• Handreiking Beoordelingskader Gezondheid en Milieu - veehouderij

      de Wolf J; BDV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-09-09)
      Het 'Beoordelingskader Veehouderij' is een hulpmiddel om lokale vragen over de gezondheid van omwonenden van veehouderijen systematisch aan te pakken. Het beoordelingskader heeft vooral meerwaarde in complexe situaties, bijvoorbeeld wanneer partijen met verschillende belangen zijn betrokken of wanneer lastige afwegingen moeten worden gemaakt. Het helpt om tot een afgewogen besluit te komen. Deze handreiking geeft aan op welke manier het beoordelingskader kan worden gebruikt. Doelgroep van deze handreiking zijn in eerste instantie de GGD'en. Maar ook andere partijen die met dit instrument werken, zoals gemeenten, kunnen er hun voordeel mee doen. Voor het beoordelingskader komen alle betrokken partijen bijeen om op basis van vijf thema's vragen over de te behandelen situatie te beantwoorden. De thema's zijn: de omvang van de gezondheidseffecten, de ernst, de waardering, mogelijke maatregelen en de effectiviteit daarvan, en ten slotte de kosten en baten. Op deze manier wordt de bestaande kennis in beeld gebracht en komen ook minder 'hardere' aspecten, zoals sociaaleconomische inzichten, aan bod. Op basis van deze informatie zijn beleidsmakers beter in staat om tot besluitvorming te komen; het beoordelingskader levert dus niet rechtstreeks een besluit op. In 2013 is het Beoordelingskader Veehouderij in vier pilots getest. De ervaringen uit de pilots zijn gebruikt als input voor deze handreiking.
    • Handreiking geluidhinder wegverkeer : Berekenen en meten

      Dusseldorp A; Houthuijs D; van Overveld A; van Kamp I; Marra M; IMG ; MGO; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-10-28)
      Er bestaan verschillende methoden om te bepalen hoeveel mensen op een locatie geluidshinder als gevolg van wegverkeer ervaren. Met vragenlijsten kan het percentage gehinderden worden gemeten. Daarnaast kan het percentage gehinderden worden berekend met de geluidbelasting en een internationaal erkende 'blootstelling-responsrelatie' uit 2001. Het RIVM heeft een handreiking opgesteld die aandachtspunten beschrijft bij onderzoek naar geluidshinder, de interpretatie van hindercijfers en de invloed van leeftijd en andere persoonlijke en contextuele factoren. Cijfers vaak niet goed vergelijkbaar. De handreiking vloeit voort uit een vraag van de GGD-en naar de oorzaak van het verschil tussen berekende en gemeten geluidshinder. Zoekende naar een verklaring bleek dat cijfers uit verschillende onderzoeken vaak niet goed vergelijkbaar zijn, doordat zij gebruikmaken van uiteenlopende vraagstellingen en analysemethoden. Ook zitten zowel rondom gemeten als berekende cijfers onzekerheidsmarges, waardoor het niet zinvol is alleen de gemiddelde uitkomsten te vergelijken. Verder bleek dat een blootstelling-responsrelatie uit 2009 hinderpercentages berekent die in het algemeen meer in de buurt liggen van de gemeten cijfers. Hinderpercentage bepalen met de meest geschikte methode. Los van het feit dat de blootstelling-respons relatie dus mogelijk verbeterd zou kunnen worden, is in een bestaande situatie een vragenlijst de meest geschikte methode om het percentage gehinderden te bepalen. Als metingen met dezelfde vragenlijst meerdere keren worden herhaald, zijn veranderingen in de tijd bovendien goed te volgen. Voor nog niet bestaande situaties of scenarioberekeningen zijn berekeningen met blootstelling-responsrelaties een goede methode om zicht te krijgen op te verwachten percentages gehinderden.
    • Handreiking Gezondheidsonderzoek na Rampen

      Franssen EAM; Ruijten MWMM; Meijden PA van der; Verra WJE; IJzermans CJ; Paul van der Meijden Organisatieadvies en Interimmanagement; Prismant Strategie Groep; NIVEL; MGO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-06-27)
      This 'Guidebook on Health Impact Assessment of Disasters' aims to contribute to a wel-considered, efficient and timely implementation of Health Impact Assessment(HIA) of Disasters, and to its preparation and conduct. The guidebook elaborates on: - the decision making process for disaster HIA; - the issues crucial to preparedness and actual conduct. The Netherlands experienced a number of large crises and disasters over the past decades, such as the airplane crash Bijlmermeer, the fireworks explosion in Enschede and the avian flu epizootic. After some of these disasters a health impact assessment was made as part of the aftercare activities. These studies provided essential information about the disaster's consequences: to support decisions in the planning of aftercare activities, support advice for individual treatment of victims, to address societal distress and for scientific purposes. The knowledge and experience gained about the (health) consequences and the conduct of such studies have been brought together in this guidebook. The guidebook consists of an operational section and a background document. The operational section consists of: - an operational summary for local government; - a checklist on the conduct of disaster HIA in 5 steps: preparation, decision making, the first acute study, preparing and arrangement of a process organization of the main study, conduct of the main study, and completion. The background document provides beackground to the summary and checklist, structured according to the same 5 steps as the checklist.
    • Handreiking Gezondheidsonderzoek na Rampen

      Franssen EAM; Ruijten MWMM; Meijden PA van der; Verra WJE; IJzermans CJ; MGO (Centrum voor Gezondheidsonderzoek bij Rampen CGORPaul van der Meijden Organisatieadvies en InterimmanagementPrismant Strategie GroepNIVEL, 2006-06-27)
      Deze 'Handreiking Gezondheidsonderzoek na Rampen' is geschreven om een bijdrage te leveren aan een weloverwogen, doelmatige en tijdige inzet van gezondheidsonderzoek na rampen en aan de voorbereiding en de uitvoering ervan. De handreiking geeft inzicht in: - het besluitvormingsproces rond gezondheidsonderzoek na rampen; - de onderwerpen die van belang zijn bij het voorbereiden respectievelijk uitvoeren ervan. Nederland heeft de afgelopen decennia verschillende grote rampen en crises meegemaakt, zoals de vliegramp Bijlmermeer, de vuurwerkramp in Enschede en de vogelpest-epidemie. Bij een aantal van deze rampen is, als onderdeel van de nazorg, onderzoek verricht naar de gevolgen voor de gezondheid van getroffenen. Deze onderzoeken hebben belangrijke informatie verschaft over de gevolgen van de ramp: om keuzes te maken bij de opzet van nazorg of te adviseren over individuele behandeling van getroffenen, om maatschappelijke onrust te adresseren en om wetenschappelijke vragen te beantwoorden. De ervaring en kennis die beschikbaar zijn gekomen over deze gevolgen en de wijze waarop gezondheidsonderzoek kan worden ingevuld is samengebracht in deze handreiking. De handreiking bestaat uit een operationeel deel en een achtergronddocument. Het operationeel deel bestaat uit: - een bestuurlijke samenvatting voor de operationele fase; - een checklist over de uitvoering van gezondheidsonderzoek, geordend in 5 stappen: preparatie, besluitvorming, het eerste acute onderzoek, voorbereiden en inrichten van de procesorganisatie voor een hoofdonderzoek, uitvoering van het hoofdonderzoek en afbouw. Het achtergronddocument beschrijft de achtergronden bij de bestuurlijke samenvatting en de checklist, aan de hand van dezelfde 5 stappen als in de checklist.
    • Handreiking gezondheidsonderzoek na rampen : Onderzoek naar psychische en fysieke gezondheid en naar zorg- en ondersteuningsbehoeften na incidenten, crises, ongevallen en rampen

      IJzermans J; Claassen T; van der Ree J; IRV; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMNIVELGrip bv, 2014-02-25)
      Na een ramp, crisis, zwaar ongeval, (milieu-)incident of uitbraak van infectieziekten kan gezondheidsonderzoek worden ingezet. Het doel daarvan is om inzicht te krijgen of de ramp gezondheidsgevolgen heeft en of getroffenen behoefte hebben aan medische zorg of praktische ondersteuning. De GGD geeft advies over gezondheidsonderzoek na rampen (GOR) en het bevoegd gezag bepaalt uiteindelijk of het wordt uitgevoerd. Bij de uitvoering van GOR heeft de GGD een coördinerende taak. Om de besluitvorming voor te bereiden en GOR uit te voeren is een Handreiking Gezondheidsonderzoek na Rampen opgesteld. Het RIVM heeft de handreiking uit 2006 herzien op basis van nieuwe wet- en regelgeving, en van nieuwe inzichten door kennis en ervaring. De handreiking ondersteunt GGD'en bij beslissingen of er al dan niet een gezondheidsonderzoek moet worden ingesteld. Hiertoe staan in de handreiking verschillende doelen en typen van gezondheidsonderzoek beschreven. Afhankelijk van de mate en omvang van de ramp kan GOR een zorginhoudelijk, beleidsmatig, maatschappelijk of wetenschappelijk doel hebben. Voorbeelden van typen onderzoeken zijn: individueel medisch onderzoek, onderzoek met behulp van vragenlijsten of onderzoek aan de hand van registraties van bijvoorbeeld huisartsen. Als tot GOR wordt besloten, geeft de handreiking adviezen over de manier waarop zo'n onderzoek het beste kan worden uitgevoerd.
    • Handreiking identificatie Nederlandse zeer zorgwekkende stoffen

      van Herwijnen R; MSP; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-11-11)
      Het RIVM heeft een handreiking geschreven waarmee belanghebbenden stap voor stap kunnen bepalen of een chemische stof als "zeer zorgwekkend" wordt aangeduid. Zeer zorgwekkende stoffen zijn onder andere kankerverwekkende stoffen en stoffen die slecht afbreken, ophopen in organismen en giftig zijn (persistent, bioaccumulerend en toxisch, oftewel PBT-stoffen). Voorbeelden zijn het oplosmiddel benzeen of gebromeerde brandvertragers. De handreiking is bedoeld als praktisch hulpmiddel bij het gebruik van een systematiek die het RIVM in 2011 heeft opgesteld. Deze systematiek bevat criteria om te bepalen wanneer een chemische stof als zeer zorgwekkend wordt bestempeld. Hierbij is aangegeven welke internationale regelgeving geraadpleegd moet worden om te achterhalen of een stof aan deze criteria voldoet. Als duidelijk is dat een zeer zorgwekkende stof in Nederland in het milieu aanwezig is of daarin terecht kan komen, wordt een dergelijke stof bestempeld als Nederlandse prioritaire stof. Prioritaire stoffen worden door de overheid met voorrang aangepakt omdat zij zeer gevaarlijk zijn voor mens en milieu. Het streven is om prioritaire stoffen uit de leefomgeving te weren, of tenminste beneden het verwaarloosbaar risiconiveau te brengen (of te houden).
    • Handreiking risicocommunicatie bij bodemverontreiniging en -sanering

      Devilee JLA; MGO; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-01-04)
      Het RIVM heeft drie raamwerken ontwikkeld voor de communicatie over bodemkwaliteit. Deze raamwerken zijn toegesneden op enkele ontwikkelingen in het beleid over bodemkwaliteit die een communicatieve begeleiding vereisen. Burgers krijgen hiermee handelingsperspectieven aangereikt. Ook biedt het handvatten om duidelijk te communiceren over wat er speelt, en daarmee onnodige ongerustheid te verminderen. Bovendien worden burgers op de hoogte gehouden van recent bodembeleid (publiekscommunicatie). De raamwerken zijn ontwikkeld in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Milieu (IenM) en in samenspraak met lokale bodemprofessionals. Recente ontwikkelingen in bodembeleid De eerste van de drie ontwikkelingen is de recente inventarisatie van verontreinigde locaties die gezondheidsrisico's voor mensen met zich mee kunnen brengen (humane spoedlocaties). Deze moeten eind 2015 zijn gesaneerd. Ten tweede blijkt de sanering van zogeheten diffuse verontreinigingen te duur en te omvangrijk, waardoor ze niet binnen de gestelde termijn van vier jaar kunnen worden gerealiseerd. Bij diffuse verontreinigingen zijn meerdere locaties vervuild geraakt. Het gaat vaak om een relatief groot gebied. Voor deze verontreinigingen zijn alternatieve beheermogelijkheden mogelijk, waarbij het van belang is omwonenden goed te informeren. Ten slotte zijn de uitgangspunten in het beleid voor de bodemkwaliteit veranderd. Het is bijvoorbeeld tegenwoordig minder vanzelfsprekend om bodemverontreiniging te saneren, omdat dit hoge kosten met zich meebrengt en er alternatieven mogelijk zijn. De drie raamwerken worden in het rapport ingeleid met een toelichting op risicoperceptie en -communicatie, toegesneden op de bodemkwaliteit.
    • Handreiking Stakeholderparticipatie

      Tuinstra, W (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, 2018-12-20)
      Met onafhankelijk wetenschappelijk onderzoek zet het RIVM zich in voor een gezonde bevolking in een gezonde leefomgeving. Met de resultaten adviseert en ondersteunt het professionals en overheden. Het is dan ook van belang dat de onderzoeken daadwerkelijk antwoorden geven op de vragen die leven in de samenleving en handelingsperspectieven bieden die aansluiten bij de praktijk. Om dat te bereiken worden burgers en stakeholders doelbewust bij onderzoeken betrokken. Dit levert inzichten op in onder meer belangen, overtuigingen en onzekerheden, wat een completer beeld geeft van de vraagstelling of van de gevolgen van onderzoeksresultaten. Het RIVM zet specifieke methoden in voor deze zogeheten stakeholdersparticipatie. Het heeft de Handreiking Stakeholderparticipatie laten opstellen als hulpmiddel om de deelname van stakeholders te organiseren. Dit gebeurt aan de hand van vijf vragen, namelijk waarom wil je stakeholderparticipatie, waarover gaat het, welke stakeholders wil je laten deelnemen, hoeveel participatie wil je, en welke vorm kies je? Participatievormen variëren van interviews afnemen, focusgroepen organiseren, tot een product ontwikkelen met stakeholders.
    • Handreiking Triade 2011 : Locatiespecifiek ecologisch onderzoek in Stap 3 van het Saneringscriterium

      Mesman M; Schouten T; Rutgers M; LER; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-06-20)
      In 2006 heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M, voorheen VROM) de vernieuwing van de Wet bodembescherming ingezet. Een onderdeel daarvan is de risicobeoordeling van bodemverontreinigingen. De manier waarop deze risicobeoordeling moet worden uitgevoerd, staat beschreven in de Circulaire bodemsanering uit 2006 (het zogeheten Saneringscriterium). De risicobeoordeling bestaat uit drie stappen op basis waarvan uiteindelijk wordt bepaald of een verontreinigde bodem moet worden gesaneerd. Het RIVM heeft in de Handreiking Triade 2011 beschreven hoe locatiespecifiek ecologisch onderzoek in de derde en laatste stap kan worden uitgevoerd. Hierin wordt lokale informatie over de aard van de verontreiniging en eventuele effecten op de omgeving meegenomen in de beoordeling. De Triade-methodiek is hiervoor een geschikte methode. De Circulaire is aangepast in 2008 en 2009 en de volgende aanpassing wordt begin 2011 verwacht. Vooruitlopend hierop is Handreiking Triade vernieuwd; ook zijn knelpunten verbeterd. De Triade-methodiek combineert de resultaten van drie typen onderzoek: chemische analyses, toxiciteitstoetsen en ecologisch veldonderzoek. Op basis van de combinatie van deze resultaten wordt de beoordeling minder onzeker en kan de beslissing om wel of niet met spoed te saneren beter worden onderbouwd.
    • Handreiking TRIADE. Locatiespecifiek ecologisch onderzoek in stap drie van het Saneringscriterium

      Mesman M; Schouten AJ; Rutgers M; Dirven-van Breemen EM; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-03-20)
      Het RIVM heeft een handreiking ontwikkeld voor een methode waarmee lokaal kan worden onderzocht wat ecologische gevolgen zijn van een vervuilde bodem. De handreiking beschrijft hoe deze zogeheten TRIADE-methode uitgevoerd en beoordeeld kan worden. Ze is een aanvulling op het zogeheten Saneringscriterium, dat valt onder de Wet bodembescherming. Met behulp van de TRIADE kan besluitvorming om met spoed te saneren, beter worden onderbouwd. Het Saneringscriterium is de procedure voor bodemsanering (in de zogeheten Circulaire Bodemsanering, uit 2006, wordt dit criterium uitgewerkt). Eerst wordt met een standaardbeoordeling bekeken of er sprake is van onaanvaardbare ecologische risico's. Als dat het geval is, wordt met lokale gegevens getoetst of het daadwerkelijk het geval is. De TRIADE-methode combineert resultaten van chemische analyses, toxiciteitstoetsen voor planten en dieren en ecologisch veldonderzoek. Op basis van deze informatie wordt bepaald of er spoedig moet worden gesaneerd.
    • Handreiking voor de afleiding van indicatieve milieukwaliteitsnormen

      Hansler RJ; Traas TP; Mennes WC; SEC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-11-23)
      Thanks to a new methodology it is possible to obtain, in a quick manner, an indication of eventual risks as a result of the release of chemical substances to the environment. Because of the increasing attention for the responsible management of chemical substances, there is a growing demand for environmental quality standards for these substances. However, the derivation of quality standards is a time-consuming exercise, while an initial indication of an eventual risk for man or the environment is often sufficient for a competent authority or a company. The methodology is in line with (inter)nationally accepted methodologies. In a stepwise fashion, an indicative environmental quality standard is derived, on the basis of substance characteristics from a number of selected databases. Hazard characteristics for both man and the environment are taken into account. The methodology is conservative, because no exhaustive literature search is performed, and data are not extensively checked for validity. This will prevent an underestimation of an eventual risk. Subsequently, if desirable, one can proceed to the more elaborate method for quality standard derivation. Indicative environmental quality standards can be used as directional tools in several different frameworks, including the water and air quality policies.
    • Handreiking voor de afleiding van indicatieve milieukwaliteitsnormen

      Hansler RJ; Traas TP; Mennes WC; SEC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-11-23)
      Dankzij een nieuwe methodiek is het mogelijk om op een snelle manier een indruk te verkrijgen van eventuele risico's van het vrijkomen van chemische stoffen in het milieu. Door de groeiende aandacht voor het verantwoord omgaan met chemische stoffen neemt de vraag naar milieukwaliteitsnormen voor deze stoffen toe. Het afleiden van normen is echter een tijdrovende exercitie, terwijl een eerste indicatie van een eventueel risico voor mens of milieu voor een vergunningverlener of bedrijf vaak voldoende is. De methodiek sluit aan bij (inter)nationaal gangbare methodieken. Via een aantal stappen wordt een indicatieve milieukwaliteitsnorm afgeleid, op basis van stofgegevens uit enkele geselecteerde databronnen. Er wordt rekening gehouden met gevaarseigenschappen voor zowel mens als milieu. Omdat geen uitgebreid literatuuronderzoek plaatsvindt, en gegevens niet uitgebreid worden beoordeeld op validiteit, is de methodiek conservatief van aard. Hiermee wordt voorkomen dat een eventueel risico wordt onderschat. Desgewenst kan na afleiding van de indicatieve norm worden overgegaan tot een reguliere normafleiding. Indicatieve milieukwaliteitsnormen kunnen als richtinggevend instrument worden toegepast in verschillende kaders, zoals het lucht- en waterkwaliteitsbeleid.
    • Handreiking voor de afleiding van indicatieve milieurisicogrenzen. (Interimversie 2009)

      van Herwijnen R; Janssen PJCM; Haverkamp THA; de Poorter LRM; SEC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-01-28)
      Indicatieve milieurisicogrenzen zijn bedoeld om snel en tegen lage kosten een indruk te krijgen van eventuele risico's voor mens en milieu van stoffen die in het milieu terechtkomen. Het RIVM heeft de bestaande afleidingsmethodiek voor indicatieve milieurisicogrenzen afgestemd op de methodiek voor gedegen milieurisicogrenzen. In tegenstelling tot de gedegen methode was de indicatieve methode nog niet aangepast aan de laatste inzichten. Indicatieve milieurisicogrenzen worden gebruikt omdat de Europees geaccepteerde (gedegen) afleidingsmethode een tijdrovende exercitie is. Ze worden echter alleen afgeleid voor het niveau waarop geen schadelijke effecten zijn te verwachten (MTR) en in een beperkt aantal situaties geaccepteerd. De afleiding gebeurt op basis van gegevens uit enkele geselecteerde bronnen met data over schadelijke effecten van stoffen en stofeigenschappen. Er vindt geen uitgebreid literatuuronderzoek plaats en de gebruikte gegevens worden niet gecontroleerd. Hierdoor kennen indicatieve milieurisicogrenzen een grotere onzekerheid. Milieurisicogrenzen vormen de wetenschappelijke basis waarop de Nederlandse interdepartementale Stuurgroep Stoffen de milieukwaliteitsnormen vaststelt. Milieurisicogrenzen hebben hierdoor geen officiele (beleidsmatige) status. De overheid hanteert de milieukwaliteitsnormen bij de uitvoering van het nationale stoffenbeleid en de Europese Kaderrichtlijn Water. Er bestaan vier verschillende niveaus: een verwaarloosbaar risiconiveau (VR), een niveau waarbij geen schadelijke effecten zijn te verwachten (MTR), het maximaal aanvaardbare niveau voor ecosystemen, specifiek voor kortdurende blootstelling (MACeco) en een niveau waarbij mogelijk ernstige effecten voor ecosystemen zijn te verwachten (EReco). Er is een interimversie opgesteld omdat de methodiek om waterkwaliteitsnormen af te leiden wordt gewijzigd in Europees verband (Kaderrichtlijn Water), naar verwachting in 2010. De gepresenteerde methodiek wordt in de komende periode nog nader geevalueerd.
    • Handreiking voor de afleiding van interventiewaarden voor incidentbestrijding

      Geraets, L; Ruijten, M; Mahieu, K; Bos, P (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-06-17)
      Met interventiewaarden voor gevaarlijke stoffen wordt het niveau van gevaar ingeschat wanneer mensen eenmalig en kortdurend een gevaarlijke stof inademen als gevolg van een incident. Deze interventiewaarden ondersteunen de bestrijding van incidenten in Nederland. Op basis van de waarden worden beslissingen genomen om eventueel meer hulpverlenende organisaties in te zetten die betrokken zijn bij de incidentbestrijding. Ook maken ze beslissingen mogelijk over maatregelen om de bevolking te beschermen en over de communicatie met de bevolking. Vooral de Gezondheidskundig Adviseurs Gevaarlijke Stoffen (GAGS) van de GHOR/GGD en de Adviseurs Gevaarlijke Stoffen (AGS) van de brandweer maken van deze interventiewaarden gebruik. De wijze waarop interventiewaarden voor incidentbestrijding tot stand komen, is recentelijk volledig herzien. Het RIVM beschrijft de huidige methodiek, welke overwegingen hierbij worden gemaakt en hoe de kwaliteit wordt gewaarborgd. Interventiewaarden voor incidentbestrijding bestaan in Nederland sinds 1993. In opdracht van de ministeries van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) is het RIVM hiervoor sinds 2001 verantwoordelijk. Voor de interventiewaarden worden onderzoeksgegevens over gezondheidseffecten van een eenmalige blootstelling aan gevaarlijke stoffen bij proefdieren en mensen vertaald naar de algemene bevolking. Hierbij wordt rekening gehouden met groepen die extra gevoelig kunnen zijn voor de blootstelling aan deze stoffen, zoals ouderen en kinderen.
    • Handreiking voor de risicobeoordeling van arseen in de bodem voor de particuliere groenteteelt

      Swartjes F; Janssen P; Dusseldorp A; Hagens W; CGM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-01-23)
      Arseen kan van nature in de grond en het grondwater zitten of daar door activiteiten van de mens in het verleden in terecht gekomen zijn. Wanneer mensen zelf groenten telen, kunnen zij tijdens het tuinieren ongemerkt bodemdeeltjes inslikken. Hierdoor kunnen zij arseen binnenkrijgen. Dat kan ook door de groenten te eten die zijn geteeld op met arseen verontreinigde bodem. Op verzoek van de GGD'en heeft het RIVM een handreiking opgesteld over de beoordeling van de gezondheidsrisico's bij het eten en zelf telen van groenten op bodems die met arseen zijn verontreinigd. Die beoordeling is lastig, omdat onzeker is hoeveel arseen vanuit de bodem in de groenten terechtkomt. Daarnaast is er voor arseen geen actuele waarde voor de 'toelaatbare blootstelling' beschikbaar. De handreiking geeft een indicatie van de waarde die op dit moment het beste als 'toelaatbare blootstelling' voor arseen kan worden gebruikt. De blootstelling aan arseen via het zelf telen en eten van groenten is hierbij hoog ingeschat omdat de opname van arseen door de groenten uit de bodem onvoorspelbaar is. De blootstelling is vervolgens vergeleken met de zogenoemde achtergrondblootstelling aan arseen. Dit is de hoeveelheid arseen waar iedereen aan wordt blootgesteld (namelijk via in de winkel gekochte levensmiddelen als rijst, granen en melk, via drinkwater en mogelijk via andere bronnen), onafhankelijk van lokale bodemverontreiniging. De blootstelling via groenten die men zelf zou kunnen telen, draagt ongeveer 10 procent bij aan de achtergrond-blootstelling; de achtergrondblootstelling via andere levensmiddelen vormt het grootste deel. Ten slotte worden handelingsperspectieven geboden om de blootstelling aan arseen te verminderen bij het moestuinieren. Dat kan bijvoorbeeld voorlichting zijn om de hoeveelheid ingeslikte gronddeeltjes te verminderen.
    • Handreiking voor inspectie van Brzo-bedrijven : Indicatoren en het veiligheidsbeheerssysteem

      Sol V; Bollen LAA; Kooi ES; Manuel HJ; ABI; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-12-04)
      Bedrijven die met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen werken, moeten aan specifieke regels voldoen om zware ongevallen met grote gevolgen voor mens en milieu te voorkomen. Onlangs is de wet waar deze bedrijven onder vallen, het Besluit risico's zware ongevallen (Brzo), veranderd. In het nieuwe besluit (Brzo 2015) wordt onder andere het gebruik van indicatoren geïntroduceerd die informatie geven over de veiligheid van een bedrijf. Ze kunnen helpen om de veiligheid van bedrijven te beoordelen. Naar aanleiding van de wetswijziging heeft het RIVM een handreiking opgesteld die inspecteurs laat zien welke indicatoren mogelijk zijn en hoe ze hiermee kunnen omgaan. Voorbeelden van indicatoren zijn het aantal bijna-ongevallen, de acties die daarop zijn genomen en hoe vaak een bedrijf onderhoudsacties uitvoert. De indicatoren zijn niet wettelijk verplicht en bedrijven worden gestimuleerd ze zelf op te stellen, zodat ze zijn toegesneden op het eigen productieproces. Deze handreiking geeft aan waar de indicatoren volgens de laatste wetenschappelijke inzichten aan zouden moeten voldoen. Daarnaast worden voorbeelden gegeven van goede en minder goede indicatoren. De Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (I-SZW, voorheen arbeidsinspectie) moet beoordelen of er een zogeheten veiligheidsbeheerssysteem (VBS) aanwezig is, of dit is toegesneden op de aanwezige risico's, en of het goed werkt. De indicatoren kunnen hierbij helpen. Ook kunnen de indicatoren bedrijven helpen om aan de overheid en burgers te laten zien dat de veiligheid onder controle is.
    • Handrekenmethode voor het groepsrisico bij Externe Veiligheid

      Ale BJM; Laheij GMH; Uijt de Haag PAM; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-01-31)
      It has proved to be difficult to use information regarding societal risk in physical planning around hazardous installations. The main problem is the necessity to recalculate the risks for every alternative physical plan. On request of the ministry of Housing, Physical Planning and Environment (VROM) it has been investigated whether a simplified method for the estimation of the required zoning distances is feasible. This report describes a methodology which has been developed to allow local planning authorities to judge the societal risk consequences of proposed housing developments around major hazard establishments without the need to perform a new risk analysis. The method uses information out of the EVR report which is available to the authorities. The information used is the Potential Loss of Life, the F-N curve and the position of the individual risk contours.
    • Handrekenmethode voor het groepsrisico bij Externe Veiligheid

      Ale BJM; Laheij GMH; Uijt de Haag PAM; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-01-31)
      Het gebruik van informatie met betrekking tot het groepsrisico bij het ontwikkelen van ruimtelijke ordeningsplannen rond potentieel gevaarlijke bedrijven is op praktische bezwaren gestoten. Het belangrijkste bezwaar is de noodzaak om voor elk alternatief plan een nieuwe risico-analyse uit te voeren. Daarom is in opdracht van het ministerie van VROM onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheden van een eenvoudige schattingsmethode voor de vereiste zoneringsafstand. Dit rapport beschrijft de generieke groepsrisicomethodiek die is ontwikkeld voor de lokale ruimtelijke ordening autoriteiten voor het inschatten van het effect op het groepsrisico van bouwplannen rond EVR-plichtige inrichtingen zonder het opnieuw uitvoeren van een risico-analyse. De methode maakt gebruik van informatie uit het externe veiligheidsrapport (EVR) welke voor de autoriteiten beschikbaar is. Deze informatie betreft de Potential Loss of Life, de F-N curve en de ligging van de individuele risicocontouren.<br>
    • Hantavirus infections in the Netherlands, a risk profile

      Reusken CBEM; LZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-05-12)
    • Haren, een numeriek model van het geohydrologische systeem

      Ee; G.van (1984-07-30)
      In het kader van het regionaal hydrologisch onderzoek Groningen zijn m.b.v. een eindige elementen-model (TRIST) de verlagingen berekend, die in het modelgebied Haren worden veroorzaakt door de winning van grondwater. Veel aandacht is besteed aan de modellering van de relatie grondwater-oppervlaktewater. T.b.v. die relatie is het computerprogramma SURFIN ontwikkeld.