• Fysisch onderzoek naar de samenstelling van het Nederlanse huishoudelijk afval. Resultaten 1988

      Cornelissen AAJ (1989-09-30)
      Ten behoeve van dit onderzoek wordt enige malen jaarlijks huishoudelijk afval ingezameld in de gemeenten: Arnhem, Amsterdam (oudere stadswijk), Amsterdam (nieuwere stadswijk) en Overasselt. De belangrijkste resultaten van 1988 t.o.v. 1987 zijn: - daling van het aandeel groente-, fruit- en tuinafval. - stijging van het aandeel papier. Dit wordt vooral geconstateerd in de subcomponent drukwerk/tijdschriften. - stabilisering van de overige componenten. - Het convenant drankverpakking is gebaseerd op de uitkomsten van het sorteeronderzoek.
    • Fysisch onderzoek naar de samenstelling van het Nederlandse huishoudelijk afval ; Resultaten 1995

      Cornelissen AAJ; Otte PF; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-10-31)
      The (residual) household waste collected from 1000 households in the Netherlands, was investigated for physical composition. Waste from these selected households was found to give a fairly accurate picture of the waste collected nationwide.This report gives detailed information on 15 main components, numerous subcomponents, and the percentage of packaging materials and batteries in household waste. Moreover, the report contains information on the concentration of a number of elements present in household waste. The main components in (residual) household waste are: bio-waste and undefined residual waste (34.8%), paper and cardboard (33.6%), plastics (10.8%), glass (3.5%), ferrous metals (3.8%), non-ferrous metals (0.5%), textiles (2.6%), bread (2.0%), animal waste (1.5%), ceramics (2.7%), carpets (0.6%), leather/rubber (1.5%), wood (1.6), special waste (0.4%) and small chemical waste (0.2%). The percentage of packaging materials was found to be 24.8% of the total amount of household waste.
    • Fysisch onderzoek naar de samenstelling van het Nederlandse huishoudelijk afval ; Resultaten 1995

      Cornelissen AAJ; Otte PF; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-10-31)
      Huishoudelijk afval, afkomstig van 1000 geselecteerde huishoudens, werd geanalyseerd voor de bepaling van de fysische samenstelling. Dit afval vormt een afspiegeling van het totale Nederlands huishoudelijke restafval (exclusief de gescheiden ingezamelde afvalstromen). Het rapport geeft gedetailleerde informatie over 15 hoofdcomponenten en een groot aantal subcomponenten aanwezig in het huishoudelijk afval, de hoeveelheid verpakkingsmateriaal, de calorische waarde en de concentratie van een aantal elementen. De belangrijkste componenten in het huishoudelijk restafval zijn: GFT en ongedefinieerde rest (34,8%), papier en karton (33,6%), kunststof (10,8%), glas (3,5%, ferro (3,8%), non-ferro (0,5%), textiel (2,6%), brood (2,0%), dierlijk afval (1,5%), keramiek (2,7%), tapijten/matten (0,6%), leer/rubber (1,5%), hout (1,6%), bijzonder afval (0,4%) en klein chemisch afval (0,2%). De hoeveelheid verpakkingsafval is vastgesteld op 24,8% van de totale hoeveelheid huishoudelijk restafval.<br>
    • Fysisch onderzoek naar de samenstelling van het Nederlandse huishoudelijk afval. RESULTATEN 1994

      Cornelissen AAJ; Buijze A; Otte PF; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-08-31)
      In dit rapport zijn de resultaten vermeld van een onderzoek naar de samenstelling van huishoudelijk afval uit een steekproef van 550 huishoudens, verdeeld in 11 hoofdtypologieen. Het huishoudelijk afval uit deze steekproef is een afspiegeling van het Nederlands huishoudelijk afval. De belangrijkste componenten in het huishoudelijk afval zijn: GFT en ongedefinieerde rest (34,8%), papier en karton (29,4%), kunststof (10,4%), glas (4,0%, ferro (4,1%), non-ferro (0,6%), textiel (3,0%), brood (1,9%), dierlijk afval (1,7%), keramiek (4,3%), tapijten/matten (1,4%), leer/rubber (1,0%), hout ( 2,7%), bijzonder afval (0,3%) en klein chemisch afval (0,5%).<br>
    • Fysisch onderzoek naar de samenstelling van het Nederlandse huishoudelijke afval RESULTATEN 1993

      Cornelissen AAJ; Oh KMM; Otte PF; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-06-30)
      The Section of Measuring of the Laboratory of Waste Materials and Emissions analyses the composition of domestic waste in the Netherlands. This report presents the results of 1993. The composition of domestic waste varies, due to socio-economic and regional differences. Therefore eleven districts in the Netherland were sampled. The main components of domestic waste, amongst others: Vegetable, Fruit and Garden waste and indefined particles (39,8%); Paper/Cardboard (27,1%) ; Plastics (8,9%) ; Glass (4,2%) Ferrous (4,1%).<br>
    • Fysisch-chemische parameters en biobeschikbaarheid in oppervlaktewater : Punten van aandacht voor de AMvB

      Vonk JA; van der Grinten E; van Wijnen HJ; Vos JH; Lukacs S; Verweij W; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-10-30)
      Volgens het RIVM zijn normen voor de fysisch-chemische parameters voor oppervlaktewater verschillend gepresenteerd in rapporten van kennisinstituten. Het instituut heeft deze verschillen in kaart gebracht voor de Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) voor de Kaderrichtlijn Water (KRW) over oppervlaktewater. In deze AMvB wordt verwezen naar het document Referenties en maatlatten. De normen hierin moeten voor fysisch-chemische parameters overeenkomen met gepubliceerde rapporten over normen en de interpretatie ervan. De AMvB staat gepland voor najaar 2008. In het verlengde hiervan is de onderbouwing van de temperatuurnorm uit de Viswaterrichtlijn uitgezocht. Ook is bekeken welke aanvullende eisen er vanuit de Natura 2000-gebieden worden gesteld aan de temperatuur voor beschermde vissoorten in deze gebieden. De maximumtemperaturen waarbij deze vissoorten nog kunnen voorkomen, blijken binnen de KRW-normen te vallen. Ten slotte blijkt de toxiciteit van metalen nog niet volledig te kunnen worden ingeschat, omdat het vaak niet mogelijk is rekening te houden met de zogeheten biobeschikbaarheid. Dit is de fractie van vervuilende metalen die schadelijk is voor dieren en planten. Het is namelijk nog niet van alle metalen bekend hoe deze biobeschikbaarheid kan worden berekend.
    • Gallstone size and the risk of gallbladder cancer, a hospital based case-control study

      Moerman CJ; Lagerwaard FJ; Bueno de Mesquita HB; van Dalen A; van Leeuwen MS; Schrover PAHAM; Berns MPH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1992-03-31)
      The relation between gallstone size and gallbladder cancer was studied in a hospital based case-control study. Cases were selected on abdominal surgery. The selection criterion for controls was a cholecystectomy performed for a benign gallbladder disorder. Controls were matched with cases on sex, age, hospital and date of admission. A radiologist determined the size of the largest gallstone within the gallbladder by reviewing hard copies of sonographical examinations. Between 1983 and 1989 83 gallbladder cases were identified in the 18 participating hospitals. Of 43 cases and 98 matched controls a measurable stone size was obtained. No relation was found between size of the largest stone within the gallbladder and the occurrence of gallbladder cancer.<br>
    • Galvanische bewerkingen

      Mortier JW du; Ros JPM (1992-01-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Gamma-exposietempo metingen rondom het COVRA-terrein te Petten

      Dongen; R.van (1984-03-28)
      Dit rapport geeft de resultaten weer van een onderzoek naar het gamma- stralingsniveau aan de terreingrenzen van de toekomstige inrichting voor de opslag van radioactieve afvalstoffen, zijnde de Centrale Organisatie voor Radioactief Afval (COVRA BV). het exposietempo gemiddeld over een 16-tal punten bedroeg 2,6 muR/h, exclusief de bijdrage van de kosmische straling. Als gevolg van de aanwezigheid van zandhopen met klei en puin en een verharde weg in de onmiddelijke nabijheid werd op een meetpunt een significant hogere waarde van 4,8 muR/h gemeten.
    • Gamma-exposietempometingen rondom het COVRA-terrein te Petten in april en augustus 1985

      Dongen; R.van (1985-12-31)
      In verband met de ingebruikname door COVRA B.V. van een inrichting, alwaar radioactieve afvalstoffen worden opgeslagen, is door het Laboratorium voor Stralingsonderzoek van het RIVM een onderzoek ingesteld naar de verhoging van het expostietempo aan de terreingrenzen. In april 1985 en augustus 1985 is resp. op een 11-tal en op een 6-tal plaatsen aldaar het exposietempo bepaald en vervolgens gecorrigeeerd om de bijdrage van de kosmische straling en eventueel voor de invloed van de in werking zijnde cyclotron van Mallinckrodt Diagnostica. Het exposietempo bedroeg gemiddeld over de gemeten punten resp. 4,2 uR/h en 3,5 uR/h. In vergelijking met de waarde bepaald voor de ingebruikname bleek het gemidd. exposietiempo in april 1985 1,8 uR/h hoger te zijn met een maximum van 2,5 uR/h. In augustus 1985 bedroeg deze waarde 1,1 uR/h met een maximum van 1,2 uR/h (maximaal toegestane verhoging bedraagt 0,3 uR/week gemidd. over een jaar, hetgeen overeenkomt met gemidd. 1,9 uR/h).
    • Gamma-exposietempometingen rondom het COVRA-terrein te Petten in november 1984

      Dongen; R.van (1985-04-09)
      In verband met de ingebruikname door COVRA B.V. van een inrichting, alwaar radioactieve afvalstoffen worden opgeslagen, is door het Laboratorium voor Stralingsonderzoek van het RIVM een onderzoek ingesteld naar de verhoging van het exposietempo aan de terreingrenzen. Op een 20-tal punten aldaar is het exposietempo bepaald en vervolgens gecorrigeerd voor de bijdrage van de kosmische straling en voor de invloed van de in werking zijnde cyclotron van Mallinckrodt Diagnostica. Het exposietempo bedroeg gemiddeld over alle punten 4,0 muR/h. In vergelijking met de waarde bepaald voor de ingebruikname bleek het gemiddeld exposietempo 1,6 muR/h hoger te zijn. Op een 3-tal punten bedroeg de verhoging significant meer dan 1.8 muR/h (maximaal toegestane verhoging bedraagt 0,3 mR/week, gemiddeld over een jaar, hetgeen overeenkomt met gemiddeld 1,8 muR/h).
    • Gammastralingsniveaumetingen aan de terreingrens van COVRA N.V. te Borsele in 2015 en 2016 met het MONET-meetnet

      Tanzi CP; ABI; VLH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-02-12)
      Dit rapport bevat een erratum d.d. 08-10-2018 op pagina 41 Het gammastralingsniveau aan de terreingrens van de Centrale Organisatie voor Radioactief Afval (COVRA N.V.) te Borsele lag in 2015 en 2016 onder het toegestane maximum. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert jaarlijks in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) en toetst of COVRA N.V. aan de vergunningseis voldoet Volgens de kernenergiewetvergunning moet COVRA N.V. ervoor zorgen dat personen buiten de terreingrens maximaal blootstaan aan een stralingsdosis van ten hoogste 40 microsievert per jaar. Om dit te controleren wordt op twaalf locaties het gammastralingsniveau gemeten. Dit gebeurt met het door het RIVM beheerde MONET-meetnet. Van de metingen wordt de natuurlijke achtergrondwaarde afgetrokken. Om het resultaat te vergelijken met het toegestane niveau, wordt de zogeheten Actuele Blootstellings Correctiefactor (ABC-factor) toegepast. ABC-factoren hangen samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve gammastralingsdosis kan worden opgelopen. In dit rapport zijn de daggemiddelden van de twaalf MONET-monitoren aan de terreingrens van COVRA N.V. weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald. Over de jaren 2015 en 2016 is, na het gebruik van de ABC-factor, de hoogste berekende effectieve gammadosis per jaar 2,9 microsievert in 2015 en 3,0 microsievert in 2016.
    • Gammastralingsniveaumetingen aan de terreingrens van COVRA N.V. te Borsele in 2017 met het MONET-meetnet

      Broek I van den; ABI; VLH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-11-01)
      Het gammastralingsniveau aan de terreingrens van de Centrale Organisatie voor Radioactief Afval (COVRA N.V.) te Borsele lag in 2017 onder het toegestane maximum van 40 microsievert per jaar. De hoogste vastgestelde jaardosis is 3,0 microsievert. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert jaarlijks in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) en toetst of COVRA N.V. aan de vergunningseis voldoet COVRA N.V. moet ervoor zorgen dat de blootstelling van personen buiten de terreingrens maximaal 40 microsievert per jaar is. Dat is in de kernenergiewetvergunning vastgesteld. Om de maximale effectieve dosis te berekenen wordt het gammastralingsniveau op twaalf locaties langs de terreingrens gemeten. Dit gebeurt met het door het RIVM beheerde MONET-meetnet. Van de metingen wordt vervolgens de natuurlijke achtergrondwaarde afgetrokken. De resulterende meetwaarde wordt gecorrigeerd met de zogeheten Actuele Blootstellings Correctiefactor (ABC-factor). Een ABC-factor hangt samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve gammastralingsdosis kan worden opgelopen. Na de toepassing van de ABC-factor is de berekende maximale effectieve gammadosis 3,0 microsievert per jaar. Dit is ruim onder de maximaal toegestane jaarlijkse limiet. In dit rapport zijn de daggemiddelden van de metingen van de twaalf MONET-monitoren aan de terreingrens van COVRA N.V. in 2017 weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald.
    • Gammastralingsniveaumetingen aan de terreingrens van COVRA N.V. te Borsele in 2018 met het MONET-meetnet

      Tanzi, CP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-11-08)
      Het gammastralingsniveau aan de terreingrens van de Centrale Organisatie voor Radioactief Afval (COVRA N.V.) te Borsele lag in 2018 onder het toegestane maximum van 40 microsievert per jaar. De hoogste vastgestelde dosis is 3,0 microsievert. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert jaarlijks in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) en toetst of COVRA N.V. aan de vergunningseis voldoet. COVRA N.V. moet ervoor zorgen dat personen buiten de terreingrens aan maximaal 40 microsievert per jaar worden blootgesteld. Dat is in de kernenergiewetvergunning vastgesteld. Om de maximale effectieve dosis te berekenen wordt het gammastralingsniveau op twaalf locaties langs de terreingrens gemeten. Dit gebeurt met het door het RIVM beheerde MONET-meetnet. Van de metingen wordt vervolgens de hoeveelheid die van nature voorkomt afgetrokken (natuurlijke achtergrondwaarde). De resulterende meetwaarde wordt gecorrigeerd met de zogeheten Actuele Blootstellings Correctiefactor (ABC-factor). Een ABC-factor hangt samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve gammastralingsdosis kan worden opgelopen. Na het gebruik van de ABC-factor is de berekende maximale effectieve gammadosis 3,0 microsievert per jaar. Dit is ruim onder de maximaal toegestane jaarlijkse limiet. In dit rapport zijn de daggemiddelden van de metingen van de twaalf MONET-monitoren aan de terreingrens van COVRA N.V. in 2018 weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald.
    • Gammastralingsniveaumetingen aan de terreingrens van COVRA N.V. te Borsele in 2019 met het MONET-meetnet

      Tanzi, CP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-11-16)
      Het gammastralingsniveau aan de terreingrens van de Centrale Organisatie voor Radioactief Afval (COVRA N.V.) te Borsele lag in 2019 onder het toegestane maximum van 40 microsievert per jaar. De hoogste vastgestelde dosis is 3,0 microsievert. Dit blijkt uit controlemetingen van het RIVM. Het RIVM rapporteert jaarlijks in opdracht van de Autoriteit Nucleaire Veiligheid en Stralingsbescherming (ANVS) en toetst of COVRA N.V. aan de vergunningseis voldoet. COVRA N.V. moet ervoor zorgen dat personen buiten de terreingrens aan maximaal 40 microsievert per jaar worden blootgesteld. Dat is in de kernenergiewetvergunning bepaald. Om de maximale effectieve dosis te berekenen wordt het gammastralingsniveau op twaalf locaties langs de terreingrens gemeten. Dit gebeurt met het MONET-meetnet, dat in beheer is van het RIVM. Van de metingen wordt vervolgens de hoeveelheid die van nature voorkomt afgetrokken (natuurlijke achtergrondwaarde). De resulterende meetwaarde wordt gecorrigeerd met de zogeheten Actuele Blootstellings Correctiefactor (ABC-factor). Een ABC-factor hangt samen met de bestemming van het gebied waar de effectieve gammastralingsdosis kan worden opgelopen. Na het gebruik van de ABC-factor is de berekende maximale effectieve gammadosis 3,0 microsievert per jaar. Dit is ruim onder de maximaal toegestane jaarlijkse limiet. In dit rapport zijn de daggemiddelden van de metingen van de twaalf MONET-monitoren aan de terreingrens van COVRA N.V. in 2019 weergegeven. Ook wordt uitgelegd hoe voor elk meetpunt de natuurlijke achtergrondwaarde is bepaald.
    • Gammastralingsniveaumetingen aan de terreingrens van COVRA N.V. te Borsele in 2020 met het MONET-meetnet

      Tanzi, CP (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2021-10-26)
      In 2020, the radiation level caused by gamma radiation at the site boundary of COVRA N.V., the Central Organisation for Radioactive Waste, was below the maximum permitted level of 40 microsievert per year. The maximum annual gamma dose is 3.2 microsievert. This is the level found by the analysis of measurements carried out by RIVM. RIVM is tasked by the Authority of Nuclear Safety and Radiation Protection (ANVS) to report annually on whether COVRA N.V. meets the criterion specified in its operating license. COVRA N.V. is required to ensure that the maximum effective dose received by persons outside the site boundary of COVRA N.V. does not exceed 40 microsievert annually, as specified in its operating license. In order to determine the maximum effective dose, gamma radiation is measured at twelve locations along the site boundary. The measurements are carried out within the framework of the MONET monitoring network, which falls under the administrative management of the RIVM. The measurements are analysed by subtracting the natural background value. The resulting measurement data are corrected using the Actuele Blootstelling Correctiefactor (or ABC factor, meaning actual exposure correction factor). An ABC factor takes into account the specific use of the area where exposure to the gamma dose may occur. This translates into a maximum effective dose of 3.2 microsievert per year, which is below the maximum permitted annual gamma dose. This report provides the daily averages of the radiation dose recorded by the MONET monitors at the boundary of the COVRA N.V. site in 2020, and explains how the background level at each measuring location was determined.
    • De gaschromatografische bepaling van 2-cyclohexeen-1-on en 2- cyclohexeen-1-ol in urine

      Doorn L; Dorlijn WL; van Leeuwen FXR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1984-12-31)
      In het kader van het onderzoek naar de aard van de positieve ketonreactie in de urine van ratten die met cyclohexeen zijn behandeld, is een gaschromatografische bepaling van de metabolieten 2- cyclohexeen-1-on en 2-cyclohexeen-1-ol uitgewerkt. Een aantal extractiemiddelen is op hun bruikbaarheid onderzocht en vergeleken met een in de literatuur beschreven methode. Ethylacetaat blijkt een veel hogere recovery op te leveren (ca. 90%) dan het in de literatuur beschreven ether (ca 40%). De lineariteit van de hier beschreven methode is goed.<br>