• Exposure and ecological effects of toxic mixtures at field-relevant concentrations. Model validation and integration of the SSEO programme

      Posthuma L; Vijver MG; LER; SEC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMAlterraWageningenRadboud Universiteit NijmegenVrije UniversiteitAmsterdamWageningen University and Research Centre WURIMARES, 2007-12-14)
      Om de effecten te voorspellen van giftige stoffen die zich diffuus in het milieu verspreiden is het nodig om de lokale milieucondities in kaart te brengen. Dit blijkt uit een evaluatie van resultaten uit het Nederlandse Stimuleringsprogramma Systeemgericht Ecotoxicologisch Onderzoek (SSEO) die uitgevoerd is onder leiding van het RIVM.<br>De afgelopen zes jaar zijn op drie verontreinigde locaties in Nederland de effecten onderzocht van giftige stoffen op milieu, planten en dieren. De locaties betroffen de uitwaarden van een grote rivier (de Waal), een getijdegebied (de Biesbosch) en een veenweidegebied (nabij Vinkeveen). Op deze plekken hebben zich giftige stoffen verspreid over de omgeving. Van deze diffuse verontreinigingen werden de omvang en effecten gemeten en geanalyseerd.<br>Uit het onderzoek blijkt dat de effecten varieerden tussen niet-waarneembaar of zeer gering tot waarneembaar en groot. De grootte van de effecten hing af van de aanwezige stoffen en hun concentraties, de eigenschappen van bodem, water of sediment op de locatie, en de gevoeligheid van planten en dieren die werden blootgesteld aan de stoffen. Dit maakt duidelijk dat milieucondities voor een deel de effecten van de stoffenmengsels bepalen.<br>De meetmethoden en modelanalyses van het SSEO-programma blijken bruikbaar voor het beheersen van lokale risico's van verontreinigingen. Voor Nederland is het heel belangrijk om deze instrumenten op grotere schaal toe te passen gezien de vele diffuus verontreinigde locaties. Saneren is op die plekken geen oplossing. Om de risico's van deze verontreinigingen te beheren adviseert het RIVM een risicotoolbox te ontwikkelen. Toepassing daarvan is nodig voor een betere op ecologie gebaseerde effectbepaling. Dit kan uiteindelijk leiden tot een koppeling tussen stoffenbeleid en gebiedsbeheer.<br>
    • Exposure and potential health effects associated with the use of PX-10 in the Dutch Armed Forces

      Schram-Bijkerk D; van Tongeren M; Vermeulen RCH; MGO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-11-10)
      Het is praktisch uitgesloten dat defensiepersoneel acute myeloïde leukemie, of aanverwante vormen van kanker heeft ontwikkeld door te werken met het wapenonderhoudsmiddel PX-10. Dit middel bevatte tot 1970 lage concentraties (0,1 procent) van de kankerverwekkende stof benzeen. Daarna daalden de concentraties van deze stof in het product sterk, waardoor de totale blootstelling voor Defensiepersoneel gering was. Dit blijkt uit berekeningen van de blootstelling aan en de gezondheidseffecten van werken met PX-10. Het Ministerie van Defensie heeft dit onderzoek uitgezet, nadat het in 2008 aansprakelijk was gesteld voor gezondheidsschade door werkzaamheden met PX-10. Drie tot vier van elke 1.000 Nederlandse mannen krijgen AML, zonder dat ze ooit met PX-10 gewerkt hebben. Onder defensiepersoneel, dat vele jaren dagelijks intensief met PX-10 werkte, is er volgens de berekeningen sprake van 0,03 extra gevallen per 1.000 mannen. Het is daarom onwaarschijnlijk dat er daadwerkelijk extra gevallen van AML zijn opgetreden, zelfs als een paar duizend werknemers in hoge mate zijn blootgesteld aan PX-10. Hoeveel benzeen het defensiepersoneel inademde of opnam via de huid is afhankelijk van de periode waarin de werkzaamheden plaatsvonden en het type werkzaamheden met PX-10. Het jaarlijks gemiddelde per persoon was maximaal 0,5 parts per million (ppm), wat onder de huidige norm ligt van gemiddeld 1 ppm per werkdag. PX-10 bevat ook andere oplosmiddelen die effecten kunnen hebben op het zenuwstelsel. Uit dit onderzoek blijkt dat de blootstelling aan de totale hoeveelheid van deze oplosmiddelen gemiddeld tussen de 2 en 100 ppm lag, afhankelijk van het type werkzaamheden. Het is echter niet mogelijk aan te geven wat de effecten hiervan zijn op de gezondheid, omdat de precieze relatie tussen blootstelling en gezondheidseffecten niet bekend is.
    • Exposure Assessment

      Williams M; Lebret E; et al.; CCM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1991-12-31)
    • Exposure assessment of Dutch nursing infants to brominated flame retardants via breast milk

      Winter-Sorkina R de; Bakker MI; Baumann RA; Hoogerbrugge R; Zeilmaker MJ; SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-01-09)
      As part of a national survey on the occurrence of persistent organic contaminants in breast milk, a group of brominated flame retardants (polybrominated diphenyl ethers or PBDEs) was measured in breast milk which had been collected in 1998 from Dutch primiparous women on day 6 to 10 after labour. Together with data on milk intake, body weight and the duration of breast feeding these data were taken as a starting point for the calculation of the exposure to PBDEs via breast milk. The cumulative exposure was calculated for 10 PBDE congeners and for breast feeding periods of 8 days and 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7.5 and 9 months. The mean, standard deviation, minimum, maximum, 5th and 95th percentile of these exposure doses were calculated. The mean cumulative exposure of the sum of the PBDEs was 2.9 mu g/kg bw (95th percentile 6.6 mu g/kg bw) for a breast feeding period of 6 months and 3.8 mu g/kg bw (95th percentile 8.6 mu g/kg bw) for a period of 9 months. BDE #47 contributed about 35 % to the total intake, while BDEs #153, #99, #183 en #100 contribute each. It appears that at 6 months the daily exposure of nursing infants to PBDEs via breast milk is about 6 times higher than the exposure of adults via food (the latter was calculated in an earlier study). In addition to the exposure to PBDEs, nursing infants are also expected to be exposed to the brominated flame retardant hexabromocyclododecane (HBCD). Consequently, measurements of HBCD in breast milk, followed by a risk assessment for nursing infants, is recommended.
    • Exposure assessment of Dutch nursing infants to brominated flame retardants via breast milk

      de Winter-Sorkina R; Bakker MI; Baumann RA; Hoogerbrugge R; Zeilmaker MJ; SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-01-09)
      De blootstelling van Nederlandse zuigelingen aan polybroomhoudende bifenylethers (PBDEs) via moedermelk is berekend. Dit is gedaan met behulp van gemeten concentraties PBDEs in moedermelk die in 1998 bij Nederlandse vrouwen verzameld is en met gegevens over de melkinname van zuigelingen, hun lichaamsgewicht en de duur van de borstvoedingsperiode. Hierbij werd een probabilistische benadering toegepast. Dat wil zeggen dat de distributie van de inname werd bepaald rekening houdend met de variabiliteit van de PBDE concentratie in moedermelk, de variabiliteit van de melkinname en die van het lichaamsgewicht van de zuigeling. De cumulatieve blootstelling (gemiddelde, standaard afwijking, minimum, maximum, 5 en 95 percentiel waarden) werd berekend voor 10 PBDEs en voor borstvoedingsperioden varierend van 8 dagen tot 1-9 maanden. De gemiddelde cumulatieve blootstelling van de som van de PBDEs (#17, #28, #47, #66, #85, #99, #100, #153, #154 en #183) bedroeg 2,9 mu g/kg lg (95e percentiel: 6,6 mu g/kg lg) voor een borstvoedingsperiode van 6 maanden en 3,8 mu g/kg lg (95e percentiel 8,6 mu g/kg lg) voor een periode van 9 maanden. De grootste bijdrage aan de blootstelling werd geleverd door BDE #47 ( bijdragen (elk congeneer van #17, #28, #66, #85 en # 154 waren slechts gering. Een eerdere studie naar de blootstelling van volwassenen aan gebromeerde vlamvertragers via de voeding heeft laten zien dat naast blootstelling aan PBDEs (3,2-3,5 ng/kg lg/dag voor de som van PBDEs), ook blootstelling aan hexabroomcyclododecaan (HBCD, 2,9 ng/kg lg/dag) optreedt. Gegeven deze inname en de chemische eigenschappen van HBCD mag verwacht worden dat HBCD in Nederlandse moedermelk aanwezig is. Hierdoor zal, naast blootstelling aan PBDEs, ook blootstelling van zuigelingen aan HBCD optreden. Het verdient daarom aanbeveling om de analytisch-chemische methoden voor broomhoudende vlamvertragers in moedermelk uit te breiden met een HBCD-bepaling. De gebromeerde vlamvertrager tetrabroombisphenol-A bevindt zich ook in voeding, maar zal naar verwachting niet accumuleren in de mens. Tenslotte moet worden opgemerkt dat de geschatte blootstelling van zuigelingen aan PBDEs uit moedermelk hoger is dan die van Nederlandse volwassenen uit voeding. Voor de in Nederland aanbevolen borstvoedingsperiode van 6 maanden is de gemiddelde dagelijkse blootstelling van zuigelingen aan de som van PBDEs ongeveer 6 keer hoger dan de geschatte blootstelling van volwassenen aan deze verbindingen via voedsel.
    • Exposure assessment of food additives with use levels provided by industry : A pilot study

      Wapperom D; van Donkersgoed G; Koopman N; Niekerk EM; van Rossum CTM; van Klaveren JD; Bakker MI; SIR; vgc (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-05-15)
      Door gebruik te maken van door de voedingsindustrie aangeleverde gegevens kan de blootstelling aan kleurstoffen nauwkeuriger worden geschat. Het RIVM concludeert dit na een pilotstudy waarin de blootstelling van Nederlandse kinderen aan twee kleurstoffen geschat wordt met behulp van door fabrikanten opgegeven gebruikte hoeveelheden in voedingsproducten. De aanleiding voor deze studie was dat blootstelling aan additieven vaak wordt overschat. Voorheen werden voor de schatting van inname van additieven vaak de maximaal toegestane hoeveelheden voor een product gebruikt, die meestal hoger zijn dan de door de fabrikanten gebruikte hoeveelheden. Daarnaast was vaak een uitgangspunt dat deze hoeveelheden voor de gehele voedselcategorie (zoals alle soepen) gelden, in plaats van voor bepaalde typen producten (zoals tomatensoep). In het huidige onderzoek zijn de specifieke gegevens van de producttypen gebruikt. De nieuwe data van de hoeveelheden kleurstoffen zijn vervolgens gekoppeld aan de mate waarin mensen kleurstofbevattende producten consumeren. Deze laatste gegevens zijn ontleend aan de consumptiedata uit de Voedselconsumptiepeiling onder jonge kinderen (2005/2006). Met deze methode worden de blootstellingschattingen naar verwachting lager en realistischer. Dit onderzoek is in samenwerking met de industrie uitgevoerd op initiatief van de Federatie Nederlandse Levensmiddelen Industrie (FNLI) en het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). Hiervoor heeft de industrie data aangeleverd van het gebruik van de kleurstoffen E120 (karmijnrood) en E133 (briljantblauw) in voedselproducten. Deze data blijken geschikt te zijn om de blootstelling te monitoren, op voorwaarde dat ze de in Nederland veel geconsumeerde voedselproducten goed vertegenwoordigen. Daarnaast is een goede communicatie tussen het RIVM en de industrie belangrijk om eventuele onduidelijkheden in de verkregen data op te helderen. De methode lijkt bruikbaar om uiteenlopende additieven te kunnen monitoren en kan in principe door alle Europese lidstaten worden gebruikt. Dit onderzoek is uitgevoerd in een publiek-private samenwerking.
    • Exposure assessment of the food additive titanium dioxide (E 171) based on use levels provided by the industry

      Sprong C; Bakker M; Niekerk M; Vennemann M; VVH; V&amp;Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-03-03)
      Titaniumdioxide (E 171) is een kleurstof die gebruikt wordt om voedingsmiddelen als snoep, sauzen en decoraties van banketwaren, toetjes of ijs (zoals glazuur, fondant of pareltjes) een witte kleur te geven. Het RIVM heeft op basis van de meest recente inzichten berekend aan hoeveel milligram per kilo lichaamsgewicht mensen gemiddeld door de jaren heen blootstaan. Er bestaat geen maximum voor de inname van deze kleurstof. <br> <br>Bij verschillende leeftijdsgroepen is de inname berekend. Mensen van 70 jaar en ouder worden door de jaren heen per dag aan gemiddeld 0,5 milligram per kilo lichaamsgewicht blootgesteld (met een bovenste limiet van 1,1 mg/kg lichaamsgewicht per dag). Bij mensen tussen 7 en 69 jaar is dat ietsje hoger (0,7; bovenste limiet 1,3). Voor kinderen van 2 tot en met 6 jaar is de inname het hoogst doordat zij in verhouding meer binnenkrijgen per kilo lichaamsgewicht: 1,4 milligram per kilo lichaamsgewicht per dag voor kinderen (met als bovenste limiet 3,2 mg/kg lichaamsgewicht per dag). Afhankelijk van de leeftijdsgroep is de hoogste blootstelling een factor 3 tot 4 hoger. Mensen krijgen de kleurstof vooral binnen via (gedecoreerde) banketwaren, toetjes en sauzen.<br> <br>De resultaten zijn gebaseerd op informatie die de industrie heeft aangeleverd over de voedingsmiddelen waarin zij E 171 gebruiken en de hoeveelheid kleurstof die daarin wordt verwerkt. De werkelijke inname is waarschijnlijk wat lager doordat onder meer een bredere range aan producten is meegeteld in de innameberekening (bijvoorbeeld alle cakes in plaats van alleen cake met een wit laagje) dan uitsluitend die producten waar de kleurstof daadwerkelijk aan is toegevoegd. Dit is gedaan omdat gegevens over de consumptie van wit-gekleurde producten ontbreken. De blootstellingschattingen kunnen verder worden verfijnd door de schattingen te preciseren.<br> <br>De studie is uitgevoerd op initiatief van het ministerie van Volksgezondheid, VWS en de Federatie van de Nederlandse Levensmiddelenindustrie (FNLI).<br>
    • Exposure informed testing under REACH

      Vermeire TG; Bakker J; Bessems JGM; van de Bovenkamp M; Dang Z; van Engelen JGM; Gunnarsdottir S; Hagens WI; Links I; Marquart H; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNO, 2008-09-26)
      De mate waarin mensen blootstaan aan chemicalien kan het aantal testen met proefdieren beinvloeden dat nodig is om de veiligheid van een stof te beoordelen. Dit betekent dat bepaalde onderzoeken niet nodig zijn als mensen of organismen in het milieu niet of nauwelijks aan een stof staan blootgesteld (Exposure Based Waiving, EBW). Hierdoor zijn minder proefdieren nodig. Bij relatief hoge blootstellingen kunnen juist extra testen met proefdieren nodig zijn (Exposure Based Triggering, EBT). Goede kennis van deze blootstelling via modellering of meting is hiervoor onontbeerlijk, zowel voor EBW als EBT. Dit geldt voor alle relevante stadia in de levenscyclus van een stof, van productie tot de afvalfase. Alleen dan kan gezegd worden of een blootstelling niet of juist wel relevant is. Het gaat om blootstelling van de mens, direct via consumentenproducten of op de werkplek of indirect via het milieu, en om blootstelling van organismen in het milieu. Het RIVM en TNO hebben onderzocht hoe dit onderdeel van teststrategieen kan worden aangewend om proefdiergebruik te verminderen. Het rapport is een deelproduct van het Europese Zesde Kaderproject OSIRIS (Optimized Strategies for Risk Assessment of Industrial Chemicals through Integration of Non-Test and Test Information). Doel van dit project is om teststrategieen te ontwikkelen voor toepassing onder REACH die het proefdiergebruik kunnen verminderen. De nieuwe Europese Verordening voor registratie, beoordeling, autorisatie en beperkingen voor chemische stoffen (REACH) verplicht de industrie om een registratiedossier voor haar stoffen in te dienen. De verplichte testen zijn in REACH vastgelegd en afhankelijk van de hoeveelheid stof die op de markt komt. Onder bepaalde voorwaarden, zoals de mate van blootstelling, kan hiervan worden afgeweken.
    • Exposure to and toxicity of methyl-, ethyl- and propylparaben : A literature review with a focus on endocrine-disrupting properties

      Brand W; Boon PE; Hessel EVS; Meesters JAJ; Weda M; Schuur AG; CPV; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-03-21)
      Parabenen zijn stoffen die als conserveermiddel in verschillende consumentenproducten kunnen worden gebruikt, zoals persoonlijke verzorgingsproducten, voedsel en medicijnen. Ze gaan de groei van schimmels en bacteriën tegen. Parabenen worden er van verdacht dat ze een hormoonverstorende werking hebben. Hormoonverstorende stoffen kunnen de hormoonhuishouding in de war brengen. <br> <br>Het RIVM heeft in een literatuurstudie voor de drie meest gebruikte parabenen (methyl-, ethyl- en propylparabeen) onderzocht of deze als een hormoonverstorende stof beschouwd kunnen worden. De beschikbare gegevens uit dierstudies die in de literatuur zijn beschreven, leveren echter onvoldoende informatie om hierover een conclusie te trekken. In de studie is ook bekeken of de mogelijke hormoonverstorende effecten zijn meegenomen in de wettelijke beoordelingskaders die van toepassing zijn. Omdat er onvoldoende gegevens zijn, is dat niet het geval bij de huidige risicobeoordeling. <br> <br>De blootstelling door persoonlijke verzorgingsproducten is behoorlijk goed onderzocht en lijkt in het algemeen het meest aan de totale blootstelling bij te dragen. De blootstelling vanuit voedsel blijkt verwaarloosbaar. Voor een acceptabele, eerste schatting van de blootstelling vanuit medicijnen is te weinig informatie beschikbaar. Uit de studie blijkt verder dat de mate waarin mensen aan de afzonderlijke parabenen worden blootgesteld naar schatting lager lijkt te zijn dan de hoeveelheid waarbij een gezondheidseffect kan worden verwacht. Voor deze blootstellingsschattingen zijn veiligheidshalve zeer ongunstige aannames gebruikt. In de praktijk worden mensen echter aan een combinatie van verschillende stoffen blootgesteld. Het is nog onduidelijk of en hoe deze gecombineerde blootstelling aan de verschillende parabenen meegenomen kan worden in de risicobeoordeling. <br> <br>Om hiaten in de kennis te vullen adviseert het RIVM om aanvullend onderzoek te doen naar de mogelijk hormoonverstorende werking van de parabenen en de blootstellingsschatting te verfijnen. Hiervoor worden aanbevelingen aangereikt. <br>
    • Exposure to chemicals via house dust

      Oomen AG; Janssen PJCM; Dusseldorp A; Noorlander CW; IMG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-04-24)
      Mensen worden via huisstof aan chemische stoffen blootgesteld. De meeste stoffen vormen op deze manier geen risico voor de gezondheid. Voor enkele stoffen wordt wel de gezondheidskundige norm overschreden waardoor er mogelijk sprake kan zijn van een risico voor de gezondheid. Dit geldt met name voor lood en di(2-ethylhexyl)ftalaat en in minder mate voor arseen, cadmium, polycyclische aromatische koolwaterstoffen en PBDE's (vlamvertragers). Deze stoffen komen op allerlei manieren terecht in huisstof, bijvoorbeeld door slijtage van producten, inloop van verontreinigde bodem, door stoffen die bij het koken vrijkomen of via de open haard. In opdracht van VROM-Inspectie heeft het RIVM een screening uitgevoerd van de risico's van verschillende chemische stoffen in huisstof (metalen, organotinverbindingen, ftalaten, gebromeerde vlamvertragers, bestrijdingsmiddelen, en polycyclische aromatische koolwaterstoffen). Huisstof wordt vooral ingenomen door contact van de hand of een voorwerp met de mond, wat vooral bij jonge kinderen veel voor komt. Daarnaast wordt een beperkte hoeveelheid huisstof ingeademd. De inname van huisstof is geschat voor kinderen en volwassenen. De blootstelling aan chemische stoffen via huisstof is berekend op basis van de hoeveelheid huisstof die mensen binnenkrijgen en concentraties van chemische stoffen daarin. Waar mogelijk is dat op de situatie in Nederland toegespitst. De blootstelling via huisstof is vergeleken met de norm voor wat dagelijks is toegestaan, en met de achtergrondblootstelling via voeding en water. De huidige bevindingen geven een overzicht van de stoffen in huisstof die de gezondheidskundige norm kunnen overschrijden, en waarvan de bijdrage van huisstof aan de totale blootstelling aanzienlijk is. Aanbevolen wordt de hier geidentificeerde stoffen te meten bij onderzoek naar het binnenmilieu.
    • Exposure to genotoxic carcinogens at young age: experimental studies to assess children's susceptibility to mutagenic effects of environmental chemicals

      Luijten M; Hernandez LG; Zwart EP; van Steeg H; Bos PMJ; van Benthem J; VTS; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-11-11)
      Jonge dieren lijken niet gevoeliger dan volwassen dieren voor schadelijke effecten van DNA-beschadigende stoffen Op heel jonge leeftijd kunnen proefdieren gevoeliger zijn voor de schadelijke effecten van chemische stoffen dan op volwassen leeftijd. Sommige stoffen veroorzaken in de jonge levensfase meer schade aan het DNA, maar dat is niet altijd het geval. Een hogere gevoeligheid op jonge leeftijd lijkt af te hangen van de manier waarop de stof het erfelijk materiaal beschadigt. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Chemische stoffen kunnen op verschillende manieren veranderingen aan het erfelijk materiaal veroorzaken. Normaal gesproken worden mogelijke schadelijke effecten van chemische stoffen in kaart gebracht door studies met volwassen proefdieren uit te voeren. Kinderen en volwassenen kunnen echter verschillen in de mate waarin ze gevoelig zijn voor chemische stoffen. Eerder was een hogere gevoeligheid voor schadelijke effecten bij jonge proefdieren waargenomen in onderzoek van het RIVM naar benzo[a]pyreen. Deze stof, die voorkomt in voeding, zoals gebraden vlees, en in tabaksrook en uitlaatgassen, geeft meer schadelijke effecten op jonge leeftijd dan op volwassen leeftijd. Nadien is dit effect getoetst voor drie andere stoffen. Bij stoffen die op een andere manier DNA beschadigen, heeft leeftijd veel minder invloed. Bij de risicobeoordeling van chemische stoffen zal per stof beoordeeld moeten worden of de standaard veiligheidsfactor voldoende is of aanpassing behoeft.
    • Exposure to nanomaterials in consumer products

      Wijnhoven SWP; Dekkers S; Hagens WI; de Jong WH; GBO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-09-04)
    • Exposure to PCDD/F's of Workers in the Electrofilter Ash Recycling Industry

      Derks HJGM; Liem AKD; Jong A de; Heisterkamp SH; LBO; LOC (1997-04-30)
      Bloedmonsters van 17 werknemers van fabrieken waarin electrofilteras afkomstig van afvalverbrandingsinstallaties wordt verwerkt in asfalt, werden onderzocht op PCDD/F's. Daarnaast werden monsters van employees, die in deze fabrieken werkten maar die niet in contact kwamen met elektrofilteras, onderzocht. Na afname werden de bloedmonsters opgewerkt en geanalyseerd met behulp van gecombineerde gaschromatografie-massaspectrometrie. Statistische analyse van de resultaten toonde aan dat in het algemeen de concentraties van PCDD/F's uitgedrukt in I-TEQ in het bloed van de blootgestelde werknemers niet hoger waren dan die van niet-blootgestelden en controlegroepen beschreven in de literatuur. Twee bloedmonsters vertoonden wel significant verhoogde concentraties, maar naar alle waarschijnlijkheid lag hieraan een analytisch artefact ten grondslag. Daarentegen waren de concentraties van de congeneer octachloor-dibenzo-p-dioxine in de monsters van de werknemers achtvoudig verhoogd ten opzichte van literatuurcontroles. Dit is een sterke aanwijzing voor additionele blootstelling van deze groep. Ook het gepoolde monster van de niet-blootgestelde employees vertoonde enigszins verhoogde OCDD-concentraties. Omdat er echter verschillende invloedsfactoren zijn die een dergelijke verhoging kunnen verklaren is het niet zeker dat dit wijst op additionele blootstelling van deze groep. Omdat OCDD een relatief lage toxiciteit bezit heeft de geconstateerde extra blootstelling geen consequenties voor de gezondheid van de werknemers.
    • Exposure to preformed N-nitroso compounds

      Ellen G (1988-10-31)
      Dit rapport geeft een overzicht van literatuurgegevens van ca. 1978-1988 over N-nitrosoverbindingen (NV) in voedsel, dranken en andere consumentenprodukten en media die bijdragen aan blootstelling van de mens aan NV. Een gemiddeld West-Europees dagelijks voedingspakket, inclusief dranken, bevat momenteel minder dan 0,5 mug vluchtige NV, waarschijnlijk ca. 0,1 mug. Een daling in de dagelijkse inname van vluchtige NV gedurende de laatste 10 jaar is vooral te danken aan veel lagere gehalten in bier en vleeswaren, welke produkten niettemin samen met vis en visprodukten nog steeds de belangrijkste bronnen van NV in het voedselpakket vormen. Andere bronnen van blootstelling zijn cosmetica, tabaksprodukten en arbeidsomstandigheden, vooral in de rubber- en metaalindustrie. Beroepsmatige dagelijkse blootstelling bereikt in de rubberindustrie (via inhalatie) waarden tot 150 mug en bij arbeiders in de metaalindustrie tot 40 mug. Het roken van 20 sigaretten veroorzaakt een blootstelling van 17-85 mug en gebruik van snuif- of pruimtabak kan leiden tot een dagelijkse blootstelling van meer dan 400 mug. Blootstelling aan niet-vluchtige NV kan nog steeds niet worden gekwantificeerd door het ontbreken van selectieve en gevoelige bepalingsmethoden.
    • An Exposure/Uptake Assessment Database for Consumer Products: Design and implementation

      Steentjes GM; Veen MP van; Bremmer HJ; LBO (1998-06-30)
      Om in staat te zijn standaardwaarden te gebruiken in de blootstellingsanalyse van consumentenproducten, werden consumentenproducten in een beperkt aantal categorien gerangschikt en werd een overzicht van de beschikbare gegevens gemaakt. Gegevens hierover werden in een eerder rapport gepubliceerd. Door gebruik te maken van een database worden gegevens toegankelijk voor computer applicaties. Dit rapport beschrijft het ontwerp en de opzet van een relationele database. De centrale entiteit in het gegevensmodel is het product. Het product is verbonden met de contact-, blootstellings- en opnamescenario's, zowel op een directe manier om specifieke data op te slaan, als indirect via de productcategorie, om standaardwaarden op te slaan. Het product is ook verbonden met entiteiten die informatie over het product bevatten, zoals de samenstelling, de producent en literatuurreferenties.
    • Extension of the OECD 414 rat teratogenicity protocol by increasing the duration of treatment and introduction of parameters of immunotoxicity: an exploratory study using diazepam as a model compound

      de Waal EJ; Piersma AH; van der Stappen AJ; Verhoef A; de Jong WH; van Loveren H; LGM; LEO; LPI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-02-28)
      Uitbreiding van een reproductietest volgens OECD richtlijn 414 werd op bruikbaarheid onderzocht door bij ratten een prenatale 'developmental' toxiciteitstest uit te voeren. Het standaard protocol werd op twee manieren aangepast. 1) De duur van de behandeling werd verlengd, zodat de nakomelingen ook gedurende het derde trimester van de dracht via het moederdier werden blootgesteld. 2) Parameters werden opgenomen die een indicatie zouden kunnen geven over mogelijke effecten op het immuunsysteem van de nakomelingen. Het experiment werd uitgevoerd met de benzodiazepine diazepam als modelstof. Uit een eerder gerapporteerde studie bleek dat deze verbinding de immuunrespons onderdrukt en verminderde weerstand geeft in de nakomelingen van ratten die tijdens het derde trimester van de zwangerschap werden behandeld. De parameters van het immuunsysteem die voor dit doel werden geselecteerd waren gelijk aan die, gebruikt in 28 daagse orale toxiciteitstesten, zoals ze worden uitgevoerd volgens de OECD richtlijn 407 versie 1995 (i.e. differentiele celtellingen in het bloed en histopathologie van lymfoide organen en weefsels, alsmede de gewichten van lymfoide organen). Bovendien werden analyses uitgevoerd van subpopulaties van milt lymfocyten, totale immunoglobuline concentraties in serum, miltlymfocytenresponsen op mitogene en 'natural killer cell' activiteit van lymfoide cellen in de milt. De teratogeniteitsparameters lieten geen behandelingsgerelateerde effecten zien in de nakomelingen. De verlenging van de behandelingsduur van dag 6-15 van de zwangerschap (GD 6-15) tot GD 6-20 had geen invloed op de uitkomsten van deze studie. Enige effecten van diazepam op het immuunsysteem werden waargenomen, echter, een causaal verband is twijfelachtig gezien de afwezigheid van een dosis-effect relatie. De gegevens uit deze studie suggereren dat het met de toegepaste set van immuunparameters die voor deze studie werd geselecteerd niet mogelijk was om ondubbelzinnig een effect van in utero blootstelling aan diazepam op het zich ontwikkelende immuunsysteem in neonatale ratten op te sporen.<br>
    • Externe straling van bouwmaterialen: Resultaten van MARMER-berekeningen aan een referentiewoning

      Blaauboer RO; Pruppers MJM; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-08-31)
      The so-called 'radiation performance standard' (in Dutch: Stralings Prestatie Norm, SPN) is being developed in the framework of the radon policy in the Netherlands. The radiation performance of a living area results from a calculation of the effective dose rate by external radiation. In the discussions about necessary simplifications in the calculations there is a need for estimates of the actual contribution to the dose rate of external radiation from building materials. Two questions play an important role. How do building type and dimension influence the dose rate? And which parts of a dwelling contribute to the dose rate in specific rooms? This report contains the results of detailed calculations for several versions of a reference dwelling using the model MARMER. From calculations in which type and thickness of a dividing wall between two bedrooms was varied, it was found that the wall shields as much radiation from walls in adjacent rooms as it contributes itself. Between 2% and 30% of the dose rate is due to building materials in other rooms. If adjacent dwellings were included in the calculations, the dose rate for most of the versions of the reference dwelling was estimated to increase by only 5%. For the version with a timber frame this increase could be considerably higher.
    • Externe straling van bouwmaterialen: Resultaten van MARMER-berekeningen aan een referentiewoning

      Blaauboer RO; Pruppers MJM; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-08-31)
      In het kader van het Nederlandse radonbeleid wordt de zogenaamde Stralingsprestatienorm (SPN) ontwikkeld. De stralingsprestatie (SP) van een verblijfsruimte of -gebied is het resultaat van een berekening volgens de SPN. Onderdeel van de SPN is een berekening van het dosistempo door externe straling. In de discussies over noodzakelijke vereenvoudigingen in de berekeningen bestaat er behoefte aan schattingen van de werkelijke bijdrage aan het dosistempo door externe straling afkomstig van bouwmaterialen. Twee vragen spelen daarbij een belangrijke rol. Hoe beinvloeden het type en de afmetingen van de bouwelementen het dosistempo? En welke onderdelen van de woning dragen wel en welke nauwelijks bij aan het dosistempo in bepaalde ruimten? Dit rapport bevat de resultaten van gedetailleerde berekeningen met het model MARMER voor diverse varianten van een referentiewoning. Uit berekeningen waarbij het type bouwmateriaal en de dikte van een tussenmuur tussen twee slaapkamers is gevarieerd, blijkt dat de tussenmuur ongeveer evenveel straling, afkomstig van wanden uit aangrenzende ruimten, afschermt als de muur zelf aan het totale dosistempo toevoegt. Tussen 20 en 30% van het dosistempo wordt door bouwmaterialen in andere ruimten veroorzaakt. Indien ook naastgelegen woningen zouden worden meegenomen, zou dat voor de meeste varianten slechts een toename van het dosistempo met naar schatting 5% betekenen. Voor de variant waarin veel hout is verwerkt, zou dit echter aanzienlijk meer kunnen zijn.<br>
    • Extracten van buitenlucht-aerosolen: mutageniteit in zoogdiercellen in vitro en chemische fractionering

      Knaap AGAC; Bergkamp WGM; van de Wiel HJ; Bloemen HJT; Voogd CE; Kramers PGN (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1985-01-31)
      Extracten van buitenlucht-aerosol blijken mutageen te zijn bij V79 Chinese hamstercellen, met toepassing van verschillende typen metabole activering. De cytotoxiciteit van een nitroverbinding (als model voor vermoedelijk in aerosol-extracten voorkomende stoffen) voor deze cellen blijkt in anoxische condities verhoogd te worden. Mogelijk is dit een basis voor een methode om het gehalte aan deze klasse stoffen in aerosol-extracten aan te geven. Fractionering van aerosol-extracten met oplosmiddelen van oplopende polariteit, leverde 5 fracties op waarvan de eerste twee resp. de alkanen en polycyclische aromaten bleken te bevatten. De fracties verschilden duidelijk en reproduceerbaar m.b.t. mutageniteit in de Ames-test. De "recovery" aan mutageniteit liet echter nog te wensen over.<br>
    • Extractie fluoride uit rivierklei. Simulatie van de beschikbaarheid in de koemaag

      Berg R van den; Mesters-Bakhuijs H; Staden JJ van; Berg S van den (1988-06-30)
      Een belangrijke risicogroep voor blootstelling aan fluoride vormt vee. Bij de huidige optredende concentraties zijn effecten aangetoond. Door simulatie van de omstandigheden in de koemaag is een eerste inzicht verkregen in de mate van blootstelling via extractie van fluoriden uit gronddelen, met name rivierklei (met hoge natuurlijke fluoridegehalten). Aangetoond is dat bij pH 2 (pH van de lebmaag) significant meer fluoride beschikbaar kwam dan bij pH 7 (pH van de voormagen). Na 24 uur werd 40 +/- 10 mg F-/kg grond bij pH 2 geextraheerd en 5 +/- 1 mg F-/kg bij pH 7. In deze proeven werd gevonden dat maximaal (bij pH 2 en 35 graden C) 40 +/- 10 mg F-/kg grond beschikbaar kwam en dat geen significante verschillen optraden als gevolg van variatie in bodemtype en tijd. Het extractiegehalte van depositiebelaste rivierklei (Heteren) was wel significant hoger dan van rivierklei uit een onbelast gebied (Houten). In tegenstelling tot de geextraheerde gehalten verschilden de extractiepercentages voor humeuze zandgrond en rivierklei significant. De beschikbare fluoride bij pH 2 varieerde van 6 tot 13% voor de rivierklei en 44 tot 47% voor de humeuze zandgrond. Een keuze tussen gebruik van extractiepercentage of extractiegehalte voor normstelling van opname uit gronddelen kan op basis van de beperkte range van getoetste bodemtypes niet verantwoord gemaakt worden.