• Factsheets for the (eco)toxicological risk assessment strategy of the National Institute for Public Health and the Environment, Part V

      Wolterink G; Turkstra GH; Muller AW; Smit CE; de Knecht JA; Rila JP; Scheepmaker JWA; Smit CE; van Raaij MTM; SEC; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-12-06)
      Dit rapport bundelt vijf factsheets waarin methodieken worden beschreven die worden gebruikt voor de risicobeoordeling van stoffen bij het Centrum voor Stoffen en Integrale Risicobeoordeling (SIR) en het Stoffen Expertise Centrum (SEC) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). Het voornaamste doel is om de inzichtelijkheid en eenduidigheid van de bij RIVM-SIR en -SEC gevolgde methodieken te vergroten. De vijf factsheets vormen de weerslag van de huidige stand van wetenschap. Ze zijn bedoeld om de discussie met andere (inter)nationale partijen op het gebied van risicobeoordeling te bevorderen. De factsheet over levertumoren in de muis beschrijft onder welke voorwaarden levertumoren in de muis als relevant voor risicobeoordeling in de mens worden beschouwd. In de factsheet over historische controle gegevens van tumorincidentie wordt aangegeven hoe het RIVM bij de evaluatie van carcinogeniteit omgaat met historische controles gegevens. In de factsheet over Mononucleaire Cel Leukemie in de F344 rat wordt de relevantie voor de mens van een toename in de incidentie van mononucleaire cel leukemie (MNCL) in F344 ratten besproken en wordt een strategie voor de gevaar- en risicobeoordeling geleverd. In de factsheet 'Energie- en vochtgehalte en assimilatie-efficientie van voedsel voor vogel- en zoogdieren' zijn twee grote datasets met gegevens over het energie- en watergehalte van verschillende voedselbronnen voor vogels en zoogdieren samengevoegd en geanalyseerd. De laatste factsheet over sorptie van dissocierende stoffen geeft een uiteenzetting van de belangrijkste principes en beperkingen van de QSAR- modellen en HPLC-methoden voor het bepalen van het adsorptiegedrag van een stof.
    • Factsheets for the (eco)toxicological risk assessment strategy of the National Institute for Public Health and the Environment, Part VI

      Janssen PJCM; ter Burg W; Pelgrom SMGJ; Fleuren R; SIR; SEC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-01-18)
      Dit rapport bundelt vier 'factsheets' over methodieken voor de risicobeoordeling van stoffen bij het Centrum voor Stoffen en Integrale Risicobeoordeling (SIR) en het Stoffen Expertise Centrum (SEC). De eerste drie factsheets behandelen onderwerpen die betrekking hebben op humane risicobeoordeling, de laatste gaat over risicobeoordeling in het milieu. De eerste factsheet Relevance of changes in selected blood biochemical parameters, gaat in op biochemische bloedparameters die gerelateerd zijn aan leverschade (zoals bv. bilirubine gehalte) in proefdieren. De factsheet evalueert de toxicologische betekenis van toenames in deze parameters. De tweede factsheet Strategy for quantitative risk assessment for skin sensitisation using the Local Lymph Node Assay (LLNA), gaat over een methode die de potentie van stoffen kan bepalen om overgevoeligheid bij huidcontact te veroorzaken. Het gevoelig raken voor stoffen wordt huidsensibilisatie (skin sensitisation) genoemd. De gebruikte LLNA testmethode geeft inzicht in de relatie tussen de hoogte van de dosis en het uiteindelijke effect. In deze factsheet wordt een strategie voorgesteld voor een kwantitatieve risicobeoordeling van huidsensibilisatie, wat tot nu toe niet gebruikelijk is. De derde factsheet gaat over Leydigcel tumoren. De Leydig cel tumor is een van de drie typen tumoren die in testikels kunnen voorkomen. De factsheet bediscussieert of de Leydig cel tumor als gevolg van blootstelling aan chemische stoffen bij dieren, relevant is voor de humane risicobeoordeling. De vierde en laatste factsheet Proposal for the interpretation of leaching study data for wood preservatives (biocides), heeft waarde voor de risicobeoordeling van stoffen in het milieu. Bij de risicobeoordeling van houtverduurzamingsmiddelen speelt de snelheid waarmee het middel uit het hout verdwijnt (uitloging) een cruciale rol, aangezien het middel via deze route in het milieu belandt. Aan de bepaling van deze snelheid zitten momenteel diverse haken en ogen. Deze factsheet behandelt een aantal verschillende modellen en stelt een efficiente en simpele aanpak voor.
    • Factsheets for the (eco)toxicological risk assessment strategy of the National Institute of Public Health and the Environment (RIVM)

      Luttik R; van Raaij MTM; CSR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-05-21)
      Gepresenteerd worden 8 factsheets voor de risicoschattingsmethoden van het Centrum voor stoffen Risicobeoordeling (CSR) van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). 5 Factsheets hebben betrekking op de risicoschattingmethoden voor de volksgezondheid en 3 op de risicoschattingsmethoden voor het milieu: 1) Methemoglobine/Heinz bodies, 2) Acetylcholinesterase inhibitors, 3) Pheochromocytomas, 4) Assessment factors for human health risk assessment, 5) Delayed Neurotoxicity/NTE-inhibition, 6) Residues of plant protection products on food items for birds and mammals, 7) Degradation of veterinary drugs in manure, 8) Guideline for the evaluation of studies determining the excretion of veterinary drugs. Naast het vastleggen van de risicoschattingsmethoden zoals die bij het RIVM/CSR worden gehanteerd is het doel van deze publicatie de risicoschattingsmethoden transparanter te maken en een platform voor discussie te creeren. De auteurs van elke factsheet beschrijven de "state-of-the-art" van hun onderwerp. Opmerkingen, tekortkomingen en aanvullende informatie wordt op prijs gesteld en kunnen naar de eerste redacteur worden opgestuurd.<br>
    • FAIR 1.0 (Framework to Assess International Regimes for differentiation of commitments): An interactive model to explore options for differentiation of future commitments in international climate policy making. User documentation

      Elzen MGJ den; Berk MM; Both S; Faber A; Oostenrijk R; CIM (2001-03-19)
      FAIR (Framework to Assess International Regimes for differentiation of commitments) is een interactief computer model voor het (kwantitatief) verkennen van verschillende beleidsopties voor internationale lastenverdeling voor het internationale klimaatbeleid, gekoppeld aan doelstellingen voor bescherming van het klimaat. De huidige versie van FAIR bevat drie verschillende benaderingen voor internationale lastenverdeling-regimes: 1) Increasing participation (toenemende participatie): in deze benadering neemt het aantal landen en hun inspanningsniveau geleidelijk toe op basis van regels en criteria voor zowel deelname als bijdrage (bijvoorbeeld op basis van hoofdelijk inkomen, hoofdelijke emissies of bijdrage aan temperatuurstijging (Braziliaans voorstel); 2)Convergentie: in deze benadering nemen alle partijen direct deel aan een emissierechtenregime, waarbij de toegestane emissieruimte in de tijd convergeert van het bestaande naar een gelijk hoofdelijk niveau; 3)Triptych (triptiek): De methode is gebaseerd op gedifferentieerde doelstellingen voor verschillene sectoren: energie-efficientie en de-carbonisatiedoelstellingen voor de electriciteits- en internationaal georienteerde zware industriele sectoren en internationale convergentie in per capita emissieruimte voor de binnenlandse sectoren. De eerste twee modes zijn top-down methodologen, en de triptych methode is een bottom-up methode. FAIR bevat ook een optie om eigen emissie scenario's te ontwikkelen, alsmede de klimaatseffecten hiervan te evalueren (scenario constructie).
    • FAIR 1.0 (Framework to Assess International Regimes for differentiation of commitments): An interactive model to explore options for differentiation of future commitments in international climate policy making. User documentation

      Elzen MGJ den; Berk MM; Both S; Faber A; Oostenrijk R; CIM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-03-19)
      This report contains the model documentation and user instructions of the FAIR model (Framework to Assess International Regimes for differentiation of commitments). FAIR is an interactive - scanner-type - computer model to quantitatively explore a range of alternative climate policy options for international differentiation of future commitments and link these to targets for global climate protection. The model includes three different approaches for evaluating international commitment regimes: 1)Increasing participation: in this mode the number of parties involved and their level of commitment gradually increase according to participation and differentiation rules, such as per- capita income, per capita emissions, or contribution to global warming.2) Convergence: in this mode all parties participate in the burden-sharing regime, with emission rights converging to equal per capita levels over time. 3) Triptych: different burden sharing rules are applied for different sectors (e.g. convergence of per capita emissions in the domestic sector, efficiency and de-carbonisation targets for the industry sector and the power generation sector). The first two modes are representatives of top-down methodologies, so from global emission ceilings to regional emission budgets, whereas the triptych approach is more bottom-up in character, although it can be combined with specific emission targets (as illustrated in the case of the EU). In order to construct and evaluate global emission profiles, the FAIR model also has the mode: Scenario construction. In this mode the impacts in terms of the main climate indicators can be scanned of a constructed or well-defined global emissions profile.
    • FAIR 2.0 - A decision-support tool to assess the environmental and economic consequences of future climate regimes

      Elzen MGJ den; Lucas P; KMD (2003-12-01)
      Dit rapport beschrijft het beleidsondersteunende model FAIR 2.0 (Framework to Assess International Regimes for differentiation of commitments). FAIR is een interactief computer model voor het (kwantitatief) evalueren van de milieueffectiviteit en economische kosten van verschillende regimes voor internationale lastenverdeling voor het klimaatbeleid, in overeenstemming met doelstellingen voor bescherming van het klimaat, geformuleerd in Artikel 2 van het internationale Klimaatverdrag UNFCCC, de stabilisatie van de concentraties van broeikasgassen op een 'veilig' niveau. Het FAIR 2.0 model bevat drie deelmodellen: 1. Een klimaat model voor de evaluatie van de klimaateffecten van een mondiale emissieplafond en de berekening van de regionale bijdrage aan klimaatsveranderingen. 2. Een emissieallocatie model voor het verkennen en evalueren van de herverdeling van toegestane emissieruimte tussen de landen voor verschillende benaderingen voor internationale lastenverdeling-regimes. 3. Een kosten en emissie-handel model voor de berekening van de verdeling van de emissiereducties over de verschillende regio's, gassen en bronnen na de toepassingen van de Kyoto Mechanismen (bijvoorbeeld emissiehandel). Hierbij wordt gebruik gemaakt van een kosteneffectieve methode op basis van geaggregeerde vraag en aanbod curven, welke zijn afgeleid van deze marginale kosten curven. Dit model berekent ook de wereldwijde prijs op de internationale emissiemarkt, de kopers en verkopers op de markt, de marginale en totale kosten en de voordelen van emissiehandel.
    • FAIR 2.0 - A decision-support tool to assess the environmental and economic consequences of future climate regimes

      Elzen MGJ den; Lucas P; KMD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-12-01)
      This report describes policy decision-support-tool FAIR 2.0 (Framework to Asses International Regimes for differentiation of commitments), developed with the aim of assisting policy makers in assessing the environmental and economic implications of international climate regimes for differentiation of future commitment beyond 2012 compatible with the Climate Change Convention objective of stabilising the atmospheric concentrations of greenhouse gases (Article 2). The FAIR 2.0 model represents an integration of three sub-models: 1. A climate model for the evaluation of the climate impacts of a global emission profiles and the calculation of the regional contributions to climate change. 2. An emissions-allocation model to explore and evaluate the emission allowances for different climate regimes for the differentiation of future commitments (such as the Brazilian Proposal, Multi-Stage approach, Contraction & Convergence, Triptych approach and other regimes). 3. A mitigation costs and emission trading model to distribute the emission reduction objective over the different regions, gases and sources following a least-cost approach, to calculate the international permit price and determine the buyers and sellers on the international trading market and to calculate the regional mitigation costs and emission reductions after trading.
    • FAME: Friendly Applied Modelling Environment. Version 2.2 User Manual

      Wortelboer FG; Aldenberg T (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1989-12-31)
      FAME (Friendly Applied Modelling Environment) is een algemene modelleer omgeving, ontwikkeld voor de dynamische simulatie van waterkwaliteitsmodellen. De modellen worden beschreven als sets van differentiaalvergelijkingen, waarbij van een algemene notatie gebruik wordt gemaakt. Geen kennis van een specifieke computer programmeertaal is vereist. Het programma draait onder MS-DOS op PC's (een hard-disk is vereist). De modelvergelijkingen worden met behulp van een preporcessor omgezet in Turbo Pascal programmaregels, die vervolgens gecompileerd kunnen worden met Borlands Turbo Pascal, versie 4.0 of hoger. Het programma maakt het mogelijk simulaties uit te voeren, parameters te calibreren, gedurende de simulaties de resultaten op het computerscherm te presenteren en waarden van parameters uit externe files te lezen. Het programma kan zowel interactief als via batch opdracht gedraaid worden.<br>
    • Farmaceutische industrie

      Ros JPM; van der Poel P; Etman EJ; Montfoort JA; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-03-31)
      Dit rapport over de farmaceutische industrie is gepubliceerd binnen het Samenwerkingsproject Procesbeschrijvingen Industrie Nederland (SPIN). In het kader van dit project is informatie verzameld over industriele bedrijven of industriele processen ter ondersteuning van het overheidsbeleid op het gebied van emissiereductie. Dit rapport bevat informatie over de processen, bronnen van emissie, emissies naar lucht en water, afval, emissiefactoren, het gebruik van energie en energiefactoren, emissiereductie, onderzoek naar schone processen en normstelling en vergunningssituatie.<br>
    • Farmacokinetiek en biologische beschikbaarheid van benzo(a)pyreen (BaP) in de RIV:tox rat

      Lusthof KJ; Olling M; Kroese ED; Beenen J; Poelen MJ; Vaessen HAMG; Kamp CG van de (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1993-05-31)
      Eight groups of six male RIV:tox rats received oral and intravenous doses of benzo(a)pyrene (BaP) in a parallel study plan. Intravenously and orally four dose levels were administered. BaF was dissolved in soybean oil for oral administration, and in glycofurol for intravenous administration. The doses were such, that the absolute oral bioavailability could be calculated for two dose levels. The plasma pharmacokinetics of BaP after intravenous administration were described by a two-compartment model. The corresponding kinetic parameters were calculated. The elimination half-life of BaP was approx. 30-60 min. in the period 0-12 h after administration. Therefore, unchanged BaP will not accumulate after repeated administration, when it is administered once daily. The AUC values (area under the plasma concentration-time curve) increased more than proportionally with the oral or intravenous dose. The deviation from linearity was small for the doses used in this study. After oral administration multiple plasma concentration maxima were observed, which may be explained by an interaction of the oil solution with the bile. The absolute oral bioavailability of unchanged BaP was approx. 13% for a dose of 1 mg/kg and approx. 4% for a dose of 5 mg/kg. This does not mean, that the absorption of BaP decreased with increasing doses, because the non-linear increase of the AUC values with the dose may be explained by saturation of metabolism. The kinetic parameters and the oral bioavailability were in the same range as found in the literature for other rat species.
    • Farmacokinetiek van urethaan bij de rat

      Olling M; Zeijlmans PWM (1988-03-31)
      De kinetiek van urethaan volgt het Michaelis-Menten model, waarbij de Vmax na intraperitoneale toediening varieert van 7,1 mg/l.h bij een toediening van 100 mg/kg tot 38,2 mg/l.h na 1,25 g/kg. De Michaelis constante, Km, blijkt ver beneden de concentraties te liggen welke tijdens dit onderzoek konden worden aangetoond bij de rat. Het verdelingsvolume na intraveneuze toediening van 0,5 g/kg is ca. 0,70 l/kg en na 0,25 mg/kg intraperitoneaal ca. 0,76 l/kg. Na intraperitoneale toediening volgt de urethaanconcentratie in de hersenen de concentraties in het bloed met een evenredigheidsfactor van 0,7 (hersenen/bloed). De uitscheiding van onveranderd urethaan via de urine is slechts 7% van de dosis in de eerste 32 uur en is van ondergeschikt belang voor de eliminatie van urethaan bij de rat. De vorming van twee mogelijke metabolieten van urethaan namelijk ethanol en N-hydroxyurethaan kon niet bij de rat worden aangetoond. De meest geschikte intraperitoneale toediening lijkt 4 ml/100 g van een 2,5%-ige oplossing van urethaan.
    • Farmacotherapie: Collegiale levering door apothekers en effecten van de circulaire : Een veld in beweging

      Lamme EK; Weda M; EVG; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-10-14)
      In Nederland mogen alleen geregistreerde geneesmiddelen in de handel worden gebracht, wat wil zeggen dat ze moeten zijn goedgekeurd door het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen. Wel is het toegestaan dat apothekers zelf op kleine schaal geneesmiddelen bereiden voor eigen patiënten als deze niet gebaat zijn bij een geregistreerd, industrieel bereid product. Tegenwoordig wordt hiervoor steeds vaker een product afgeleverd dat in een andere apotheek bereid is. Deze zogeheten collegiale levering is volgens de wet niet toegestaan. Het gaat hier immers niet om een rechtstreekse verstrekking aan eigen patiënten van een apotheek. Uit een inventarisatie van het RIVM blijkt dat een aantal producten dat collegiaal wordt geleverd geen meerwaarde heeft ten opzichte van geregistreerde producten. Sinds 2007 is het aandeel van dit type producten afgenomen van 52 naar 33 procent. Dat komt doordat vanaf dat jaar een aantal strikte voorwaarden gelden voor de collegiale leveringen van apotheekbereidingen. Deze voorwaarden zijn in het belang van patiënten bepaald door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) met het ministerie van VWS. Zo mag het middel alleen worden verstrekt als er geen geregistreerd alternatief voor bestaat, of als voldoende is bewezen dat de patiënten niet gebaat zijn bij de geregistreerde alternatieven. Een deel van de apothekers heeft de collegiale leveringen van eigen bereidingen gestaakt omdat ze niet aan de voorwaarden van de IGZ konden voldoen. Andere apothekers hebben, conform de restricties, onder andere 'productiedossiers' samengesteld om aan te tonen dat ze aan de voorwaarden voldoen. De inventarisatie is gemaakt op basis van de in de productdossiers aanwezige informatie. Tijdens de IGZ-inspecties kan blijken dat een product waar het RIVM geen meerwaarde in ziet omdat het niet als zodanig in het productdossier is onderbouwd, toch als nuttig en noodzakelijk kan worden beschouwd door de IGZ. Ook de beroepsgroepen kunnen aangeven dat bepaalde producten in een behoefte voorzien. Productdossiers zouden dan wel met deze informatie moeten worden aangevuld.
    • Fast HPLC screening method for the presence of trenbolone and its major metabolite in urine of slaughter cattle

      Jansen EHJM; Zoontjes PW; van Blitterswijk H; Both-Miedema R; Stephany RW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1984-11-30)
      Een eenvoudige en snelle detectiemethode voor 17beta-trenbolon en zijn hoofdmetaboliet 17alfa-trenbolon wordt beschreven. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een HPLC-scheiding op een "normal phase" kolom met UV-detectie bij 350 nm. De absolute detectiegrens ligt in de orde van 0.3-0.4 ng, terwijl de detectielimiet in urinemonsters ligt in de orde van 1-2 mug/l.<br>
    • The fate of Bacillus cereus in the gastrointestinal tract

      Pielaat A; Wijnands LM; Takumi K; Nauta MJ; Leusden FM van; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-03-31)
      This report presents a mathematical dynamical model for the behaviour of Bacillus cereus in the gastro-intestinal tract. Biological processes and system dynamics are simultaneously incorporated in this mechanistic model. Variability in growth characteristics and physical traits of different B. cereus strains are expressed through the incorporation of a range of reasonable parameter values obtained from experiments. Different hypotheses concerning initial ingestion of B. cereus microbes and subsequent in vivo processes leading to a potential infection are tested. Model outputs show the course of (attached) vegetative cells and/or spores in the stomach and small intestine during the digestion of food containing B. cereus microbes. Results show the minor influence of the stomach on the ultimate number of vegetative cells in the small intestine. A "mild" exposure (10^3 cfu g^-1) still causes an increased probability on food intoxication when 100 g of food containing, at least, slightly mesophilic B. cereus strains is consumed. Exposure to levels just above the Dutch standard (set at < 10^5 cfu g^-1) will, according to this model, always form a food hazard problem. Furthermore, this model gives insight in the uncertainty of some parameter values that need elaborated experimental investigation to come to an improved hazard characterisation and, with that, to improved suggestions for food microbiological criteria.
    • The fate of Bacillus cereus in the gastrointestinal tract

      Pielaat A; Wijnands LM; Takumi K; Nauta MJ; van Leusden FM; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-03-31)
      Dit rapport presenteert een wiskundig dynamisch model waarmee het gedrag van Bacillus cereus in het maag-darmkanaal beschreven wordt. Microbiologische processen en processen in het maag/darmkanaal vormen samen de basis voor dit mechanistische model. Variabiliteit in groeikarakteristieken en fysieke eigenschappen van B. cereus-stammen komen tot uitdrukking in de parameterwaarden verkregen uit experimenten. Met het model zijn verschillende hypothesen getest betreffende initiele inname van B. cereus microben en daaropvolgende "in vivo" processen welke tot een potentiele infectie kunnen leiden. Modeluitkomsten laten het lot van vegetatieve cellen en/of sporen in de maag en dunne darm tijdens de vertering van een maaltijd met B. cereus-microben zien. Hieruit blijkt dat de maag weinig invloed heeft op het uiteindelijke aantal vegetatieve cellen in de dunne darm. Een "milde" blootstelling [10ˆ3 kolonievormende eenheden (kve) gˆ-1] geeft nog steeds een verhoogde kans op een toxico-infectie wanneer 100 g voedsel wordt geconsumeerd met daarin, tenminste, licht mesofiele B. cereus stammen. Blootstellingsnivo's juist boven de Nederlandse gestelde norm van < 10ˆ5 kve gˆ-1 vormen volgens dit model altijd een potentieel gevaar. Verder geeft dit model inzicht in de onzekerheid van bepaalde parameterwaarden welke nader experimenteel onderzocht zouden moeten worden om tot een betere risicobeoordeling te kunnen komen. Integratie van experimentele data in een dynamisch model met daarin de belangrijkste componenten voor voedselinfectie zal uiteindelijk leiden tot verbeterde suggesties voor voedselmicrobiologische criteria.
    • Fate of plant protection products in soilless cultivations after drip irrigation: measured vs. modelled concentrations : Interpretation of the 2014 experiment with the Substance Emission Model

      Broek I van den; Hoogsteen MJJ; Boesten JJTA; Broek I van den; Wipfler EL; MIL; LGW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-08-10)
      The Greenhouse Emission Model has recently been adopted as a model package for assessing emissions to and concentrations in groundwater and surface water after use of plant protection products in greenhouse crops. Stakeholders advised that the model be tested against experimental data. In October 2014, facilities of WUR Plant Research were used to perform a pilot experiment in which cucumber plants on stone wool substrate were treated with three plant protection products, using a drip irrigation method. Concentrations of the active substances were measured in both the water flowing to and draining from the substrate. GEM was tailored to the experimental conditions and used to predict concentrations in parts of the experimental system. Measured and simulated concentrations of imidacloprid and fluopyram were comparable from approximately 36 hours after the start of the experiment onwards. Prior to this, concentrations in the inflowing water were underestimated and concentrations in the drain water were overestimated, probably because of incomplete mixing. For dimethomorph, agreement between the measured and calculated concentrations was reached after approximately 80 hours. This more lengthy period may be due to exceeding the solubility of the substance, causing precipitation or settling on the tube walls, and redissolving later on; the model does not account for these processes. Degradation of all three substances was found to be negligible over the duration of the experiment. Plant uptake was the major dissipation process. Experimental results show that uptake of substances was lower than uptake of water, thereby supporting the transpiration stream concentration approach proposed by Briggs et al. (1982); this approach is often applied however experimental evidence is scarce. Transpiration stream concentration factors far below one were found to fit experimental results best.
    • Feasibility of validating the Uniform System for the Evaluation of Substances (USES)

      Jager DT; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-01-31)
      UBS, het Uniforme Beoordelingssysteem Stoffen, is een beslissings-ondersteunend gereedschap voor een snelle, kwantitatieve analyse van de risico's verbonden aan de levenscyclus van een chemische stof. Omdat risico-analyse een inherent onzeker proces is, is een grondige modelanalyse aan te bevelen. Een vorige versie van UBS was slechts gedeeltelijk gevalideerd, wat onvoldoende was voor een volledige validatie. Risico's kunnen niet in het veld gemeten worden, daarom zal de aandacht voornamelijk gericht zijn op validatie van de afzonderlijke modellen en modulen van UBS. Dit rapport beschrijft de procedure die gevolgd kan worden om de gebruiker te tonen wat de nauwkeurigheidsgraad is die UBS kan geven. Dit geeft de beleidsmaker de mogelijkheid om de nauwkeurigheid van UBS bij risico-analyse in overweging te nemen. In dit rapport wordt de validatie-status van de huidige modulen van UBS bediscussieerd. Een kader en aanbevelingen voor toekomstige validatie wordt gegeven. De aannamen en keuzen (vaak impliciet gemaakt) zijn nu geexpliciteerd. Geconcludeerd kan worden dat voor vele modulen numerieke validatie reeds is uitgevoerd of geinitieerd. Operationele validatie van de toepasbaarheid van het gehanteerde model en conceptuele validatie van het blootstellingsscenario ontbreekt echter. Omdat veel van de validatieactiviteiten buiten het kader van het UBS-project plaatsvinden, is inventarisatie van al de resultaten noodzakelijk. Dit rapport beschrijft tevens een experiment om de risicoschattingen van UBS te 'valideren'. Dit gebeurde door prioritering van stoffen door experts te vergelijken met prioritering door UBS. Ondanks vele onzekerheden geeft deze aanpak meer inzicht in de relatie tussen 'objectieve' risico-schatting van UBS en de 'risico-perceptie' van experts. In 1995 en 1996 zal een Europees systeem voor risico-analyse ontwikkeld worden, gebaseerd op de huidige versie van UBS. De inventarisatie en discussie in dit rapport van de huidige modulen en scenario's kan gebruikt worden bij deze ontwikkeling. Een validatie van het huidige UBS is niet gepland. Als het Europese systeem afgerond is kan dit systeem grondig geanalyseerd worden waarbij dit rapport de basis kan vormen.<br>
    • Feasibility study for improvements to the population screening for cervical cancer 2013

      van der Veen N; Carpay MEM; van Delden JA; Brouwer E; Grievink L; Hoebee B; Lock AJJ; Salverda-Nijhof JGW; CVB; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-09-28)
      Een langdurige infectie met hoog-risicotypen van het Humaan Papillomavirus (hrHPV) kan voorstadia van baarmoederhalskanker veroorzaken. Vroege opsporing van voorstadia van baarmoederhalskanker door hrHPV-screening als primaire test is, goed te organiseren en uit te voeren. Dit blijkt uit een zogeheten uitvoeringstoets naar dit bevolkingsonderzoek, uitgevoerd door het Centrum voor Bevolkingsonderzoek. De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gebruikt de toets bij de besluitvorming of het voorgestelde bevolkingsonderzoek wordt ingevoerd. Het voorgestelde bevolkingsonderzoek is bedoeld voor vrouwen van 30 tot en met 60 jaar. Zij worden iedere vijf jaar door de screeningsorganisaties uitgenodigd om bij de huisartsenvoorziening een uitstrijkje te laten maken. Vrouwen die niet reageren, ontvangen een zelfafnameset om zelf lichaamsmateriaal af te nemen. Het afgenomen materiaal wordt getest op de aanwezigheid van hrHPV. Vrouwen van 40 en 50 jaar die hrHPV-negatief getest zijn, krijgen pas na tien jaar een nieuwe uitnodiging. Als hrHPV aanwezig is, wordt gekeken of er ook sprake is van afwijkende cellen (cytologische beoordeling). Afhankelijk hiervan vindt verwijzing naar de gynaecoloog of vervolgonderzoek bij de huisartsenvoorziening plaats. Vrouwen die in aanmerking komen voor vervolgonderzoek, ontvangen een uitnodiging van de screeningsorganisaties. De hrHPV-test en de cytologische beoordeling vinden plaats in een beperkt aantal screeningslaboratoria. Het voorgestelde bevolkingsonderzoek levert extra gezondheidswinst op en de uitvoeringskosten zijn lager dan het huidige bevolkingsonderzoek. De uitvoeringstoets is in samenwerking met de betrokken beroepsgroepen, patiëntenorganisaties, screeningsorganisaties en andere stakeholders tot stand gekomen. Onder hen is voldoende draagvlak om hrHPV-screening en de zelfafnameset in te voeren. Voor de uitvoeringstoets is in kaart gebracht hoe het primaire proces, de organisatie, het kwaliteitsbeleid, de communicatie, de monitoring en evaluatie ingericht moeten worden. Om het voorgestelde bevolkingsonderzoek in te kunnen voeren, is twee jaar voorbereiding nodig. Het opstellen van de kwaliteitseisen, de aanbestedingen en de ICT-ontwikkelingen zijn belangrijke aandachtspunten in de voorbereiding. Het voorgestelde bevolkingsonderzoek wordt direct volledig ingevoerd. Alle vrouwen die in aanmerking komen voor een uitnodiging, krijgen een hrHPV-test aangeboden. Intensieve monitoring van mogelijke nadelige effecten, zoals overbehandeling, is belangrijk.
    • Feasibility study into expanding the neonatal heel prick screening test

      Dekkers, EHBM; Klein, AW; Lock, AJJ; Vermeulen, HM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2019-01-14)
      In the first week after birth, a few drops of blood are taken from the heel of the baby and examined for a number of severe and rare congenital diseases. In 2015 the Health Council of the Netherlands advised the Minister of Health, Welfare and Sport to expand the heel prick test to include another fourteen disorders. The National Institute for Public Health and the Environment (RIVM) has carried out a so-called feasibility study to see if this is achievable. It appears that it is, as long as the expansion is implemented in phases. However, it also appears that this expansion can only take place under a number of conditions including adequate staffing levels and financial means, the availability of flexible IT amenities, and a good interface with the health services. In 2017, the first two of the fourteen conditions - alpha and beta thalassemia - have already been added to the programme. The expansion is a complex process due, amongst other things, to the large number of disorders, the logistics and organisation of laboratories, the availability and quality of testing methods, the follow-up investigations that will be necessary, and the interface with the health services. Furthermore, the test will cover rare disorders that are not yet included in the screening test in many countries. This means that only very limited knowledge is available at an international level. After each of the investigations there is a go/no-go moment at which time the Minister must decide whether the condition can enter the implementation phase or further research is needed first. There is also the possibility that the condition cannot realistically be included in the heel prick screening test (at that time). There is enough support for further expansion from professional bodies, patient organisations and other interested stakeholders. However, the current neonatal heel prick test must not come under pressure from the planned expansion and its associated preparations.