• Future health expenditure in the European Union. Estimates of demographic effects

      Helder JC; Achterberg PW; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-07-31)
      Dit rapport beschrijft ontwikkelingen in de kosten van de gezondheidszorg in de huidige vijftien landen van de EU in relatie tot ontwikkelingen in Bruto Binnenlandse Product (BBP), vergrijzing en bevolkingsgroei. Omdat zorgkosten o.a. sterk met de leeftijd stijgen is een aantal leeftijd-kostenfuncties opgesteld. Deze zijn geextrapoleerd in de tijd en toegepast op alle EU-landen, uitgaande van de leeftijd-kostenverdeling, zoals die eerder voor Nederland (1988) bepaald werd gebruik makend van bestaande internationale bevolkingsprognoses. Voor het jaar 2020 wordt de grootste toename van de zorgkosten (per capita) door vergrijzing (1990 = 1.00) voorspeld voor Italie (1,11), Griekenland (1,10), Spanje (1,09), Nederland en Finland (1,08), terwijl een geringere toename gevonden wordt voor Zweden (1,00), het Verenigd Koninkrijk (1,01), Oostenrijk en Belgie (1,05), Denemarken en Luxemburg (1,05). Het gewogen gemiddelde voor de EU stijgt naar verwachting van 1,00 in 1990 tot 1,06 in 2020. Schatting voor absolute kostenstijgingen (inclusief schattingen voor de bevolkingsgroei) geven grotere verschillen te zien. De grootste verwachte toename vindt daarbij plaats in Nederland (1,27), Luxemburg (1,20), Spanje (1,14), Frankrijk (1,14) en Finland (1,13), met lagere toenamen voor het Verenigd Koninkrijk (1,06), Portugal (1,09), Zweden, Italie, Ierland (1,10), Duitsland (1,11) en Oostenrijk (1,12). Retrospectief lijkt het er op dat in de meeste EU-landen, ook in Nederland, de stijging van de zorgkosten per capita redelijk in de pas is gebleven met de stijging van het BBP per capita. Na 2010 zal, zeker voor Nederland, vergrijzing echter relatief belangrijker worden, waardoor per capita de totale zorgkosten sterker kunnen stijgen en er minder ruimte is voor kostenstijgingen door andere oorzaken. Epidemiologische, medisch-technologische en sociaal-culturele veranderingen kunnen de leeftijdsverdeling van de zorgkosten en ook de vergelijkbaarheid ervan tussen landen in de toekomst echter op niet-voorspelbare wijze veranderen.<br>
    • Future introductions of genetically modified microbial biocontrol agents in the EU : Are current EU legislation and risk assessment fit for purpose?

      Scheepmaker JWA; Hogervorst PAM; Glandorf DCM; MSP; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-11-08)
      Genetisch gemodificeerde micro-organismen zijn in de toekomst mogelijk een alternatief voor chemische gewasbeschermingsmiddelen. Met behulp van genetische modificatie worden eigenschappen van micro-organismen toegevoegd of verbeterd, waardoor ze breder toepasbaar zijn dan 'gewone' microbiële middelen. Zo kan een bacterie Bacillus thuringiensis na een aanpassing een extra gifstof produceren van een verwante stam. Dan kan hij niet alleen schadelijke rupsen bestrijden maar ook een schadelijke vlieg. Ook kan het organisme zodanig aangepast worden dat het zijn werkzaamheid onder ongunstigere klimatologische omstandigheden behoudt. Tot nu toe worden maar een paar middelen buiten Europa gebruikt. Nederland wil erop voorbereid zijn als bedrijven een toelating voor dergelijke middelen tot de Europese markt aanvragen. Uit onderzoek van het RIVM blijkt dat de huidige Europese wettelijke instrumenten toereikend zijn om de veiligheid van dergelijke producten te garanderen. Europese wetgeving dekt de milieuveiligheid, de veiligheid voor omwonenden van landbouwgebieden en voor werknemers volledig af. Ook de belangrijkste aspecten voor voedsel- en veevoederveiligheid worden door Europese wetgeving afgedekt. Een uitzondering hierop is de hypothetische casus dat de samenstelling van een voedsel- of veevoederproduct wordt veranderd door een genetisch gemodificeerd microbieel gewasbeschermingsmiddel. Dit kan het geval zijn wanneer een genetisch gemodificeerd micro-organisme als gevolg van de modificatie invloed heeft op stofwisselingsprocessen in een plant waardoor allergene of giftige stoffen worden gevormd. Deze stoffen zouden dan in de voedsel- en veevoederproducten kunnen zitten, geconsumeerd kunnen worden en daardoor schadelijk zijn voor mens en dier. Hier zijn echter nog geen concrete voorbeelden van bekend. Voorgesteld wordt om, mochten er aanwijzingen zijn dat een plant gifstoffen of allergenen kan produceren als gevolg van de interactie met het genetisch gemodificeerd micro-organisme, dit van geval tot geval in de risicobeoordeling mee te wegen.
    • The Future of the Global Environment: A Model-based Analysis Supporting UNEP's First Global Environment Outlook

      Bakkes JA; Woerden JW van; Alcamo J; Berk MM; Bol P; Born GJ van den; Brink BJE ten; Hettelingh JP; Langeweg F; Niessen LW; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-01-27)
      This report documents the scenario analysis in UNEP's first Global Environment Outlook, published at the same time as the scenario analysis. This Outlook provides a pilot assessment of developments in the environment, both global and regional, between now and 2015, with a further projection to 2050. The study was carried out in support of the Agenda 21 interim evaluation, five years after 'Rio' and ten years after 'Brundtland'. The scenario analysis is based on only one scenario, Conventional Development. It features higher incomes and better health, but increasing regional inequalities. This pattern is reinforced by the analysis using detailed environmental models. Agricultural land use has to expand considerably in order to meet the growing demand for food, while agricultural productivity is not growing quickly enough in Africa and Asia. The little that remains of natural areas comes under heavy pressure. The ratio between water demand and availability becomes problematic in an increasing number of the world's catchment areas, although there are strong regional differences. Trade in food products becomes even more important than it is now, both for one's well-being and for the question on where the environmental pressures will occur. The necessary demographic and health transitions are illustrated with case studies for India, Mexico and the Netherlands. Protection of the environment will become an increasingly important factor in improving healthy life expectancy in developing countries. Future generations will be able to use energy, land and water more efficiently. Although the scenario analyzed in this study is rather optimistic in this respect. The assumed efficiency increases are by and large insufficient to meet the absolute growth in demand. On the other hand, there is technically speaking evidence given of considerable room for reducing the pressure on natural resources - assuming political determination, of course.
    • The Future of the Global Environment: A Model-based Analysis Supporting UNEP&apos;s First Global Environment Outlook

      Bakkes JA; van Woerden JW; Alcamo J; Berk MM; Bol P; van den Born GJ; ten Brink BJE; Hettelingh JP; Langeweg F; Niessen LW; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMUnited Nations Environment Programme (UNEP)NairobiKenia, 1997-01-27)
      Dit rapport bevat de details van de scenario-analyse in de gelijktijdig verschijnende eerste Global Environment Outlook, onder auspicien van UNEP. Dit is een proeve van een wereldmilieuverkenning tot 2015 met een doorkijkje naar 2050. De studie is uitgevoerd ten behoeve van de tussenbalans van Agenda 21, vijf jaar na 'Rio' en tien jaar na 'Brundtland'. De scenario-analyse is gebaseerd op slechts een scenario, het Conventional Development scenario. Impliciet daarin is dat hoewel de gemiddelde welvaart stijgt, de verschillen in de wereld alleen maar toenemen. De analyse met behulp van gedetailleerde milieumodellen versterkt dat beeld. Het landbouwareaal breidt sterk uit om aan de toenemende vraag naar voedsel te voldoen, bij achterblijvende landbouwproductiviteit in Afrika en Azie. Van de natuurgebieden blijft niet veel over, en wat overblijft komt onder grote druk. De verhouding tussen beschikbaar en benodigd zoet water wordt ongunstiger, met sterke regionale verschillen. Handel in voedsel wordt een steeds belangrijker factor, zowel voor welvaart als voor de vraag waar op de wereld het milieu het meest belast wordt. De noodzakelijke transities op het gebied van gezondheid en demografische ontwikkelingen worden geillustreerd met case-studies over India, Mexico en Nederland. Milieubeheer zal gaandeweg een belangrijker factor worden bij het bevorderen van een gezonde levensverwachting in ontwikkelingslanden. Toekomstige generaties zullen steeds effectiever omspringen met energie, land en water. Maar hoewel het onderzochte scenario op dit punt tamelijk optimistisch is, zijn de veronderstelde efficiencyverbeteringen over het geheel genomen onvoldoende om de groei van de behoefte op te vangen. Aan de andere kant laten voorlopige berekeningen zien dat er technisch gesproken veel ruimte is om de druk op natuurlijke hulpbronnen te verminderen - aangenomen dat de politieke wil aanwezig is.<br>
    • De fysieke omgeving in relatie tot bewegen en voeding - Onderzoek in het kader van preventie van overgewicht

      Wendel-Vos GCW; Blokstra A; Zwakhals SLN; Wijga AH; Tijhuis MAR; PZO; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-12-22)
      Despite great expectations of the influence of the physical environment on nutrition and physical activity, relatively few studies have addressed this association, with the Netherlands clearly showing a backlog in comparison to the United States and Australia. More (Dutch) research is needed to be able to make well-grounded statements on: 1) the relationship between aspects of the physical environment and diet and physical activity; 2) the aspects of particulate importance and 3) whether or not these aspects differ according to the different domains of diet and physical activity. The small number of published studies suggest presence and accessibility of facilities and recreational space and traffic safety as potential determinants of physical activity. The presence of fruit and vegetables in shops forms a potential determinant for fruit and vegetable consumption. These findings come from an extensive review of the literature on environmental determinants of diet and physical activity. Subsequently, indications from the literature were tested on the basis of two large studies from the National Institute for Public Health and the Environment, combined with the use of existing objective data on the physical environment. These analyses confirmed findings from the literature. For example, adults in a living environment with more recreational space were more active. Children living in a non-urban environment also spent more time playing outside than children living in an urban environment.
    • De fysieke omgeving in relatie tot bewegen en voeding - Onderzoek in het kader van preventie van overgewicht

      Wendel-Vos GCW; Blokstra A; Zwakhals SLN; Wijga AH; Tijhuis MAR; PZO; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-12-22)
      Ondanks de hoge verwachtingen van de invloeden van fysieke omgeving op ons voedings- en beweegpatroon, zijn er relatief weinig studies die een dergelijke samenhang hebben onderzocht. Hierbij blijft het aantal Nederlandse studies duidelijk achter bij studies uit de Verenigde Staten en Australie. Om een gedegen uitspraak te kunnen doen over of aspecten uit de fysieke omgeving samenhangen met voeding en bewegen, welke specifieke aspecten dit zijn en of deze aspecten verschillen voor verschillende onderdelen van voeding en bewegen is meer (Nederlands) onderzoek nodig. De weinige studies die er zijn impliceren een rol voor aanwezigheid en toegankelijkheid van voorzieningen en recreatieve ruimte en verkeersveiligheid in relatie tot beweeggedrag. Daarnaast speelt het aanbod van groente en fruit een rol in de consumptie ervan. Deze bevindingen zijn afkomstig uit een uitgebreid literatuuronderzoek naar de samenhang tussen fysieke omgeving, voeding en bewegen. Aanvullend zijn de aanwijzingen uit de literatuur getoetst op basis van twee grote studies van het RIVM, gecombineerd met aanwezige objectieve informatie over de fysieke omgeving. Deze analyses bevestigden de bevindingen uit de literatuur. Volwassenen bewogen bijvoorbeeld meer wanneer er in de omgeving van de woning voldoende recreatieve ruimte beschikbaar was. Kinderen in een niet-stedelijke omgeving speelden meer buiten dan kinderen in een stedelijke omgeving.
    • Fysieke productieontwikkelingen in de industrie. Het gebruik van STREAM bij verkenningen

      Thomas R; Mannaerts HJBM; Elzenga HE; Herzberg VPCF; Wesselink LG; Mulder M; LAE (CPBAfdelingen energie en grondstoffen, 2001-09-21)
      De levenscyclus van materialen als staal, aluminium en papier belast het milieu. Met name omzetting van grondstoffen naar basismaterialen door o.a. kraak- en smeltprocessen kost veel energie. Op Europese schaal dragen de productie en verwerking van materialen door de basisindustrie voor circa 25% bij aan de totale broeikasgasemissie. Voor Nederland met een relatief energie-intensieve sectorstructuur is dit aandeel nog hoger. Om inzicht te hebben in de toekomstige ontwikkelingen in milieudruk door materiaalstromen is inzicht in de fysieke productieontwikkelingen in de basisindustrie van groot belang, immers energiegebruik en emissies van stoffen zijn gekoppeld aan fysieke productiehoeveelheden van materialen. Om die reden is door het CPB in samenwerking met het RIVM het model STREAM ontwikkeld. Met STREAM kan voor Nederland, West-Europa en wereld worden verkend hoe ontwikkelingen in economie en (milieu)beleid doorwerken in de fysieke omvang, de locatie en de inputefficiency (arbeid, kapitaal en energie) van de materialenproductie. STREAM bevat de materialen staal, aluminium, papier, petrochemische productie (monomeren, polymeren, oplosmiddelen) en kunstmest, en modelleert zowel de productieontwikkelingen van materialen o.b.v. primaire ('maagdelijke') grondstoffen als de productie o.b.v. gerecyclede materialen. STREAM bevat veel modelparameters, die zijn bepaald uit of gekalibreerd zijn op monitoringsgegevens over de periode 1960-1993. Uit een globale onzekerheids- en gevoeligheidsanalyse concluderen we dat de belangrijkste onzekerheden en gevoeligheid van het Nederlandse 'blok' in het model zijn te vinden in de gehanteerd import-export elasticiteiten. Deze geven aan, dat een kostprijsverhoging in Nederland t.o.v. het buitenland van 1% resulteert in een exportdaling van 6-8%. Gezien de onzekerheden in het model beschouwen we de modelresultaten als indicatief en trendmatige ontwikkelingen weergevend. ent STREAM een verdere groei van de vraag naar en de productie van basismaterialen. De mate van groei verschilt per beschouwd materiaal. De vraag naar materialen uit de basischemie, zoals polymeren en oplosmiddelen, en de vraag naar aluminium groeien het sterkst terwijl bijvoorbeeld de West Europese productie van kunstmest stagneert. De productiegroei van basismaterialen in Nederland, grotendeels ten behoeve van de export, houdt gelijke tred met die in de rest van West Europa. Hoewel de energie-efficiency van de productie van basismaterialen toe blijft nemen, mede door een toenemend aandeel secundaire productie, blijft ze achter bij de productiegroei. Het industriele energiegebruik en de daarmee samenhangende CO2 emissies nemen daarom toe. Tot op heden zijn de milieukosten in de Nederlands industrie 1-2% van de totale productiekosten en niet aantoonbaar hoger dan in omringende (concurrerende) landen. De toekomstige kosten, bij het nu vastgestelde milieubeleid, lijken de concurrentiepositie ook niet of beperkt aan te tasten. Dit beleid doet industriele emissies in Nederland (verder) dalen, uitgezonderd CO2, maar emissiedoelen voor 2010 blijven veelal buiten bereik. Rekenvarianten waarin het milieubeleid wordt aangescherpt geven een verdere illustratie van de 'spanning' tussen milieubeleid enerzijds en verlies aan concurrentie-kracht anderzijds.
    • Fysieke productieontwikkelingen in de industrie. Het gebruik van STREAM bij verkenningen

      Thomas R; Mannaerts HJBM; Elzenga HE; Herzberg VPCF; Wesselink LG; Mulder M; CPB, Afdelingen energie en grondstoffen; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-09-21)
      The life cycle of materials like steel, aluminium and paper causes pressure on the environment. Particularly the cracking and melting processes used to convert raw materials cost considerable energy. At European level the production and processing of materials contribute about 25% of the total greenhouse gas emissions. This contribution is even higher in the Netherlands, with its relatively energy-intensive sector structure.l pressure from material streams, it is important to have insight in the physical production trends in the base industries. Indeed energy use and emissions of substances are coupled to quantities of materials needed for physical production. This was reason enough for the Bureau for Economic Policy Analysis (CPB), in cooperation with the RIVM, to design the STREAM model. STREAM will allow these institutes to discover how at national, European and global levels developments in the economy and environmental policy influence the physical volume location and input efficiency (labour, capital and energy) in the production of materials. STREAM comprises the materials steel, aluminium, paper, petrochemical products(monomers, polymers and solvents) and artificial fertilizers. It models developments in both production with primary raw materials and production with recycled materials.calibrated on monitoring data over the period, 1960 to 1993. From a general uncertainty and sensitivity analysis we concluded that the most important uncertainties and sensitivities of the Dutch ' block' in the model were to be found in the current import and export elasticities. These indicate for example that a rise in the cost price of 1% in the Netherlands with respect to abroad would result in an export drop of 6-8%. In view of the uncertainties about the precise level of the effects, the model results give - mostly indicative - information on trend-like developments.the next decades, STREAM calculates a further growth in the demand for and the production of base materials. The extent of the growth varies, depending on the material in question. The demand for materials from basic chemistry, like polymers and solvents, and the demand for aluminium will grow the most rapidly, while the Western European production of artificial fertilizers will stagnate. The growth in production of base materials in the Netherlands, mostly for export, keeps pace with the rest of Western Europe. Although the energy efficiency of the production of base materials continues, partly because of the increasing contribution of secondary production, it falls behind growth in production. The overall industrial energy use and the associated CO2 emission will therefore rise in this scenario.ial sector, amounting to 1-2 percent of the total production costs, are not demonstrably higher than in the surrounding (competitive) countries. The future costs indicated in the environmental policy now set down, either do not, or barely, seem to affect the industry's competitive position. This policy will lead to a (further) drop in industrial emissions, except for CO2; however, emission targets for 2010 remain largely unattainable. Calculation variants with a stricter environmental policy further illustrate the 'tension' between environmental policy on the one hand and loss of the competitive power on the other.
    • Een fysiologisch farmacokinetisch model voor 2,3,7,8-TCDD in de koe

      Derks HJGM; Berende PLM; Everts H; Olling M; Liem AKD; Jong APJM de (1993-11-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Fysisch en chemisch onderzoek aan huishoudelijk afval

      Beek AIM van de; Cornelissen AAJ; Aalbers TG (1988-06-30)
      Voor het sorteeronderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiene (RIVM) wordt driemaal per jaar in vijf wijken van vier gemeenten op representatieve wijze huishoudelijk afval (zakkenvuil) ingezameld. Door de keuze van de gemeenten en de wijken waarin de monstername plaatsvindt, is getracht een gemiddeld beeld van het Nederlandse zakkenafval te verkrijgen. Jaarlijks wordt door het RIVM van een wijk het zakkenvuil fysisch en chemisch onderzocht. Het hier beschreven onderzoek werd in 1986 uitgevoerd aan zakkenvuil, dat was ingezameld in Arnhem. Uit het onderzoek blijkt dat 1 kg nat zakkenvuil circa 5 mg arseen, 3 mg cadmium, 225 mg chroom, 260 mg lood en 4 mg antimoon bevat. Voorts verschaft het rapport informatie over de concentraties van de metalen beryllium, cobalt, koper, kwik, ijzer, mangaan, molybdeen, nikkel, vanadium en zink en de calorische waarden van de afzonderlijke componenten.
    • Fysisch en chemisch onderzoek aan huishoudelijk afval van 1987, inclusief batterijen

      Beek AIM van de; Cornelissen AAJ; Aalbers TG (1989-02-28)
      Voor het sorteeronderzoek van het RIVM wordt drie maal per jaar in vijf wijken van vier gemeenten op representatieve wijze huishoudelijk afval ingezameld. Door de keuze van de gemeenten en de wijken waarin de monsterneming plaatsvindt, is getracht een gemiddeld beeld van het Nederlandse zakkenafval te verkrijgen. Jaarlijks wordt door het RIVM van een wijk het zakkenvuil fysisch en chemisch onderzocht. Het hier beschreven onderzoek werd uitgevoerd aan zakkenvuil, dat in 1987 was ingezameld in Amsterdam (oude stadswijk). Uit het onderzoek blijkt dat in 1 kg nat zakkenvuil circa 4 mg As, 2 mg Cd, 100 mg Cr, 230 mg Pb en 3 mg Sb bevat. Deze waarden zijn van dezelfde orde van grootte als de gehalten die in 1986 werden gemeten in zakkenvuil in Arnhem. Voorts verschaft het rapport informatie over de concentraties van de metalen Be, Co, Cu, Hg, Mn, Mo, Ni, V, Ag en Zn en de calorische waarden van de afzonderlijke componenten.
    • Fysisch onderzoek naar de samenstelling van het Nederlanse huishoudelijk afval. Resultaten 1988

      Cornelissen AAJ (1989-09-30)
      Ten behoeve van dit onderzoek wordt enige malen jaarlijks huishoudelijk afval ingezameld in de gemeenten: Arnhem, Amsterdam (oudere stadswijk), Amsterdam (nieuwere stadswijk) en Overasselt. De belangrijkste resultaten van 1988 t.o.v. 1987 zijn: - daling van het aandeel groente-, fruit- en tuinafval. - stijging van het aandeel papier. Dit wordt vooral geconstateerd in de subcomponent drukwerk/tijdschriften. - stabilisering van de overige componenten. - Het convenant drankverpakking is gebaseerd op de uitkomsten van het sorteeronderzoek.
    • Fysisch onderzoek naar de samenstelling van het Nederlandse huishoudelijk afval ; Resultaten 1995

      Cornelissen AAJ; Otte PF; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-10-31)
      The (residual) household waste collected from 1000 households in the Netherlands, was investigated for physical composition. Waste from these selected households was found to give a fairly accurate picture of the waste collected nationwide.This report gives detailed information on 15 main components, numerous subcomponents, and the percentage of packaging materials and batteries in household waste. Moreover, the report contains information on the concentration of a number of elements present in household waste. The main components in (residual) household waste are: bio-waste and undefined residual waste (34.8%), paper and cardboard (33.6%), plastics (10.8%), glass (3.5%), ferrous metals (3.8%), non-ferrous metals (0.5%), textiles (2.6%), bread (2.0%), animal waste (1.5%), ceramics (2.7%), carpets (0.6%), leather/rubber (1.5%), wood (1.6), special waste (0.4%) and small chemical waste (0.2%). The percentage of packaging materials was found to be 24.8% of the total amount of household waste.
    • Fysisch onderzoek naar de samenstelling van het Nederlandse huishoudelijk afval ; Resultaten 1995

      Cornelissen AAJ; Otte PF; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-10-31)
      Huishoudelijk afval, afkomstig van 1000 geselecteerde huishoudens, werd geanalyseerd voor de bepaling van de fysische samenstelling. Dit afval vormt een afspiegeling van het totale Nederlands huishoudelijke restafval (exclusief de gescheiden ingezamelde afvalstromen). Het rapport geeft gedetailleerde informatie over 15 hoofdcomponenten en een groot aantal subcomponenten aanwezig in het huishoudelijk afval, de hoeveelheid verpakkingsmateriaal, de calorische waarde en de concentratie van een aantal elementen. De belangrijkste componenten in het huishoudelijk restafval zijn: GFT en ongedefinieerde rest (34,8%), papier en karton (33,6%), kunststof (10,8%), glas (3,5%, ferro (3,8%), non-ferro (0,5%), textiel (2,6%), brood (2,0%), dierlijk afval (1,5%), keramiek (2,7%), tapijten/matten (0,6%), leer/rubber (1,5%), hout (1,6%), bijzonder afval (0,4%) en klein chemisch afval (0,2%). De hoeveelheid verpakkingsafval is vastgesteld op 24,8% van de totale hoeveelheid huishoudelijk restafval.<br>
    • Fysisch onderzoek naar de samenstelling van het Nederlandse huishoudelijk afval. RESULTATEN 1994

      Cornelissen AAJ; Buijze A; Otte PF; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-08-31)
      In dit rapport zijn de resultaten vermeld van een onderzoek naar de samenstelling van huishoudelijk afval uit een steekproef van 550 huishoudens, verdeeld in 11 hoofdtypologieen. Het huishoudelijk afval uit deze steekproef is een afspiegeling van het Nederlands huishoudelijk afval. De belangrijkste componenten in het huishoudelijk afval zijn: GFT en ongedefinieerde rest (34,8%), papier en karton (29,4%), kunststof (10,4%), glas (4,0%, ferro (4,1%), non-ferro (0,6%), textiel (3,0%), brood (1,9%), dierlijk afval (1,7%), keramiek (4,3%), tapijten/matten (1,4%), leer/rubber (1,0%), hout ( 2,7%), bijzonder afval (0,3%) en klein chemisch afval (0,5%).<br>
    • Fysisch onderzoek naar de samenstelling van het Nederlandse huishoudelijke afval RESULTATEN 1993

      Cornelissen AAJ; Oh KMM; Otte PF; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-06-30)
      The Section of Measuring of the Laboratory of Waste Materials and Emissions analyses the composition of domestic waste in the Netherlands. This report presents the results of 1993. The composition of domestic waste varies, due to socio-economic and regional differences. Therefore eleven districts in the Netherland were sampled. The main components of domestic waste, amongst others: Vegetable, Fruit and Garden waste and indefined particles (39,8%); Paper/Cardboard (27,1%) ; Plastics (8,9%) ; Glass (4,2%) Ferrous (4,1%).<br>