• Fosfaatverzadigde gronden: een overzicht. Deel 1: Technische achtergronden bij de aanpak van de fosfaatverzadigde gronden

      Fraters B; Boumans LJM; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-12-31)
      De technische achtergronden voor beleidskeuzen bij de aanpak van de fosfaatverzadigde gronden in Nederland hebben betrekking op de volgende vragen: (1) Voor welk gebied moet een wettelijke regeling van kracht worden? (2) Welke methode voor identificatie dient gebruikt te worden? (3) Welke kritische waarde (criterium) moet gebruikt worden bij het aanwijzen van gronden? (4) Welke verliesnorm moet gaan gelden voor de aangewezen gronden? Bij de beantwoording van deze vragen werd een aantal alternatieven gegeven, elk met hun voor- en nadelen. De beantwoording geschiedt vanuit het perspectief van een landelijke regeling. De beschreven opties en alternatieven kunnen ook gebruikt worden bij de gebiedsgerichte benadering, namelijk bij de selectie van gebieden en gronden binnen de relevante gebieden. Tenslotte worden enkele aanbevelingen voor onderzoek gedaan zoals de effecten op middellange en lange termijn voor de landbouw en het milieu bij de aanpak van de fosfaatverzadigde gronden. Op de korte termijn kan in ieder geval de vanuit de plantaardige productie gezien onnodig hoge fosfaattoestand van de landbouwgronden worden teruggebracht.<br>
    • Fosfateren en chromateren

      Kohnen EAEM; Vlieger GJ de; RIZA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-01-31)
      This document on Phosphating and chromate treatment has been published within the SPIN-project. In this project information has been collected on industrial plants or industrial processes to afford support to governmental policy on emission reduction. This document contains information on the processes, emission sources, emissions to air and water, waste, emission factors, use of energy and energy factors, emission reduction, energy conservation, research on clean technology and standards and licences.
    • Fotografische industrie

      Booij H (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1992-12-31)
      This document on photographic industry has been published within the SPIN project. In this project information has been collected on industrial plants or industrial processes to afford support to governmental policy on emission reduction. This document contains information on the processes, emission sources, emissions to air and water, waste, emission factors, use of energy and energy factors, emission reduction, energy conservation, research on clean technology and standards and licences.<br>
    • Four scenarios for Europe. Based on UNEP&apos;s third Global Environment Outlook

      Bakkes JA (eds); LED (2003-05-08)
      De derde Global Environment Outlook (GEO-3) werd gepubliceerd vlak voor de top in Johannesburg. GEO-3 keek dertig jaar terug en dertig jaar vooruit. Met vier contrasterende scenarios is verkend langs welke wegen de wereld kan ontwikkelen, inclusief implicaties voor sociale en milieudoelen. De GEO-3 scenarios zijn respectievelijk Markets First, Policy First, Security First and Sustainability First. Kenmerkend voor GEO-3 is dat betrekkelijk diepgaand wordt onderzocht wat van elk van deze scenarios de gevolgen zijn voor de verschillende wereldregio's. De brochure presenteert de uitwerking van de GEO-3 scenario's voor West-, Centraal- en Oost-Europa.
    • Four scenarios for Europe. Based on UNEP's third Global Environment Outlook

      Bakkes JA; LED (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-05-08)
      De derde Global Environment Outlook (GEO-3) werd gepubliceerd vlak voor de top in Johannesburg. GEO-3 keek dertig jaar terug en dertig jaar vooruit. Met vier contrasterende scenarios is verkend langs welke wegen de wereld kan ontwikkelen, inclusief implicaties voor sociale en milieudoelen. De GEO-3 scenarios zijn respectievelijk Markets First, Policy First, Security First and Sustainability First. Kenmerkend voor GEO-3 is dat betrekkelijk diepgaand wordt onderzocht wat van elk van deze scenarios de gevolgen zijn voor de verschillende wereldregio's. De brochure presenteert de uitwerking van de GEO-3 scenario's voor West-, Centraal- en Oost-Europa.
    • Fourteenth CRL-Salmonella interlaboratory comparison study (2009) on typing of Salmonella spp.

      Jacobs-Reitsma WF; Maas HME; de Pinna E; Mooijman KA; LZO; cib (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMHealth Protection Agency HPA, 2011-09-26)
      De Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) van de 27 Europese lidstaten en de NRLs van Kroatië, Noorwegen en Zwitserland scoorden in 2009 goed bij de kwaliteitscontrole op Salmonella-typering. Vijf laboratoria hadden hiervoor een herkansing nodig. Uit de analyse van alle NRL's als groep bleek dat de laboratoria aan 93 procent van de geteste stammen de juiste naam konden geven. Sinds 1992 zijn de NRL's van de Europese lidstaten verplicht om deel te nemen aan jaarlijkse kwaliteitstoetsen, die bestaan uit zogeheten ringonderzoeken voor Salmonella. Elke lidstaat wijst een laboratorium aan, het Nationale Referentie Laboratorium (NRL), dat binnen dat land verantwoordelijk is om Salmonella uit monsters van levensmiddelen of dieren aan te tonen en te typeren. Om te controleren of de laboratoria hun werk goed uitvoeren moeten zij onder andere 20 Salmonella-stammen op juiste wijze identificeren. Soms doen ook landen buiten de Europese Unie vrijwillig mee. In 2009 waren dat Noorwegen en Zwitserland, en Kroatië als kandidaat-lidstaat voor de Europese Unie. Van de NRL's zijn er zeven laboratoria die, naast de standaardtoets (serotypering) op Salmonella, preciezere typeringen uitvoeren, de zogeheten faagtypering. Voor deze kwaliteitstoets moeten zij 20 extra stammen met deze methode typeren. De laboratoria ontvingen hiervoor tien Salmonella Enteritidisstammen en tien Salmonella Typhimurium-stammen. Deze NRL's typeerden 98 procent van de S. Typhimurium-stammen en 94 procent van de S. Enteritidisstammen op de juiste wijze. De organisatie van het typeringsringonderzoek is in handen van het Communautair Referentie Laboratorium (CRL) voor Salmonella (CRLSalmonella). Het CRL-Salmonella is ondergebracht bij het Nationaal Instituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in Bilthoven, Nederland. De organisatie van dit ringonderzoek is uitgevoerd in samenwerking met de Health Protection Agency (HPA) in Londen, Engeland.
    • The fourteenth CRL-Salmonella workshop, 25 and 26 May 2009, Bilthoven, the Netherlands

      Mooijman KA; LZO ; LIS; cib (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMEU NRLs-Salmonella, 2010-05-27)
      Dit rapport bevat verslagen van de presentaties die op 25 en 26 mei 2009 zijn gehouden tijdens de veertiende jaarlijkse workshop voor de Nationale Referentie Laboratoria (NRL's) voor Salmonella. Het doel van de workshop is informatie uitwisselen over activiteiten van zowel de NRL's als van het overkoepelend orgaan, het Communautair Referentie Laboratorium (CRL) Salmonella. Een belangrijk onderdeel daarvan is de presentatie van de resultaten van de jaarlijks terugkerende ringonderzoeken van het CRL waarmee de kwaliteit van de NRL-laboratoria wordt gemeten. Ook presenteren de NRL's van enkele geselecteerde landen hoe zij hun taken en verplichtingen uitvoeren. In de verslagen gaat veel aandacht uit naar de instrumenten om Salmonella aan te tonen. Onder andere komen de jaarlijkse baseline studies voor Salmonella aan de orde, waarin per deelnemend land wordt vastgesteld hoeveel Salmonella voorkomt bij bepaalde diergroepen. In 2008 betrof dit fokvarkens en karkassen van vleeskuikens. Vervolgens zijn meerdere methoden besproken die Salmonella aantonen en typeren. Bijvoorbeeld hoe kan worden vastgesteld of de Salmonella waarvan mensen ziek zijn geworden dezelfde is als in een product is aangetroffen. De organisatie van deze workshop is in handen van het CRL voor Salmonella, die op het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu is gevestigd. De hoofdtaak van het CRL-Salmonella is toezien op de kwaliteit van de nationale referentielaboratoria voor deze bacterie in Europa. De workshop vond plaats in Bilthoven, Nederland.
    • The fourth international and (Dutch) national trial with reference materials for water microbiology

      Mooijman KA; Havelaar AH; van Strijp-Lockefeer NGWM; Heisterkamp SH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1991-08-31)
      A fourth trial with reference materials for water microbiology was organized. Forty-one Dutch laboratories and 37 laboratories of the EC participated. Each laboratory received four capsules of batches of reference materials with the test strains WR63 Enterococcus faecium and WR51 Staphylococcus warneri. Each capsule was reconstituted according to a standardized protocol and analysed by three different culturing methods: faecal streptococci by a reference method and by national standard methods (mf-techniques) and most probable number of faecal streptococci by national standard methods. The method of analysing the results was different from that in the three former trials. A method was used to exclude extreme observations in two steps. Next the repeatability (r) and reproducibility (R) were calculated. The calculated values of r and R were very low and those found for test strain WR63 almost impossible (theoretically) to improve. Differences found between methods could mostly be attributed to the medium used.<br>
    • Fragrance allergens in scented consumer products on the Dutch market : Assessment of exposure levels and immune effects

      Ezendam J; ter Burg W; Vermeulen JP; Wijnhoven SWP; van Engelen J; GBO; vgc (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-06-04)
      Het RIVM is gevraagd te onderzoeken of consumenten die geurproducten als luchtverfrissers en kamerparfums gebruiken het risico lopen op luchtwegallergieën, zoals astma. Momenteel zijn er echter geen valide methoden beschikbaar om dit gezondheidsrisico in te schatten. Om toch iets over risico's te kunnen zeggen, is berekend in welke mate mensen blootstaan aan allergene geurstoffen bij het gebruik van geurproducten. Vervolgens zijn eventuele reacties op het immuunsysteem in kaart gebracht. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA). Geurproducten bevatten vaak allergene geurstoffen: Van 26 geurstoffen is bekend dat ze huidallergie kunnen veroorzaken, maar niet of ze luchtwegallergie veroorzaken. De NVWA heeft daarom 109 geurproducten gemeten of ze bekende allergene geurstoffen bevatten. Twintig van de 26 bekende allergene geurstoffen zijn in deze producten aangetroffen, vooral de stoffen limoneen en linalool. Vervolgens heeft het RIVM onder andere de blootstelling berekend voor deze twee stoffen bij het gebruik van geurproducten. Uit deze studie blijkt dat verstuivers en verdampers hogere blootstellingen aan deze geurstoffen veroorzaken dan spuitbussen en geurblokjes. Met behulp van inhalatiestudies in muizen is aangetoond dat een kortdurende inhalatie van limoneen en linalool het immuunsysteem niet activeert. De allergene geurstof isoeugenol doet dat in deze studies wel. Door lage blootstelling geringe kans op luchtwegallergie: De blootstelling aan isoeugenol is echter aanzienlijk lager dan die aan limoneen en linalool. Ook is deze blootstelling lager dan de blootstelling aan stoffen waarvan luchtwegallergische reacties bekend zijn, de diisocyanaten die beroepsastma kunnen veroorzaken. Op basis van deze vergelijking lijkt het onwaarschijnlijk dat limoneen, linalool en isoeugenol een verhoogd risico op luchtwegallergie geven. Vanwege het gebrek aan valide meetmethoden moet hierbij een slag om de arm worden gehouden. Ook is niet uitgesloten dat een langdurige blootstelling aan allergene geurstoffen in de beroepssfeer wellicht toch luchtwegallergie kan veroorzaken.
    • A Framework for the Assessment of the Global Potential of Joint Implementation

      Bollen JC; Minnen JG van; Toet AMC; Bennis M; Kuik OJ; MTV; VUA/IVM (Instituut voor MilieuvraagstukkenVrije Universiteit Amsterdam(VUA/IVM). Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), 1995-09-30)
      Joint Implementation (JI) is een instrument om op goedkopere wijze de mondiale CO2 uitstoot te verminderen. Het mondiale potentieel voor JI is gedefinieerd als de fractie van de noodzakelijke vermindering van regionale CO2 uitstoot om de uitstootdoelstelling in een bepaald zichtjaar te bereiken, die kosten-effectiever in andere regio's kan worden uitgevoerd. De doelstellingen worden in multilaterale onderhandelingen geformuleerd en kunnen het uitgangspunt vormen voor bilaterale JI overeenkomsten. Hoe meer de multilaterale doelstellingen zijn gebaseerd op overwegingen van kosten-effectiviteit, hoe minder ruimte er overblijft voor aanvullende JI overeenkomsten. Des te strikter de CO2 uitstootdoelstellingen, des te groter de noodzakelijke mondiale uitstootvermindering en des te hoger het potentieel voor uitstootverminderende maatregelen in andere regio's. (Echter, vergeleken met minder strikte doelstellingen zal het potentieel voor JI lager zijn, omdat het potentieel is gedefinieerd als de fractie van de noodzakelijke uitstootvermindering.) JI zou de totale kosten van CO2 uitstootvermindering met 75 procent kunnen verlagen vergeleken met een situatie zonder JI, afhankelijk van de oorspronkelijke verdeling van CO2 doelstellingen, het zichtjaar en scenario veronderstellingen. De kostenbesparing voor "donor" landen zou meer dan 50 procent kunnen bedragen, zelfs als zou worden verondersteld dat subsidies voor maatregelen in "gast" landen 50 procent meer zouden bedragen dan de werkelijke kosten. Met JI zou de noodzakelijke binnenlandse uitstootvermindering in "donor" landen met de helft af kunnen nemen. In vergelijking met andere OESO regio's (Japan, Oceanie, Verenigde Staten) zijn de voordelen van JI voor West-Europa gering. Met andere woorden, in een wereldmarkt van JI projecten zou West- Europa stevige concurrentie kunnen ontmoeten.
    • De freatische bergingscoefficient en de grondwateraanvulling in het gebied van de Utrechts Heuvelrug

      Drecht; G.van (1986-06-30)
      De freatische bergingscoefficient in het hooggelegen zandgebied van de Utrechtse Heuvelrug werd gelijkgesteld aan de volume fractie lucht in de zandondergrond bij veldcapaciteit. Voor de dekzandgebieden aan de flanken van de Utrechtse Heuvelrug werd de freatische bergingscoefficient geschat op 0,15. Voor het resterende gedeelte van de Utrechtse Heuvelrug met grof tot zeer grof zand in de ondergrond werd de freatische bergingscoefficient geschat op 0,30. De grondwateraanvulling in het gebied werd berekend als functie van de plaats en de tijd. Het model MUST werd gebruikt voor de berekening van de potentiele verdamping, terwijl het model ONZAT werd gebruikt voor de berekening van de grondwateraanvulling. De berekende vertraging van het neerslagoverschot in de onverzadigde zone blijkt groter te zijn dan de vertraging, die volgt uit een analyse van het stijghoogte verloop in het gebied.
    • Freundlich-adsorptievergelijkingen voor cadmium, koper en zink in de bodem op basis van literatuurgegevens

      Elzinga EJ; Berg B van den; Grinsven JJM van; Swartjes FA; Vissenberg HA; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-04-30)
      Freundlich equations (Freundlich isotherms) were derived for the three heavy metals, cadmium, copper and zinc, by regression in an extensive literature data set. The Freundlich constants were described as a function of such soil characteristics as pH, CEC and organic matter content. Freundlich isotherms were derived using both the total concentration in solution and the activity of the free metal ions in solution. The Freundlich isotherms were applied to field data for 20 Dutch soils. In general, the isotherms seem to underestimate measured values. The isotherms may provide a supplement to presently available partition data sets for estimating mobility and bioavailability of metals in soils.
    • Freundlich-adsorptievergelijkingen voor cadmium, koper en zink in de bodem op basis van literatuurgegevens

      Elzinga EJ; van den Berg B; van Grinsven JJM; Swartjes FA; Vissenberg HA; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-04-30)
      Voor de drie zware metalen cadmium, koper en zink zijn Freundlich-adsorptievergelijkingen (Freundlich-isothermen) afgeleid door regressie op een uitgebreide literatuur dataset. De Freundlich constante werd hierbij beschreven als functie van bodemkarakteristieken zoals pH, CEC en organisch stofgehalte. Freundlich isothermen werden afgeleid op basis van zowel de totale concentratie in oplossing als de activiteit van het vrije metaalion in oplossing. De Freundlich isothermen zijn toegepast op een velddataset voor een twintigtal Nederlandse bodems. In het algemeen lijken de isothermen het gemeten gehalte te onderschatten. Niettemin bieden de isothermen een aanvulling op momenteel beschikbare partitiegegevens voor (modelmatige) schattingen van mobiliteit en biobeschikbaarheid van metalen in de bodem.<br>
    • From concentration to dose: factors influencing airborne particulate matter deposition in humans and rats

      Winter-sorkina R de; Cassee FR; LBV; LBO (2003-02-20)
      Fijnstof bestaande uit vaste deeltjes en druppels is aanwezig in binnen- en buitenlucht. Deeltjes met aerodynamische diameter kleiner dan 10 micro m kunnen ingeademd worden door mensen. Kennis van weefsel specifieke interne dosis van fijn stof is een kritische schakel tussen individuele externe blootstelling en gevolgen voor de gezondheid. Computer modellen zijn belangrijk gereedschap om fijnstof dosimetrie te analyseren. Het Multiple Path Particle Dosimetry (MPPD) model is ontwikkeld door CIIT (Chemical Industry Institute of Toxicology, VS) in samenwerking met het RIVM. Het MPPD model biedt de mogelijkheid om depositiefracties en blootstellingsdosis aan fijnstof te berekenen voor mensen en ratten, en bevat leeftijdsafhankelijke humane longmodellen. Dit rapport beschrijft resultaten van de berekeningen met het MPPD model van depositie van monodisperse aerosolen en de gevoeligheid van het model voor verschillende parameters. Regionale, lobspecifieke en alveolaire deposities zijn berekend met een stochastische longmodel voor de volwassen mens. Leeftijdsafhankelijkheid van fijnstof depositie voor kinderen en adolescenten is onderzocht. Afhankelijkheid van regionale depositie van het niveau van fysieke inspanning is onderzocht voor een volwassen mens. Coefficienten voor rat-mens depositieextrapolatie zijn vastgesteld voor drie niveaus van menselijke fysieke inspanning (slaap, rust en lichte inspanning).
    • From concentration to dose: factors influencing airborne particulate matter deposition in humans and rats

      Winter-sorkina R de; Cassee FR; LBV; LBO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-02-20)
      Particulate matter (PM) consisting of solid particles and droplets is present in the ambient air. Particles with an aerodynamic diameter less than 10 micro m can be inhaled by humans. Knowledge of the tissue-specific internal dose of PM is a critical link between individual external exposure and health outcomes. Computer models have proven to be important tools to analyse PM dosimetry, they are especially suited to analyse effects of scenarios, such as particulate exposure control strategies. A Multiple Path Particle Dosimetry model (MPPD) has been developed by CIIT (Chemical Industry Institute of Toxicology, USA) in close collaboration with RIVM. The MPPD model allows calculation of PM deposition fractions and exposure doses for humans and rats, and includes age-specific human lung models. This report describes the results of monodisperse aerosol deposition calculations with the MPPD model and its sensitivity to various parameters. Regional, lobar and alveolar depositions are calculated with a stochastic lung model for human adult. Age dependency of PM deposition for children and young adults is studied. Dependency of regional deposition on the level of physical exertion is studied for human adults. Coefficients for the rat-human deposition extrapolation have been determined for three levels of human physical exertion (sleep, awake rest and light exercise).
    • From Kyoto to The Hague - European perspectives on making the Kyoto Protocol Work

      Metz B; Faber A; Berk MM; Kok MTJ; Minnen JG van; Moor A de; MNV; NOP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-12-11)
      Summary of the 2nd Climate policy workshop in the framework of EFIEA, held in Amsterdam, April 18-19, 2000. Some of the most important issues to be resolved at COP6 were discussed among scientists, policy makers and stakeholders: EU leadership, Kyoto Mechanisms,domestic implementation issues and sinks. The workshop as well as this report serve as a preparation for COP6 in November 2000.
    • From Kyoto to The Hague - European perspectives on making the Kyoto Protocol Work

      Metz B; Faber A; Berk MM; Kok MTJ; van Minnen JG; de Moor A; MNV; NOP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-12-11)
      Verslag van de 2e Klimaatbeleid workshop in het kader van EFIEA, gehouden in Amsterdam van 18-19 april 2000. Over een aantal van de belangrijkste onderwerpen voor COP6 (Den Haag) werd hier gediscussieerd met wetenschappers, beleidsmakers en belanghebbenden: EU leiderschap, Kyoto Mechanismen, binnenlandse implementatie maatregelen en putten (sinks). De workshop en het rapport dienen ter voorbereiding voor COP6 in november 2000.<br>
    • From risk assessment to environmental impact assessment of chemical substances : Methodology development to be used in socio-economic analysis for REACH

      Verhoeven JK; Bakker J; Bruinen de Bruin Y; Hogendoorn EA; de Knecht JA; Peijnenburg WJGM; Posthuma L; Struijs J; Vermeire TG; van Wijnen HJ; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-04-26)
      Dit rapport stelt een methodologie voor waarmee verwachte milieu-effecten van chemische stoffen onderling kunnen worden vergeleken. Dit levert inzicht op in de relatieve milieuwinst die kan worden behaald als schadelijke stoffen worden vervangen door minder schadelijke alternatieven. Centraal staat de milieuschade van zowel de bestaande stof als het alternatief. Ten opzichte van eerdere verkenningen geeft deze studie een methodologie waarmee milieuschade relatief eenvoudig kan worden bepaald en vergeleken. In 2007 is de Europese wetgeving REACH (Registration, Evaluation Authorisation and restriction of CHemicals) ingevoerd. Restrictie en Autorisatie zijn de twee instrumenten van REACH om een stof die op grond van de huidige kennis als gevaarlijk voor mens en/of milieu wordt beschouwd, uit te faseren en te vervangen door een alternatief. REACH schrijft voor dat de gevolgen van een verbod in bredere zin dan alleen een risicoanalyse, worden weergegeven, namelijk via een zogenoemde socio-economische analyse. Hierin kan de verminderde schade aan mens en milieu bijvoorbeeld worden afgewogen tegen de kosten die een overschakeling op een alternatief met zich meebrengt. De ontwikkelde methodologie richt zich alleen op milieu-effecten als onderdeel van een socio-economische analyse. De methodologie bestaat uit een getrapte analyse, waarmee kan worden gekozen voor de manier en het detailniveau waarop de methodologie wordt uitgevoerd. Dit gebeurt op basis van het type stof, de databeschikbaarheid en het uiteindelijke doel van de analyse. Tevens geeft de methodologie een raamwerk hoe bij dergelijke analyses om te gaan met onzekerheden. De bruikbaarheid van de ontwikkelde methodologie is getest met behulp van drie voorbeeldstudies van zeer verschillende stoffen. Het betreft (1) de vervanging van nonylfenolen (surfactanten) in wasmiddelen door alcohol ethoxylaten, (2) de vervanging van zinken dakgoten door PVC-dakgoten, en (3) de vervanging van de brandvertragende stof HBCDD in isolatiemateriaal door twee alternatieve brandvertragers.
    • Functiespecifieke risicogrenswaarden voor grondwaterkwaliteit : Verkenning en methodiekontwikkeling

      Otte PF; Swartjes FA; van Beelen P; DDB; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-06-10)
      Het RIVM heeft een nieuw concept uitgewerkt om normen af te leiden voor twaalf veelvuldig voorkomende verontreinigende stoffen in grondwater (meestal organische oplosmiddelen). Dit is bedoeld om het beheer van grondwaterkwaliteit en de functies van het grondwater concreet vorm te geven. De basis van het concept voor deze zogeheten functiespecifieke risicogrenswaarden is dat voor de grondwaterkwaliteit rekening wordt gehouden met het gebruik of de functie van het grondwater. Het voordeel is dat de vervuiling specifieker kan worden aangepakt. Deze benadering is vergelijkbaar met de werkwijze voor het bodembeheer. In de toekomst kan daardoor het beheer van bodem- en grondwater worden gekoppeld. Het concept is verkennend van aard en wil, passend bij de nieuwe Omgevingswet (2018), bijdragen aan nieuw beleid voor grondwater. De huidige normen hebben geen directe relatie met het feitelijke gebruik van grondwater. Op basis van de streef- en interventiewaarden voor grondwater wordt bepaald in welke mate beheer en sanering nodig zijn en naar welke waterkwaliteit wordt gestreefd. Voor de afleiding van functiespecifieke risicogrenswaarden is een onderscheid gemaakt tussen drie gebiedstypen: de combinatie Landbouw/Natuur, Wonen en Industrie. Elk gebiedstype stelt eisen aan de grondwaterkwaliteit, zoals voor irrigatie, ecologie, drinkwateronttrekking, veilig wonen en industriële productieprocessen. De risicogrenswaarden kunnen onder meer worden gebruikt voor het zogeheten gebiedsgericht beheer van grondwater. Hierbij wordt een vervuild gebied in zijn geheel aangepakt, wat vooral efficiënt is als de 'veroorzaker' niet bekend is (zoals bij oudere, industriële verontreinigingen). De grenswaarden geven onacceptabele risico's aan, gekoppeld aan een specifieke functie van grondwater. Om de kwaliteit van nabijgelegen schoon grondwater te garanderen, worden daarvoor strengere risicogrenswaarden aangegeven.