• Guidance for summarising earthworm field studies

      de Jong FMW; van Beelen P; Smit CE; Montforts MHMM; SEC; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-10-19)
      Om de eenvormigheid van evaluaties te vergroten, en daarmee ook de inzichtelijkheid in eventuele verschillen, is door het Nederlandse Platform voor de Beoordeling van Higher Tier Studies een handleiding ontwikkeld voor het samenvatten van veldstudies met regenwormen. Bij de registratieprocedure van bestrijdingsmiddelen worden onder meer veldstudies (Higher Tier Studies) aangeleverd met regenwormen. Deze studies worden voor het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB) geevalueerd door verschillende zogenaamde Evaluerende Instanties. De ingewikkeldheid van deze studies kan er toe leiden dat er grote verschillen bestaan in de vorm van de evaluaties van de verschillende instanties. In dit rapport wordt de handleiding voor het samenvatten van deze veldstudies weergegeven. Hierbij maakt de handleiding onderscheid tussen het samenvatten en evalueren van de studie zelf, en het gebruik van de uitkomst in de risicobeoordeling. Voor het samenvatten en evalueren wordt een concrete handleiding gegeven, inclusief uitgewerkte voorbeelden. Voor het gebruik van de resultaten bij de risicobeoordeling worden slechts suggesties gegeven en discussiepunten aangereikt.
    • Guidance for summarizing and evaluating aquatic micro- and mesocosm studies. A guidance document of the Dutch Platform for the Assessment of Higher Tier Studies

      de Jong FMW; Brock TCM; Foekema EM; Leeuwangh P; SEC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMAlterraWageningen IMARESEC&C, 2008-03-10)
      Er is een richtsnoer ontwikkeld om testresultaten voor de toelatingsprocedure voor gewasbeschermingsmiddelen eenvormig en transparant aan te reiken. Het richtsnoer geldt specifiek voor experimenten in nagebootste ecosystemen in oppervlaktewater (zogenoemde micro- en mesocosm studies). Het richtsnoer is ontwikkeld door het Nederlandse Platform voor de Beoordeling van Higher Tier Studies, waarvan het RIVM het secretariaat voert. Bij de toelatingsprocedure voor gewasbeschermingsmiddelen leveren aanvragers (bijvoorbeeld de bestrijdingsmiddelenfabrikanten) informatie aan het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). Aan de hand hiervan beoordeelt het Ctgb of een bepaald gebruik van een middel toelaatbaar is in Nederland. De geleverde informatie betreft onder andere complexe en vaak omvangrijke informatie over micro- en mesocosm studies. Het Ctgb laat deze studies vervolgens door verschillende externe partijen samenvatten en evalueren. Door verschillen in werkwijze kunnen de vorm van deze samenvattingen en evaluaties, en soms zelfs de conclusies, verschillen. Vandaar de wens van het Ctgb om de evaluaties en samenvattingen van ecosystemen in oppervlaktewater te standaardiseren. Een aanverwant doel is hiermee het beoordelingsproces transparanter maken.
    • Guidance for the derivation of environmental risk limits within the framework of 'International and national environmental quality standards for substances in the Netherlands' (INS). Revision 2007

      van Vlaardingen PLA; Verbruggen EMJ; SEC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-11-13)
      Dit rapport is de handleiding voor het afleiden van milieurisicogrenzen die worden gebruikt in het Nederlandse milieubeleid. Het rapport is een herziening van de INS-handleiding uit 2001. Nederland onderscheidt vier milieurisicogrenzen: het verwaarloosbaar risiconiveau (VR), het maximaal toelaatbaar risiconiveau (MTR), het ernstig risiconiveau (ER) en de maximaal toelaatbare concentratie voor ecosystemen (MACeco). Welke basisgegevens zijn nodig voor het afleiden van een milieurisicogrens? De handleiding geeft dit overzicht en beschrijft hoe deze literatuurgegevens moeten worden geevalueerd op juistheid en bruikbaarheid. Vervolgens wordt de methodiek voor het afleiden van milieurisicogrenzen beschreven, inclusief de benodigde berekeningen. Voor water en sediment is deze gelijk aan de methodiek zoals voorgeschreven voor de Europese Kaderrichtlijn Water. Voor bodem is direct aangesloten op de technical guidance documenten (TGD) voor EU risicobeoordelingen van nieuwe en bestaande stoffen en biociden. De overige milieurisicogrenzen, bijvoorbeeld het VR en het ER, zijn onderdeel van het Nederlandse milieubeleid en voor de afleiding van deze risicogrenzen worden aparte procedures beschreven.
    • Guidelines and cost effectiveness for the long-term treatment of children with asthma

      Feenstra TL; Rutten-van Molken MPMH; Jager JC; Erasmus Universiteit Rotterdam iMTA; CZO; iMTA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-07-05)
      The prevalence of certain chronic diseases is growing and new treatments become available. Therefore, in the future, the resources required to care for chronically ill patients may increase. If available budgets are limited, it is important to consider the efficiency of interventions to guarantee a maximum pay-off in terms of better health and quality of life within the given budget. An interesting question therefore is whether for specific diseases knowledge on cost effectiveness, epidemiology and the effects of interventions can be combined in a model to determine more efficient allocations of resources. The present report contains the first steps towards such a model of the long-term care for children with asthma. In particular, the report presents the following results: (1) a classification of existing interventions for the long-term care of asthmatic children, (2) a summary of "standard" care as presented in guidelines, and (3) a review of cost-effectiveness studies, summarising what is known about the costs and effects of interventions.
    • Guidelines and cost effectiveness for the long-term treatment of children with asthma

      Feenstra TL; Rutten-van Molken MPMH; Jager JC; CZO; iMTA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMErasmus Universiteit Rotterdam iMTA, 2000-07-05)
      De zorg voor chronisch zieken doet een toenemend beroep op middelen binnen en buiten de gezondheidszorg. Een doelmatige besteding van de beschikbare middelen moet ertoe leiden dat voor een gegeven budget, besteed aan interventies, de opbrengsten in termen van verbeteringen in de gezondheid van patienten zo groot mogelijk zijn. Vanuit maatschappelijk perspectief is het een interessante vraag of voor specifieke aandoeningen de beschikbare kennis over epidemiologie, effectiveit en kosteneffectiviteit kan worden gecombineerd binnen een model om daarmee een efficientere allocatie van middelen over interventies en groepen patienten te onderzoeken. Het voorliggende rapport biedt een verslag van beschikbare kennis op het terrein van richtlijnen en kosteneffectiviteit wat betreft de lange termijn behandeling van kinderen met astma. De volgende resultaten worden gepresenteerd: (1) een gestructureerde indeling van bestaande interventies voor de lange termijn zorg bij kinderen met astma, (2) een vergelijking van vier recente richtlijnen en samenvatting van de "standaard" zorg, en (3) een overzicht van de resultaten van kostenefffectiviteitsstudies.<br>
    • Guidelines for selection and presentation of residue values of pesticides

      Velde-Koerts T van der; Hoeven-Arentzen PH van; Ossendorp BC; RIVM-SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-04-14)
      Pesticide residue assessments are executed to establish legal limits, called Maximum Residue Limits (MRLs). MRLs are derived from the results of these pesticide residue trials, which are performed according to critical Good Agricultural Practice. Only one residue value per residue trial may be selected for the MRL derivation. Here, a proposal is described for the selection and presentation of residue values in advisory reports, drafted in The Netherlands either by order of the Dutch Board for the Authorisation of Pesticides or the Food and Agricultural Organisation of the United Nations. In these advisory reports, residue values from each submitted residue trial are presented in a table. Independent and replicate residue trials are distinguished. Residue trials carried out at the same location and same point in time with the same equipment are considered as one residue trial with several replicates (when the area of application, formulation, dose rate, number of applications and crop variety are the same). For a residue trial consisting of replicate trials, all individual residue values are presented, but only the maximum residue value is selected. Furthermore, one or more field samples can be taken per residue trial and each field sample can be subdivided into one or more laboratory samples, which in turn can be subdivided into one or more analytical portions. For a residue trial consisting of replicate field samples, all individual residue values are presented, but only the mean residue value is selected. Finally, for a residue trial consisting of replicate laboratory samples or replicate analytical portions, only the mean residue values are presented and selected.
    • Guidelines for selection and presentation of residue values of pesticides

      van den Velde-Koerts T; van Hoeven-Arentzen PH; Ossendorp BC; RIVM-SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-04-14)
      Residubeoordelingen van bestrijdingsmiddelen worden uitgevoerd om wettelijke residulimieten (MRLs = maximum residue limits) vast te leggen. MRLs worden afgeleid uit de resultaten van die residuproeven met bestrijdingsmiddelen die volgens kritisch "Good Agricultural Practice" zijn uitgevoerd. Er mag slechts een residugehalte per residuproef geselecteerd worden voor de afleiding van de MRL. Het huidige rapport beschrijft een voorstel voor de selectie en weergave van residugehaltes in adviesrapporten die in Nederland worden opgesteld hetzij in opdracht van het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen hetzij in opdracht van de "Food and Agricultural Organisation of the United Nations". In deze adviesrapporten worden de residugehaltes van elke aangeleverde residuproef weergegeven in een tabel. Bij residuproeven wordt onderscheid gemaakt tussen onafhankelijke en herhaalde residuproeven. Residuproeven die op dezelfde locatie op hetzelfde tijdstip met dezelfde apparatuur zijn uitgevoerd worden beschouwd als een residuproef met meerdere herhalingen (mits ook het toepassingsgebied, formulering, dosering, aantal toepassingen en gewasvarieteit dezelfde zijn). Als een residuproef bestaat uit herhaalde residuproeven, worden alle individuele residugehaltes weergegeven, maar alleen het maximum residugehalte wordt geselecteerd. Daarnaast kunnen per residuproef een of meer veldmonsters zijn genomen en elk veldmonster kan verder worden verdeeld in een of meer laboratoriummonsters, die op hun beurt kunnen worden verdeeld in een of meer analytische porties. Als een residuproef bestaat uit herhaalde veldmonsters, worden alle individuele residugehaltes weergegeven, maar alleen het gemiddelde residugehalte wordt geselecteerd. Als een residuproef bestaat uit herhaalde laboratoriummonsters of herhaalde analytische porties, wordt alleen het gemiddelde residugehalte weergegeven en geselecteerd.
    • Guidelines for the determination of Salmonella prevalence in farm animal populations

      Mourits MCM; Henken AM; Frankena K; Notermans SHW; van de Giessen AW; LWL; LUW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-07-31)
      Salmonella-kiemen veroorzaken wereldwijd acute gastro-intestinale infecties bij de mens. Aangezien landbouwhuisdieren een van de belangrijkste bronnen zijn van Salmonella-kiemen is interventie vooral gericht op het terugdringen van deze kiem bij landbouwhuisdieren. Voor dit doel is het noodzakelijk informatie te hebben over de prevalentie van Salmonella bij groepen landbouwhuisdieren. Het rapport bevat richtlijnen hoe op statistische wijze deze informatie kan worden verkregen. In hoofdstuk 1 bevat basisinformatie van algemeen statistische aard aangevuld met eenvoudige en uitgewerkte voorbeelden. In hoofdstuk 2 wordt een praktijk geval uitgewerkt, gebaseerd op de nederlandse situatie en betreft de bepaling van de prevalentie van Salmonella bij koppels legpluimvee. Verder zijn voorbeelden gegeven waaruit blijkt dat de gevolgde procedure ook gebruikt kan worden voor andere populaties landbouwhuisdieren.<br>
    • Guidelines for the determination of the prevalence of Salmonella contamination in consumer poultry at retail level

      Spoorenberg JH; Henken AM; Frankena K; Notermans SHW; Giessen van de AW; Landbouwuniversiteit Wageningen; Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiene; LWL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-11-30)
      A monitoring system is described to determine the prevalence of Salmonella in poultry meat products at retail level. For the Dutch situation chicken meat samples will have to be collected in 385 shops (confidence level of 95%, accepted error of 5% and estimated prevalence of 50%). The main retail points for poultry meat in the Netherlands are real butchers, regular poulterers, market poulterers and supermarkets. They account for 95% of the chicken sold to Dutch consumers. Based on the market shares of these retailers, 65 real butchers, 44 regular poulterers, 37 market poulterers and 243 supermarkets should be sampled. For sampling it is necessary to divide the chicken meat into four product groups: whole carcasses, parts of leg, parts of breast and other parts. Each of these groups should be sampled in the shops. So there will be 16 (4 shop types * 4 product groups) strata for which an estimate of the prevalence is to be determined. The strata should be sampled by collecting 740 gr. meat per product group per shop and is based on the quantity of chicken a consumer buys at each time. In total about 1550 samples have to be collected. To compare results it will be of importance to examine the samples in an identical way. For example by rinsing the meat samples with buffered pepton water and testing by the fluid for the presence of Salmonella using the ISO 6579 isolation method. Based on the prevalences of the 16 strata, the prevalences for each shop type, product group and the total chicken sold can be calculated. The formula's for calculating these prevalences and the standard deviation are presented. Although, the system is described for the Dutch situation, it can also be applied in other countries where similar data are available.
    • Guidelines for the determination of the prevalence of Salmonella contamination in consumer poultry at retail level

      Spoorenberg JH; Henken AM; Frankena K; Notermans SHW; van de Giessen AW; LWL (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMLandbouwuniversiteit WageningenRijksinstituut voor volksgezondheid en milieuhygiene, 1995-11-30)
      Een monitoring-methode is beschreven voor het bepalen van Salmonella op in de handel aangeboden pluimvee-producten. Voor de Nederlandse situatie dienen daatoe op 385 verkooppunten monsters te worden genomen (betrouwbaarheids-niveau 95%, geaccepteerde fout 5% en een geschatte prevalentie van 50%). De te nemen monsters dienen te omvatten: karkassen, poten, borst en overige delen. Deze dienen per verkooppunt te worden genomen. Om vergelijking mogelijk te maken dienen mosters op een identieke wijze te worden onderzocht. Aanbevolen kan worden de mosters met pepton water te schudden en deze schudvloeistof met behulp van de ISO 6579 methode op Salmonella te onderzoeken. Ofschoon het systeem beschreven is voor de Nederlandse situatie kan de methode in ieder land en voor andere pathogene agentia worden toegepast.<br>
    • GW_VOL ; The EXPECT Groundwater Level Module

      Hoogland T; Meijers R; MTV (1995-05-31)
      Als onderdeel van het integrale milieu-model EXPECT is een module ontwikkeld voor berekeningen van veranderingen in grondwaterstand en kwel, die het gevolg zijn van wijzigingen in grondwateronttrekking. Deze module is opgebouwd uit lineaire ingreep-effect relaties tussen het onttrekkingsdebiet van een pompput en de effecten op de grondwaterstand en kwelflux. De relaties zijn afgeleid uit berekeningsresultaten van het Landelijk Grondwater Model (LGM). De ingreep-effect relaties zijn afgeleid voor alle 1*1 km gridcellen waarop een onttrekking van invloed is. Effecten van verschillende onttrekkingen op een gridcel worden gesommeerd. Omdat in het LGM de relatie tussen stijghoogte in de bovenste aquifer en flux naar het oppervlakte water niet-lineair gemodelleerd is, zullen lineaire ingreep-effect relaties slechts een benadering zijn van de resultaten van LGM. Om een indruk te krijgen van de nauwkeurigheid van de voorspellingen op grond van de lineaire regressiefuncties is per gridcell de ratio berekend tussen de door het model verklaarde variantie en de totale variantie. Om een indruk te krijgen van de verschillen in uitkomst tussen de grondwatermodule en LGM zijn verscheidene onttrekkings-scenario's zowel met LGM als met de EXPECT-grondwatermodule doorgerekend en zijn de resultaten vergeleken.De conclusie is dat zolang geen onttrekkings-scenarios worden gekozen met onttrekkingsdebieten groter dan de scenarios gepresenteerd in hoofdstuk 4, de grondwatermodule een goede benadering van LGM resultaten levert.
    • Haalbaarheid gebruik onbemande meetvliegtuigjes bij calamiteiten

      Tukker K; Jentink HW; van Putten EM; Roelofsz MC; Muller CF; Vreeken J; M&amp;M; M&amp;V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMNLR, 2014-12-04)
      Onbemande vliegtuigjes die zijn toegerust met moderne meetinstrumenten, maken het in principe mogelijk om bij calamiteiten metingen hoog in de lucht te verrichten. Dat kan tot nu toe alleen nog op de grond. Het bleek mogelijk om een radioactieve bron vanuit een onbemand vliegtuigje te meten, maar om dat te vertalen naar de stralingsdosis tijdens een kernongeval zijn ingewikkelde berekeningen nodig. Ook kan een rookpluim worden bemonsterd, alleen zijn de uitkomsten daarvan niet eenduidig. Beide technieken zijn veel belovend en er lijken voldoende mogelijkheden te zijn om de eventuele juridische problemen van het inzetten van onbemande vliegtuigjes tijdens calamiteiten op te lossen. Meer vliegproeven en data zijn nodig voordat deze onbemande vliegtuigjes daadwerkelijk kunnen worden toegepast.<br> <br>Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM en het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (NLR), dat aangeeft hoe deze technologische innovatie werkbaar kan worden gemaakt. Hiertoe is eerst verkend voor welk type calamiteiten de inzet van onbemande vliegtuigjes het meest relevant is. Op basis daarvan is gekozen voor chemische branden en kernongevallen. Vervolgens is uitgezocht welke typen vliegtuigjes en meetapparatuur het beste voor deze calamiteiten kunnen worden ingezet. <br> <br>Bij een chemische brand kan een onbemand vliegtuigje ingezet worden om de omvang en de hoogte van de rookpluim te bepalen. Daarnaast kan het vliegtuigje monsters nemen van de rook in de pluim. Bij een kernongeval kan het vliegtuigje ingezet worden om de radioactieve wolk in kaart te brengen en de radioactiviteit in het besmette gebied te meten. Een groot voordeel van het gebruik van een onbemand vliegtuigje is dat er geen of minder hulpverleners naar het gebied hoeven te worden gestuurd en dat ook in 'onveilig gebied' dicht bij een bron kan worden gemeten. Hierdoor worden zij niet of minder aan straling blootgesteld.<br> <br>Er bestaan verschillende types onbemande vliegtuigjes. Voor de inzet bij chemische branden en kernongevallen lijken de aeroplane- en rotorcraftvliegtuigjes de meest voor de hand liggende keuze. Dat komt door het gewicht dat ze mee kunnen nemen, door de mogelijkheid om stil te hangen in de lucht en door de grotere afstanden die ze kunnen overbruggen. Voor de meet- en bemonsteringsapparatuur is een keuze gemaakt uit technieken die binnen het RIVM worden gebruikt.<br>
    • De haalbaarheid van het meten van de CARA-prevalentie in "Monitoring van Risicofactoren en Gezondheid in Nederland (MORGEN-project)"

      Miedema I; Smit HA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1993-10-31)
      The feasibility of monitoring the prevalence of Chronic Non-Specific Lung Diseases (CNSLD) within the framework of the Monitoring Project on Cardiovascular Risk Factors was investigated. A self-administered questionnaire on respiratory symptoms was tested and lung function measurements were performed in 213 respondents in Amsterdam. There were no apparent problems for responders to fill out the questionnaire, although small improvements in lay-out should be made. The lung function measurements took 10 minutes per responder on average. Less than 6% of the respondents had a coefficient of variation of 5% or more. It was concluded that the performance of the measurements by the paramedical assistant was satisfactory. Almost 30% of the responders reported one or more respiratory symptoms. The prevalence of separate symptoms varied from 2% (asthma) to 17-18% (wheezing). The prevalence of CNSLD based on a combination of questionnaire information and lung function measurements was almost 13% (severity grade 3 or more). These figures are in the same order of magnitude as prevalence figures that were observed in earlier Dutch studies. It is recommended to incorporate the CNSLD questionnaire that was used in the feasibility study, into the Monitoring Project on Chronic Diseases and to include lung function measurements in the medical examination.
    • Haalbaarheidsstudie Humane Blootstelling Voeding

      Heisterkamp SH; Olling M; LBO (1996-12-31)
      De haalbaarheid van een generiek model c.q. standaardprocedure ter beoordeling van de blootstelling aan xenobiotica in voeding, en waar mogelijk de effecten daarvan, is onderzocht. Een inventarisatie van Nederlands onderzoek op dit gebied is gemaakt. Kwaliteit en toepasbaarheid van bestaande modellen en gegevensbestanden worden beoordeeld en er is aandacht besteed aan punten zoals interne blootstelling en de effecten van bereiding. De conclusie is dat bestaande modellen zoals deze bestaan bij het RIKILT-DLO en LEO-RIVM zodanig aangepast moeten worden dat verschillende blootstellingsmaten kunnen worden uitgerekend met hun onzekerheid. In de loop van 1997 zal een rapport over een generiek model verschijnen.
    • Hair dye allergy in consumers : Evaluation of the allergy alert test

      Ezendam J; Salverda-Nijhof JGW; GBO ; SIR; vgc (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-09-23)
      Allergie voor haarkleurstoffen bij consumenten Evaluatie van risico's en voordelen van de allergietest De huidige allergietesten voor haarverf die consumenten via de productinstructie aangeboden krijgen, voldoen niet. In deze testen blijkt namelijk veel variatie voor te komen. De test moet dan ook worden gestandaardiseerd. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM, waarin de voor- en nadelen van de allergietest voor consumenten zijn geëvalueerd. Dit is gedaan op basis van de bestaande opinie van de SCCS (de Europese wetenschappelijke commissie voor consumentenveiligheid), openbare literatuur en interviews met deskundigen. Het RIVM vindt het in principe waardevol dat consumenten van haarverf via de productinstructie wordt geadviseerd eerst een test te doen om vast te stellen of zij voor dit product allergisch zijn. Huidallergie veroorzaakt door haarverf is immers een groot probleem, zowel voor consumenten als kappers. Producenten van haarverf geven in de productinstructie het advies om 48 uur vóór het gebruik van de haarverf te testen of er sprake is van een overgevoeligheid. Deze allergietest is slechts een alarmsignaal waarmee consumenten worden gewaarschuwd om hun haren niet te verven. Ook wordt hen geadviseerd om een dermatoloog te bezoeken voor verder medisch onderzoek. Tevens blijkt dat niet bekend is of consumenten de test zelf goed kunnen uitvoeren en interpreteren. Aanbevolen wordt dit nader te onderzoeken. Daarnaast wordt aanbevolen om onder consumenten en kappers meer bewustwording te creëren over de risico's van haarverf, bijvoorbeeld door middel van informatiecampagnes.
    • Halogeenverbindingen in metaalbewerkingsvloeistoffen

      Bremmer HJ (1988-06-30)
      In metaalbewerkingsvloeistoffen kunnen halogeenverbindingen voorkomen als hoge druk additief en als biocide. Als halogeenhoudende hoge druk additieven worden chloorverbindingen, hoofdzakelijk chloorparaffines, toegepast. Ze worden zowel in zuivere olien als in waterhoudende metaalbewerkingsvloeistoffen toegepast. Er is een heel duidelijke trend naar chloorvrije metaalbewerkingsvloeistoffen. De verwachting is dat de Nederlandse industrie binnen enkele jaren nagenoeg volledig op het gebruik van chloorvrije middelen zal zijn overgeschakeld. Biociden worden toegepast in waterhoudende metaalbewerkingsvloeistoffen. Halogeenverbindingen worden slechts in een gering aantal gevallen toegepast, waarschijnlijk ten opzichte van andere biociden in kleine hoeveelheden. Bij de Nederlandse industrie komt jaarlijks naar schatting 200.000 a 250.000 ton ijzer verspaningsafval, 15.000 ton aluminium verspaningsafval en 10.000 ton hoger verspaningsafval vrij. De hoeveelheid snijvloeistoffen die door uitsleep aan spanen wordt afgevoerd ligt in de grootte van 10.000 ton per jaar. Ongeveer 10% van deze hoeveelheid bestaat uit snijolie.
    • Handhaving door de VROM Inspectie gericht op gezondheid in het kader van VROM beleid; Informatie over aangrijpingspunten voor handhaving

      Schols E; Bruggen M van; Dusseldorp A; Houweling DA van; IMD; MGO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-12-17)
      The Inspectorate of the Netherlands Ministry of Spatial Planning, Housing and the Environment (VROM) endeavours to set priorities for law enforcement based on the impact that target groups and activities have on public health. To be able to set these priorities the Inspectorate requested the National Institute for Public Health and the Environment (RIVM) to systematically overview all activities or policy topics influencing public health for which the Ministry is accountable. Data reflected the estimated or measured health effects on a national scale, the target groups and activities associated with health problems and the legal enforcement possibilities for the VROM Inspectorate. Evaluation of potential health effects was based on scientific reviews and recent health impact assessments of exposure to pollutants at national levels. Results were expressed in number of persons exposed, number of people affected (mortality, morbidity, annoyance and perception) and trends in exposure or disease. The resulting factsheets described the roles given to national policy, laws and regulations, the role of the National Inspectorate in the law enforcement and the effects on public health. On the national scale, it was not always possible to locate the right data. This was due partly to lack of knowledge on the effects, such as with genetically modified organisms and partly because few studies on this scale have taken place, for example, soil contamination and pesticides.
    • Handhaving door de VROM Inspectie gericht op gezondheid in het kader van VROM beleid; Informatie over aangrijpingspunten voor handhaving

      Schols E; van Bruggen M; Dusseldorp A; Houweling DA; IMD; MGO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-12-17)
      In het Actieprogramma Gezondheid en Milieu (april 2002) staat dat VROM en VWS onderzoek zullen doen naar die aspecten waar handhaving kan bijdragen aan het behalen van gezondheidswinst (actienummer 15). De opdracht tot het onderhavige onderzoek is in dit kader gegeven. Doel van deze opdracht is dat de VROM-Inspectie meer inzicht krijgt in haar mogelijkheden de gezondheid van de mensen in Nederland te bevorderen. Dit onderzoek heeft hieraan bijgedragen door alle thema's op een rij te zetten waarvoor VROM beleid is en die effecten op de volksgezondheid kunnen hebben. Vervolgens is in een vast stramien informatie gegeven over de geschatte of gemeten omvang van gezondheids-effecten, de doelgroepen of activiteiten waardoor het probleem optreedt, en de wettelijke aangrijpings-mogelijkheden voor de VROM-Inspectie. De omvang van de gezondheidseffecten is beschreven door aan te sluiten bij het Beoordelingskader Gezondheid en Milieu. Het schaalniveau om de omvang van de gezondheidseffecten in kaart te brengen was heel Nederland. Naast informatie over de thema's was het verzoek van de opdrachtgever de thema's te ranken naar grootte van de omvang. Enkele beschikbare methoden om een weging naar grootte van de omvang zijn gekvalueerd. De DALY - een samengestelde maat om het verlies aan gezonde levensjaren in uit te drukken - en de zogenaamde GES-methode zijn met name beschouwd. Voor de gegenereerde informatie bleek er geen methode beschikbaar om de verscheidenheid in gezondheidseffecten naar omvang te kunnen wegen.
    • Handhaving van een rookvrij binnenmilieu

      Talhout R; Sleijffers A; Opperhuizen A; GBO (2009-07-20)
      Abstract niet beschikbaar
    • Handleiding bij het CAR-programma versie 1.0

      Eerens HC; Sliggers CJ; Baars HP; Huygen C; LLO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMTNOVROMRIVM, 1988-01-31)
      Betreft model voor de verspreiding van luchtverontreiniging.<br>