• Gebiedenatlas ; een eerste inventarisatie

      Beugelink GP; Hendriks L; Hoogerwerf MR; Velde RJ van de; Veldkamp JG; LBG; CSO (Rijkinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiene (RIVM)Adviesbureau voor Milieuonderzoek CSO, 1995-11-30)
      In dit project zijn ca 50 kaarten, verdeeld over ca 150 digitale bestanden, met betrekking tot specifieke vormen van gebiedsgericht beleid bijeen gebracht. Het doel van het project was een zo compleet mogelijke verzameling bestaande kaarten en bestanden bijeen te brengen, teneinde een overzicht van het vigerende gebiedenbeleid tot stand te brengen. De bestanden, inclusief het programma ArcView versie 1, waarmee een beperkt aantal analyse- en presentatiemogelijkheden wordt geboden, zijn in principe voor de deelnemers aan het project c.q. leveranciers van bestanden op CD-ROM beschikbaar. Met 25 daarvoor geschikte kaarten is een cumulatiekaart van het gebiedenbeleid vervaardigd. Van deze 25 vormen van gebiedenbeleid blijken er maximaal 17 op een specifieke locatie voor te komen.
    • Gebiedenatlas ; een eerste inventarisatie

      Beugelink GP; Hendriks L; Hoogerwerf MR; Velde RJ van de; Veldkamp JG; Rijkinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiene (RIVM), Adviesbureau voor Milieuonderzoek CSO; LBG; CSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-11-30)
      In the framework of the project Area Atlas, about 50 maps, spread over about 150 digital files were collected for several types of area-specific policy. The aim of the project was to overview the existing maps and files as completely as possible. The files, including the file manipulation and presentation program ArcView version 1, have been made available on CD-ROM but exclusively to the contributors of this project. A cumulation map for area-specific policy has been derived using 25 maps suitable for this purpose. From this, it appears that at some locations a maximum of 17 different area-specific policies are applicable.
    • Gebiedsdossier en beschermingszonedocument voor bronnen drinkwater. Innamepunt Heel als pilot voor integratie

      Wuijts S; IMG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-05-07)
      Als proef is een compleet overzicht samengesteld van relevante aspecten voor de waterkwaliteit, gericht op preventie en risicobeheersing. Hiervoor zijn het 'gebiedsdossier' en het 'beschermingszonedocument' voor het innamepunt voor drinkwaterbereiding 'Heel' geintegreerd tot een document. Het overzicht is ontwikkeld door het RIVM, in samenwerking met Rijkswaterstaat, de Waterdienst en NV Waterleiding Maatschappij Limburg. De documenten blijken elkaar goed aan te vullen en kunnen betrekkelijk eenvoudig worden samengevoegd. Vanwege eenduidigheid en herkenbaarheid voor de gebruikers van de documenten, bleek het wenselijk om gebiedsdossiers en beschermingszonedocumenten te integreren. Een gebiedsdossier blijkt een nuttig instrument om informatie te bundelen die relevant is voor de waterkwaliteit van bronnen voor drinkwater. Op basis van deze informatie kunnen effectieve beschermingsmaatregelen worden ontwikkeld. Het gebiedsdossier vult het bestaande beschermingsbeleid aan. Het RIVM heeft in een eerder project (Wuijts et al., 2007) een protocol opgesteld om een gebiedsdossier te ontwikkelen en dit uitgewerkt voor drie typen waterwinning (grondwater, oevergrondwater en oppervlaktewater). Parallel aan de studie naar het gebiedsdossier heeft advies- en ingenieursbureau DHV beschermingszonedocumenten uitgewerkt voor de innamepunten van oppervlaktewater voor drinkwaterbereiding. Dit gebeurde in opdracht van Rijkswaterstaat en de Waterdienst. In deze documenten worden de verontreinigingsrisico's van activiteiten in de zeer nabije omgeving van het innamepunt in kaart gebracht.
    • Gebiedsdossiers voor drinkwaterbronnen, uitwerking van risico's en ontwikkeling van maatregelen

      Wuijts S; van Rijswick HFMW; Dik HHJ; IMD (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMUniversiteit UtrechtDepartement RechtsgeleerdheidDisciplinegroep Staats- en BestuursrechtCentrum voor Omgevingsrecht en -beleid/NILOS, 2008-02-19)
      Om de waterwinning voor drinkwater te kunnen beschermen blijken zogeheten gebiedsdossiers een nuttig instrument om informatie te bundelen die van invloed is op de waterkwaliteit van de winning. Op basis van deze informatie kunnen effectieve beschermingsmaatregelen, gericht op preventie en risicobeheersing, worden ontwikkeld. Het gebiedsdossier vult het bestaande beschermingsbeleid aan. In opdracht van het ministerie van VROM heeft het RIVM een protocol opgesteld om een gebiedsdossier te ontwikkelen. Dit protocol is uitgewerkt voor drie typen waterwinning (grondwater, oevergrondwater en oppervlaktewater). Het instituut beveelt aan het instrument juridisch te verankeren in de Drinkwaterwet, zo nodig ook in de Wet Milieubeheer, en een centrale regierol bij een overheidsinstantie neer te leggen. Bij de uitvoering van maatregelen zijn verschillende overheden betrokken. Daarom is het belangrijk om bij de bestuurlijke besluitvorming over gebiedsdossiers de regierol bij een overheidsinstantie neer te leggen. Omdat provincies een verantwoordelijkheid hebben op het gebied van milieu, water en ruimtelijke ordening lijkt deze rol daar het beste te passen. Dit is de uitkomst van een workshop over gebiedsdossiers die in november 2007 plaatsvond bij het RIVM. Bij de workshop waren vertegenwoordigers van het Rijk, provincies, gemeenten, waterbeheerders en waterleidingbedrijven aanwezig. Tijdens de workshop werden de resultaten van het project gebiedsdossiers bediscussieerd. Gebiedsdossiers kunnen ook voor andere waterwinningen voor menselijke consumptie van toepassing zijn. Bijvoorbeeld om beschermingsbeleid te formuleren voor industriele grondwaterwinningen voor de productie van bier en frisdrank. Hiermee geeft Nederland invulling aan de verplichtingen van de Kaderrichtlijn Water voor industriele waterwinningen.
    • Gebiedsgericht grondwaterbeheer in de praktijk : Gebiedsafbakening, aanpak bronzone, procedure voor monitoring, (risicogebaseerde) toetsing grondwaterkwaliteit, kosten-batenanalyse

      Swartjes FA; Valstar J; Zijp MC; van Beelen P; Otte PF; LER; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMDeltares, 2011-12-08)
      Het beheer van grondwater richt zich op beoordeling van de grondwaterkwaliteit en zonodig sanering. Dit beheer van grondwater is in Nederland vaak om technische, praktische en financiële redenen niet haalbaar. Als uitweg is de tendens gaande om verontreinigingen niet meer individueel maar op grotere schaal, in samenhang te beoordelen en aan te pakken. Dit zogeheten gebiedsgericht grondwaterbeheer maakt het beheer ervan efficiënter en daarmee vaak goedkoper. Door de gebiedsgerichte aanpak kan de grondwaterkwaliteit binnen het gedefinieerde gebied namelijk minder streng worden beoordeeld ten opzichte van individuele grondwaterverontreinigen. Bovendien is de organisatie van het beheer van een cluster verontreinigingen eenvoudiger dan voor elke verontreiniging apart op verschillende tijdstippen. Gebiedsbericht grondwaterbeheer vraagt om een aanpak die is toegespitst op de specifieke omstandigheden van de locatie. Om dit Gebiedsbericht grondwaterbeheer te faciliteren heeft het RIVM op verzoek van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M) enkele algemene praktische aanwijzingen opgesteld. Deze zijn gericht op een methode om de afbakening van het beheersgebied te bepalen en om de bronzone voor grondwaterverontreiniging aan te pakken. Ook is een procedure opgesteld om het grondwater te monitoren, wordt de beoordeling van de grondwaterkwaliteit belicht en een kosten-batenanalyse besproken. Deze informatie vult bestaande relevante documenten aan, zoals de Handreiking gebiedsgericht grondwaterbeheer uit 2010 die eveneens in opdracht van I&M werd opgesteld.
    • Gebiedsgerichte Integratie: een tussenbalans

      Reiling R; Latour JB; Bekhuis FHJM; Bollen MJS; MTV; LBG (1995-03-31)
      Dit rapport doet verslag van de stand van zaken van het RIVM-project Gebiedsgerichte Integratie. Daartoe worden de meest aansprekende resultaten uit de drie fasen van het project toegelicht. In het bijzonder wordt aandacht besteed aan de stapelkaart voor de milieuproblematiek in het landelijk gebied. Tenslotte wordt ingegaan op de verdere planning van het project (invulling fase 3, DSS, ruimtelijke scenario's) en de relatie met de (toekomstige) Milieuverkenningen.
    • Geboortegewicht en chronische ziekten : Resultaten van de EPIC-NL studie

      van den Berg SW; van Duijnhoven FJB; Bueno de Mesquita HB; Boer JMA; CVG; vgc (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-04-01)
    • Geboortejaar kiesBeter.nl in feiten en cijfers

      Gravestein X; Hijden EJE van der; Janssens JMJ; Loon AJM van; Mulder HB; Ossebaard HC; Vogelpoel DAJ; Vrijsen WJJ - Graaf ML van der (eds); VTV (2006-12-31)
      In opdracht van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport werkt het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu aan de zorgportal kiesBeter.nl. in de zorg en biedt ze hiertoe relevante informatie. Vandaar de slogan "KiesBeter.nl wijst u de weg in de zorg". Dit rapport bespreekt de resultaten die zijn behaald gedurende 2005, het "geboortejaar". In 2005 bezochten 1,7 miljoen mensen de site. Daarvan hebben er zich 27 duizend geabonneerd op de nieuwsbrief, die ten minste eens per kwartaal verschijnt. Begin 2006 had kiesBeter.nl een naamsbekendheid van 23 procent. Ten opzichte van andere sites op het gebied van zorg en gezondheid wordt kiesBeter.nl iets meer dan gemiddeld als onafhankelijk gezien. De bezoekerspopulatie vormt een doorsnede van de Nederlandse bevolking.
    • Geboortezorg in beeld : een nulmeting en de eerste ervaring

      Struijs JN; de Vries EF; van Over HDCA; Over EAB; Broek I van den (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-11-26)
      In Nederland zijn de afgelopen jaren meerdere maatregelen genomen om de kwaliteit van de geboortezorg en de samenwerking tussen de verschillende zorgverleners te verbeteren. Aanleiding waren de relatief hoge sterftecijfers rond geboortes in Nederland. Om de samenwerking tussen zorgaanbieders te verbeteren kunnen alle onderdelen van de geboortezorg sinds 2017 gezamenlijk worden gecontracteerd in één zogenoemd integraal bekostigingscontract. Deze nieuwe bekostiging vraagt om organisatorische veranderingen, waaronder de vorming van een integrale geboortezorg organisatie (igo). Hier zijn de zorgaanbieders zoals verloskundigen, gynaecologen, kraamzorg, en een ziekenhuis in ondergebracht. In de bestaande bekostigingssystematiek vergoeden de zorgverzekeraars de onderdelen van de zorg rondom zwangerschap en geboorte afzonderlijk aan de verschillende zorgaanbieders. Per 1 januari 2017 hebben zes igo’s vrijwillig integrale-bekostigingscontracten gesloten met zorgverzekeraars. Als nulmeting heeft het RIVM de gezondheid, verrichtingen en zorguitgaven van de geboortezorg in kaart gebracht in de periode voorafgaand aan de overstap naar integrale bekostiging (2015-2016). Uit dit onderzoek blijkt dat de uitgaven aan de geboortezorg voor de igo’s in deze periode iets lager lijken te zijn (ongeveer 180 euro per zwangerschap minder) dan in de regio’s die niet zijn overgestapt in 2017. Verder verschillen de igo’s van de overige regio’s, in de periode voorafgaand aan de overstap in de zorg die zij leverden: meer ruggenprikken (25% versus 21%) en minder keizersneden (14% versus 16%)– de beschikbaarheid van ruggenprikken en zo min mogelijk keizersnedes zijn positieve graadmeters voor de kwaliteit van de zorg voor moeder en kind. Wat de gezondheid van moeder en kind betreft zijn er geen verschillen gevonden. De partijen die bij de igo’s zijn betrokken, zijn positief over het integrale tarief. Het levert in hun regio een intensievere, meer gestructureerde samenwerking tussen de zorgverleners op. Ook is de samenwerking minder vrijblijvend dan voorheen. Wel is het een zeer complexe en tijdrovende klus om de integrale bekostiging in te voeren. Specifieke kennis blijft nodig op organisatorisch, fiscaal en financieel vlak. Het RIVM monitort de komende jaren in opdracht van het ministerie van VWS de overgang naar integrale bekostiging in de geboortezorg. In 2020 wordt een eindrapport gepubliceerd, waarvoor de gegevens uit onderliggend onderzoek als nulmeting dienen.
    • Gebromeerde brandvertragers in afgedankte elektrische apparatuur : Studie naar grenswaarden, het vóórkomen en de meting

      Broekman MH; ABI; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-05-09)
      Afval afkomstig van elektrische- en elektronische apparaten kan gebromeerde brandvertragers bevatten. De hoogste concentraties worden vooral aangetroffen in de kunststofkasten van oude televisies en computers. Ook kunststofonderdelen van bijvoorbeeld toetsenborden, computermuizen en telefoons kunnen hoge concentraties aan dergelijke brandvertragers bevatten. Gebromeerde brandvertragers kunnen vrijkomen als deze onderdelen van afgedankte apparaten opnieuw worden gebruikt. Ze kunnen dan een risico vormen voor mens en milieu. Gebromeerde brandvertragers zijn vanwege hun stofeigenschappen slecht afbreekbaar (persistent), schadelijk, giftig, mogelijk kankerverwekkend en gevaarlijk voor het milieu. Ook indirect vormen ze een risico als het elektronicaafval in de open lucht onvolledig verbrandt in plaats van in daarvoor geschikte afvalverbrandingsinstallaties. Bij een onvolledige verbranding worden gebromeerde brandvertragers namelijk omgezet in gevaarlijke gebromeerde dioxinen. Het is daarom van belang dat ze volgens Europese wetgeving worden verwerkt. Dit blijkt uit literatuuronderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), in opdracht van de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT). Sinds 2002 zijn inzamelaars en verwerkers verplicht om gebromeerde brandvertragers uit elektronica-afval te verwijderen volgens Europese wetgeving. Om hierop te kunnen toezien en handhaven heeft de ILT behoefte aan grenswaarden voor gebromeerde brandvertragers. Hetzelfde geldt voor een effectieve meetmethode om te bepalen of een apparaat gebromeerde brandvertragers bevat. Op basis van de huidige inzichten blijkt slechts voor vier van circa tien veelgebruikte stoffen bindende grenswaarden zijn af te leiden. Verder blijken er meerdere meetmethoden te bestaan, waarvan de meeste echter nog nauwelijks zijn gevalideerd. Het RIVM stelt voor om de huidige screeningsmethode van de ILT voor broom, de zogeheten XRF-analyse, te combineren met een specifieke analyse om de aanwezigheid van broomhoudende brandvertragers te bepalen.
    • Gebruik chemicalien met een ATAcertificaat in de drinkwatersector

      Versteegh JFM; Wegh F; IMG; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMKiwa Nederland BV, 2011-02-03)
    • Gebruik en emissies van CFK's en aanverwante stoffen in Nederland in 1993 en 1994

      Matthijsen AJCM; LAE (1995-11-30)
      Voor 1993 en 1994 zijn het gebruik en de emissies, per doelgroep, in Nederland in kaart gebracht voor CFK's, HCFK's, HFK's, tetrachloormethaan, 1,1,1-trichloorethaan, methylbromide en halonen. Het gebruik en de emissies van CFK's, halonen, tetrachloormethaan en 1,1,1-trichloorethaan neemt af. Gezien de verboden voor CFK's (per 1 januari 1995), halonen (per 10 maart 1994) en 1,1,1-trichloorethaan (per 1 januari 1996) kunnen, behalve bij de produktie voor derde wereldlanden, uitsluitend bestaande voorraden nog bronnen van emissies zijn, er komen in de toekomst geen nieuwe stoffen meer bij. De emissies van deze stoffen zullen dus in de komende jaren sterk afnemen en alleen nog afkomstig zijn van met name schuim en in beperkte mate uit installaties (brandblussers en koeling). Het gebruik van HCFK's, als vervangers voor CFK's neemt nog steeds toe. Volgens Europese wetgeving is het gebruik tot 2003 aan een plafond gebonden. Daarna volgt uitfasering met een verbod op het gebruik in 2015. Mogelijke vervangers voor HCFK's zijn HFK's. HFK's tasten, in tegenstelling tot HCFK's, de ozonlaag niet aan, maar leveren een grotere bijdrage aan het broeikaseffect. Over het gebruik en de emissies van HFK's is weinig bekend. Met name het toekomstig gebruik dient uitgezocht te worden.
    • Gebruik en emissies van CFK's en aanverwante stoffen in Nederland in 1993 en 1994

      Matthijsen AJCM; LAE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-11-30)
      Use and emissions in the Netherlands of CFCs, HCFCs, HFCs, tetrachloromethane, 1,1,1-trichloroethane, methyl bromide en halones in 1993 and 1994. The use and emissions of CFCs, halons, tetrachloromethane and 1,1,1,-trichloroethane are decreasing. In view of the ban on CFCs (per 1 January 1995), halons (per 1 March 1994) and 1,1,1-trichloroethane (per 1 January 1996), the only possible sources of emissions, besides production for third world countries, are current stockpiles ; no new compounds will be produced. The emissions of these substances will therefore sharply decrease in the coming years and will only issue from mainly foam and, to a limited extent, from installations (fire extinguishers and cold storage). The use of HCFCs as subsitutes for CFCs is still on the increase. According to European legislation there is a ceiling placed on their use until 2003 ; this will be followed by a phasing-out, ending with a ban on their use in 2015. Possible substitutes for HCFCs are HFCs. In contrast to HCFCs, HFCs do not break down the ozone layer but make a larger contribution to the greenhouse effect. Little is known about the use and emissions of HFCs. Particularly the future use of the latter demands further investigation.
    • Gebruik en evaluatie selectiesysteem prioritaire stoffen lucht

      Balfoort; F.*; Spierenburg; R.E.*; Swart; R.J. (1986-06-30)
      Voor een geselecteerd aantal milieuhygienische criteria, aansluitend bij het WMS-scoringssysteem (Wet Milieugevaarlijke Stoffen), zijn door deskundigen scores bepaald voor een 400-tal uit de Emissieregistratie komende stoffen. Na een geautomatiseerde verwerking van deze scores, door het RIVM, tot gecombineerde effect- en expositiescores, is een eerste selectie gemaakt van een 50-tal stoffen door het DGMH, die mogelijk in aanmerking zouden kunnen komen voor aanvulling van de prioritaire stoffenlijst in het IMP. Een definitieve keuze is vervolgens gemaakt op basis van een aantal technologisch-economische parameters.
    • Gebruik en risico's van energiedranken bij kinderen en jongeren in Nederland

      Bemelmans W; de Vos N; van Rossum C; van de Weijgert V; de Wit L; Wijga A; VPZ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-07-06)
      In 2015 dronk rond de 80 procent van de Nederlandse jongeren van dertien tot achttien jaar nooit of minder dan een keer per week energiedranken. Bij de meeste jongeren die energiedrank drinken is er geen reden tot zorg. Dit product past echter niet in een gezond voedingspatroon, alleen al vanwege het hoge gehalte aan suiker. Daarnaast bevatten vrijwel alle merken van deze dranken cafeïne en twee andere stoffen (taurine en D-glucuronolacton). Als je te veel van deze stoffen binnenkrijgt, kan dat klachten veroorzaken als hartkloppingen en duizeligheid. Wanneer dat is, verschilt per persoon en hangt onder andere af van het gewicht. Een kleine groep jongeren (1 tot 2 procent) drinkt regelmatig drie of meer blikjes per dag, dus dagelijks minstens 750 ml. Hierdoor lopen zij het risico gezondheidsklachten te krijgen. Deze jongeren vertonen ook vaker ander risicogedrag, zoals roken en meer alcohol drinken, ten opzichte van jongeren die geen energiedrank drinken. Om de hoge consumptie bij deze groep jongeren tegen te gaan, zouden de Jeugdgezondheidszorg en (kinder)artsen het gebruik (nog) beter kunnen signaleren. Dat gebeurt bijvoorbeeld door dit onderwerp aan te kaarten bij het 'contactmoment' met middelbare scholieren van de Jeugdgezondheidszorg. Zij en (kinder)artsen kunnen voorlichting geven en alert zijn op energiedrankgebruik bij klachten. Specifieke aandacht voor de risicogroep is daarbij van belang. Het RIVM-onderzoek bevestigt het huidige advies van het Voedingscentrum over energiedrank voor dertien- tot achttienjarigen: drink het liever niet, en anders maximaal één blikje per dag. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het Ministerie van VWS in samenwerking met onder andere zes GGD's. Ruim 60.000 jongeren zijn (deels anoniem) bevraagd naar de mate waarin zij energiedrank drinken. Ook zijn risico's van de desbetreffende stoffen bekeken. Daarnaast is geïnventariseerd welke klachten kunnen optreden als jongeren veel energiedrank drinken, bijvoorbeeld meer dan een liter.
    • Gebruik en veiligheid van doping en sportvoedingssupplementen

      van den Berg SW; Venhuis BJ; Buurma EJM; Rompelberg CJM; L&G; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-03-14)
      In Nederland gebruiken weinig mensen doping en sportvoedingssupplementen. In 2016 gaf 0,5 procent van de Nederlanders van 15 jaar en ouder aan dat zij in het voorgaande jaar een prestatieverhogend middel hadden gebruikt. Naar schatting komt dat neer op 65.000 mensen. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM onder circa 10.000 mensen naar het gebruik en de veiligheid van doping en sportvoedingssupplementen in de breedtesport (alles behalve topsport). Het gebruik is echter niet zonder risico. Er zijn gezondheidsklachten gemeld zoals onrust, braken, duizeligheid, een hoge bloeddruk, maar ook ernstigere klachten als hartritmestoornissen. <br> <br>Sportvoedingssupplementen en doping worden onder meer gebruikt om een slank of gespierd lichaam te krijgen of om het uithoudingsvermogen te verbeteren. Voorbeelden van sportvoedingssupplementen zijn pre workout-producten (vaak poeders die voor het sporten worden ingenomen en zijn bedoeld om energie te geven en de prestatie te verhogen), cafeïnesupplementen of stackers (een product om af te vallen). Voorbeelden van doping zijn anabole steroïden of amfetamine. <br> <br>Gezondheidsklachten ontstaan vaak doordat stoffen in de supplementen het zenuwstelsel stimuleren. De stoffen die de klachten veroorzaken staan niet altijd op het etiket vermeld. De consument weet dan niet dat ze erin zitten. Dit bleek ook al uit eerder onderzoek van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) uit 2017. Het is daarom belangrijk dat de consument is geïnformeerd over de mogelijke gevaren van sportvoedingssupplementen. <br> <br>Voor dit onderzoek zijn onder andere meldingen gebruikt die het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC) binnenkreeg. Daar zijn in 2016 170 keer gezondheidsklachten gemeld na gebruik van sportvoedingssupplementen (vooral middelen met cafeïne) en doping (vooral anabole steroïden). Van een aantal van deze supplementen kon de samenstelling worden onderzocht. Analyse door het RIVM bevestigde vervolgens dat de stimulerende stoffen cafeïne en/of amfetamine-achtige stoffen erin zaten. <br>
    • Gebruik en waardering kiesBeter 2011-2012

      de Jong A; van Sprang S; VTV; vz (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2014-01-21)
      Net als de jaren daarvoor is in 2011 en 2012 het aantal unieke bezoekers van de zorgportal kiesBeter.nl toegenomen: van ruim 4,9 miljoen in 2010 naar ruim 5,4 miljoen in 2011 (een stijging van 9 procent); en naar ruim 5,6 miljoen in 2012, een stijging van 4 procent. De website wordt meer bezocht door vrouwen dan door mannen (in beide jaren circa twee derde versus een derde). Dit blijkt uit een analyse door het RIVM van een TNS-NIPO-enquête over het gebruik en de waardering van kiesBeter.nl in 2011 en 2012. KiesBeter.nl is een zorgportal voor publiek die burgers onafhankelijke informatie biedt over zorg en gezondheid. Deze informatie helpt burgers bij het maken van keuzes in de zorg. De website biedt het publiek onder meer de mogelijkheid ziektekostenverzekeringen, ziekenhuizen en andere zorgorganisaties te vergelijken. Het beheer is tot 2014 in handen van het RIVM, daarna gaat het over naar het Kwaliteitsinstituut. In vergelijking met andere gezondheidssites had kiesBeter.nl in 2011 en 2012 nog steeds een goede naamsbekendheid. De verschillen tussen beide jaren zijn niet groot: de totale naamsbekendheid (spontaan én geholpen) was in 2011 19 procent en in 2012 18,5procent. Een goede vindbaarheid is echter van veel groter belang: in 2012 kwam driekwart van de bezoekers via een zoekmachine op de site kiesBeter.nl terecht. Daarnaast is een groei te zien van het aantal bezoekers dat via social media-kanalen als Twitter.com en Facebook.com binnenkomt. De site kiesBeter.nl kreeg in 2012 van 68 procent van de bezoekers het oordeel 'goed tot zeer goed' op de criteria gebruiksgemak en waardering. In 2011 lag dit percentage op 70 procent.
    • Gebruik en waardering KiesBeter.nl 2010

      Colijn JJ; BVZ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-08-09)
      In 2010 is het bezoekersaantal van de zorgportal kiesBeter.nl net als voorgaande jaren weer toegenomen: van ruim 4,3 miljoen in 2009 naar ruim 4,9 miljoen in 2010. De marketingdoelstelling voor 2010 op het gebied van bereik is daarmee net niet gehaald (die was 5 miljoen). De naamsbekendheid van de website is stabiel, die ligt rond de 17-18%. Hiermee is de marketingdoelstelling op het gebied van naamsbekendheid gehaald. KiesBeter.nl biedt burgers onafhankelijke informatie over zorg en gezondheid en verschaft ze daarmee inzicht in de keuzes die ze kunnen maken in de zorg. Op de website kunnen ziektekostenverzekeringen, maar ook ziekenhuizen en andere zorgorganisaties/zorgverleners worden vergeleken. Het RIVM ontwikkelt de website in samenwerking met andere organisaties in de zorg die zowel de aanbieders (bijvoorbeeld ziekenhuizen en verzekeraars) als de vragers (patiënten en consumenten) vertegenwoordigen. Opdrachtgever is het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Wat de naamsbekendheid betreft neemt kiesBeter.nl de derde positie in van websites op het gebied van gezondheid en zorg na Gezondheidsplein.nl en Apotheek.nl. Als we kijken naar bezoekersaantallen, neemt kiesBeter.nl een tweede positie in ten opzichte van vergelijkbare websites. De beoordeling van de website door de bezoekers zou nog wat beter kunnen, vooral wat betreft het gebruikersgemak. Volgens een enquête van TNS NIPO oordeelden bezoekers vrij positief over de kwaliteit van de geboden informatie (cijfer 7,0). De bezoekersenquête gaf een minder gunstig beeld (cijfer 5,6). Begin 2010 is er een publiekscampagne geweest om de naamsbekendheid te vergroten. Aanleiding daarvoor was onder andere de lancering van de nieuwe vormgeving en structuur van de website in november 2009. In het laatste kwartaal van 2010 is er ook een doelgroepencampagne geweest, specifiek gericht op vijftigplussers en jonge gezinnen.
    • Gebruik en waardering kiesBeter.nl tweede helft 2006

      Graaf ML van der; Colijn JJ; VTV (2007-08-16)
      In opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport werkt het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu aan de zorgportal kiesBeter.nl. Deze publieke portal verschaft burgers inzicht in de keuzes die ze kunnen maken in de zorg en biedt ze hiertoe relevante informatie. Vandaar de slogan "KiesBeter.nl wijst u de weg in de zorg". Dit rapport bespreekt de resultaten die zijn behaald in de tweede helft van 2006. In de tweede helft van 2006 bezochten bijna 700.000 mensen de site. De naamsbekendheid van kiesBeter.nl is in december veertien procent. De bezoekers zijn erg tevreden over de kwaliteit van de informatie op de site. Ten opzichte van de eerste helft van 2006 komen er meer bezoekers op de site op aanraden van iemand anders en veel meer bezoekers vinden de informatie die ze zoeken.
    • Gebruik en waardering van kiesBeter.nl in 2007

      Graaf ML van der; Colijn JJ; VTV (2009-03-26)
      In opdracht van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport werkt het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu aan de zorgportal kiesBeter.nl. Deze publieke portal verschaft burgers inzicht in de keuzes die ze kunnen maken in de zorg en biedt ze hiertoe relevante informatie. Vandaar de slogan "KiesBeter.nl wijst u de weg in de zorg". Dit rapport bespreekt de resultaten die zijn behaald in 2007. In de 2007 bezochten bijna 2.000.000 mensen de site. De naamsbekendheid van kiesBeter.nl is in het laatste kwartaal 2007 bijna 16%. De meeste marketingdoelstellingen voor 2007 op het gebied van bereik, naamsbekendheid, waardering en nut zijn behaald. De marketingactiviteiten in 2007 waren voornamelijk gericht op professionals (intermediairen). In 2008 wordt deze strategie voorgezet.