• Fertility Change ; a Global Integrated Perspective

      Asselt MBA van; Hilderink HBM; Niessen LW; Rotmans J; Vianen HAW van; Willekens FJ; Hutter I; CWM (1994-12-31)
      Het rapport beschrijft de menselijke fertiliteit en de veranderingen daarvan in de tijd in relatie tot sociale, economische en culturele processen. Het aantal kinderen per vrouw is een biologisch proces, dat gestuurd wordt door sociale, economische, culturele en milieufactoren. De effecten van deze factoren op de vruchtbaarheid worden bepaald door een verzameling intermediaire variabelen ('proximate variables'). De relatie tussen deze intermediaire variabelen en vruchtbaarheid is bekend en vormt de kern van het fertiliteitsmodel. Ongeacht de beperkingen inherent aan modelleren en ten gevolge van lacunes in kennis kan het fertiliteitsmodel als geintegreerd onderdeel van het TARGETS-model een nuttig instrument voor het verkennen van mogelijke toekomstige ontwikkelingen en het ontwikkelen van duurzame beleidsstrategieen zijn.
    • Fertility change in India

      Hilderink HBM; Niessen LW; Hutter I; Willekens FJ; MNV; RUG (Populations Research CentreUniversiteit Groningen, 1996-09-30)
      Achtergrond en doelstelling: de toepassing van een generiek fertiliteitsmodel, beschreven op basis van de Indiase situatie. Het model bestaat uit vier onderdelen. Het deel waarin de toestand is beschreven berekent de fertiliteitsratio en de factoren die dit direct bepalen zoals onderscheiden door Bongaarts en Potter: huwelijkse leeftijd, gebruik van anticonceptiva, abortus provocatus en post-partum amenorroe. Het druksysteem beschrijft de causale krachten: levensverwachting, scholingsniveau van vrouwen, bruto nationaal produkt, en populatiegroei. Het impactsysteem beschrijft de ontwikkeling van het aantal geboorten, dat, tezamen met geprojecteerde en/of gesimuleerde sterftecijfers, de geschatte populatiegroei bepaalt. Het sturingsgedeelte bevat vier beleidsvelden: beleid in relatie tot abortus, scholingsbeleid, anticonceptieprogramma's en massacommunicatie. Resultaten: De toegepaste scenarios gebruiken een aantal trajecten in het model die het volgende aantonen: a. Een verdere verlaging van de vruchtbaarheid zonder een expliciete bevolkingspolitiek is mogelijk, als gevolg van de aanname dat de diffusie van methoden zich zal continueren en de voorkeur voor zonen zal afnemen. De daling zal echter meer tijd nodig hebben om het vervangingsniveau te halen. Deze verandering zal zich dan op micro-niveau voltrekken. b. In het geval van tegenvallende economische groei zijn er expliciete bevolkingsstrategieen mogelijk met betrekking tot het moment van kinderen krijgen. Er is een afgenomen effectiviteit van methoden, die slechts partieel door informatieve programma's is te compenseren. c. De daling van het aantal kinderen per vrouw zal doorzetten en kent in sommige gebieden een versnelling. Sommige scenario's tonen dat het vervangingsniveau binnen twee decennia bereikt kan worden. Onder ongunstiger omstandigheden kan het diffusieproces zich nog steeds voltrekken, maar het gewenste kinderaantal zal boven het vervangingsniveau blijven liggen. Conclusies: De relatie tussen fertiliteitsontwikkeling en de directe bepalende factoren zijn relatief goed te kwantificeren. Sociaal-economische ontwikkeling en bevolkings-programma's hebben slechts indirect effecten op het aantal geboorten en tonen een tijdsvertraging. Het model toont hoe de effectiviteit van bevolkingsbeleid beinvloed kan worden door de factoren die liggen tussen het beleid en de beslissingen op micro-niveau.
    • Few large, or many small dose groups? An evaluation of toxicological study designs using computer simulations

      Slob W; Pieters MN; LEO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-08-31)
      The benchmark approach of analysing toxicological data does not require many subjects per dose group. In a number of simulation studies we theoretically examined the consequences of increasing the number of dose levels in a toxicological study at the expense of the number of subjects per group. The main conclusion of these simulation studies is that a multiple dose experiment is more likely to give an accurate point estimate of the "Critical Effect Dose", without loss of statistical precision. Therefore, study designs with more dose groups may be recommendable.
    • Few large, or many small dose groups? An evaluation of toxicological study designs using computer simulations

      Slob W; Pieters MN; LEO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-08-31)
      De 'benchmark dosis' als alternatieve karakterisering van het 'no-adverse-effect niveau' in toxicologische dierstudies is de laatste jaren sterk in opgang. In deze alternatieve benadering komt de vaststelling van de NOAEL met behulp van significantie toetsing niet meer voor. In plaats daarvan worden dosis-respons gegevens geanalyseerd met behulp van regressie-analyse. De gefitte curve wordt dan gebruikt om de 'critical effect dose' (CED) te schatten behorende bij een bepaalde gepostuleerde effectgrootte. Deze alternatieve analyse-methode heeft als consequentie dat het niet meer nodig is om een minimum aantal dieren per dosisgroep te vereisen, zodat er ruimte komt voor het gebruik van meer dosisgroepen. Met enkele computer-simulatiestudies onderzochten we de theoretische consequenties van het gebruik van meer dosisgroepen, door drie proefopzetten met vier, tien en veertig dosisgroepen, maar gelijkblijvend totaal aantal dieren, onderling te vergelijken. Uit deze simulaties blijkt dat vergroten van het aantal dosisgroepen ten koste van het aantal dieren per groep, niet leidt tot een vermindering van de statistische precisie. De kracht van proefopzetten met meerdere dosisgroepen is gelegen in het feit dat zij beter in staat zijn te discrimineren tussen verschillende regressiemodellen volgens een 'goodness of fit' criterium. Daardoor zal een proefopzet met meerdere dosisgroepen meer kans hebben tot een adequate schatting van de CED te leiden dan een proefopzet met slechts enkele dosisgroepen.<br>
    • A field intercomparison with five automatic ammonia monitors

      Mennen MG; Elzakker BG van; Hellemond J van; Wyers GP; Otjes RP; Verhage AJL; Wouters LW; Heffels CJG; Romer FG; Beld L van den; et al. (1993-01-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Fifteen years of incident analysis : Causes, consequences, and other characteristics of incidents with hazardous substances at major hazard companies in the period 2004-2018

      Kooi, ES; Manuel, HJ; Mud, M; Bellamy, LJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), 2020-09-14)
      Het RIVM heeft 326 incidenten met gevaarlijke stoffen geanalyseerd die tussen 2004 en 2018 plaatsvonden bij grote chemische bedrijven. Bij deze incidenten was de veiligheid van werknemers in het geding. In totaal vielen er 215 slachtoffers, onder wie vijf doden. De aard, omvang en oorzaken van de incidenten zijn in de onderzochte periode gelijk gebleven. Het jaarlijkse aantal incidenten met relatief ernstige gevolgen is in de periode ook niet wezenlijk veranderd. Bij 90 procent van de incidenten kwamen gevaarlijke stoffen vrij. Bij 28 procent ontstond een brand of explosie. Drie keer (1 procent) gingen werknemers een besloten ruimte met gevaarlijke stoffen binnen. Incidenten ontstonden vooral tijdens de normale werkzaamheden (60 procent) of tijdens het onderhoud (20 procent). Slachtoffers ademden giftige of schadelijke stoffen in of kregen brandwonden door chemische reacties of hitte. Bij de incidenten tijdens het onderhoud vielen verhoudingsgewijs meer slachtoffers. Chemische bedrijven zijn ervoor verantwoordelijk dat installaties op orde zijn en de productieprocessen en -werkzaamheden veilig worden uitgevoerd. De incidenten ontstonden doordat in de reguliere procesvoering dingen mis gingen. De afwijkingen die daar het gevolg van waren, zijn niet op tijd opgemerkt. De veiligheid kan onder meer worden verbeterd door geschikte maatregelen in te voeren om deze afwijkingen op tijd in beeld te krijgen en te herstellen. Dit verkleint onder andere de kans dat incidenten ontstaan door ongewenste menselijke handelingen of door materiaalverzwakking. Voor deze analyse zijn incidentonderzoeken van de Inspectie SZW gebruikt. In opdracht van het ministerie van SZW gaat het RIVM na wat de overeenkomsten en verschillen tussen de onderzochte incidenten zijn. Inspectiediensten kunnen de analyse gebruiken voor hun inspectie- en handhavingsstrategieën. Bedrijven kunnen de inzichten gebruiken om de veiligheid te verbeteren.
    • The fifteenth CRL-Salmonella workshop : 27 June 2010, Saint Malo, France

      Mooijman KA; LZO; cib (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-01-10)
      In dit rapport zijn de verslagen gebundeld van de presentaties die op 27 juni 2010 zijn gehouden tijdens de vijftiende jaarlijkse workshop voor de Europese Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) voor de bacterie Salmonella. Tijdens de workshop heeft het overkoepelende orgaan, het Communautair Referentie Laboratorium (CRL) Salmonella,informatie uitgewisseld met de NRL's. Een belangrijk onderdeel daarvan is de presentatie van de resultaten van de jaarlijks terugkerende ringonderzoeken van het CRL waarmee de kwaliteit van de NRLlaboratoria wordt gemeten. De resultaten hiervan worden ook in aparte RIVM-rapporten weergegeven. Een van de verslagen betreft het rapport van de European Food Safety Authority (EFSA) van 2008 over zoonosen, oftewel ziekten die van dieren op mensen kunnen overgaan. Dit rapport geeft een overzicht van de aantallen en types zoonotische organismen. Hieruit blijkt onder meer dat de ziekte die door Salmonella wordt veroorzaakt na de ziekte die de bacterie Campylobacter veroorzaakt, de zoonose is die in de Europese Unie het vaakst worden gerapporteerd. Verder bevat het rapport een overzicht van de jaarlijkse zogeheten baselinestudies voor Salmonella die tot 2009 zijn uitgevoerd. Hierin is per deelnemend land vastgesteld hoeveel Salmonella voorkomt bij de diverse categorieen pluimvee en varkens. In 2005 is dit onderzoek gedaan bij leghennen, in 2006 bij vleeskuikens, in 2007 bij kalkoenen en slachtvarkens en in 2008 bij fokvarkens en vleeskuikenkarkassen. De organisatie van de workshop is in handen van het CRL voor Salmonella, dat onderdeel is van het RIVM. De hoofdtaak van het CRLSalmonella referentielaboratoria voor deze bacterie in Europa. De workshop vond plaats in Saint Malo, Frankrijk, aansluitend bij het vierjaarlijkse internationale congres over Salmonella dat daar werd gehouden.
    • Fifteenth EURL-Salmonella interlaboratory comparison study (2010) on typing of Salmonella ssp.

      Pol-Hofstad IE; Jacobs-Reitsma WF; Maas HME; de Pinna E; Mooijman KA; LZO; cib (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-05-15)
      De Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) van de 27 Europese lidstaten en de NRL's van Kroatië, Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Noorwegen, Turkije en Zwitserland scoorden in 2010 goed bij de kwaliteitscontrole op Salmonella-typering. Vier laboratoria hadden hiervoor een herkansing nodig. Uit de analyse van alle NRL's als groep bleek dat de laboratoria aan 95% van de geteste stammen de juiste naam konden geven. Sinds 1992 zijn de NRL's van de Europese lidstaten verplicht om deel te nemen aan jaarlijkse kwaliteitstoetsen, die bestaan uit zogeheten ringonderzoeken voor Salmonella. Elke lidstaat wijst een laboratorium aan, het Nationale Referentie Laboratorium (NRL), dat binnen dat land verantwoordelijk is om Salmonella uit monsters van levensmiddelen of dieren aan te tonen en te typeren. Om te controleren of de laboratoria hun werk goed uitvoeren moeten zij onder andere 20 Salmonella-stammen op juiste wijze identificeren. Soms doen ook landen buiten de Europese Unie vrijwillig mee. In 2010 waren dat Kroatië, Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Noorwegen, Turkije en Zwitserland. Van de NRL's zijn er zeven laboratoria die, naast de standaardtoets (serotypering) op Salmonella, preciezere typeringen uitvoeren, de zogeheten faagtyperingen. Voor deze kwaliteitstoets moeten zij twintig extra stammen met deze methode typeren. De laboratoria ontvingen hiervoor tien Salmonella Enteritidis-stammen en tien Salmonella Typhimurium-stammen. Deze NRL's typeerden 98% van de S. Typhimurium-stammen en 99% van de S. Enteritidisstammen op de juiste wijze. De organisatie van het typeringsringonderzoek is in handen van het Europese Unie Referentie Laboratorium (EURL) voor Salmonella (EURL-Salmonella). Het EURL-Salmonella is ondergebracht bij het Nationaal Instituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in Bilthoven, Nederland. De organisatie van dit ringonderzoek is uitgevoerd in samenwerking met de Health Protection Agency (HPA) in Londen, Engeland.
    • The fifth international and (Dutch) national trial with reference materials for water microbiology

      Mooijman KA; Havelaar AH; van Strijp-Lockefeer NGWM; Heisterkamp SH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1992-06-30)
      Thirty-nine Dutch laboratories and 33 laboratories of the EC participated in a fifth trial with reference materials for water microbiology. Reference materials with the test strains WR63 Enterococcus faecium and WR52 Staphylococcus warneri were used. The materials were analysed for total aerobic viable bacteria by a reference method and the national standard method, both with incubation at 22 and 37 degrees C. After statistically analysing the results, the repeatability (r) and reproducibility (R) were calculated. Very good results were found for r and R. Especially the values of r found with the material with strain WR63 were very close to the theoretical optimum.<br>
    • Fijn stof emissies in Nederland en buitenland

      Wesselink LG; Smeets W; Brink RMM van de; Thomas R; LAE (1998-04-30)
      Dit rapport documenteert emissiebestanden in het kader van het project Luchtverontreiniging en Gezondheid en de Vierde Milieuverkenning ten behoeve van verspreidingsberekeningen. Het betreft emissiebestanden voor basis- en toekomstjaren voor primair fijn stof en NH3, SO2 en NOx als precursors van secundair fijn stof, voor binnen- en buitenland. In het rapport worden de economische scenario's en maatregelen die ten grondslag liggen aan de berekeningen voor toekomstjaren toegelicht. Ook wordt een eerste analyse gemaakt van onzekerheden in zowel binnen- als buitenlandse emissiegegevens voor fijn stof. Geadviseerd wordt vervolgonderzoek te richten op i) nadere analyse van onzekerheden in huidige emissiebestanden , ii) doorwerking daarvan, en van de onzekerheden in modelparameters in het verspreidingsmodel, in de berekende fijn-stofconcentraties en iii) het vergroten van het inzicht in de kwaliteit van huidige emissieschattingen, en eventuele hiaten daarin, door metingen aan de bron en versterkte koppeling van emissieinventarisaties aan luchtkwaliteitsmetingen.
    • Fijn stof emissies in Nederland en buitenland

      Wesselink LG; Smeets W; Brink RMM van de; Thomas R; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-04-30)
      Concerns research on emission data used as input for atmospheric dispersion modelling in the framework of the RIVM project "Air Pollution and Health" and the Netherlands Environmental Outlook 4. The data collected apply to primary particulate matter, SO2, NOX and NH3 for Europe and the Netherlands for base and future years. Economic developments and abatement measures used to calculate future emission trends are explained. A first analysis has been made of the uncertainties involved in the estimates of particulate matter emissions. On the basis of these reported emission data we recommend focusing future emission research on: i) closer analysis of the uncertainties in present emission estimates, ii) the subsequent effect of uncertainties in emission estimates on dispersion modelling, and iii) increasing the insight into the quality of present emission data and probable missing sources of data. This can be achieved through measurements at emission sources and a stronger linking of emission inventories to air quality monitoring in general.
    • Fijn stof in Nederland een tussenbalans

      Bloemen HJTh; Bree L van; Buringh E; Fischer PH; Loos S de; Marra M; Rombout PJA; LLO; LEO; CCM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-05-31)
      In this report the source-effect chain for particulate matter (PM) is evaluated for three spatial scales - rural, urban and industrial areas - in the Netherlands based on the situation in 1993. PM is characterised by particle size (PM2.5 and PM10) and by chemical composition (secondary aerosol (PMsec) and carbonaceous aerosol (Pmcarb). The observed annual average PM10 concentration for the Netherlands is approximately 40 mug/m3 of which about one third is secondary aerosol. No measurement data are available for PM2.5 and PMcarb. Based model calculations using the current emission inventories about 50% of the measured PM10 concentration can be explained for most of the Netherlands. For specific locations this increases to 75%. Approximately 100% of the measured PMsec concentrations is explained by model calculations based on the known emissions of precursor gasses. Relevant sources for PM10, PM2.5 and PMsec are traffic and power generation in the Netherlands as well as other European countries. Furthermore, in the industrial area the source category trade, services and state is substantial. The PMsec levels are mainly due to European source emissions. In epidemiological studies consistent and coherent associations are found between ambient PM and adverse health effects in the general population. Autonomous developments will result in PM10 levels of 41 - 47 mug/m exp. 3 in 2020. Due to current Dutch and European policies the levels are expected to reduce to approximately 37 mug/m exp. 3 in 2010 which will be further reduced to 35 mug/m exp. 3 in 2020 by additional abatement measures. This will not be sufficient to realise the proposed limit of 30 mug/m exp. 3.
    • Fijn stof in Nederland een tussenbalans

      Bloemen HJTh; van Bree L; Buringh E; Fischer PH; de Loos S; Marra M; Rombout PJA; LLO; LEO; CCM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-05-31)
      In dit rapport wordt de bron-effectketen kwantitatief beschreven voor de fijn stof-problematiek voor drie ruimtelijke schalen - ruraal, urbaan en industrieel - in Nederland met als basisjaar 1993. Fijn stof wordt hierbij gekarakteriseerd naar deeltjesgrootte (PM2,5 en PM10) en naar chemische samenstelling (secundair (PMsec) en carbonaceous aerosol (Pmcarb). De waargenomen jaargemiddelde PM10 concentratie bedraagt voor Nederland ca. 40 mug/m exp. 3, waarvan circa een derde secundair is. Metingen voor PM2, 5 en PMcarb zijn niet beschikbaar. Met modelberekeningen gebaseerd op de huidige emissiegegevens wordt voor het grootste deel van Nederland circa 50% van de gemeten PM10 concentraties verklaard. Op specifieke locaties kan dit oplopen tot 75%. Nagenoeg 100% van de PMsec concentraties kan op grond van de bekende emissies van precursorgassen en modelberekeningen verklaard worden. Belangrijke bronnen voor PM10, PM2,5 en PMsec in Nederland zijn verkeer en energie opwekking in zowel Nederland als andere Europese landen. In de industriele omgeving is bovendien de categorie handel, diensten en overheid van belang. De PMsec concentraties worden voornamelijk door Europese bronnen bepaald. Epidemiologische studies wijzen op consistente en coherente associaties tussen deeltjesvormige luchtverontreiniging en ernstige gezondheidseffecten in de algemene bevolking. Zonder milieubeleid zouden autonome ontwikkelingen in 2020 leiden tot PM10 niveaus van 41 tot 47 mug/m exp. 3. Door reeds geformuleerd Nederlands en Europees beleid wordt echter een daling verwacht naar ca. 37 mug/m exp. 3 in 2010, die door aanvullende maatregelen verder kan worden teruggebracht tot 35 mug/m exp. 3 in 2020. Deze daling is daarmee niet voldoende om de in Europees verband circulerende limiet van 30 mug/m exp. 3 te realiseren.<br>
    • Fijn stof nader bekeken

      Buijsman E; Beck JP; Bree L van; Cassee FR; Koelemeijer RBA; Matthijsen J; Thomas R; Wieringa K; RIVM; LED; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-08-08)
      The summary in booklet form 'Fijn stof nader bekeken' (Particulate Matter: a closer look) , published in Dutch by the Netherlands Environmental Assessment Agency (MNP) and the Environment and Safety Division of the National Institute for Public Health and the Environment (RIVM), has been designed to present the facts on particulate matter in a coherent framework. Current knowledge on particulate matter is conveyed here under the headings: What is known? What is unknown? What are the uncertainties? The background to this publication is the current social and political debate on the consequences of the Netherlands air quality legislation, which, in turn, is based on European legislation. The fact that new spatial developments and infrastructural projects are at risk of not being realized due to the large-scale exceedances of limit values for particulate matter occurring in the Netherlands is leading to serious social effects. Moreover, airborne particulate matter poses serious risks to human health. The particulate matter subject is complicated and accompanied by administrative dilemmas, legally binding limit values, concerns of citizens, scientific uncertainties and spatial-economic consequences. Many questions and current discussions have provided reasons enough to compose this scientific summary on particulate matter. Although this booklet does not present new information, it has succeeded in bringing together all the published information on particulate matter referring to the situation in the Netherlands.
    • Fijn stof nader bekeken

      Buijsman E; Beck JP; van Bree L; Cassee FR; Koelemeijer RBA; Matthijsen J; Thomas R; Wieringa K; LED; MGO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMRIVM, 2005-08-08)
      Het Milieu- en Natuurplanbureau en de sector Milieu en Veiligheid van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu presenteren met het boekje 'Fijn stof nader bekeken' de feiten over fijn stof in samenhang. Deze uitgave laat zien wat de stand van zaken is in het fijnstofdossier: wat weten we wel, wat weten we niet, waar zitten de onzekerheden? Aanleiding voor deze uitgave is het huidige maatschappelijke en politieke debat over de gevolgen van de implementatie van het Nederlandse Besluit Luchtkwaliteit, dat gestoeld is op richtlijnen van de Europese Unie. Overschrijdingen van de grenswaarden voor fijn stof komen op grote schaal voor in Nederland. De maatschappelijke gevolgen hiervan zijn ingrijpend, doordat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, zoals woningbouw en infrastructuurprojecten, in het gedrang komen. Aan de andere kant zijn er belangrijke gezondheidseffecten door fijn stof. Het dossier fijn stof is complex en omvat bestuurlijke dilemma's, juridisch bindende grenswaarden, zorgen van burgers, wetenschappelijke onzekerheden en ruimtelijk-economische gevolgen. De vele vragen en de huidige discussies zijn redenen geweest om een wetenschappelijk overzichtsrapport op te stellen over het fijnstofdossier. Deze uitgave bevat geen nieuwe informatie, maar is een samenvatting van bestaande rapporten op het gebied van fijn stof.
    • Fijn stof van antropogene bronnen : Een literatuurstudie naar samenstelling en verspreiding

      van der Ree J; Morgenstern PP; Dusseldorp A; MGO ; CMM; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMPlanbureau voor de Leefomgeving PBLGGD'en, 2010-12-30)
      Het merendeel van de concentratie fijn stof in de lucht is afkomstig van menselijk handelen, zoals wegverkeer, zeeschepen en veehouderij. Uit verkennend literatuuronderzoek van het RIVM blijkt dat de bijdrage van deze zogeheten antropogene bronnen aan de fijnstofconcentratie in de omgeving grofweg tot maximaal enkele kilometers is te identificeren. Het onderzoek is uitgevoerd op verzoek van de GGD'en, omdat de gegevens over de bijdrage van antropogene bronnen aan de lokale fijnstofconcentratie schaars zijn. De GGD'en kunnen de kennis als achtergrondinformatie gebruiken voor hun adviestaak aan burgers en beleidsmakers. Daarnaast blijkt dat de samenstelling en deeltjesgrootte per bron verschillen, waardoor ook de mate waarin een eventuele blootstelling schadelijk is voor de gezondheid varieert. Hierdoor is het niet mogelijk de gezondheidseffecten van fijn stof die in stedelijke omgevingen zijn aangetoond (met verkeer als belangrijke bron) te vertalen naar effecten van het fijn stof van de onderzochte bronnen. Wel kan worden gesteld dat kleinere deeltjes, deeltjes afkomstig van verbrandingsprocessen en deeltjes met metalen die in water oplosbaar zijn het meest schadelijk zijn. Het RIVM heeft de volgende bronnen onderzocht: scheepvaart, voedingsmiddelenindustrie (diervoeder en meel), op- en overslagbedrijven, intensieve veehouderij, metaalindustrie, raffinaderijen en bouwplaatsen. Deze bronnen zijn geselecteerd vanwege hun relatief grote bijdrage aan de totale fijnstofemissie in Nederland en vanwege de vele vragen die hierover worden gesteld aan GGD'en.
    • Fijnkeramische industrie

      Huizinga K; Verburgh JJ. Loos B; Matthijsen AJCM (1992-06-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Film: In vitro teratogenesis

      Peters PWJ; Verhoef A (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1984-11-30)
      In samenwerking met de Stichting Film en Wetenschap gezamenlijke financiering door Directie RIVM en het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen is een film geproduceerd waarin naast de routine teratogeniteitstesten een nieuwe methode wordt gedemonstreerd waarbij ratte embryonen in vitro worden gekweekt in zowel ratte als menselijk serum. De film vertelt op aanschouwelijke wijze de maatschappelijke relevantie van het betreffende veiligheidsonderzoek ten aanzien van stoffen waarmee het embryo in contact kan komen.<br>
    • Final report European workshop on interrelated bioclimatic and land use changes

      Kwadijk J; Boois H de (1987-10-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Final report of the HALE (Healthy Ageing: a Longitudinal study in Europe) project

      Bogers RP; Tijhuis MAR; Gelder BM van; Kromhout D; VGC/SVC; PZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-02-22)
      The HALE project showed an increase in Body Mass Index in the different age cohorts, suggesting that the current obesity epidemic went back as far as the 1960s. In some countries favorable changes in systolic blood pressure and serum cholesterol levels occurred. In general, low systolic blood pressure and serum cholesterol levels were related to a low cardiovascular diseases mortality risk. Consumption of a Mediterranean type of diet, moderate consumption of alcohol, non-smoking and regular physical activity were related to a lower mortality risk. These were taken both separately and in combination, the relationship was even stronger in the latter. In the elderly, health and functional status decreased with age, although in subsequent cohorts the proportion of healthy elderly has increased. Regular physical activity, moderate coffee consumption, being married, and living with others were all associated with a smaller cognitive decline in elderly men. The aim of the HALE project was to study changes in and determinants of usual and healthy ageing in 13 European countries. For this project longitudinal data were used of three international studies: the Seven Countries Study database (7047 men followed for 35 years in five European countries) and the combined database of the FINE and SENECA Study (3805 elderly men and women followed for 10 years in 12 European countries).