• Guidance document on deriving environmental risk limits

      Traas TP; CSR (2001-07-18)
      Het rapport is een update van voorgaande gidsdocumenten voor het afleiden van milieurisicogrenzen in Nederland. De herziene methode voor het afleiden van deze grenzen voor water, grondwater, bodem, sediment en lucht en hun onderlinge harmonisatie wordt gepresenteerd. Het betreft de milieurisicogrenzen 'Serious Risk Concentration' voor het ecosysteem (SRC-ECO), het Maximum Toelaatbaar Risico (MTR) en het Verwaarloosbaar Risico (VR).
    • Guidance document on deriving environmental risk limits

      Traas TP; CSR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-07-18)
      This report is an update of previous guidance documents for deriving environmental risk limits in the Netherlands. The updated methodology to derive risk limits for water, groundwater, soil, sediment and air and their harmonisation is presented. The document covers the derivation of the Serious Risk Concentration (SRC), the Maximum Permissible Concentration (MPC) and the Negligible Concentration (NC).
    • Guidance document on the derivation of ecotoxicological criteria for serious soil contamination in view of the intervention value for soil clean-up

      Crommentuijn GH; Plassche EJ van de; Canton JH; ACT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-11-30)
      The intervention value for soil clean-up (formerly C-value) is based on the integration of a separately derived human-toxicological as well as an ecotoxicological criterium for serious soil contamination. The aim of this document is to update the methodology to derive the ecotoxicological criterium for serious soil contamination, as described by Denneman and Van Gestel (1990, 1991), with recommendations given by the Soil Protection Committee (TCB, 1992) and with scientific information and methods which have become available in recent years. The methodology used to derive the human-toxicological criterium will be described in report nr. 711701006 (Janssen, 1995).The ecotoxicological criterium for serious soil contamination is that there is a serious danger for a soil ecosystem when 50% of the species and 50% of the microbial processes are threatened. This will be the case when the NOEC (No-Observed-Effect-Concentration) for effects on vital life-functions of species (like survival, growth and reproduction) and microbial and enzymatic processes are exceeded. If a substance has a potential for secondary poisoning, the possible adverse effects due to secondary poisoning are incorporated in the criterium. The methodology used to derive the ecotoxicological criterium for serious soil contamination is described in a stepwise protocol in this report.
    • Guidance document on the derivation of ecotoxicological criteria for serious soil contamination in view of the intervention value for soil clean-up

      Crommentuijn GH; van de Plassche EJ; Canton JH; ACT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-11-30)
      De interventie waarde (voorheen C-waarde) is gebaseerd op de integratie van zowel een humaan toxicologisch als een ecotoxicologisch criterium voor ernstige bodemverontreiniging. Het doel van dit rapport is om de methodiek voor het afleiden van het ecotoxicologisch criterium voor ernstige bodemverontreiniging, zoals beschreven door Denneman en Van Gestel (1990, 1991), te updaten met de aanbevelingen gedaan door de Technische Commissie Bodembescherming (TCB, 1992) en de wetenschappelijke informatie en methoden die de laatste jaren beschikbaar zijn gekomen. De methodiek waarmee het humaan toxicologisch criterium wordt afgeleid zal beschreven worden in rapportnummer 711701 006 (Janssen, 1995). Het ecotoxicologisch criterium voor ernstige bodemverontreiniging is dat er een ernstig gevaar voor een bodemecosysteem bestaat wanneer 50% van de soorten en 50% van de microbiele processen worden bedreigd. Dit is het geval wanneer de NOEC (No-Observed-Effect-Concentration) voor vitale levensfuncties van soorten (zoals overleving, groei en reproduktie) en microbiele en enzymatische processen worden overschreden. Voor stoffen met een potentieel risico voor doorvergiftiging zijn de mogelijk negatieve effecten ten gevolge van doorvergiftiging meegenomen in het criterium. De methodiek die gebruikt wordt voor het afleiden van het ecotoxicologisch criterium voor ernstige bodemverontreiniging is beschreven in een protocol in dit rapport.<br>
    • Guidance document on the derivation of maximum permissible risk levels for human intake of soil contaminants

      Janssen PJCM; Speijers GJA; CSR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-01-31)
      This report contains a basic step-to-step description of the procedure followed in the derivation of the human-toxicological Maximum Permissible Risk (MPR ; in Dutch: Maximum Toelaatbaar Risico, MTR) for soil contaminants. In recent years this method has been applied for a large number of compounds (the results have been published as separate RIVM reports). In the report the different steps in the procedure are discussed briefly and an outline of the kind of problems to be dealt with, is provided. General issues of regulatory risk assessment aimed at the derivation of health-based limit values are addressed and reference is made to some basic background literature. Overall, the approach for MPR-derivation as described here, is a pragmatic one in that use is made of existing toxicological evaluations by national and international bodies. Thus, it is attempted to avoid unwanted duplication of effort. In case no adequate review was available for a particular compound, a complete literature search for original publications is done. The results, however, were used selectively. The MPR-derivation as a whole proceeds in a structured manner, it is nevertheless stressed throughout the report that, unavoidably, for an adequate evaluation of the data on the different toxicological endpoints some professional judgement is needed.
    • Guidance document on the derivation of maximum permissible risk levels for human intake of soil contaminants

      Janssen PJCM; Speijers GJA; CSR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-01-31)
      Dit rapport bevat een basale beschrijving van de achtereenvolgende stappen in de gevolgde procedure bij de afleiding van het humaan-toxicologische Maximum Toelaatbaar Risico (MTR) voor bodemcontaminanten. In de afgelopen jaren is deze methode toegepast voor een groot aantal chemische stoffen (deze resultaten zijn gepubliceerd als aparte RIVM-rapporten). Tevens wordt een omschrijving gegeven van de problemen die zich bij de stappen kunnen voordoen. Op de meer algemene aspecten van de risicoschatting, gericht op het afleiden van grenswaarden voor chemische stoffen, wordt ingegaan en verwijzingen naar enige elementaire achtergrondliteratuur worden gegeven. De aanpak bij de afleiding van MTR's zoals hier beschreven is pragmatisch omdat gebruik werd gemaakt van reeds bestaande toxicologische evaluaties zoals opgesteld door nationale en internationale instanties. Op deze manier werd gepoogd ongewenste duplicering van werk te vermijden. Aanvullend literatuuronderzoek is zo selectief mogelijk verwerkt. De afleiding van de MTR zoals hier beschreven verloopt via een vastliggende werkwijze maar niettemin is het een onvermijdelijk en regelmatig in het rapport terugkerend punt dat voor een adequate beoordeling van de verschillende toxicologische eindpunten enige vakinhoudelijke expertise nodig is.<br>
    • Guidance for deriving Dutch Environmental Risk Limits from EU-Risk Assessment Reports of existing substances

      Janssen MPM; Traas TP; Rila JP; Vlaardingen P Van; SEC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-06-14)
      In this report the methodology is given for deriving Dutch environmental risk limits for which EU risk assessment reports (EU-RARs) are available in the context of Council Regulation (EEC) No 793/93 on the evaluation and control of the risks of existing substances. Presented here are the minimum requirements for reporting the derivation of risk limits, along with an overview of proposed environmental risk limits based on EU-RAR results. This report also documents the differences between the European 'predicted no effect concentrations' (PNECs) and the Dutch environmental risk limits (MPCs), indicating how PNECs can be used to calculate these environmental risk limits.
    • Guidance for deriving Dutch Environmental Risk Limits from EU-Risk Assessment Reports of existing substances

      Janssen MPM; Traas TP; Rila JP; van Vlaardingen P; SEC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-06-14)
      In de Europese Unie worden er voor prioritaire stoffen risicobeoordelingen uitgevoerd. De resultaten hiervan worden gepubliceerd in 'risk assessment reports'. De in deze rapporten berekende Predicted No Effect Concentrations (PNECs) worden afgeleid op een manier die vergelijkbaar is met de afleiding van het in Nederland gebruikte Maximum Toelaatbaar Risiconiveau (MTR). De Stuurgroep Integrale Normstelling heeft besloten PNEC-waarden te beschouwen als voldoende wetenschappelijke basis voor de onderbouwing van Nederlandse milieurisicogrenzen. In dit rapport worden de verschillen tussen de afleiding van de Europese PNECs en de Nederlandse MTRs op een rij gezet en worden voorstellen gedaan om deze verschillen te overbruggen. Daarna wordt de wijze waarop de PNEC-waarden worden vertaald in Nederlandse milieurisicogrenzen nader belicht. De minimale eisen voor de verslaglegging worden gegeven en besloten wordt met een overzicht van reeds eerder voorgestelde milieurisicogrenzen op basis van Europese PNECs.
    • Guidance for risk assessment of chemicals for children

      Wolterink G; van Engelen JGM; van Raaij MTM; SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-04-17)
      Het RIVM heeft een leidraad geschreven voor de risicobeoordeling van chemische stoffen voor kinderen. In een dergelijke risicobeoordeling wordt de mate waarin een kind wordt blootgesteld aan een bepaalde chemische stof gerelateerd aan de mogelijk schadelijke effecten van deze blootstelling. Er bestaat momenteel veel belangstelling voor risicobeoordeling van chemische stoffen voor kinderen. De beoordelingsmethodes zijn echter nog sterk in ontwikkeling. De leidraad biedt handvatten bij het maken van een risico-evaluatie en wijst risicobeoordelaars op de verschillende aspecten die bij een risicobeoordeling van stoffen voor kinderen kunnen worden betrokken, zoals de specifieke blootstelling en de specifieke gevoeligheid van een kind voor de schadelijke effecten van een chemische stof. Dit zal de consistentie in de risicobeoordelingen bevorderen. Verder worden voorstellen voor verbetering van risicobeoordelingen van stoffen voor kinderen gedaan. Wanneer deze voorstellen worden doorgevoerd zal dit een aantal gevolgen hebben, bijvoorbeeld dat testrichtlijnen moeten worden aangepast. De mogelijke gevolgen van deze voorstellen worden in het rapport bediscussieerd.
    • Guidance for summarising and evaluating field studies with non-target arthropods : A guidance document of the Dutch Platform for the Assessment of Higher Tier Studies

      de Jong FMW; Bakker FM; Brown K; Jilesen CJTJ; Posthuma-Doodeman CJAM; Smit CE; van der Steen JJM; van Eekelen GMA; SEC; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMMITOXIndependent ConsultantPlant Protection ServicePlant Research Internationalctgb, 2010-08-30)
      Gewasbeschermingsmiddelen kunnen schadelijke effecten hebben op organismen waarvoor ze niet zijn bedoeld. Er is een richtsnoer ontwikkeld om testresultaten voor de toelatingsprocedure voor gewasbeschermingsmiddelen eenvormig en transparant aan te reiken. Het richtsnoer geldt specifiek voor veldstudies met niet-doelwit arthropoden (geleedpotigen) die boven de grond en op planten leven, bijvoorbeeld in akkers of boomgaarden. Het richtsnoer is ontwikkeld door het Nederlandse Platform voor de Beoordeling van Higher Tier Studies, waarvan het RIVM het secretariaat voert. Veldstudies kunnen een onderdeel zijn van het dossier met gegevens voor gewasbeschermingsmiddelen. Ze worden uitgevoerd als een laboratoriumstudie een risico voor het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel aangeeft. Bij de toelatingsprocedure voor gewasbeschermingsmiddelen leveren aanvragers (meestal de bestrijdingsmiddelenfabrikanten) informatie aan het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). Aan de hand hiervan beoordeelt het Ctgb of een specifiek gebruik van een middel toelaatbaar is in Nederland. De geleverde informatie betreft onder andere complexe en vaak omvangrijke informatie over niet-doelwit arthropoden. Het Ctgb laat deze studies vervolgens door verschillende externe partijen samenvatten en evalueren. Door verschillen in werkwijze kunnen de vorm van deze samenvattingen en evaluaties, en soms zelfs de conclusies, verschillen. Vandaar de wens van het Ctgb om de evaluaties en samenvattingen van veldstudies met niet-doelwit arthropoden te standaardiseren. Behalve de handleiding bevat dit rapport twee uitgewerkte voorbeelden en aanbevelingen voor het gebruik van de resultaten bij de risicobeoordeling. De risicobeoordeling houdt rekening met omstandigheden, zoals het klimaat en het gewas, die van invloed kunnen zijn op het resultaat.
    • Guidance for summarising earthworm field studies

      Jong FMW de; Beelen P van; Smit CE; Montforts MHMM; SEC; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-10-19)
      In order to increase the uniformity of evaluation reports, the Dutch Platform for the Assessment of Higher Tier Studies developed guidance for the evaluation of higher tier studies with earthworms. In the framework of pesticide registration, reports of field studies (Higher Tier Studies) with earthworms are delivered to the competent authorities. In the Netherlands these reports are evaluated by different Evaluating Institutes on account of the Dutch Board for the Authorisation of Pesticides (CTB). Because of the complexity of these studies, large differences occur between the evaluation reports of different institutes. The guidance distinguishes between summarising and evaluating the study, and the use of the results in risk assessment. For summarizing and evaluation a detailed guidance is proposed, including elaborated examples. For the use of the results in risk assessment suggestions and discussion points are raised, but no detailed guidance is provided here.
    • Guidance for summarising earthworm field studies

      de Jong FMW; van Beelen P; Smit CE; Montforts MHMM; SEC; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-10-19)
      Om de eenvormigheid van evaluaties te vergroten, en daarmee ook de inzichtelijkheid in eventuele verschillen, is door het Nederlandse Platform voor de Beoordeling van Higher Tier Studies een handleiding ontwikkeld voor het samenvatten van veldstudies met regenwormen. Bij de registratieprocedure van bestrijdingsmiddelen worden onder meer veldstudies (Higher Tier Studies) aangeleverd met regenwormen. Deze studies worden voor het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB) geevalueerd door verschillende zogenaamde Evaluerende Instanties. De ingewikkeldheid van deze studies kan er toe leiden dat er grote verschillen bestaan in de vorm van de evaluaties van de verschillende instanties. In dit rapport wordt de handleiding voor het samenvatten van deze veldstudies weergegeven. Hierbij maakt de handleiding onderscheid tussen het samenvatten en evalueren van de studie zelf, en het gebruik van de uitkomst in de risicobeoordeling. Voor het samenvatten en evalueren wordt een concrete handleiding gegeven, inclusief uitgewerkte voorbeelden. Voor het gebruik van de resultaten bij de risicobeoordeling worden slechts suggesties gegeven en discussiepunten aangereikt.
    • Guidance for summarizing and evaluating aquatic micro- and mesocosm studies. A guidance document of the Dutch Platform for the Assessment of Higher Tier Studies

      de Jong FMW; Brock TCM; Foekema EM; Leeuwangh P; SEC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMAlterraWageningen IMARESEC&C, 2008-03-10)
      Er is een richtsnoer ontwikkeld om testresultaten voor de toelatingsprocedure voor gewasbeschermingsmiddelen eenvormig en transparant aan te reiken. Het richtsnoer geldt specifiek voor experimenten in nagebootste ecosystemen in oppervlaktewater (zogenoemde micro- en mesocosm studies). Het richtsnoer is ontwikkeld door het Nederlandse Platform voor de Beoordeling van Higher Tier Studies, waarvan het RIVM het secretariaat voert. Bij de toelatingsprocedure voor gewasbeschermingsmiddelen leveren aanvragers (bijvoorbeeld de bestrijdingsmiddelenfabrikanten) informatie aan het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). Aan de hand hiervan beoordeelt het Ctgb of een bepaald gebruik van een middel toelaatbaar is in Nederland. De geleverde informatie betreft onder andere complexe en vaak omvangrijke informatie over micro- en mesocosm studies. Het Ctgb laat deze studies vervolgens door verschillende externe partijen samenvatten en evalueren. Door verschillen in werkwijze kunnen de vorm van deze samenvattingen en evaluaties, en soms zelfs de conclusies, verschillen. Vandaar de wens van het Ctgb om de evaluaties en samenvattingen van ecosystemen in oppervlaktewater te standaardiseren. Een aanverwant doel is hiermee het beoordelingsproces transparanter maken.
    • Guidance for the derivation of environmental risk limits within the framework of 'International and national environmental quality standards for substances in the Netherlands' (INS). Revision 2007

      van Vlaardingen PLA; Verbruggen EMJ; SEC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-11-13)
      Dit rapport is de handleiding voor het afleiden van milieurisicogrenzen die worden gebruikt in het Nederlandse milieubeleid. Het rapport is een herziening van de INS-handleiding uit 2001. Nederland onderscheidt vier milieurisicogrenzen: het verwaarloosbaar risiconiveau (VR), het maximaal toelaatbaar risiconiveau (MTR), het ernstig risiconiveau (ER) en de maximaal toelaatbare concentratie voor ecosystemen (MACeco). Welke basisgegevens zijn nodig voor het afleiden van een milieurisicogrens? De handleiding geeft dit overzicht en beschrijft hoe deze literatuurgegevens moeten worden geevalueerd op juistheid en bruikbaarheid. Vervolgens wordt de methodiek voor het afleiden van milieurisicogrenzen beschreven, inclusief de benodigde berekeningen. Voor water en sediment is deze gelijk aan de methodiek zoals voorgeschreven voor de Europese Kaderrichtlijn Water. Voor bodem is direct aangesloten op de technical guidance documenten (TGD) voor EU risicobeoordelingen van nieuwe en bestaande stoffen en biociden. De overige milieurisicogrenzen, bijvoorbeeld het VR en het ER, zijn onderdeel van het Nederlandse milieubeleid en voor de afleiding van deze risicogrenzen worden aparte procedures beschreven.
    • Guidelines and cost effectiveness for the long-term treatment of children with asthma

      Feenstra TL; Rutten-van Molken MPMH; Jager JC; Erasmus Universiteit Rotterdam iMTA; CZO; iMTA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-07-05)
      The prevalence of certain chronic diseases is growing and new treatments become available. Therefore, in the future, the resources required to care for chronically ill patients may increase. If available budgets are limited, it is important to consider the efficiency of interventions to guarantee a maximum pay-off in terms of better health and quality of life within the given budget. An interesting question therefore is whether for specific diseases knowledge on cost effectiveness, epidemiology and the effects of interventions can be combined in a model to determine more efficient allocations of resources. The present report contains the first steps towards such a model of the long-term care for children with asthma. In particular, the report presents the following results: (1) a classification of existing interventions for the long-term care of asthmatic children, (2) a summary of "standard" care as presented in guidelines, and (3) a review of cost-effectiveness studies, summarising what is known about the costs and effects of interventions.
    • Guidelines and cost effectiveness for the long-term treatment of children with asthma

      Feenstra TL; Rutten-van Molken MPMH; Jager JC; CZO; iMTA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMErasmus Universiteit Rotterdam iMTA, 2000-07-05)
      De zorg voor chronisch zieken doet een toenemend beroep op middelen binnen en buiten de gezondheidszorg. Een doelmatige besteding van de beschikbare middelen moet ertoe leiden dat voor een gegeven budget, besteed aan interventies, de opbrengsten in termen van verbeteringen in de gezondheid van patienten zo groot mogelijk zijn. Vanuit maatschappelijk perspectief is het een interessante vraag of voor specifieke aandoeningen de beschikbare kennis over epidemiologie, effectiveit en kosteneffectiviteit kan worden gecombineerd binnen een model om daarmee een efficientere allocatie van middelen over interventies en groepen patienten te onderzoeken. Het voorliggende rapport biedt een verslag van beschikbare kennis op het terrein van richtlijnen en kosteneffectiviteit wat betreft de lange termijn behandeling van kinderen met astma. De volgende resultaten worden gepresenteerd: (1) een gestructureerde indeling van bestaande interventies voor de lange termijn zorg bij kinderen met astma, (2) een vergelijking van vier recente richtlijnen en samenvatting van de "standaard" zorg, en (3) een overzicht van de resultaten van kostenefffectiviteitsstudies.<br>
    • Guidelines for selection and presentation of residue values of pesticides

      Velde-Koerts T van der; Hoeven-Arentzen PH van; Ossendorp BC; RIVM-SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-04-14)
      Pesticide residue assessments are executed to establish legal limits, called Maximum Residue Limits (MRLs). MRLs are derived from the results of these pesticide residue trials, which are performed according to critical Good Agricultural Practice. Only one residue value per residue trial may be selected for the MRL derivation. Here, a proposal is described for the selection and presentation of residue values in advisory reports, drafted in The Netherlands either by order of the Dutch Board for the Authorisation of Pesticides or the Food and Agricultural Organisation of the United Nations. In these advisory reports, residue values from each submitted residue trial are presented in a table. Independent and replicate residue trials are distinguished. Residue trials carried out at the same location and same point in time with the same equipment are considered as one residue trial with several replicates (when the area of application, formulation, dose rate, number of applications and crop variety are the same). For a residue trial consisting of replicate trials, all individual residue values are presented, but only the maximum residue value is selected. Furthermore, one or more field samples can be taken per residue trial and each field sample can be subdivided into one or more laboratory samples, which in turn can be subdivided into one or more analytical portions. For a residue trial consisting of replicate field samples, all individual residue values are presented, but only the mean residue value is selected. Finally, for a residue trial consisting of replicate laboratory samples or replicate analytical portions, only the mean residue values are presented and selected.
    • Guidelines for selection and presentation of residue values of pesticides

      van den Velde-Koerts T; van Hoeven-Arentzen PH; Ossendorp BC; RIVM-SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-04-14)
      Residubeoordelingen van bestrijdingsmiddelen worden uitgevoerd om wettelijke residulimieten (MRLs = maximum residue limits) vast te leggen. MRLs worden afgeleid uit de resultaten van die residuproeven met bestrijdingsmiddelen die volgens kritisch "Good Agricultural Practice" zijn uitgevoerd. Er mag slechts een residugehalte per residuproef geselecteerd worden voor de afleiding van de MRL. Het huidige rapport beschrijft een voorstel voor de selectie en weergave van residugehaltes in adviesrapporten die in Nederland worden opgesteld hetzij in opdracht van het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen hetzij in opdracht van de "Food and Agricultural Organisation of the United Nations". In deze adviesrapporten worden de residugehaltes van elke aangeleverde residuproef weergegeven in een tabel. Bij residuproeven wordt onderscheid gemaakt tussen onafhankelijke en herhaalde residuproeven. Residuproeven die op dezelfde locatie op hetzelfde tijdstip met dezelfde apparatuur zijn uitgevoerd worden beschouwd als een residuproef met meerdere herhalingen (mits ook het toepassingsgebied, formulering, dosering, aantal toepassingen en gewasvarieteit dezelfde zijn). Als een residuproef bestaat uit herhaalde residuproeven, worden alle individuele residugehaltes weergegeven, maar alleen het maximum residugehalte wordt geselecteerd. Daarnaast kunnen per residuproef een of meer veldmonsters zijn genomen en elk veldmonster kan verder worden verdeeld in een of meer laboratoriummonsters, die op hun beurt kunnen worden verdeeld in een of meer analytische porties. Als een residuproef bestaat uit herhaalde veldmonsters, worden alle individuele residugehaltes weergegeven, maar alleen het gemiddelde residugehalte wordt geselecteerd. Als een residuproef bestaat uit herhaalde laboratoriummonsters of herhaalde analytische porties, wordt alleen het gemiddelde residugehalte weergegeven en geselecteerd.
    • Guidelines for the determination of Salmonella prevalence in farm animal populations

      Mourits MCM; Henken AM; Frankena K; Notermans SHW; van de Giessen AW; LWL; LUW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-07-31)
      Salmonella-kiemen veroorzaken wereldwijd acute gastro-intestinale infecties bij de mens. Aangezien landbouwhuisdieren een van de belangrijkste bronnen zijn van Salmonella-kiemen is interventie vooral gericht op het terugdringen van deze kiem bij landbouwhuisdieren. Voor dit doel is het noodzakelijk informatie te hebben over de prevalentie van Salmonella bij groepen landbouwhuisdieren. Het rapport bevat richtlijnen hoe op statistische wijze deze informatie kan worden verkregen. In hoofdstuk 1 bevat basisinformatie van algemeen statistische aard aangevuld met eenvoudige en uitgewerkte voorbeelden. In hoofdstuk 2 wordt een praktijk geval uitgewerkt, gebaseerd op de nederlandse situatie en betreft de bepaling van de prevalentie van Salmonella bij koppels legpluimvee. Verder zijn voorbeelden gegeven waaruit blijkt dat de gevolgde procedure ook gebruikt kan worden voor andere populaties landbouwhuisdieren.<br>
    • Guidelines for the determination of the prevalence of Salmonella contamination in consumer poultry at retail level

      Spoorenberg JH; Henken AM; Frankena K; Notermans SHW; Giessen van de AW; Landbouwuniversiteit Wageningen; Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiene; LWL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-11-30)
      A monitoring system is described to determine the prevalence of Salmonella in poultry meat products at retail level. For the Dutch situation chicken meat samples will have to be collected in 385 shops (confidence level of 95%, accepted error of 5% and estimated prevalence of 50%). The main retail points for poultry meat in the Netherlands are real butchers, regular poulterers, market poulterers and supermarkets. They account for 95% of the chicken sold to Dutch consumers. Based on the market shares of these retailers, 65 real butchers, 44 regular poulterers, 37 market poulterers and 243 supermarkets should be sampled. For sampling it is necessary to divide the chicken meat into four product groups: whole carcasses, parts of leg, parts of breast and other parts. Each of these groups should be sampled in the shops. So there will be 16 (4 shop types * 4 product groups) strata for which an estimate of the prevalence is to be determined. The strata should be sampled by collecting 740 gr. meat per product group per shop and is based on the quantity of chicken a consumer buys at each time. In total about 1550 samples have to be collected. To compare results it will be of importance to examine the samples in an identical way. For example by rinsing the meat samples with buffered pepton water and testing by the fluid for the presence of Salmonella using the ISO 6579 isolation method. Based on the prevalences of the 16 strata, the prevalences for each shop type, product group and the total chicken sold can be calculated. The formula's for calculating these prevalences and the standard deviation are presented. Although, the system is described for the Dutch situation, it can also be applied in other countries where similar data are available.