• Huidige mogelijkheden en inzichten voor implementatie van metaalbiobeschikbaarheid in de risicobeoordeling van landbodems

      Peijnenburg WJGM; Jager DT; Posthuma L; Sijm DTHM; ECO; LBG; LAC; LOC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-03-30)
      Metalen komen van nature voor in het milieu en sommige zijn essentieel voor organismen. Met deze aspecten zou eigenlijk rekening moeten worden gehouden bij de normstelling van metalen. Daarnaast is het aspect biobeschikbaarheid nog onvoldoende verwerkt in de huidige methodiek voor risicobeoordeling. In de afgelopen jaren is meer inzicht verkregen in de processen die bepalend zijn voor de beschikbaarheid van metalen voor biota. In dit rapport wordt een overzicht gegeven van de huidige mogelijkheden om bij de risicobeoordeling/normstelling van zware metalen in de bodem expliciet rekening te houden met verschillen in hun biobeschikbaarheid. Geconcludeerd wordt dat het op dit moment nog ontbreekt aan voldoende gegevens en inzichten (met name met betrekking tot de relatie tussen metaalspecies en opname en effecten voor een breed scala aan bodem- en waterbodemorganismen) om een gemodificeerd systeem van generieke normstelling te ontwikkelen, dat 'beter' dan de huidige methodiek in staat is om daadwerkelijk optredende effecten van metalen in bodem-ecosystemen te kwantificeren. Wel zijn er mogelijkheden om bij het inschatten van locatie-specifieke risico's rekening te houden met verschillen in biobeschikbaarheid. Een algemeen concept wordt gepresenteerd dat als basis voor een nieuw systeem van risicobeoordeling/normstelling zou kunnen dienen. Het systeem zou gebaseerd kunnen zijn op twee sets van toxiciteitsdata: een dataset voor organismen die via het poriewater worden blootgesteld en een set voor organismen die metalen via de vaste fase opnemen. Voor de dagelijkse praktijk zou deze tweedeling desalniettemin inhouden dat zowel risicobeoordeling als normstelling primair gebaseerd zouden kunnen blijven op totaalgehaltes in de vaste fase. Essentieel is dat het nieuwe systeem van risicobeoordeling 'beter' is dan het huidige, gebaseerd op totaalgehaltes. In het rapport is een prioritering opgenomen van benodigd aanvullend onderzoek.<br>
    • Huidklachten door cosmetische producten : eindrapportage CESES

      Salverda-Nijhof JGW; Kooi MW; de Wit-Bos L; Bourgeois FC; van Gorcum TF; Colijn JJ; van Engelen JGM; Donker GA; SIR; vgc (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-11-24)
      Huidklachten door cosmetische producten Meer aandacht is nodig voor allergische reacties op (co)polymeren en isothiazolinonen in cosmetica. Isothiazolinonen worden veel als conserveringsmiddel gebruikt in cosmetica. (Co)polymeren komen er ook vaak in voor. Dit blijkt uit de eindrapportage van het pilotproject CESES, een systeem waarin huidklachten en andere overgevoeligheidsreacties na het gebruik van cosmetica kunnen worden geregistreerd. CESES staat voor Consumer Exposure Skin Effects and Surveillance en is sinds 1 juli 2009 operationeel. Sindsdien zijn ruim 1700 meldingen ontvangen van zowel burgers als deelnemende huisartsen en dermatologen. Vooral huidverzorgings- en haarproducten geven huidklachten Uit deze rapportage blijkt dat vooral huidverzorgingsproducten en haarproducten huidklachten veroorzaken. Daarnaast worden make-up en zonnecosmetica relatief vaak als oorzaak van de klacht genoemd. Opvallend veel klachten worden gemeld over producten die speciaal zijn bedoeld voor gebruik op of rondom de ogen, zoals oogcontourcrème, oogmake-up en oogmake-upremover. De klachten betreffen vooral roodheid en jeuk. Meer aandacht nodig voor isothiazolinonen en (co)polymeren Om te onderzoeken welk product(ingrediënt) de klacht veroorzaakt, voeren de deelnemende dermatologen plakproeven uit bij mensen die allergische klachten hebben gemeld na gebruik van cosmetische producten. Hierbij wordt een reeks van stoffen op de (rug)huid geplakt, waarna al dan niet een reactie optreedt. Resultaten hiervan laten zien dat opvallend veel patiënten reageren op (co)polymeren en isothiazolinonen. Gezien dit aantal reacties en de wijdverbreide toepassing van deze stoffen in consumentenproducten wordt aanbevolen om klachten hierover binnen CESES voortaan te monitoren. Ook is het belangrijk nader onderzoek te doen naar de (allergene) potentie van (co)polymeren. Ook geurstoffen zijn belangrijke contactallergenen in cosmetica: 20 procent van de geteste patiënten reageert positief op parfum.
    • Huidklachten door cosmetische producten : Jaarrapport CESES

      Salverda-Nijhof JGW; Kooi M; de Wit-Bos L; Bourgeois FC; van Gorcum TF; Colijn J; van Engelen J; Donker G; SIR; vgc (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMNIVEL, 2011-06-17)
      Ruim 1.250 meldingen van klachten bij gebruik van cosmetica Bij het meldpunt Cosmeticaklachten.nl en via deelnemende huisartsen en dermatologen zijn in het eerste jaar van het bestaan van het project Consumer Exposure Skin Effects and Surveillance (CESES) ruim 1.250 meldingen binnengekomen van huidklachten die mogelijk door cosmetische producten zijn veroorzaakt. De meest genoemde symptomen zijn roodheid en jeuk. De klachten komen vooral voor op of rondom de oogleden en in het gezicht. De meest genoemde productcategorieën zijn huidverzorgingsproducten, haarverzorgingsproducten en make-up. Het gaat voornamelijk om dag- en nachtcrèmes, shampoos en oogmake-up (mascara, eyeliner, oogpotlood en oogmake-up remover). Daarnaast werden relatief veel klachten over zonnecosmetica gemeld. De klachten worden meestal door vrouwen gemeld (80-90% van de meldingen). Van de mensen die hun klacht via de website hebben gemeld is 37% met de klacht naar de huisarts geweest en voor 13% was een bezoek aan een dermatoloog noodzakelijk. Slechts 17% van de respondenten gaat met het product terug naar de winkel en 10% neemt contact op met de fabrikant. Opvallend is dat slechts 30% van de respondenten bekend is met het houdbaarheidssymbool of datum van houdbaarheid op cosmetische producten. Er worden heel weinig klachten bij baby's en jonge kinderen gemeld. Ook over geuren komen weinig klachten binnen. Dit is opvallend omdat geurstoffen erkende contactallergenen in consumentenproducten zijn. Op basis van de ernst van de meldingen uit de publieke route heeft het RIVM drie keer een attendering (early warning) uitgestuurd naar de nVWA met betrekking tot een specifiek product. Naar aanleiding van deze attenderingen heeft de nVWA contact opgenomen met de fabrikant. Op basis van de reactie van de fabrikant heeft de nVWA geconcludeerd dat er in het geval van deze drie early warnings geen sprake is van onveilige producten.
    • Humaan PB-PK Model voor Vitamine A

      van Eijkeren JCH; Bode W; Olling M; LBO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-06-30)
      Vitamine A is een essentiele nutrient voor allerlei levensfuncties. Evenwel blijkt overdosering te leiden tot vergiftigingsverschijnselen en bij zwangeren tot afwijkingen van de vrucht. Deze verschijnselen worden toegeschreven aan een van de metabolieten van vitamine A, namelijk all-trans-retinoinezuur. In dit rapport wordt een modelmatige benadering van opname, transport en metabolisme van vitamine A geintroduceerd die kan dienen als uitgangspunt voor de risicoschatting op afwijkingen van een boreling. In het model is getracht een zo goed mogelijke balans te vinden tussen relevante detaillering van kwalitatieve aspecten en de beschikbare kwantitatieve gegevens. Het model is geimplementeerd in een computercode (SIMUSOLV/ACSL) om toedieningsscenario's door te rekenen. Uit de modelberekeningen volgt dat het verhoogde risico wordt veroorzaakt door de vorming van retinoinezuur in de enterocyten van de dunne darm. Over de kwantitatieve aspecten hiervan is weinig bekend. In het model is uitgegaan van retinoinezuurproductie die meer dan proportioneel toeneemt met de dosering, als gevolg van een minder snel verzadigbare omzetting naar retinoinezuur in vergelijking met de omzetting naar retinylesters. Uit de berekeningen volgt ook dat de toedieningsvorm, tijdens een maaltijd of daarbuiten als preparaat, van invloed is als gevolg van het in kortere tijd beschikbaar komen van vitamine A voor opname. Dit laatste blijkt met een veel groter effect waargenomen te zijn bij experimenten met vrijwilligers dan uit modelberekeningen volgt. Het model leent zich goed voor een risicovergelijking van verschillende toedieningscenario's. Voor toepassing van het model voor een absolute risico-analyse is het vereist dat allereerst kwantitatieve gegevens m.b.t. absorptie van vitamine A en productie van retinoinezuur in de dunne darm beschikbaar komen.<br>
    • A human exposure model to calculate harmonized risk limits - model description and analysis

      Bontje D; Traas TP; Mennes WC; RUU/IRAS; SEC; SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-11-25)
      The human exposure model, as integrated in the European risk assessment tool 'EUSES', lacks several exposure routes to contaminated soil that are part of the Dutch model 'CSOIL'. This report describes how the two models are combined into a new model, called 'Humanex'. This new model is aimed at calculating environmental concentrations for the protection of humans against hazardous effects of chemicals that can disperse into the environment. These concentrations, or so-called environmental risk limits, are based on a cumulative exposure of humans by way of water, soil, air and the diet. The model was analysed in a study on 17 compounds. Analysis showed that substance properties determine which of the potential exposure routes are most important for the total exposure. The study also revealed wich model components could still be improved.
    • A human exposure model to calculate harmonized risk limits - model description and analysis

      Bontje D; Traas TP; Mennes WC; SEC; SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMRUU/IRAS, 2005-11-25)
      Het humane blootstellingsmodel zoals opgenomen in het Europese risicoschattingmodel EUSES mist een aantal blootstellingroutes via de bodem die wel zijn opgenomen in het Nederlandse blootstellingsmodel CSOIL. Dit rapport beschrijft hoe de twee modellen gecombineerd zijn tot een nieuw model.Dit blootstellingsmodel is 'Humanex' genoemd. Het heeft tot doel om concentraties in het milieu te berekenen die de mens beschermen tegen nadelige effecten van chemische stoffen die zich kunnen verspreiden in het milieu. Deze zogenaamde milieurisicogrenzen zijn gebaseerd op gelijktijdige blootstelling van de mens via water, bodem, lucht en het dieet. Het model werd geanalyseerd aan de hand van proefberekeningen met 17 stoffen. De stofeigenschappen bepalen welke van deze routes het meest bijdragen aan de totale blootstelling. De modelanalyse liet tevens zien welke modelonderdelen nog verder kunnen worden verbeterd.
    • Human Exposure to Butylbenzyl Phthalate: A source-effect chain approach

      Effting SE; Veen MP van; LBO (1998-08-26)
      De humane blootstelling aan Butylbenzyl ftalaat (BBP) is geschat aan de hand van een bron-effekt ketenbenadering. Blootstelling is zowel indirekt (via het milieu) als direkt (via consumentenprodukten en op de werkplek van een vinyl-producerend bedrijf). Blootstelling via het milieu is geschat met behulp van het EUSES model en consumentenblootstelling met behulp van het CONSEXPO model. Gecombineerde opname is berekend door inhalatoire, dermale en orale opname bij elkaar op te tellen en blootstelling via het milieu te combineren met consumentenblootstelling. De risicoschatting is gemaakt op basis van de gecombineerde opname en de tijdelijke TDI. De TDI is gebaseerd op lever-effekten bij rodentia. BBP heeft mogelijk ook effekten op de embryonale ontwikkeling en het mannelijk reproduktie-systeem. Op basis van de tijdelijke TDI is het niet te verwachten dat BBP effekten zal veroorzaken.
    • Human Exposure to Butylbenzyl Phthalate: A source-effect chain approach

      Effting SE; Veen MP van; LBO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-08-26)
      The human exposure to Butylbenzyl phthalate (BBP) is estimated using a source-effect chain approach. Exposure is both indirect (via the environment) and direct (via consumer products and at the working place of a vinyl manufacturer). Exposure via the environment is estimated with use of the EUSES model and consumer exposure is estimated with the use of the CONSEXPO model. Integrated uptake is calculated by adding inhalatory, dermal and oral uptake and combining environmental and residential exposure. Risk assessment is made on base of integrated uptake and the temporary TDI. This TDI is based on effects of BBP on rodent livers. In addition, BBP may have effects on embryofetal development and the male reproductive system. On base of the temporary TDI, effects from BBP are unlikely to occur.
    • Human exposure to soil contamination: a qualitative and quantitative analysis towards proposals for human toxicological intervention values (partly revised edition)

      Berg R van den; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-12-31)
      In view of a revision of the Dutch Soil Protection act, proposals are presented in this report for human toxicologically based intervention values for soil and groundwater, calculated from human toxicological guideline values and human exposure. To this purpose the exposure model CSOIL is presented and discussed. This model has been developed to quantify the exposure due to soil contamination. Moreover, the uncertainties of the model calculations are discussed. The CSOIL model is not only used for the derivation of intervention values, but is also used, in combination with measurements in contact media, for the calculation of the actual human exposure to determine the priority of remediation.
    • Human exposure to soil contamination: a qualitative and quantitative analysis towards proposals for human toxicological intervention values (partly revised edition)

      van den Berg R; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-12-31)
      In het kader van de herziening wet bodembescherming zijn voorstellen gedaan voor humane interventiewaarden voor bodem en grondwater, berekend met behulp van humaan toxicologische grenswaarden en humane blootstelling. Ten behoeve van dit doel wordt het humane blootstellingsmodel CSOIL gepresenteerd en bediscussieerd. Dit model is ontwikkeld met het doel om de humane blootstelling ten gevolge van bodemverontreiniging te kunnen kwantificeren. Bovendien worden de onzekerheden van de modelberekeningen besproken. Het CSOIL model wordt niet alleen gebruikt bij de afleiding van de interventiewaarden, maar wordt tevens toegepast, in combinatie met metingen in contact media, voor de berekening van het actuele humane risico, ten behoeve van de bepaling van de saneringsurgentie.<br>
    • Human monitoring of exposure to organic solvents. I Benzene, phenol, toluene, cresols and xylenes

      Jansen EHJM; de Fluiter P; TOX (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1994-04-28)
      In this report the conclusions of a literature study has been summarized concerning the monitoring of the general population to exposure to benzene-like solvents. Since the Dutch population is exposed to concentrations far below the ppm level, the conclusions on the suitability of biomarkers are based on the monitoring of organic solvents at low concentrations. The following compounds are considered in this study: benzene, phenol, xylenes, toluene and cresols. For exposure to benzene, the following biomarkers have been evaluated: benzene in blood, phenol, S-phenylmercapturic acid, trans,trans-muconic acid, 1,2,4-benzenetriol and catechol in urine. From these biomarkers only benzene in blood, S-phenylmercapturic acid and muconic acid are possibly interesting biomarkers of exposure. For monitoring of exposure to phenol, phenol sulphate and phenol glucuronide in urine have been evaluated as biomarkers but are not found to be suitable. For monitoring of exposure to toluene, toluene in blood, hippuric acid, para- and ortho-cresol, D-glucaric acid and retinol binding protein in urine have been evaluated. None of these parameters are found to be suitable as biomarker for toluene. For monitoring of exposure to cresols no suitable literature data have been found. For monitoring of exposure to xylenes, the biomarker methylhippuric acid in urine has been evaluated and found not to be suitable. The unsuitability of most of the biomarkers mentioned is caused by a combination of a too low sensitivity for variations in exposure in the actual concentration range, by individual variations (possibly polymorfisms) and by the disturbing influence of lifestyle and food components. Most of the mentioned biomarkers can be measured with routine like analytical methods. Therefore they can be of use in the assessment of exposures in the ppm concentration range. From the results of this literature study it is concluded that only for benzene suitable biomarkers have been found which meet the required criteria of specificity and selectivity.<br>
    • Human papillomavirus vaccination catch-up campaign in 2009 for girls born 1993 to 1996 in the Netherlands in 2009 : Results of the post-marketing safety suveillance

      van 't Klooster TM; Kemmeren JM; Vermeer-de Bondt PE; Oostvogels B; PHaff TAJ; de Melker HE; van der Maas NAT; EPI; cib (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-04-01)
      In 2009 zijn over de humaan papillomavirus (HPV) vaccinatie inhaalcampagne geen ernstige verschijnselen na vaccinatie gemeld die door het vaccin zijn veroorzaakt. Het vaccin kan daardoor op de korte termijn als veilig worden beoordeeld. Dit blijkt uit onderzoek naar de mogelijke bijwerkingen van het HPV vaccin van dat jaar. De meisjes hebben veelvuldig verschijnselen als pijn in de arm en spierpijn gemeld, maar deze bleken over het algemeen mild en kortdurend. In Nederland is in 2009 de vaccinatie tegen het HPV geïntroduceerd, het virus dat baarmoederhalskanker kan veroorzaken. In 2009 zijn de 13- tot en met 16-jarige meisjes ingeënt. Vanaf 2010 worden jaarlijks 12-jarige meisjes gevaccineerd. Het schema bestaat uit drie prikken, die de meisjes op grootschalige locaties krijgen toegediend. In 2009 zijn in totaal 558.226 doses van dit vaccin toegediend. In het onderzoek zijn de mogelijke bijwerkingen geregistreerd die op de vaccinatielocatie optraden. Daarnaast zijn de zogeheten spontane meldingen voor dit vaccin verzameld vanuit het reguliere systeem voor meldingen van mogelijke bijwerkingen van vaccinaties. Tot slot is onderzocht hoe de meisjes het vaccin verdroegen door hen een vragenlijst over mogelijke bijwerkingen te laten invullen. Bij 27 per 10.000 toegediende doses zijn kort na de vaccinatie verschijnselen opgetreden. (Bijna) Flauwvallen kwam hierbij het vaakst voor (62,1%). Spontane meldingen zijn in 11,6 keer per 10.000 toegediende doses gemeld. In 13,4% ging het om een heftige gebeurtenis, zoals flauwvallen, migraine en stuipen, als mogelijke bijwerking van het vaccin. Hiervan werd bij 75,6% een oorzakelijk verband met de vaccinatie vastgesteld. In het onderzoek naar verdraagbaarheid rapporteerde 85% van de meisjes over de drie prikken gemiddeld een reactie rond de prikplaats, zoals pijn of verminderd gebruik van de arm. Hiervan classificeerde gemiddeld 16% van de melders de reactie als heftig. Verschijnselen als spierpijn, moeheid of hoofdpijn, kwamen voor bij gemiddeld 83% van de deelnemers.
    • Human risk assessment of single exposure in chemical incidents : Present situation and emerging chemical incident scenarios

      Bos PMJ; Ruijten MWAM; Gundert-Remy U; Bull S; Nielsen E; Tissot SM; Wood MH; Cassel G; Russel D; Leffler P; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMCrisisTox ConsultBfRHPADTUInerisJRCFOIFIOH, 2013-07-05)
      Het vrijkomen van chemische stoffen, ten gevolge van een incident of een doelbewuste (terroristische) actie, vormt één van de belangrijkste risicoscenario's binnen Europa. Een nauwkeurige inschatting van de gezondheidseffecten in relatie tot de concentratie en de duur van de blootstelling is hierbij van belang. Europese richtlijnen en geharmoniseerde Acute Exposure Reference Values (AERVs) zijn hiertoe een vereiste. Op dit moment bestaan er binnen Europa geen geharmoniseerde richtlijnen voor de risicobeoordeling, -beheersing en -communicatie gericht op eenmalige blootstelling bij chemische incidenten noch wordt deze op korte termijn verwacht. Een toenemend aantal Europese lidstaten ontwikkelt op dit moment eigen methodologieën voor het vaststellen van AERVs. Tevens dienen deze AERVs vaak verschillende doelen en zijn daardoor niet uitwisselbaar. In de praktijk worden ze wel als zodanig gebruikt, wat leidt tot inconsistenties en onjuistheden bij het beoordelen van risico's bij chemische incidenten. Uit een internetenquête blijkt dat binnen Europa grote behoefte bestaat aan overeenstemming en harmonisatie van AERVs. Het ontbreken hiervan staat een consistente en uniforme respons bij (grensoverschrijdende) chemische incidenten in de weg, het belemmert een transparante en eenduidige risicobeoordeling, -beheersing en -communicatie en het bemoeilijkt multinationals bij het opzetten van een consistente risicobeoordelingsmethodiek. Nieuwe scenario's voor de risicobeoordeling bij chemische incidenten zijn geïdentificeerd. Aanbevolen wordt om actief regelmatig en vroegtijdig nieuwe trends in ontwikkeling van chemische stoffen en risicoscenario's voor chemische incidenten te signaleren. Blootstelling aan mengsels van stoffen alsmede het ontwikkelen van richtlijnen ter bescherming van hulpverleners, verdient hierbij specifieke aandacht.
    • Human studies on urinary 1- and 2-hydroxynaphthalene as biomarkers for inhalatory PAH exposure

      Jansen EHJM; Schenk E; den Engelsman G; van de Werken G; TOX; LOC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-12-31)
      Gehalten van 1- en 2-hydroxynaftaleen in de urine van niet-beroepsmatig blootgestelde personen worden gerapporteerd. Deze metabolieten van naftaleen zijn voorgesteld als biomarkers van blootstelling aan vluchtige PAK's. Het blijkt dat deze controleniveaus ongeveer 10 maal hoger liggen dan de detectielimiet van de GCMS methode en daarom uitstekend te bepalen zijn. De verhoogde blootstelling aan naftaleen bij rokers blijkt te resulteren in een verhoogde uitscheiding van zowel 1- als 2-hydroxynaftaleen met een factor van respectievelijk 5,9 en 14. Het groter verschil bij 2-hydroxynaftaleen geeft aan dat deze biomarker mogelijk gevoeliger is voor kleine veranderingen in de blootstelling aan naftaleen. De intra-individuele variatiecoefficienten liggen in de orde van 15-25% zowel bij rokers als niet-rokers. Geconcludeerd wordt dat de huidige methode geschikt is voor verdere studies voor inhalatoire PAK blootstelling in de algemene bevolking.<br>
    • Human-Toxicological Criteria for Serious Soil Contamination: Compounds evaluated in 1993 &amp; 1994

      Janssen PJCM; Apeldoorn ME van; Koten-Vermeulen JEM van; Mennes WC; ACT (1995-08-31)
      Dit rapport geeft een overzicht van het humaantoxicologische werk uitgevoerd door het Adviescentrum Toxicologie in de jaren 1993 en 1994 in het kader van het RIVM-project betreffende bodeminterventiewaarden. De methode voor afleiding van het Maximum Toelaatbare Risico (MTR), zoals beschreven in het eerdere RIVM-rapport van Vermeire et al. (1991), werd met slechts geringe wijzigingen toegepast voor een set van 26 stoffen. Binnen het project worden deze stoffen aangeduid als de tweede en derde serie van stoffen (de in het rapport van Vermeire et al. behandelde stoffen vormen de eerste serie). Voor elk van de in het huidige rapport opgenomen stoffen kon een MTR worden afgeleid. Voor een aantal van de stoffen is de afgeleide waarde een voorlopige vanwege beperkingen in de voor deze stoffen beschikbare datasets.
    • Humane blootstelling aan dioxinen en furanen en bijdrage van afvalverbrandingsinstallaties aan deze blootstelling door depositie van vliegstof

      Theelen RMC (1989-04-30)
      Met literatuurgegevens kan de humane belasting met dioxinen en furanen in Nederland geschat worden op 12 pg 2,3,7,8-TCDD en op 116 pg 2,3,7,8-TCDD equivalenten (TEQ) per persoon per dag. Dat is 50% van de Tolerable Daily Intake (TDI) van 4 pg 2,3,7,8-TCDD per kg lichaamsgewicht. 98% van deze belasting blijkt via de voeding plaats te vinden, terwijl de overige 2% van inhalatie, dermale bloostelling en ingestie van dioxinen en furanen uit lucht of uit gecontamineerde bodem komt. De bijdrage aan dioxinen en furanen uit vliegstof van afvalverbrandingsinstallaties in Nederland kan geschat worden op 4-5% voor plantaardige produkten en 10-30% voor melk, vlees en eieren. Lokaal kan deze belasting met dioxinen en furanen ten gevolge van vliegstof via gecontamineerde groenten en melk resulteren in een geschatte maximale extra opname van 240 pg TEQ per persoon per dag. In deze gevallen bedraagt de totale belasting 5.5 pg TEQ per kg lichaamsgewicht per dag, waarmee de TDI circa 1.4 maal overschreden worden.
    • Humane risico's van gewasbeschermingsmiddelen in zwemwater : Analyse van metingen in Provincie Zuid-Holland

      van der Ree J; te Biesebeek JD; Wolterink G; Smit E; van Vlaardingen P; IMG; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-06-23)
      Zeven officiele zwemwateren in Zuid-Holland zijn onderzocht op de aanwezigheid van gewasbeschermingsmiddelen. Zwemmen in deze wateren heeft geen nadelige effecten op de gezondheid. Hetzelfde geldt voor de consumptie van vis afkomstig uit deze wateren. Dit blijkt uit een risicobeoordeling van het RIVM die in opdracht van de Provincie Zuid-Holland is uitgevoerd. Aanvullend is geconcludeerd dat een zwemmer tijdens het zwemmen in omgewoeld water (kano-in/uitlaadplaatsen) geen wezenlijk hogere blootstelling ondervindt dan in standaard oppervlaktewater. In het onderzoek zijn ook mogelijke risico's/effecten van de combinatie van gewasbeschermingsmiddelen onderzocht. In de metingen vanaf 2010 zijn in totaal zestien gewasbeschermingsmiddelen een of meer keren aangetroffen in concentraties hoger dan de drinkwaternorm van 0,1 microgram per liter. Uitgangspunt van de risicoschattingen is de "Acceptable Daily Intake" (ADI). De ADI is de hoeveelheid van een stof die een mens gedurende zijn hele leven dagelijks mag binnenkrijgen zonder dat dit nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid. Er is een risicoschatting voor een zwemscenario voor een volwassen man en voor een kind uitgevoerd, met onder meer de aanname dat zij een leven lang dagelijks meerdere uren zwemmen en veel water inslikken, in oppervlaktewater dat dagelijks de hoogst gemeten concentratie bevat. Voor de visconsumptie is een risicoschatting uitgevoerd voor een volwassen man, met onder meer de aanname dat hij zijn levenslang dagelijks een grote portie vis eet die afkomstig is uit oppervlaktewater dat dagelijks de hoogst gemeten concentratie bevat. Om de blootstelling tijdens het zwemmen te kunnen schatten, is gekeken naar blootstelling via de huid, het inslikken van water en daarin zwevend stof en het inademen van gewasbeschermingsmiddel dat uit het water verdampt.
    • A Hundred Year (1890 - 1990) Database for Integrated Environmental Assessments (HYDE, version 1.1)

      Klein Goldewijk CGM; Battjes JJ; CIM (1997-02-28)
      Het testen met historische gegevens is een belangerijke stap tijdens de validatie van simulatiemodellen. Vanwege de brede strekking en omvang hebben 'global change' modellen een enorme behoefte aan historische data. Dit rapport presenteert een update van het eerste HYDE-rapport, met een verbeterde en uitgebreide verzameling historische gegevens. De database bestaat niet alleen uit algemene onderwerpen zoals bevolking, nationaal product, toegevoegde waarde van industrie en diensten, maar bevat ook specifieke data wat betreft de energie/economie sector, de atmosfeer en de oceanen, en de terrestrische biosfeer. Waar mogelijk zijn de data op landenbasis verzameld voor de periode 1890 - 1990. Sommige data zijn geografisch expliciet.
    • A Hundred Year (1890 - 1990) Database for Integrated Environmental Assessments (HYDE, version 1.1)

      Klein Goldewijk CGM; Battjes JJ; CIM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-02-28)
      Testing against historical data is an important step in the validation of simulation models. Because of their wide scope and coverage, global change models require a large amount of data for testing. This update of an earlier version of a hundred-year database used to test global change models reports on data on population, gross domestic product, added value of industry and services, land use and, livestock, as well as on specific data categories for the systems: energy/economy, atmosphere/ocean and terrestrial environment. Where possible, data are organised according to country for the period 1890 - 1990. Some of the data show geographic detail.
    • Hydrobiologisch toxicologisch onderzoek met methylbromide

      Canton, J.H.; Wegman, R.C.C.; Mathijssen-Spiekman, E.A.M.; Wammes, J.Y. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1980-08-31)