudies die in de literatuur zijn beschreven, leveren echter onvoldoende informatie om hierover een conclusie te trekken. In de studie is ook bekeken of de mogelijke hormoonverstorende effecten zijn meegenomen in de wettelijke beoordelingskaders die van toepassing zijn. Omdat er onvoldoende gegevens zijn, is dat niet het geval bij de huidige risicobeoordeling. <br> <br>De blootstelling door persoonlijke verzorgingsproducten is behoorlijk goed onderzocht en lijkt in het algemeen het meest aan de totale blootstelling bij te dragen. De blootstelling vanuit voedsel blijkt verwaarloosbaar. Voor een acceptabele, eerste schatting van de blootstelling vanuit medicijnen is te weinig informatie beschikbaar. Uit de studie blijkt verder dat de mate waarin mensen aan de afzonderlijke parabenen worden blootgesteld naar schatting lager lijkt te zijn dan de hoeveelheid waarbij een gezondheidseffect kan worden verwacht. Voor deze blootstellingsschattingen zijn veiligheidshalve zeer ongunstige aannames gebruikt. In de praktijk worden mensen echter aan een combinatie van verschillende stoffen blootgesteld. Het is nog onduidelijk of en hoe deze gecombineerde blootstelling aan de verschillende parabenen meegenomen kan worden in de risicobeoordeling. <br> <br>Om hiaten in de kennis te vullen adviseert het RIVM om aanvullend onderzoek te doen naar de mogelijk hormoonverstorende werking van de parabenen en de blootstellingsschatting te verfijnen. Hiervoor worden aanbevelingen aangereikt. <br>
    • Exposure to chemicals via house dust

      Oomen AG; Janssen PJCM; Dusseldorp A; Noorlander CW; IMG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-04-24)
      Mensen worden via huisstof aan chemische stoffen blootgesteld. De meeste stoffen vormen op deze manier geen risico voor de gezondheid. Voor enkele stoffen wordt wel de gezondheidskundige norm overschreden waardoor er mogelijk sprake kan zijn van een risico voor de gezondheid. Dit geldt met name voor lood en di(2-ethylhexyl)ftalaat en in minder mate voor arseen, cadmium, polycyclische aromatische koolwaterstoffen en PBDE's (vlamvertragers). Deze stoffen komen op allerlei manieren terecht in huisstof, bijvoorbeeld door slijtage van producten, inloop van verontreinigde bodem, door stoffen die bij het koken vrijkomen of via de open haard. In opdracht van VROM-Inspectie heeft het RIVM een screening uitgevoerd van de risico's van verschillende chemische stoffen in huisstof (metalen, organotinverbindingen, ftalaten, gebromeerde vlamvertragers, bestrijdingsmiddelen, en polycyclische aromatische koolwaterstoffen). Huisstof wordt vooral ingenomen door contact van de hand of een voorwerp met de mond, wat vooral bij jonge kinderen veel voor komt. Daarnaast wordt een beperkte hoeveelheid huisstof ingeademd. De inname van huisstof is geschat voor kinderen en volwassenen. De blootstelling aan chemische stoffen via huisstof is berekend op basis van de hoeveelheid huisstof die mensen binnenkrijgen en concentraties van chemische stoffen daarin. Waar mogelijk is dat op de situatie in Nederland toegespitst. De blootstelling via huisstof is vergeleken met de norm voor wat dagelijks is toegestaan, en met de achtergrondblootstelling via voeding en water. De huidige bevindingen geven een overzicht van de stoffen in huisstof die de gezondheidskundige norm kunnen overschrijden, en waarvan de bijdrage van huisstof aan de totale blootstelling aanzienlijk is. Aanbevolen wordt de hier geidentificeerde stoffen te meten bij onderzoek naar het binnenmilieu.
    • Exposure to genotoxic carcinogens at young age: experimental studies to assess children's susceptibility to mutagenic effects of environmental chemicals

      Luijten M; Hernandez LG; Zwart EP; van Steeg H; Bos PMJ; van Benthem J; VTS; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-11-11)
      Jonge dieren lijken niet gevoeliger dan volwassen dieren voor schadelijke effecten van DNA-beschadigende stoffen Op heel jonge leeftijd kunnen proefdieren gevoeliger zijn voor de schadelijke effecten van chemische stoffen dan op volwassen leeftijd. Sommige stoffen veroorzaken in de jonge levensfase meer schade aan het DNA, maar dat is niet altijd het geval. Een hogere gevoeligheid op jonge leeftijd lijkt af te hangen van de manier waarop de stof het erfelijk materiaal beschadigt. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Chemische stoffen kunnen op verschillende manieren veranderingen aan het erfelijk materiaal veroorzaken. Normaal gesproken worden mogelijke schadelijke effecten van chemische stoffen in kaart gebracht door studies met volwassen proefdieren uit te voeren. Kinderen en volwassenen kunnen echter verschillen in de mate waarin ze gevoelig zijn voor chemische stoffen. Eerder was een hogere gevoeligheid voor schadelijke effecten bij jonge proefdieren waargenomen in onderzoek van het RIVM naar benzo[a]pyreen. Deze stof, die voorkomt in voeding, zoals gebraden vlees, en in tabaksrook en uitlaatgassen, geeft meer schadelijke effecten op jonge leeftijd dan op volwassen leeftijd. Nadien is dit effect getoetst voor drie andere stoffen. Bij stoffen die op een andere manier DNA beschadigen, heeft leeftijd veel minder invloed. Bij de risicobeoordeling van chemische stoffen zal per stof beoordeeld moeten worden of de standaard veiligheidsfactor voldoende is of aanpassing behoeft.
    • Exposure to nanomaterials in consumer products

      Wijnhoven SWP; Dekkers S; Hagens WI; de Jong WH; GBO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-09-04)
    • Exposure to PCDD/F's of Workers in the Electrofilter Ash Recycling Industry

      Derks HJGM; Liem AKD; Jong A de; Heisterkamp SH; LBO; LOC (1997-04-30)
      Bloedmonsters van 17 werknemers van fabrieken waarin electrofilteras afkomstig van afvalverbrandingsinstallaties wordt verwerkt in asfalt, werden onderzocht op PCDD/F's. Daarnaast werden monsters van employees, die in deze fabrieken werkten maar die niet in contact kwamen met elektrofilteras, onderzocht. Na afname werden de bloedmonsters opgewerkt en geanalyseerd met behulp van gecombineerde gaschromatografie-massaspectrometrie. Statistische analyse van de resultaten toonde aan dat in het algemeen de concentraties van PCDD/F's uitgedrukt in I-TEQ in het bloed van de blootgestelde werknemers niet hoger waren dan die van niet-blootgestelden en controlegroepen beschreven in de literatuur. Twee bloedmonsters vertoonden wel significant verhoogde concentraties, maar naar alle waarschijnlijkheid lag hieraan een analytisch artefact ten grondslag. Daarentegen waren de concentraties van de congeneer octachloor-dibenzo-p-dioxine in de monsters van de werknemers achtvoudig verhoogd ten opzichte van literatuurcontroles. Dit is een sterke aanwijzing voor additionele blootstelling van deze groep. Ook het gepoolde monster van de niet-blootgestelde employees vertoonde enigszins verhoogde OCDD-concentraties. Omdat er echter verschillende invloedsfactoren zijn die een dergelijke verhoging kunnen verklaren is het niet zeker dat dit wijst op additionele blootstelling van deze groep. Omdat OCDD een relatief lage toxiciteit bezit heeft de geconstateerde extra blootstelling geen consequenties voor de gezondheid van de werknemers.
    • Exposure to preformed N-nitroso compounds

      Ellen G (1988-10-31)
      Dit rapport geeft een overzicht van literatuurgegevens van ca. 1978-1988 over N-nitrosoverbindingen (NV) in voedsel, dranken en andere consumentenprodukten en media die bijdragen aan blootstelling van de mens aan NV. Een gemiddeld West-Europees dagelijks voedingspakket, inclusief dranken, bevat momenteel minder dan 0,5 mug vluchtige NV, waarschijnlijk ca. 0,1 mug. Een daling in de dagelijkse inname van vluchtige NV gedurende de laatste 10 jaar is vooral te danken aan veel lagere gehalten in bier en vleeswaren, welke produkten niettemin samen met vis en visprodukten nog steeds de belangrijkste bronnen van NV in het voedselpakket vormen. Andere bronnen van blootstelling zijn cosmetica, tabaksprodukten en arbeidsomstandigheden, vooral in de rubber- en metaalindustrie. Beroepsmatige dagelijkse blootstelling bereikt in de rubberindustrie (via inhalatie) waarden tot 150 mug en bij arbeiders in de metaalindustrie tot 40 mug. Het roken van 20 sigaretten veroorzaakt een blootstelling van 17-85 mug en gebruik van snuif- of pruimtabak kan leiden tot een dagelijkse blootstelling van meer dan 400 mug. Blootstelling aan niet-vluchtige NV kan nog steeds niet worden gekwantificeerd door het ontbreken van selectieve en gevoelige bepalingsmethoden.
    • An Exposure/Uptake Assessment Database for Consumer Products: Design and implementation

      Steentjes GM; Veen MP van; Bremmer HJ; LBO (1998-06-30)
      Om in staat te zijn standaardwaarden te gebruiken in de blootstellingsanalyse van consumentenproducten, werden consumentenproducten in een beperkt aantal categorien gerangschikt en werd een overzicht van de beschikbare gegevens gemaakt. Gegevens hierover werden in een eerder rapport gepubliceerd. Door gebruik te maken van een database worden gegevens toegankelijk voor computer applicaties. Dit rapport beschrijft het ontwerp en de opzet van een relationele database. De centrale entiteit in het gegevensmodel is het product. Het product is verbonden met de contact-, blootstellings- en opnamescenario's, zowel op een directe manier om specifieke data op te slaan, als indirect via de productcategorie, om standaardwaarden op te slaan. Het product is ook verbonden met entiteiten die informatie over het product bevatten, zoals de samenstelling, de producent en literatuurreferenties.
    • Extension of the OECD 414 rat teratogenicity protocol by increasing the duration of treatment and introduction of parameters of immunotoxicity: an exploratory study using diazepam as a model compound

      de Waal EJ; Piersma AH; van der Stappen AJ; Verhoef A; de Jong WH; van Loveren H; LGM; LEO; LPI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-02-28)
      Uitbreiding van een reproductietest volgens OECD richtlijn 414 werd op bruikbaarheid onderzocht door bij ratten een prenatale 'developmental' toxiciteitstest uit te voeren. Het standaard protocol werd op twee manieren aangepast. 1) De duur van de behandeling werd verlengd, zodat de nakomelingen ook gedurende het derde trimester van de dracht via het moederdier werden blootgesteld. 2) Parameters werden opgenomen die een indicatie zouden kunnen geven over mogelijke effecten op het immuunsysteem van de nakomelingen. Het experiment werd uitgevoerd met de benzodiazepine diazepam als modelstof. Uit een eerder gerapporteerde studie bleek dat deze verbinding de immuunrespons onderdrukt en verminderde weerstand geeft in de nakomelingen van ratten die tijdens het derde trimester van de zwangerschap werden behandeld. De parameters van het immuunsysteem die voor dit doel werden geselecteerd waren gelijk aan die, gebruikt in 28 daagse orale toxiciteitstesten, zoals ze worden uitgevoerd volgens de OECD richtlijn 407 versie 1995 (i.e. differentiele celtellingen in het bloed en histopathologie van lymfoide organen en weefsels, alsmede de gewichten van lymfoide organen). Bovendien werden analyses uitgevoerd van subpopulaties van milt lymfocyten, totale immunoglobuline concentraties in serum, miltlymfocytenresponsen op mitogene en 'natural killer cell' activiteit van lymfoide cellen in de milt. De teratogeniteitsparameters lieten geen behandelingsgerelateerde effecten zien in de nakomelingen. De verlenging van de behandelingsduur van dag 6-15 van de zwangerschap (GD 6-15) tot GD 6-20 had geen invloed op de uitkomsten van deze studie. Enige effecten van diazepam op het immuunsysteem werden waargenomen, echter, een causaal verband is twijfelachtig gezien de afwezigheid van een dosis-effect relatie. De gegevens uit deze studie suggereren dat het met de toegepaste set van immuunparameters die voor deze studie werd geselecteerd niet mogelijk was om ondubbelzinnig een effect van in utero blootstelling aan diazepam op het zich ontwikkelende immuunsysteem in neonatale ratten op te sporen.<br>
    • Externe straling van bouwmaterialen: Resultaten van MARMER-berekeningen aan een referentiewoning

      Blaauboer RO; Pruppers MJM; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-08-31)
      The so-called 'radiation performance standard' (in Dutch: Stralings Prestatie Norm, SPN) is being developed in the framework of the radon policy in the Netherlands. The radiation performance of a living area results from a calculation of the effective dose rate by external radiation. In the discussions about necessary simplifications in the calculations there is a need for estimates of the actual contribution to the dose rate of external radiation from building materials. Two questions play an important role. How do building type and dimension influence the dose rate? And which parts of a dwelling contribute to the dose rate in specific rooms? This report contains the results of detailed calculations for several versions of a reference dwelling using the model MARMER. From calculations in which type and thickness of a dividing wall between two bedrooms was varied, it was found that the wall shields as much radiation from walls in adjacent rooms as it contributes itself. Between 2% and 30% of the dose rate is due to building materials in other rooms. If adjacent dwellings were included in the calculations, the dose rate for most of the versions of the reference dwelling was estimated to increase by only 5%. For the version with a timber frame this increase could be considerably higher.
    • Externe straling van bouwmaterialen: Resultaten van MARMER-berekeningen aan een referentiewoning

      Blaauboer RO; Pruppers MJM; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-08-31)
      In het kader van het Nederlandse radonbeleid wordt de zogenaamde Stralingsprestatienorm (SPN) ontwikkeld. De stralingsprestatie (SP) van een verblijfsruimte of -gebied is het resultaat van een berekening volgens de SPN. Onderdeel van de SPN is een berekening van het dosistempo door externe straling. In de discussies over noodzakelijke vereenvoudigingen in de berekeningen bestaat er behoefte aan schattingen van de werkelijke bijdrage aan het dosistempo door externe straling afkomstig van bouwmaterialen. Twee vragen spelen daarbij een belangrijke rol. Hoe beinvloeden het type en de afmetingen van de bouwelementen het dosistempo? En welke onderdelen van de woning dragen wel en welke nauwelijks bij aan het dosistempo in bepaalde ruimten? Dit rapport bevat de resultaten van gedetailleerde berekeningen met het model MARMER voor diverse varianten van een referentiewoning. Uit berekeningen waarbij het type bouwmateriaal en de dikte van een tussenmuur tussen twee slaapkamers is gevarieerd, blijkt dat de tussenmuur ongeveer evenveel straling, afkomstig van wanden uit aangrenzende ruimten, afschermt als de muur zelf aan het totale dosistempo toevoegt. Tussen 20 en 30% van het dosistempo wordt door bouwmaterialen in andere ruimten veroorzaakt. Indien ook naastgelegen woningen zouden worden meegenomen, zou dat voor de meeste varianten slechts een toename van het dosistempo met naar schatting 5% betekenen. Voor de variant waarin veel hout is verwerkt, zou dit echter aanzienlijk meer kunnen zijn.<br>
    • Extracten van buitenlucht-aerosolen: mutageniteit in zoogdiercellen in vitro en chemische fractionering

      Knaap AGAC; Bergkamp WGM; van de Wiel HJ; Bloemen HJT; Voogd CE; Kramers PGN (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1985-01-31)
      Extracten van buitenlucht-aerosol blijken mutageen te zijn bij V79 Chinese hamstercellen, met toepassing van verschillende typen metabole activering. De cytotoxiciteit van een nitroverbinding (als model voor vermoedelijk in aerosol-extracten voorkomende stoffen) voor deze cellen blijkt in anoxische condities verhoogd te worden. Mogelijk is dit een basis voor een methode om het gehalte aan deze klasse stoffen in aerosol-extracten aan te geven. Fractionering van aerosol-extracten met oplosmiddelen van oplopende polariteit, leverde 5 fracties op waarvan de eerste twee resp. de alkanen en polycyclische aromaten bleken te bevatten. De fracties verschilden duidelijk en reproduceerbaar m.b.t. mutageniteit in de Ames-test. De "recovery" aan mutageniteit liet echter nog te wensen over.<br>
    • Extractie fluoride uit rivierklei. Simulatie van de beschikbaarheid in de koemaag

      Berg R van den; Mesters-Bakhuijs H; Staden JJ van; Berg S van den (1988-06-30)
      Een belangrijke risicogroep voor blootstelling aan fluoride vormt vee. Bij de huidige optredende concentraties zijn effecten aangetoond. Door simulatie van de omstandigheden in de koemaag is een eerste inzicht verkregen in de mate van blootstelling via extractie van fluoriden uit gronddelen, met name rivierklei (met hoge natuurlijke fluoridegehalten). Aangetoond is dat bij pH 2 (pH van de lebmaag) significant meer fluoride beschikbaar kwam dan bij pH 7 (pH van de voormagen). Na 24 uur werd 40 +/- 10 mg F-/kg grond bij pH 2 geextraheerd en 5 +/- 1 mg F-/kg bij pH 7. In deze proeven werd gevonden dat maximaal (bij pH 2 en 35 graden C) 40 +/- 10 mg F-/kg grond beschikbaar kwam en dat geen significante verschillen optraden als gevolg van variatie in bodemtype en tijd. Het extractiegehalte van depositiebelaste rivierklei (Heteren) was wel significant hoger dan van rivierklei uit een onbelast gebied (Houten). In tegenstelling tot de geextraheerde gehalten verschilden de extractiepercentages voor humeuze zandgrond en rivierklei significant. De beschikbare fluoride bij pH 2 varieerde van 6 tot 13% voor de rivierklei en 44 tot 47% voor de humeuze zandgrond. Een keuze tussen gebruik van extractiepercentage of extractiegehalte voor normstelling van opname uit gronddelen kan op basis van de beperkte range van getoetste bodemtypes niet verantwoord gemaakt worden.
    • De extractie van anionen uit grond en bouwmaterialen

      Joode P de; Wiel HJ van de; Hoop MAGT van den; LAC (1997-07-31)
      Voor de implementatie van het Bouwstoffenbesluit werd een onderzoek uitgevoerd naar extraheerbare gehalten bromide, chloride, fluoride, sulfaat en sulfide in grond en bouwmaterialen met verschillende waterige extractiemiddelen en de relatie van deze gehalten met de corresponderende totaalgehalten.Er blijkt een substantieel verschil te bestaan in extraheerbaarheid van de anionen bromide, chloride, fluoride en sulfaat uit de matrix grond en de matrix bouwmateriaal. Voor grond is de extractie voor geen van deze ionen kwantitatief, voor bouwstoffen alleen voor bromide en chloride. In geval van niet-kwantitatieve extractie neemt de extraheerbaarheid toe met stijgende pH (4.3 < pH < 14). Bij waterige extractie wordt bij een hoge pH voor alle anionen de hoogste opbrengst bereikt. Uit de literatuur is bekend dat de opbrengst van sulfide middels de toegepaste sterk zure extractie (pH 0) vrijwel volledig is, behalve voor pyriet (FeS2). Voor de bepaling van deze zwavelspecies is een extreme ontsluitingsmethode noodzakelijk. Ionchromatografie (IC) is veelal toepasbaar als analysemethode. Problemen ontstaan bij hoge ionsterkte (hoge pH extractiemiddel), met name voor fluoride en chloride. Voor fluoride is IC daarnaast ook minder geschikt vanwege de storingsgevoeligheid (organische zuren) en het niet detecteren van mogelijk complex gebonden fluoride.
    • De extractie van anionen uit grond en bouwmaterialen

      Joode P de; Wiel HJ van de; Hoop MAGT van den; LAC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-07-31)
      The results are described of an experimental study into aqueous extractable concentrations of bromide, chloride, fluoride, sulphate and sulphide in soil and in raw materials for building purposes and their relation with the corresponding total anion content. It is concluded that there is a substancial difference in the release of the anions bromide, chloride, fluoride and sulphate from soil and raw materials. For soil the release is not quantitative for all these anions, for raw materials only bromide and chloride can be quantitatively extracted. In cases of non-quantitative releases, the extractable amount increases with increasing pH (4.3 < pH < 14). In general, for aqueous at high pH values extractions the highest yield is obtained. From the literature it is well-known that the release of sulphide with the presently applied acid procedure is almost complete, except in the presence of pyrite (FeS2). For the determination of this sulphur species an extreme digestion procedure is necessary. Ion chromatography is suitable as analytical determination technique in most cases. Problems appear at high ionic strength (high pH values), especially for fluoride and chloride. In addition the ion chromatographic determination of fluoride might be less suitable due to possible interferences of organic acids and the non-detectability of complex associated fluoride.
    • Extrapolatie van laboratorium naar veld ; de invloed van milieufactoren op de anaerobe transformatiesnelheid van chloorfenolen

      Peijnenburg WJGM; Riezebos N; Verboom JH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-06-30)
      In this report the first results of a study on the effect of compound-specific and environment-specific factors on rates of reductive dehalogenation, are shown. The study was carried out to assess the extend to which it is possible to extrapolate rate constants obtained under laboratory conditions to realistic circumstances. Several chlorophenol congeners were incubated in sediment-water systems, while varying seven distinct conditions. Measured half-lives tended to increase with increasing concentrations of the compound incubated, decreasing sediment concentrations, decreasing temperature and both increasing and decreasing pH-values of the sediment. 3,4-Dichlorophenol was shown to be the most persistent of the chlorophenol congeners incubated, while the trichlorophenols were the most easily dechlorinated. It is recommended to further investigate the factors given above and also to include additional chemicals.
    • Extrapolation factors to be used in case of small samples of toxicity data (with a special focus on LD50 values for birds and mammals)

      Luttik R; Aldenberg T; ACT; LWD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-11-30)
      For the evaluation of the possible environmental hazard/risk for birds and mammals of the use of an agricultural pesticide normally the lowest available LD50 is used. Especially in the case of only one or two LD50s an underestimation of the potential hazard/risk can be a real possibility, because there could be uncertainty that these tested animals represent the most sensitive species. An approach towards extrapolating laboratory toxicity data to acceptable concentrations in the field is to estimate the HC5, the Hazardous Concentrations for 5% of the species (Kooijman 1987, Van Straalen & Denneman 1989, Wagner & Lokke 1990 and Aldenberg & Slob 1994). Although this method formally works for n=2 to infinity, in practice it is applied for n=4 to infinity, only. However, when only one NOEC is available, the method cannot be applied. In this report, a proposal is made to estimate an analogous HD5 (Hazardous Dose) for LD50 data and to estimate the standard deviation from other LD50 data sets than the toxic substance at hand in case of small samples (especially those smaller than 4). The safety factors to be applied to the geometric mean of the LD50s for a median estimate of the HD5 of birds and mammals are 5.7 and 3.8, respectively. The SFs for the 95% confidence limit of the HD5 of birds for n= 1, 2 and 3 are 33, 20 and 16, respectively. For mammals these SFs are 15, 10 and 8.
    • Extrapolation factors to be used in case of small samples of toxicity data (with a special focus on LD50 values for birds and mammals)

      Luttik R; Aldenberg T; ACT; LWD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-11-30)
      Voor de inschatting van het mogelijke risico voor vogels en zoogdieren bij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de landbouw wordt in het algemeen uitgegaan van de laagste beschikbare LD50. Speciaal in het geval van slechts 1 of 2 LD50-waarden is de kans op onderschatting van het mogelijke risico niet denkbeeldig, omdat men nooit zeker kan zijn of de geteste soorten bij benadering een van de gevoelige soorten vertegenwoordigen. Een methode om laboratoriumgegevens te extrapoleren naar een acceptabele concentratie voor een risicoschatting is de HC5-waarde, de Hazardous Concentration voor 5% van de soorten, te berekenen (Kooijman 1987, Van Straalen & Denneman 1989, Wagner & Lokke 1990 en Aldenberg & Slob 1994). Deze methode berekent uit een set van 'n' laboratorium toxiciteitsgegevens het gemiddelde en de standaard afwijking van de log getransformeerde NOEC concentraties. Alhoewel deze methode in principe geschikt is voor n = 2 tot oneindig, wordt de methode in de praktijk toegepast voor n = 4 tot oneindig. De methode kan echter in geen geval gebruikt worden indien er slechts een NOEC voorhanden is. In dit rapport stellen we voor een HD5-waarde (Hazardous Dose) uit LD50's te berekenen op dezelfde manier als een HC5-waarde uit NOEC's. Daarnaast schatten we een standaard afwijking uit LD50-datasets met informatie voor tenminste 4 soorten per stof, die gebruikt kan worden bij stoffen waarvoor minder informatie beschikbaar is. De veiligheidsfactoren voor de HD5(50) waarden voor LD50's van vogels en zoogdieren zijn 5,7 en 3,8. De HD5(95) voor vogels voor n = 1, 2 en 3, zijn respectievelijk 33, 20 en 16 en voor zoogdieren 15, 10 en 8.<br>