• Fast HPLC screening method for the presence of trenbolone and its major metabolite in urine of slaughter cattle

      Jansen EHJM; Zoontjes PW; van Blitterswijk H; Both-Miedema R; Stephany RW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1984-11-30)
      Een eenvoudige en snelle detectiemethode voor 17beta-trenbolon en zijn hoofdmetaboliet 17alfa-trenbolon wordt beschreven. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een HPLC-scheiding op een "normal phase" kolom met UV-detectie bij 350 nm. De absolute detectiegrens ligt in de orde van 0.3-0.4 ng, terwijl de detectielimiet in urinemonsters ligt in de orde van 1-2 mug/l.<br>
    • The fate of Bacillus cereus in the gastrointestinal tract

      Pielaat A; Wijnands LM; Takumi K; Nauta MJ; Leusden FM van; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-03-31)
      This report presents a mathematical dynamical model for the behaviour of Bacillus cereus in the gastro-intestinal tract. Biological processes and system dynamics are simultaneously incorporated in this mechanistic model. Variability in growth characteristics and physical traits of different B. cereus strains are expressed through the incorporation of a range of reasonable parameter values obtained from experiments. Different hypotheses concerning initial ingestion of B. cereus microbes and subsequent in vivo processes leading to a potential infection are tested. Model outputs show the course of (attached) vegetative cells and/or spores in the stomach and small intestine during the digestion of food containing B. cereus microbes. Results show the minor influence of the stomach on the ultimate number of vegetative cells in the small intestine. A "mild" exposure (10^3 cfu g^-1) still causes an increased probability on food intoxication when 100 g of food containing, at least, slightly mesophilic B. cereus strains is consumed. Exposure to levels just above the Dutch standard (set at < 10^5 cfu g^-1) will, according to this model, always form a food hazard problem. Furthermore, this model gives insight in the uncertainty of some parameter values that need elaborated experimental investigation to come to an improved hazard characterisation and, with that, to improved suggestions for food microbiological criteria.
    • The fate of Bacillus cereus in the gastrointestinal tract

      Pielaat A; Wijnands LM; Takumi K; Nauta MJ; van Leusden FM; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-03-31)
      Dit rapport presenteert een wiskundig dynamisch model waarmee het gedrag van Bacillus cereus in het maag-darmkanaal beschreven wordt. Microbiologische processen en processen in het maag/darmkanaal vormen samen de basis voor dit mechanistische model. Variabiliteit in groeikarakteristieken en fysieke eigenschappen van B. cereus-stammen komen tot uitdrukking in de parameterwaarden verkregen uit experimenten. Met het model zijn verschillende hypothesen getest betreffende initiele inname van B. cereus microben en daaropvolgende "in vivo" processen welke tot een potentiele infectie kunnen leiden. Modeluitkomsten laten het lot van vegetatieve cellen en/of sporen in de maag en dunne darm tijdens de vertering van een maaltijd met B. cereus-microben zien. Hieruit blijkt dat de maag weinig invloed heeft op het uiteindelijke aantal vegetatieve cellen in de dunne darm. Een "milde" blootstelling [10ˆ3 kolonievormende eenheden (kve) gˆ-1] geeft nog steeds een verhoogde kans op een toxico-infectie wanneer 100 g voedsel wordt geconsumeerd met daarin, tenminste, licht mesofiele B. cereus stammen. Blootstellingsnivo's juist boven de Nederlandse gestelde norm van < 10ˆ5 kve gˆ-1 vormen volgens dit model altijd een potentieel gevaar. Verder geeft dit model inzicht in de onzekerheid van bepaalde parameterwaarden welke nader experimenteel onderzocht zouden moeten worden om tot een betere risicobeoordeling te kunnen komen. Integratie van experimentele data in een dynamisch model met daarin de belangrijkste componenten voor voedselinfectie zal uiteindelijk leiden tot verbeterde suggesties voor voedselmicrobiologische criteria.
    • Fate of plant protection products in soilless cultivations after drip irrigation: measured vs. modelled concentrations : Interpretation of the 2014 experiment with the Substance Emission Model

      Broek I van den; Hoogsteen MJJ; Boesten JJTA; Broek I van den; Wipfler EL; MIL; LGW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2017-08-10)
      The Greenhouse Emission Model has recently been adopted as a model package for assessing emissions to and concentrations in groundwater and surface water after use of plant protection products in greenhouse crops. Stakeholders advised that the model be tested against experimental data. In October 2014, facilities of WUR Plant Research were used to perform a pilot experiment in which cucumber plants on stone wool substrate were treated with three plant protection products, using a drip irrigation method. Concentrations of the active substances were measured in both the water flowing to and draining from the substrate. GEM was tailored to the experimental conditions and used to predict concentrations in parts of the experimental system. Measured and simulated concentrations of imidacloprid and fluopyram were comparable from approximately 36 hours after the start of the experiment onwards. Prior to this, concentrations in the inflowing water were underestimated and concentrations in the drain water were overestimated, probably because of incomplete mixing. For dimethomorph, agreement between the measured and calculated concentrations was reached after approximately 80 hours. This more lengthy period may be due to exceeding the solubility of the substance, causing precipitation or settling on the tube walls, and redissolving later on; the model does not account for these processes. Degradation of all three substances was found to be negligible over the duration of the experiment. Plant uptake was the major dissipation process. Experimental results show that uptake of substances was lower than uptake of water, thereby supporting the transpiration stream concentration approach proposed by Briggs et al. (1982); this approach is often applied however experimental evidence is scarce. Transpiration stream concentration factors far below one were found to fit experimental results best.
    • Feasibility of validating the Uniform System for the Evaluation of Substances (USES)

      Jager DT; ECO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-01-31)
      UBS, het Uniforme Beoordelingssysteem Stoffen, is een beslissings-ondersteunend gereedschap voor een snelle, kwantitatieve analyse van de risico's verbonden aan de levenscyclus van een chemische stof. Omdat risico-analyse een inherent onzeker proces is, is een grondige modelanalyse aan te bevelen. Een vorige versie van UBS was slechts gedeeltelijk gevalideerd, wat onvoldoende was voor een volledige validatie. Risico's kunnen niet in het veld gemeten worden, daarom zal de aandacht voornamelijk gericht zijn op validatie van de afzonderlijke modellen en modulen van UBS. Dit rapport beschrijft de procedure die gevolgd kan worden om de gebruiker te tonen wat de nauwkeurigheidsgraad is die UBS kan geven. Dit geeft de beleidsmaker de mogelijkheid om de nauwkeurigheid van UBS bij risico-analyse in overweging te nemen. In dit rapport wordt de validatie-status van de huidige modulen van UBS bediscussieerd. Een kader en aanbevelingen voor toekomstige validatie wordt gegeven. De aannamen en keuzen (vaak impliciet gemaakt) zijn nu geexpliciteerd. Geconcludeerd kan worden dat voor vele modulen numerieke validatie reeds is uitgevoerd of geinitieerd. Operationele validatie van de toepasbaarheid van het gehanteerde model en conceptuele validatie van het blootstellingsscenario ontbreekt echter. Omdat veel van de validatieactiviteiten buiten het kader van het UBS-project plaatsvinden, is inventarisatie van al de resultaten noodzakelijk. Dit rapport beschrijft tevens een experiment om de risicoschattingen van UBS te 'valideren'. Dit gebeurde door prioritering van stoffen door experts te vergelijken met prioritering door UBS. Ondanks vele onzekerheden geeft deze aanpak meer inzicht in de relatie tussen 'objectieve' risico-schatting van UBS en de 'risico-perceptie' van experts. In 1995 en 1996 zal een Europees systeem voor risico-analyse ontwikkeld worden, gebaseerd op de huidige versie van UBS. De inventarisatie en discussie in dit rapport van de huidige modulen en scenario's kan gebruikt worden bij deze ontwikkeling. Een validatie van het huidige UBS is niet gepland. Als het Europese systeem afgerond is kan dit systeem grondig geanalyseerd worden waarbij dit rapport de basis kan vormen.<br>
    • Feasibility study for improvements to the population screening for cervical cancer 2013

      van der Veen N; Carpay MEM; van Delden JA; Brouwer E; Grievink L; Hoebee B; Lock AJJ; Salverda-Nijhof JGW; CVB; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-09-28)
      Een langdurige infectie met hoog-risicotypen van het Humaan Papillomavirus (hrHPV) kan voorstadia van baarmoederhalskanker veroorzaken. Vroege opsporing van voorstadia van baarmoederhalskanker door hrHPV-screening als primaire test is, goed te organiseren en uit te voeren. Dit blijkt uit een zogeheten uitvoeringstoets naar dit bevolkingsonderzoek, uitgevoerd door het Centrum voor Bevolkingsonderzoek. De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gebruikt de toets bij de besluitvorming of het voorgestelde bevolkingsonderzoek wordt ingevoerd. Het voorgestelde bevolkingsonderzoek is bedoeld voor vrouwen van 30 tot en met 60 jaar. Zij worden iedere vijf jaar door de screeningsorganisaties uitgenodigd om bij de huisartsenvoorziening een uitstrijkje te laten maken. Vrouwen die niet reageren, ontvangen een zelfafnameset om zelf lichaamsmateriaal af te nemen. Het afgenomen materiaal wordt getest op de aanwezigheid van hrHPV. Vrouwen van 40 en 50 jaar die hrHPV-negatief getest zijn, krijgen pas na tien jaar een nieuwe uitnodiging. Als hrHPV aanwezig is, wordt gekeken of er ook sprake is van afwijkende cellen (cytologische beoordeling). Afhankelijk hiervan vindt verwijzing naar de gynaecoloog of vervolgonderzoek bij de huisartsenvoorziening plaats. Vrouwen die in aanmerking komen voor vervolgonderzoek, ontvangen een uitnodiging van de screeningsorganisaties. De hrHPV-test en de cytologische beoordeling vinden plaats in een beperkt aantal screeningslaboratoria. Het voorgestelde bevolkingsonderzoek levert extra gezondheidswinst op en de uitvoeringskosten zijn lager dan het huidige bevolkingsonderzoek. De uitvoeringstoets is in samenwerking met de betrokken beroepsgroepen, patiëntenorganisaties, screeningsorganisaties en andere stakeholders tot stand gekomen. Onder hen is voldoende draagvlak om hrHPV-screening en de zelfafnameset in te voeren. Voor de uitvoeringstoets is in kaart gebracht hoe het primaire proces, de organisatie, het kwaliteitsbeleid, de communicatie, de monitoring en evaluatie ingericht moeten worden. Om het voorgestelde bevolkingsonderzoek in te kunnen voeren, is twee jaar voorbereiding nodig. Het opstellen van de kwaliteitseisen, de aanbestedingen en de ICT-ontwikkelingen zijn belangrijke aandachtspunten in de voorbereiding. Het voorgestelde bevolkingsonderzoek wordt direct volledig ingevoerd. Alle vrouwen die in aanmerking komen voor een uitnodiging, krijgen een hrHPV-test aangeboden. Intensieve monitoring van mogelijke nadelige effecten, zoals overbehandeling, is belangrijk.
    • Feasibility study into expanding the neonatal heel prick screening test

      Dekkers, EHBM; Klein, AW; Lock, AJJ; Vermeulen, HM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2019-01-14)
      In the first week after birth, a few drops of blood are taken from the heel of the baby and examined for a number of severe and rare congenital diseases. In 2015 the Health Council of the Netherlands advised the Minister of Health, Welfare and Sport to expand the heel prick test to include another fourteen disorders. The National Institute for Public Health and the Environment (RIVM) has carried out a so-called feasibility study to see if this is achievable. It appears that it is, as long as the expansion is implemented in phases. However, it also appears that this expansion can only take place under a number of conditions including adequate staffing levels and financial means, the availability of flexible IT amenities, and a good interface with the health services. In 2017, the first two of the fourteen conditions - alpha and beta thalassemia - have already been added to the programme. The expansion is a complex process due, amongst other things, to the large number of disorders, the logistics and organisation of laboratories, the availability and quality of testing methods, the follow-up investigations that will be necessary, and the interface with the health services. Furthermore, the test will cover rare disorders that are not yet included in the screening test in many countries. This means that only very limited knowledge is available at an international level. After each of the investigations there is a go/no-go moment at which time the Minister must decide whether the condition can enter the implementation phase or further research is needed first. There is also the possibility that the condition cannot realistically be included in the heel prick screening test (at that time). There is enough support for further expansion from professional bodies, patient organisations and other interested stakeholders. However, the current neonatal heel prick test must not come under pressure from the planned expansion and its associated preparations.
    • Feasibility study into population screening for bowel cancer : Detection of bowel cancer put into practice

      van Veldhuizen-Eshuis H; Carpay MEM; van Delden J; Grievink L; Hoebee B; Lock AJJ; Reij R; CVB; vz (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-04-23)
      Het is mogelijk een landelijk bevolkingsonderzoek naar darmkanker in Nederland in te voeren en uit te voeren. Wel zijn een goede voorbereiding en een gefaseerde invoering vereist om de kwaliteitseisen van het bevolkingsonderzoek te garanderen. Het zelfde geldt voor voldoende capaciteit om eventueel vervolgonderzoek te kunnen uitvoeren. Dit blijkt uit een zogeheten uitvoeringstoets naar dit bevolkingsonderzoek, uitgevoerd door het RIVM. De minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zal de toets gebruiken bij de besluitvorming of dit bevolkingsonderzoek wordt ingevoerd. Een bevolkingsonderzoek naar darmkanker is kosteneffectief en kan op termijn jaarlijks 2400 sterfgevallen voorkomen. Na de besluitvorming is minimaal 2 jaar aan voorbereidingen nodig om het bevolkingsonderzoek gefaseerd te kunnen invoeren. Het bevolkingsonderzoek is bedoeld voor mensen van 55 tot en met 75 jaar (4,4 miljoen mensen). Zij worden door screeningsorganisaties elke 2 jaar uitgenodigd deel te nemen aan het bevolkingsonderzoek. Zij ontvangen daarvoor thuis een test (iFOBT), die zij zelf opsturen voor analyse. Bij een afwijkende uitslag zullen zij worden doorverwezen voor verdere diagnostiek (coloscopie) en zo nodig behandeling. De uitvoeringstoets is in samenwerking met de betrokken beroepsroepen, patiëntenorganisaties, screeningsorganisaties en andere stakeholders tot stand gekomen. Onder hen is een breed draagvlak om de screening in te voeren. Voor de uitvoeringstoets is in kaart gebracht welke voorbereidende activiteiten zouden moeten worden uitgevoerd, en onder welke voorwaarden. Zo is beschreven welke richtlijnen en kwaliteitseisen nodig zijn en hoe de kwaliteit van het programma kan worden bewaakt. Er worden maatregelen voorgesteld om de berekende capaciteitstekorten op te vangen, zoals taakverschuiving en een efficiënte uitvoering van de coloscopie. Verder moet erop worden toegezien dat er geen lange wachttijden ontstaan voor coloscopie en verdere behandeling; zonodig wordt de gefaseerde invoering bijgestuurd. Tevens moet er voldoende aandacht zijn voor communicatie, zowel in algemene zin bij de introductie van het bevolkingsonderzoek als voor de deelnemers over het doel, nut en proces ervan. Daarnaast zijn de belangrijkste implementatiewerkzaamheden en een prognose van kosten weergegeven.
    • FEAT - Flash Environmental Assessment Tool to identify acute environmental risks following disasters. The tool, the explanation and a case study

      van Dijk S; Brand E; de Zwart D; Posthuma L; Middelaar J van; IMG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMDHV, 2009-07-16)
      Voor veldteams van de Verenigde Naties die bij (natuur)rampen worden ingezet is de methode Flash Environmental Assessment Tool (FEAT) ontwikkeld. Hiermee kan worden ingeschat in welk gebied effecten van vrijgekomen chemische stoffen voor mens en milieu te verwachten zijn. De methode geeft aan welke van de getroffen bedrijven het meeste gevaar voor mens en milieu vormen, zodat daar met prioriteit naar kan worden gehandeld. FEAT is bedoeld voor de eerste uren en dagen na de ramp, en is op locatie te gebruiken. Uitgangspunt is de maximale omvang van het gebied waarin risico's te verwachten zijn. Het instrument is ontwikkeld door het RIVM, het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM), en DHV-Raadgevend Ingenieurs. De methode vertaalt een grote hoeveelheid wetenschappelijke informatie over stoffen, hun milieugedrag, en hun toxiciteit naar drie soorten effecten. Dit zijn directe effecten op de mens, directe effecten op natuur en zogeheten life support functies (zoals drinkwater, landbouwgewassen en de visstand) en langetermijneffecten op mens en milieu. De mogelijke effecten worden weergegeven in een zone rond het bedrijf waarbinnen risico's kunnen worden verwacht. FEAT verwerkt de beschikbare informatie trapsgewijs. Hierdoor kan steeds gedetailleerdere informatie worden ingevoerd. Hoe minder details beschikbaar zijn, hoe 'ruimer' de indicatie van gevaren wordt (worstcase-inschatting). Op deze wijze geeft FEAT snel en betrouwbaar inzicht in welk gebied de te verwachten risico's hun weerslag hebben. Dit rapport bestaat ut drie secties. Sectie I beschrijft de onderbouwing van FEAT. Sectie II geeft een voorbeeldstudie van het gebruik van FEAT. Sectie III omvat de complete gebruikersversie (FEAT 1.0), zoals die door UNDAC-veldteams gebruikt wordt.
    • Feitenrapportage grondwaterkwaliteitsmeetnetten

      Claessens, J; Wit, M; Wattel, E (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-04-15)
      In Nederland worden via meerdere meetnetten gegevens over de kwaliteit van het grondwater verzameld. Hiermee worden concentraties van verschillende stoffen gemeten, waaronder nitraat. Naast een landelijk meetnet heeft elke provincie een eigen meetnet. Zij gebruiken hierbij ook een deel van de landelijke putten; het verschilt per provincie in welke mate. Op hoofdlijnen zijn de resultaten over nitraat van het landelijke meetnet en de provinciale meetnetten hetzelfde, maar er zijn ook verschillen, zeker regionaal. Om het landelijk beleid over de grondwaterkwaliteit te kunnen verantwoorden en te evalueren zijn eenduidige cijfers over de concentraties nodig. Het RIVM beveelt aan om de manier van werken landelijk te verbeteren. De meetnetten hebben verschillende doelen. Het landelijke meetnet, het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit (LMG), wordt onder andere gebruikt voor de verplichte Europese rapportage over nitraat. De meetnetten van de provincies leveren gegevens voor regionale doelen en voor de verplichte Europese rapportage voor de Kaderrichtlijn Water (KRW). Over het algemeen is de dataset van het LMG consistent. De dataset van de provinciale meetnetten zijn dat minder, vooral doordat er minder vaak wordt gemeten. Statistisch onderzoek is nodig om aan te kunnen geven hoe bruikbaar de provinciale gegevens zijn voor de verschillende landelijke toepassingen. Het RIVM doet aanbevelingen om de kwaliteit van de data en het beheer ervan te verbeteren; de provincies werken hier al aan. Deze bevindingen blijken uit een feitenrapportage van het RIVM over de monitoring van de grondwaterkwaliteit in Nederland. De rapportage beschrijft de verschillen en overeenkomsten in de manier waarop de meetnetten zijn ingericht (wie doet wat) en hoe ze worden uitgevoerd (waar, welke stoffen en wanneer). Vanwege de Europese verplichtingen is hierbij vooral gekeken naar de meststof nitraat.
    • Feitenrelaas rond de aspecten 'Gezondheid en Veiligheid' van biovergisting

      Heezen PAM; Schalk JAC; Posthuma L; Wintersen AM; ABI; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-07-03)
      Biovergisting is de afbraak van organisch materiaal uit mest en andere restanten in speciaal daarvoor ingerichte installaties. Bij dit proces komt het energierijke biogas methaan (CH4) vrij. Daarnaast ontstaat een product ('digestaat') dat gebruikt kan worden als meststof in de landbouw. Wanneer niet alleen mest maar ook andere organische materialen worden verwerkt in een vergister, spreken we van covergisting. In 2014 heeft de Commissie Deskundigen Meststoffenwet (CDM) in opdracht van het ministerie van Economische Zaken een evaluatie uitgevoerd van covergisting in Nederland. Het RIVM heeft hiervoor informatie verzameld over gezondheid en veiligheid. Hieruit blijkt dat de mensen bij mestvergisting niet in hogere mate aan pathogenen en antibiotica-resisente bacteriën blootstaan dan bij andere vormen van mestverwerking. Wel zijn incidenten en ongevallen met covergistingsinstallaties gevaarlijk geweest voor medewerkers, bijvoorbeeld vanwege explosie- en verstikkingsgevaar door gasvorming. Ook hebben ze omwonenden stankoverlast bezorgd. Verder blijkt dat de risico's onbekend zijn als de regelgeving voor co-vergisting niet wordt nageleefd, bijvoorbeeld door materialen bij te mengen die daarvoor niet zijn toegestaan. Een goede procescontrole is daarom van belang. De bevindingen, waar meerdere partijen aan bijdragen, worden in 2015 gepubliceerd. Onderliggende rapportage bevat de uitgebreide informatie van het RIVM die wordt samengevat in het CDM-rapport. Voor het onderwerp gezondheid zijn de microbiologische risico's van mestvergisting nader beschouwd. Het onderwerp veiligheid betreft Arboregelgeving en externe veiligheidsrisico's.
    • Fertility Change ; a Global Integrated Perspective

      Asselt MBA van; Hilderink HBM; Niessen LW; Rotmans J; Vianen HAW van; Willekens FJ; Hutter I; CWM (1994-12-31)
      Het rapport beschrijft de menselijke fertiliteit en de veranderingen daarvan in de tijd in relatie tot sociale, economische en culturele processen. Het aantal kinderen per vrouw is een biologisch proces, dat gestuurd wordt door sociale, economische, culturele en milieufactoren. De effecten van deze factoren op de vruchtbaarheid worden bepaald door een verzameling intermediaire variabelen ('proximate variables'). De relatie tussen deze intermediaire variabelen en vruchtbaarheid is bekend en vormt de kern van het fertiliteitsmodel. Ongeacht de beperkingen inherent aan modelleren en ten gevolge van lacunes in kennis kan het fertiliteitsmodel als geintegreerd onderdeel van het TARGETS-model een nuttig instrument voor het verkennen van mogelijke toekomstige ontwikkelingen en het ontwikkelen van duurzame beleidsstrategieen zijn.
    • Fertility change in India

      Hilderink HBM; Niessen LW; Hutter I; Willekens FJ; MNV; RUG (Populations Research CentreUniversiteit Groningen, 1996-09-30)
      Achtergrond en doelstelling: de toepassing van een generiek fertiliteitsmodel, beschreven op basis van de Indiase situatie. Het model bestaat uit vier onderdelen. Het deel waarin de toestand is beschreven berekent de fertiliteitsratio en de factoren die dit direct bepalen zoals onderscheiden door Bongaarts en Potter: huwelijkse leeftijd, gebruik van anticonceptiva, abortus provocatus en post-partum amenorroe. Het druksysteem beschrijft de causale krachten: levensverwachting, scholingsniveau van vrouwen, bruto nationaal produkt, en populatiegroei. Het impactsysteem beschrijft de ontwikkeling van het aantal geboorten, dat, tezamen met geprojecteerde en/of gesimuleerde sterftecijfers, de geschatte populatiegroei bepaalt. Het sturingsgedeelte bevat vier beleidsvelden: beleid in relatie tot abortus, scholingsbeleid, anticonceptieprogramma's en massacommunicatie. Resultaten: De toegepaste scenarios gebruiken een aantal trajecten in het model die het volgende aantonen: a. Een verdere verlaging van de vruchtbaarheid zonder een expliciete bevolkingspolitiek is mogelijk, als gevolg van de aanname dat de diffusie van methoden zich zal continueren en de voorkeur voor zonen zal afnemen. De daling zal echter meer tijd nodig hebben om het vervangingsniveau te halen. Deze verandering zal zich dan op micro-niveau voltrekken. b. In het geval van tegenvallende economische groei zijn er expliciete bevolkingsstrategieen mogelijk met betrekking tot het moment van kinderen krijgen. Er is een afgenomen effectiviteit van methoden, die slechts partieel door informatieve programma's is te compenseren. c. De daling van het aantal kinderen per vrouw zal doorzetten en kent in sommige gebieden een versnelling. Sommige scenario's tonen dat het vervangingsniveau binnen twee decennia bereikt kan worden. Onder ongunstiger omstandigheden kan het diffusieproces zich nog steeds voltrekken, maar het gewenste kinderaantal zal boven het vervangingsniveau blijven liggen. Conclusies: De relatie tussen fertiliteitsontwikkeling en de directe bepalende factoren zijn relatief goed te kwantificeren. Sociaal-economische ontwikkeling en bevolkings-programma's hebben slechts indirect effecten op het aantal geboorten en tonen een tijdsvertraging. Het model toont hoe de effectiviteit van bevolkingsbeleid beinvloed kan worden door de factoren die liggen tussen het beleid en de beslissingen op micro-niveau.
    • Few large, or many small dose groups? An evaluation of toxicological study designs using computer simulations

      Slob W; Pieters MN; LEO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-08-31)
      The benchmark approach of analysing toxicological data does not require many subjects per dose group. In a number of simulation studies we theoretically examined the consequences of increasing the number of dose levels in a toxicological study at the expense of the number of subjects per group. The main conclusion of these simulation studies is that a multiple dose experiment is more likely to give an accurate point estimate of the "Critical Effect Dose", without loss of statistical precision. Therefore, study designs with more dose groups may be recommendable.
    • Few large, or many small dose groups? An evaluation of toxicological study designs using computer simulations

      Slob W; Pieters MN; LEO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-08-31)
      De 'benchmark dosis' als alternatieve karakterisering van het 'no-adverse-effect niveau' in toxicologische dierstudies is de laatste jaren sterk in opgang. In deze alternatieve benadering komt de vaststelling van de NOAEL met behulp van significantie toetsing niet meer voor. In plaats daarvan worden dosis-respons gegevens geanalyseerd met behulp van regressie-analyse. De gefitte curve wordt dan gebruikt om de 'critical effect dose' (CED) te schatten behorende bij een bepaalde gepostuleerde effectgrootte. Deze alternatieve analyse-methode heeft als consequentie dat het niet meer nodig is om een minimum aantal dieren per dosisgroep te vereisen, zodat er ruimte komt voor het gebruik van meer dosisgroepen. Met enkele computer-simulatiestudies onderzochten we de theoretische consequenties van het gebruik van meer dosisgroepen, door drie proefopzetten met vier, tien en veertig dosisgroepen, maar gelijkblijvend totaal aantal dieren, onderling te vergelijken. Uit deze simulaties blijkt dat vergroten van het aantal dosisgroepen ten koste van het aantal dieren per groep, niet leidt tot een vermindering van de statistische precisie. De kracht van proefopzetten met meerdere dosisgroepen is gelegen in het feit dat zij beter in staat zijn te discrimineren tussen verschillende regressiemodellen volgens een 'goodness of fit' criterium. Daardoor zal een proefopzet met meerdere dosisgroepen meer kans hebben tot een adequate schatting van de CED te leiden dan een proefopzet met slechts enkele dosisgroepen.<br>
    • A field intercomparison with five automatic ammonia monitors

      Mennen MG; Elzakker BG van; Hellemond J van; Wyers GP; Otjes RP; Verhage AJL; Wouters LW; Heffels CJG; Romer FG; Beld L van den; et al. (1993-01-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Fifteen years of incident analysis : Causes, consequences, and other characteristics of incidents with hazardous substances at major hazard companies in the period 2004-2018

      Kooi, ES; Manuel, HJ; Mud, M; Bellamy, LJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), 2020-09-14)
      Het RIVM heeft 326 incidenten met gevaarlijke stoffen geanalyseerd die tussen 2004 en 2018 plaatsvonden bij grote chemische bedrijven. Bij deze incidenten was de veiligheid van werknemers in het geding. In totaal vielen er 215 slachtoffers, onder wie vijf doden. De aard, omvang en oorzaken van de incidenten zijn in de onderzochte periode gelijk gebleven. Het jaarlijkse aantal incidenten met relatief ernstige gevolgen is in de periode ook niet wezenlijk veranderd. Bij 90 procent van de incidenten kwamen gevaarlijke stoffen vrij. Bij 28 procent ontstond een brand of explosie. Drie keer (1 procent) gingen werknemers een besloten ruimte met gevaarlijke stoffen binnen. Incidenten ontstonden vooral tijdens de normale werkzaamheden (60 procent) of tijdens het onderhoud (20 procent). Slachtoffers ademden giftige of schadelijke stoffen in of kregen brandwonden door chemische reacties of hitte. Bij de incidenten tijdens het onderhoud vielen verhoudingsgewijs meer slachtoffers. Chemische bedrijven zijn ervoor verantwoordelijk dat installaties op orde zijn en de productieprocessen en -werkzaamheden veilig worden uitgevoerd. De incidenten ontstonden doordat in de reguliere procesvoering dingen mis gingen. De afwijkingen die daar het gevolg van waren, zijn niet op tijd opgemerkt. De veiligheid kan onder meer worden verbeterd door geschikte maatregelen in te voeren om deze afwijkingen op tijd in beeld te krijgen en te herstellen. Dit verkleint onder andere de kans dat incidenten ontstaan door ongewenste menselijke handelingen of door materiaalverzwakking. Voor deze analyse zijn incidentonderzoeken van de Inspectie SZW gebruikt. In opdracht van het ministerie van SZW gaat het RIVM na wat de overeenkomsten en verschillen tussen de onderzochte incidenten zijn. Inspectiediensten kunnen de analyse gebruiken voor hun inspectie- en handhavingsstrategieën. Bedrijven kunnen de inzichten gebruiken om de veiligheid te verbeteren.
    • The fifteenth CRL-Salmonella workshop : 27 June 2010, Saint Malo, France

      Mooijman KA; LZO; cib (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-01-10)
      In dit rapport zijn de verslagen gebundeld van de presentaties die op 27 juni 2010 zijn gehouden tijdens de vijftiende jaarlijkse workshop voor de Europese Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) voor de bacterie Salmonella. Tijdens de workshop heeft het overkoepelende orgaan, het Communautair Referentie Laboratorium (CRL) Salmonella,informatie uitgewisseld met de NRL's. Een belangrijk onderdeel daarvan is de presentatie van de resultaten van de jaarlijks terugkerende ringonderzoeken van het CRL waarmee de kwaliteit van de NRLlaboratoria wordt gemeten. De resultaten hiervan worden ook in aparte RIVM-rapporten weergegeven. Een van de verslagen betreft het rapport van de European Food Safety Authority (EFSA) van 2008 over zoonosen, oftewel ziekten die van dieren op mensen kunnen overgaan. Dit rapport geeft een overzicht van de aantallen en types zoonotische organismen. Hieruit blijkt onder meer dat de ziekte die door Salmonella wordt veroorzaakt na de ziekte die de bacterie Campylobacter veroorzaakt, de zoonose is die in de Europese Unie het vaakst worden gerapporteerd. Verder bevat het rapport een overzicht van de jaarlijkse zogeheten baselinestudies voor Salmonella die tot 2009 zijn uitgevoerd. Hierin is per deelnemend land vastgesteld hoeveel Salmonella voorkomt bij de diverse categorieen pluimvee en varkens. In 2005 is dit onderzoek gedaan bij leghennen, in 2006 bij vleeskuikens, in 2007 bij kalkoenen en slachtvarkens en in 2008 bij fokvarkens en vleeskuikenkarkassen. De organisatie van de workshop is in handen van het CRL voor Salmonella, dat onderdeel is van het RIVM. De hoofdtaak van het CRLSalmonella referentielaboratoria voor deze bacterie in Europa. De workshop vond plaats in Saint Malo, Frankrijk, aansluitend bij het vierjaarlijkse internationale congres over Salmonella dat daar werd gehouden.
    • Fifteenth EURL-Salmonella interlaboratory comparison study (2010) on typing of Salmonella ssp.

      Pol-Hofstad IE; Jacobs-Reitsma WF; Maas HME; de Pinna E; Mooijman KA; LZO; cib (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-05-15)
      De Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) van de 27 Europese lidstaten en de NRL's van Kroatië, Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Noorwegen, Turkije en Zwitserland scoorden in 2010 goed bij de kwaliteitscontrole op Salmonella-typering. Vier laboratoria hadden hiervoor een herkansing nodig. Uit de analyse van alle NRL's als groep bleek dat de laboratoria aan 95% van de geteste stammen de juiste naam konden geven. Sinds 1992 zijn de NRL's van de Europese lidstaten verplicht om deel te nemen aan jaarlijkse kwaliteitstoetsen, die bestaan uit zogeheten ringonderzoeken voor Salmonella. Elke lidstaat wijst een laboratorium aan, het Nationale Referentie Laboratorium (NRL), dat binnen dat land verantwoordelijk is om Salmonella uit monsters van levensmiddelen of dieren aan te tonen en te typeren. Om te controleren of de laboratoria hun werk goed uitvoeren moeten zij onder andere 20 Salmonella-stammen op juiste wijze identificeren. Soms doen ook landen buiten de Europese Unie vrijwillig mee. In 2010 waren dat Kroatië, Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Noorwegen, Turkije en Zwitserland. Van de NRL's zijn er zeven laboratoria die, naast de standaardtoets (serotypering) op Salmonella, preciezere typeringen uitvoeren, de zogeheten faagtyperingen. Voor deze kwaliteitstoets moeten zij twintig extra stammen met deze methode typeren. De laboratoria ontvingen hiervoor tien Salmonella Enteritidis-stammen en tien Salmonella Typhimurium-stammen. Deze NRL's typeerden 98% van de S. Typhimurium-stammen en 99% van de S. Enteritidisstammen op de juiste wijze. De organisatie van het typeringsringonderzoek is in handen van het Europese Unie Referentie Laboratorium (EURL) voor Salmonella (EURL-Salmonella). Het EURL-Salmonella is ondergebracht bij het Nationaal Instituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in Bilthoven, Nederland. De organisatie van dit ringonderzoek is uitgevoerd in samenwerking met de Health Protection Agency (HPA) in Londen, Engeland.
    • The fifth international and (Dutch) national trial with reference materials for water microbiology

      Mooijman KA; Havelaar AH; van Strijp-Lockefeer NGWM; Heisterkamp SH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1992-06-30)
      Thirty-nine Dutch laboratories and 33 laboratories of the EC participated in a fifth trial with reference materials for water microbiology. Reference materials with the test strains WR63 Enterococcus faecium and WR52 Staphylococcus warneri were used. The materials were analysed for total aerobic viable bacteria by a reference method and the national standard method, both with incubation at 22 and 37 degrees C. After statistically analysing the results, the repeatability (r) and reproducibility (R) were calculated. Very good results were found for r and R. Especially the values of r found with the material with strain WR63 were very close to the theoretical optimum.<br>