• Handreiking Triade 2011 : Locatiespecifiek ecologisch onderzoek in Stap 3 van het Saneringscriterium

      Mesman M; Schouten T; Rutgers M; LER; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-06-20)
      In 2006 heeft het ministerie van Infrastructuur en Milieu (I&M, voorheen VROM) de vernieuwing van de Wet bodembescherming ingezet. Een onderdeel daarvan is de risicobeoordeling van bodemverontreinigingen. De manier waarop deze risicobeoordeling moet worden uitgevoerd, staat beschreven in de Circulaire bodemsanering uit 2006 (het zogeheten Saneringscriterium). De risicobeoordeling bestaat uit drie stappen op basis waarvan uiteindelijk wordt bepaald of een verontreinigde bodem moet worden gesaneerd. Het RIVM heeft in de Handreiking Triade 2011 beschreven hoe locatiespecifiek ecologisch onderzoek in de derde en laatste stap kan worden uitgevoerd. Hierin wordt lokale informatie over de aard van de verontreiniging en eventuele effecten op de omgeving meegenomen in de beoordeling. De Triade-methodiek is hiervoor een geschikte methode. De Circulaire is aangepast in 2008 en 2009 en de volgende aanpassing wordt begin 2011 verwacht. Vooruitlopend hierop is Handreiking Triade vernieuwd; ook zijn knelpunten verbeterd. De Triade-methodiek combineert de resultaten van drie typen onderzoek: chemische analyses, toxiciteitstoetsen en ecologisch veldonderzoek. Op basis van de combinatie van deze resultaten wordt de beoordeling minder onzeker en kan de beslissing om wel of niet met spoed te saneren beter worden onderbouwd.
    • Handreiking TRIADE. Locatiespecifiek ecologisch onderzoek in stap drie van het Saneringscriterium

      Mesman M; Schouten AJ; Rutgers M; Dirven-van Breemen EM; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-03-20)
      Het RIVM heeft een handreiking ontwikkeld voor een methode waarmee lokaal kan worden onderzocht wat ecologische gevolgen zijn van een vervuilde bodem. De handreiking beschrijft hoe deze zogeheten TRIADE-methode uitgevoerd en beoordeeld kan worden. Ze is een aanvulling op het zogeheten Saneringscriterium, dat valt onder de Wet bodembescherming. Met behulp van de TRIADE kan besluitvorming om met spoed te saneren, beter worden onderbouwd. Het Saneringscriterium is de procedure voor bodemsanering (in de zogeheten Circulaire Bodemsanering, uit 2006, wordt dit criterium uitgewerkt). Eerst wordt met een standaardbeoordeling bekeken of er sprake is van onaanvaardbare ecologische risico's. Als dat het geval is, wordt met lokale gegevens getoetst of het daadwerkelijk het geval is. De TRIADE-methode combineert resultaten van chemische analyses, toxiciteitstoetsen voor planten en dieren en ecologisch veldonderzoek. Op basis van deze informatie wordt bepaald of er spoedig moet worden gesaneerd.
    • Handreiking voor de afleiding van indicatieve milieukwaliteitsnormen

      Hansler RJ; Traas TP; Mennes WC; SEC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-11-23)
      Thanks to a new methodology it is possible to obtain, in a quick manner, an indication of eventual risks as a result of the release of chemical substances to the environment. Because of the increasing attention for the responsible management of chemical substances, there is a growing demand for environmental quality standards for these substances. However, the derivation of quality standards is a time-consuming exercise, while an initial indication of an eventual risk for man or the environment is often sufficient for a competent authority or a company. The methodology is in line with (inter)nationally accepted methodologies. In a stepwise fashion, an indicative environmental quality standard is derived, on the basis of substance characteristics from a number of selected databases. Hazard characteristics for both man and the environment are taken into account. The methodology is conservative, because no exhaustive literature search is performed, and data are not extensively checked for validity. This will prevent an underestimation of an eventual risk. Subsequently, if desirable, one can proceed to the more elaborate method for quality standard derivation. Indicative environmental quality standards can be used as directional tools in several different frameworks, including the water and air quality policies.
    • Handreiking voor de afleiding van indicatieve milieukwaliteitsnormen

      Hansler RJ; Traas TP; Mennes WC; SEC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-11-23)
      Dankzij een nieuwe methodiek is het mogelijk om op een snelle manier een indruk te verkrijgen van eventuele risico's van het vrijkomen van chemische stoffen in het milieu. Door de groeiende aandacht voor het verantwoord omgaan met chemische stoffen neemt de vraag naar milieukwaliteitsnormen voor deze stoffen toe. Het afleiden van normen is echter een tijdrovende exercitie, terwijl een eerste indicatie van een eventueel risico voor mens of milieu voor een vergunningverlener of bedrijf vaak voldoende is. De methodiek sluit aan bij (inter)nationaal gangbare methodieken. Via een aantal stappen wordt een indicatieve milieukwaliteitsnorm afgeleid, op basis van stofgegevens uit enkele geselecteerde databronnen. Er wordt rekening gehouden met gevaarseigenschappen voor zowel mens als milieu. Omdat geen uitgebreid literatuuronderzoek plaatsvindt, en gegevens niet uitgebreid worden beoordeeld op validiteit, is de methodiek conservatief van aard. Hiermee wordt voorkomen dat een eventueel risico wordt onderschat. Desgewenst kan na afleiding van de indicatieve norm worden overgegaan tot een reguliere normafleiding. Indicatieve milieukwaliteitsnormen kunnen als richtinggevend instrument worden toegepast in verschillende kaders, zoals het lucht- en waterkwaliteitsbeleid.
    • Handreiking voor de afleiding van indicatieve milieurisicogrenzen. (Interimversie 2009)

      van Herwijnen R; Janssen PJCM; Haverkamp THA; de Poorter LRM; SEC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-01-28)
      Indicatieve milieurisicogrenzen zijn bedoeld om snel en tegen lage kosten een indruk te krijgen van eventuele risico's voor mens en milieu van stoffen die in het milieu terechtkomen. Het RIVM heeft de bestaande afleidingsmethodiek voor indicatieve milieurisicogrenzen afgestemd op de methodiek voor gedegen milieurisicogrenzen. In tegenstelling tot de gedegen methode was de indicatieve methode nog niet aangepast aan de laatste inzichten. Indicatieve milieurisicogrenzen worden gebruikt omdat de Europees geaccepteerde (gedegen) afleidingsmethode een tijdrovende exercitie is. Ze worden echter alleen afgeleid voor het niveau waarop geen schadelijke effecten zijn te verwachten (MTR) en in een beperkt aantal situaties geaccepteerd. De afleiding gebeurt op basis van gegevens uit enkele geselecteerde bronnen met data over schadelijke effecten van stoffen en stofeigenschappen. Er vindt geen uitgebreid literatuuronderzoek plaats en de gebruikte gegevens worden niet gecontroleerd. Hierdoor kennen indicatieve milieurisicogrenzen een grotere onzekerheid. Milieurisicogrenzen vormen de wetenschappelijke basis waarop de Nederlandse interdepartementale Stuurgroep Stoffen de milieukwaliteitsnormen vaststelt. Milieurisicogrenzen hebben hierdoor geen officiele (beleidsmatige) status. De overheid hanteert de milieukwaliteitsnormen bij de uitvoering van het nationale stoffenbeleid en de Europese Kaderrichtlijn Water. Er bestaan vier verschillende niveaus: een verwaarloosbaar risiconiveau (VR), een niveau waarbij geen schadelijke effecten zijn te verwachten (MTR), het maximaal aanvaardbare niveau voor ecosystemen, specifiek voor kortdurende blootstelling (MACeco) en een niveau waarbij mogelijk ernstige effecten voor ecosystemen zijn te verwachten (EReco). Er is een interimversie opgesteld omdat de methodiek om waterkwaliteitsnormen af te leiden wordt gewijzigd in Europees verband (Kaderrichtlijn Water), naar verwachting in 2010. De gepresenteerde methodiek wordt in de komende periode nog nader geevalueerd.
    • Handreiking voor de afleiding van interventiewaarden voor incidentbestrijding

      Geraets, L; Ruijten, M; Mahieu, K; Bos, P (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-06-17)
      Met interventiewaarden voor gevaarlijke stoffen wordt het niveau van gevaar ingeschat wanneer mensen eenmalig en kortdurend een gevaarlijke stof inademen als gevolg van een incident. Deze interventiewaarden ondersteunen de bestrijding van incidenten in Nederland. Op basis van de waarden worden beslissingen genomen om eventueel meer hulpverlenende organisaties in te zetten die betrokken zijn bij de incidentbestrijding. Ook maken ze beslissingen mogelijk over maatregelen om de bevolking te beschermen en over de communicatie met de bevolking. Vooral de Gezondheidskundig Adviseurs Gevaarlijke Stoffen (GAGS) van de GHOR/GGD en de Adviseurs Gevaarlijke Stoffen (AGS) van de brandweer maken van deze interventiewaarden gebruik. De wijze waarop interventiewaarden voor incidentbestrijding tot stand komen, is recentelijk volledig herzien. Het RIVM beschrijft de huidige methodiek, welke overwegingen hierbij worden gemaakt en hoe de kwaliteit wordt gewaarborgd. Interventiewaarden voor incidentbestrijding bestaan in Nederland sinds 1993. In opdracht van de ministeries van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) is het RIVM hiervoor sinds 2001 verantwoordelijk. Voor de interventiewaarden worden onderzoeksgegevens over gezondheidseffecten van een eenmalige blootstelling aan gevaarlijke stoffen bij proefdieren en mensen vertaald naar de algemene bevolking. Hierbij wordt rekening gehouden met groepen die extra gevoelig kunnen zijn voor de blootstelling aan deze stoffen, zoals ouderen en kinderen.
    • Handreiking voor de risicobeoordeling van arseen in de bodem voor de particuliere groenteteelt

      Swartjes F; Janssen P; Dusseldorp A; Hagens W; CGM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-01-23)
      Arseen kan van nature in de grond en het grondwater zitten of daar door activiteiten van de mens in het verleden in terecht gekomen zijn. Wanneer mensen zelf groenten telen, kunnen zij tijdens het tuinieren ongemerkt bodemdeeltjes inslikken. Hierdoor kunnen zij arseen binnenkrijgen. Dat kan ook door de groenten te eten die zijn geteeld op met arseen verontreinigde bodem. Op verzoek van de GGD'en heeft het RIVM een handreiking opgesteld over de beoordeling van de gezondheidsrisico's bij het eten en zelf telen van groenten op bodems die met arseen zijn verontreinigd. Die beoordeling is lastig, omdat onzeker is hoeveel arseen vanuit de bodem in de groenten terechtkomt. Daarnaast is er voor arseen geen actuele waarde voor de 'toelaatbare blootstelling' beschikbaar. De handreiking geeft een indicatie van de waarde die op dit moment het beste als 'toelaatbare blootstelling' voor arseen kan worden gebruikt. De blootstelling aan arseen via het zelf telen en eten van groenten is hierbij hoog ingeschat omdat de opname van arseen door de groenten uit de bodem onvoorspelbaar is. De blootstelling is vervolgens vergeleken met de zogenoemde achtergrondblootstelling aan arseen. Dit is de hoeveelheid arseen waar iedereen aan wordt blootgesteld (namelijk via in de winkel gekochte levensmiddelen als rijst, granen en melk, via drinkwater en mogelijk via andere bronnen), onafhankelijk van lokale bodemverontreiniging. De blootstelling via groenten die men zelf zou kunnen telen, draagt ongeveer 10 procent bij aan de achtergrond-blootstelling; de achtergrondblootstelling via andere levensmiddelen vormt het grootste deel. Ten slotte worden handelingsperspectieven geboden om de blootstelling aan arseen te verminderen bij het moestuinieren. Dat kan bijvoorbeeld voorlichting zijn om de hoeveelheid ingeslikte gronddeeltjes te verminderen.
    • Handreiking voor inspectie van Brzo-bedrijven : Indicatoren en het veiligheidsbeheerssysteem

      Sol V; Bollen LAA; Kooi ES; Manuel HJ; ABI; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-12-04)
      Bedrijven die met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen werken, moeten aan specifieke regels voldoen om zware ongevallen met grote gevolgen voor mens en milieu te voorkomen. Onlangs is de wet waar deze bedrijven onder vallen, het Besluit risico's zware ongevallen (Brzo), veranderd. In het nieuwe besluit (Brzo 2015) wordt onder andere het gebruik van indicatoren geïntroduceerd die informatie geven over de veiligheid van een bedrijf. Ze kunnen helpen om de veiligheid van bedrijven te beoordelen. Naar aanleiding van de wetswijziging heeft het RIVM een handreiking opgesteld die inspecteurs laat zien welke indicatoren mogelijk zijn en hoe ze hiermee kunnen omgaan. Voorbeelden van indicatoren zijn het aantal bijna-ongevallen, de acties die daarop zijn genomen en hoe vaak een bedrijf onderhoudsacties uitvoert. De indicatoren zijn niet wettelijk verplicht en bedrijven worden gestimuleerd ze zelf op te stellen, zodat ze zijn toegesneden op het eigen productieproces. Deze handreiking geeft aan waar de indicatoren volgens de laatste wetenschappelijke inzichten aan zouden moeten voldoen. Daarnaast worden voorbeelden gegeven van goede en minder goede indicatoren. De Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid (I-SZW, voorheen arbeidsinspectie) moet beoordelen of er een zogeheten veiligheidsbeheerssysteem (VBS) aanwezig is, of dit is toegesneden op de aanwezige risico's, en of het goed werkt. De indicatoren kunnen hierbij helpen. Ook kunnen de indicatoren bedrijven helpen om aan de overheid en burgers te laten zien dat de veiligheid onder controle is.
    • Handrekenmethode voor het groepsrisico bij Externe Veiligheid

      Ale BJM; Laheij GMH; Uijt de Haag PAM; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-01-31)
      It has proved to be difficult to use information regarding societal risk in physical planning around hazardous installations. The main problem is the necessity to recalculate the risks for every alternative physical plan. On request of the ministry of Housing, Physical Planning and Environment (VROM) it has been investigated whether a simplified method for the estimation of the required zoning distances is feasible. This report describes a methodology which has been developed to allow local planning authorities to judge the societal risk consequences of proposed housing developments around major hazard establishments without the need to perform a new risk analysis. The method uses information out of the EVR report which is available to the authorities. The information used is the Potential Loss of Life, the F-N curve and the position of the individual risk contours.
    • Handrekenmethode voor het groepsrisico bij Externe Veiligheid

      Ale BJM; Laheij GMH; Uijt de Haag PAM; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1996-01-31)
      Het gebruik van informatie met betrekking tot het groepsrisico bij het ontwikkelen van ruimtelijke ordeningsplannen rond potentieel gevaarlijke bedrijven is op praktische bezwaren gestoten. Het belangrijkste bezwaar is de noodzaak om voor elk alternatief plan een nieuwe risico-analyse uit te voeren. Daarom is in opdracht van het ministerie van VROM onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheden van een eenvoudige schattingsmethode voor de vereiste zoneringsafstand. Dit rapport beschrijft de generieke groepsrisicomethodiek die is ontwikkeld voor de lokale ruimtelijke ordening autoriteiten voor het inschatten van het effect op het groepsrisico van bouwplannen rond EVR-plichtige inrichtingen zonder het opnieuw uitvoeren van een risico-analyse. De methode maakt gebruik van informatie uit het externe veiligheidsrapport (EVR) welke voor de autoriteiten beschikbaar is. Deze informatie betreft de Potential Loss of Life, de F-N curve en de ligging van de individuele risicocontouren.<br>
    • Hantavirus infections in the Netherlands, a risk profile

      Reusken CBEM; LZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-05-12)
    • Haren, een numeriek model van het geohydrologische systeem

      Ee; G.van (1984-07-30)
      In het kader van het regionaal hydrologisch onderzoek Groningen zijn m.b.v. een eindige elementen-model (TRIST) de verlagingen berekend, die in het modelgebied Haren worden veroorzaakt door de winning van grondwater. Veel aandacht is besteed aan de modellering van de relatie grondwater-oppervlaktewater. T.b.v. die relatie is het computerprogramma SURFIN ontwikkeld.
    • Harmonisatie meetnetten voor nutrienten in oppervlaktewater

      Lukacs S; Clevering O; de Klijne A; Stuijzand S; CMM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMWaterdienst, 2009-11-06)
    • Harmonisatie van virusdiagnostiek in humane, voedsel- en omgevingsmonsters. Inventarisatie van methoden toegepast door VWA en RIVM

      Rutjes S; Lodder-Verschoor F; de Roda Husman AM; LZO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2009-04-29)
    • Harmonization of Model parameters

      Heijna-Merkus E; Hof M; ACT; DGM/SVS (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1993-12-31)
      For the hazard and risk assessment of substances to man and environment several methods are in use in the Netherlands. The methods were developed in the framework of various (inter)national regulations and, consequently, differences occur. It is recognized that unnecessary differences in the models need to be harmonized. The underlying study was performed to harmonize the substance independent parameters. To this end the subject was discussed in a broad group of experts. The report gives the need for harmonization, the followed procedure, the processes within the assessment systems, the parameters under discussion and the harmonized values plus motivation.<br>
    • Hart- en vaatziekten bij allochtonen in Nederland. Een cijfermatige verkenning naar leefstijl- en risicofactoren, ziekte en sterfte

      Leest LATM; Dis SJ van; Verschuren WMM; CZE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-04-22)
      The Netherlands Heart Foundation is planning to formulate a policy with respect to the prevention of cardiovascular diseases in non-Western immigrants. To decide which subgroup and which lifestyle and risk factors have the highest priority, it is important to accumulate information on the extent of these factors in the different ethnic groups. Information on illness, use of health care, morbidity and mortality in relation to cardiovascular diseases can also give an indication of which subgroup is confronted with the greatest burden of cardiovascular diseases. Of the cardiovascular lifestyle factors and risk factors, nutritional behaviour (more fruit, more vegetables and less saturated fatty acids) and the prevalence of hypercholesterolemia showed a more favourable profile in immigrants than in the native Dutch population. Overweight, physical activity, hypertension and diabetes mellitus seem to be more prevalent in non-Western immigrants, particularly in older people. Smoking habits in immigrants are strongly gender-linked: Turkish men smoke considerably more, while, for example, Moroccan women, in general, don't smoke. Turkish, Moroccan and Surinam immigrants use primary health care more than Dutch people and more frequently. The use of secondary health care (contacts with specialists) is similar and no differences were observed between immigrants and native Dutch with regard to hospitalisation. Turkish people report more symptoms, consult a specialist and are hospitalised more often for CHD problems. On the other hand, it seems that the diagnosis of CHD and the use of pharmaceuticals for CHD occur less among Turkish people. Moroccans have fewer CHD symptoms and get fewer diagnoses. The Surinam people experience more CHD symptoms and are more often diagnosed with CHD. There is only one study known (not so recent and using quite small numbers) on CHD mortality in immigrants. Some caution is required when interpreting the results in view of one or more of the following remarks. The numbers participating in the studies were usually small, most of the results were based on self-reported data and not all of the studies were recent.
    • Hart- en vaatziekten bij allochtonen in Nederland. Een cijfermatige verkenning naar leefstijl- en risicofactoren, ziekte en sterfte

      van Leest LATM; van Dis SJ; Verschuren WMM; CZE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-04-22)
      De Nederlandse Hartstichting is voornemens haar beleid t.a.v. preventie van hart- en vaatziekten (HVZ) mede op de doelgroep niet-westerse allochtonen te gaan richten. Om te beslissen welke (sub)groep allochtonen en welke leefstijl- of risicofactoren de hoogste prioriteit hebben binnen dit beleid, is het belangrijk om in kaart te brengen hoe deze factoren verdeeld zijn over de diverse groepen allochtonen. Ook informatie over ziekte, zorggebruik en sterfte in relatie tot HVZ geeft aanwijzingen binnen welke groep het risico op HVZ het grootst is. Binnen de leefstijl- en risicofactoren van HVZ lijken voedingsgewoonten (meer fruit, groenten en minder verzadigde vetten) en het voorkomen van hypercholesterolemie gunstig af te steken ten opzichte van de autochtone bevolking. Sommige factoren lijken meer voor te komen bij vooral oudere allochtonen: overgewicht, lichamelijke inactiviteit, hypertensie en diabetes mellitus. Het rookgedrag bij allochtonen is zeer sterk geslachtsgebonden: Turkse mannen roken beduidend meer, terwijl bijvoorbeeld Marokkaanse vrouwen niet roken. Turken, Marokkanen en Surinamers maken vaker gebruik van huisartsenzorg dan autochtone Nederlanders. Ongeveer evenveel allochtonen als autochtonen hebben jaarlijks contact met de specialist of worden jaarlijks opgenomen in het ziekenhuis. Turken hebben meer klachten, raadplegen vaker de specialist en worden vaker opgenomen in het ziekenhuis in verband met hartklachten. HVZ en ook het medicijngebruik gerelateerd aan HVZ is bij Turken lager. Marokkanen hebben minder klachten en diagnosen met betrekking tot hart - en vaatziekten. Surinamers hebben vaker klachten, er wordt vaker de diagnose 'HVZ' gesteld. Over sterfte aan HVZ bij allochtonen is een onderzoek bekend. Dit onderzoek is van oudere datum en de aantallen waarop de resultaten gebaseerd zijn, zijn klein. Bij de interpretatie van de resultaten is enige voorzichtigheid geboden, omdat in de meeste onderzoeken waaruit de resultaten afkomstig zijn het aantal geincludeerde personen klein was, en / of de dataverzameling op basis van zelfrapportage heeft plaatsgevonden en / of het onderzoek relatief oud was.<br>
    • Hartfalen: epidemiologie, risicofactoren en toekomst

      Engelfriet PM; Hoogenveen RT; Poos MJJC; Blokstra A; van Baal PHM; Verschuren WMM; PZO; vz (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2012-03-20)
      Bij veel mensen wordt hun laatste levensfase overschaduwd door hartfalen. Hartfalen ontstaat doordat de pompfunctie van het hart tekort schiet en leidt hoofdzakelijk tot kortademigheid en vocht in de longen en in de benen. Tussen 20 en 30% van de mensen krijgt te maken met hartfalen, meestal als zij ouder zijn dan zeventig jaar. Momenteel heeft ongeveer 1% van de volwassen bevolking deze aandoening (circa 130.000). De verwachting is dat dit aantal door de vergrijzing sterk zal toenemen, tot minstens de helft meer hartfalenpatiënten in 2025 (schatting: 195.000). De ziekenhuisopnamen en behandeling van mensen met ernstige klachten brengen hoge kosten met zich mee. Dit blijkt uit literatuuronderzoek van Het RIVM, aangevuld met gesimuleerde toekomstverkenningen. Vooral hoge bloeddruk en overgewicht bestrijden: Mensen kunnen de kans op hartfalen verminderen door risicofactoren te vermijden, vooral een te hoge bloeddruk en een hartinfarct. De preventieve maatregelen voor hart- en vaatziektes in het algemeen zijn ook effectief om hartfalen te voorkomen (gezonde voeding, bewegen, niet roken, enzovoort). De meeste gezondheidswinst is te behalen door mensen met een hoge bloeddruk levenslang te behandelen. Hetzelfde geldt voor overgewicht en diabetes. Mensen met een verhoogd risico op hartfalen, zoals na een hartinfarct of met diabetes, zouden nog intensiever begeleid kunnen worden. Onder artsen neemt de belangstelling voor vroege opsporing en selectieve preventie van hartfalen toe. Als afwijkingen zouden kunnen worden herkend vóórdat er klachten zijn, zou een aangepaste leefstijl of medicatie hartfalen kunnen uitstellen of voorkomen. Vooralsnog ontbreekt een geschikte test hiervoor.
    • Hazard identification and characterisation, and dose response assessment of spore forming pathogens in cooked chilled food containing vegetables

      Leusden FM van; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-02-05)
      A hazard identification and characterisation, including a preliminary dose response assessment, of sporeforming pathogens in cooked chilled food containing vegetables was performed according to the structure and principles for a quantitative microbiological risk assessment as described by the Codex Alimentarius Commission. In cooked chilled food containing vegetables Clostridium (C.) botulinum group II and Bacillus (B.) cereus were identified and characterised as a hazard with a high risk. C. botulinum group I was identified as a hazard with a median risk, only at refrigerated storage with mild temperature abuse. B. subtilis and related species, and C. perfringens were identified and characterised as hazards with a low risk in these type of products. A relation between exposure to these organisms and the occurrence of adverse health effects could be determined, but not be quantified mainly due to incomplete and no standardised registration of these adverse health effects, and the inability to assess the involved dose of organisms and/or toxic substances. A "safe" dose of botulinal toxin of 0.004-0.008 ng/kg bodyweight was estimated. At a concentration of botulinal toxin of ca 0.06 ng/kg bodyweight adverse health effects can already appear.
    • Hazard identification and characterisation, and dose response assessment of spore forming pathogens in cooked chilled food containing vegetables

      van Leusden FM; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-02-05)
      Een gevarenidentificatie en gevarenkarakterisering, inclusief een summiere dosis respons schatting, voor sporenvormende pathogene bacteri6n (SPB) in gekookte voeding, welke als hoofdbestanddeel groente bevat en gekoeld moet worden bewaard, is uitgevoerd conform de structuur en principes behorend bij een kwantitatieve microbiologische risicoschating zoals beschreven door de Codex Alimentarius Commissie.Indien aanvullende beperkingen en omstandigheden, zoals het vermogen om te kunnen groeien gedurende opslag bij een normale koelkasttemperatuur (4 graden C) of bij een iets te hoge koelkasttemperatuur (10 graden C), aantallen explosies per jaar, aantal ziektegevallen per jaar, mate van fataal zijn van de ziekte, en een relatie met explosies door voedsel dat groente bevat, mee worden genomen dan zijn C. botulinum van groep II en B. cereus gevaren met een hoog risico in bovengenoemde producten. C. botulinum van groep I vormt dan een gemiddeld risico bij bewaring bij een te hoge koelkasttemperatuur. B. subtilis en verwante species en C. perfringens geven een laag risico in dit type producten. Er is een duidelijke relatie tussen blootstelling aan deze organismen en gezondheidseffecten. Een kwantitatieve relatie tussen blootstelling aan een bepaalde concentratie van de SPB of haar toxine en bepaalde effecten die de gezondheid schaden kon niet worden vastgesteld. Dit is voornamelijk toe te schrijven aan incomplete en niet gestandaardiseerde beschrijving van de klinische verschijnselen en het onvermogen om de dosis van organismen en/of toxinen waaraan de patient is blootgesteld te kunnen vaststellen. Op grond van gegevens bij het therapeutisch gebruik van C. botulinum toxine als spierverslapper bij de mens, is een poging gedaan een "veilige" dosis te bereken, die in voedsel zou mogen voorkomen. Deze "veilige" dosis van C. botulinum toxine bedraagt 0,004-0,008 ng/kg lichaamsgewicht. Bij een concentratie van ca 0,06 ng C. botulinum toxine /kg lichaamsgewicht kunnen reeds gezondheidseffecten optreden.<br>