• Human papillomavirus vaccination catch-up campaign in 2009 for girls born 1993 to 1996 in the Netherlands in 2009 : Results of the post-marketing safety suveillance

      van 't Klooster TM; Kemmeren JM; Vermeer-de Bondt PE; Oostvogels B; PHaff TAJ; de Melker HE; van der Maas NAT; EPI; cib (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-04-01)
      In 2009 zijn over de humaan papillomavirus (HPV) vaccinatie inhaalcampagne geen ernstige verschijnselen na vaccinatie gemeld die door het vaccin zijn veroorzaakt. Het vaccin kan daardoor op de korte termijn als veilig worden beoordeeld. Dit blijkt uit onderzoek naar de mogelijke bijwerkingen van het HPV vaccin van dat jaar. De meisjes hebben veelvuldig verschijnselen als pijn in de arm en spierpijn gemeld, maar deze bleken over het algemeen mild en kortdurend. In Nederland is in 2009 de vaccinatie tegen het HPV geïntroduceerd, het virus dat baarmoederhalskanker kan veroorzaken. In 2009 zijn de 13- tot en met 16-jarige meisjes ingeënt. Vanaf 2010 worden jaarlijks 12-jarige meisjes gevaccineerd. Het schema bestaat uit drie prikken, die de meisjes op grootschalige locaties krijgen toegediend. In 2009 zijn in totaal 558.226 doses van dit vaccin toegediend. In het onderzoek zijn de mogelijke bijwerkingen geregistreerd die op de vaccinatielocatie optraden. Daarnaast zijn de zogeheten spontane meldingen voor dit vaccin verzameld vanuit het reguliere systeem voor meldingen van mogelijke bijwerkingen van vaccinaties. Tot slot is onderzocht hoe de meisjes het vaccin verdroegen door hen een vragenlijst over mogelijke bijwerkingen te laten invullen. Bij 27 per 10.000 toegediende doses zijn kort na de vaccinatie verschijnselen opgetreden. (Bijna) Flauwvallen kwam hierbij het vaakst voor (62,1%). Spontane meldingen zijn in 11,6 keer per 10.000 toegediende doses gemeld. In 13,4% ging het om een heftige gebeurtenis, zoals flauwvallen, migraine en stuipen, als mogelijke bijwerking van het vaccin. Hiervan werd bij 75,6% een oorzakelijk verband met de vaccinatie vastgesteld. In het onderzoek naar verdraagbaarheid rapporteerde 85% van de meisjes over de drie prikken gemiddeld een reactie rond de prikplaats, zoals pijn of verminderd gebruik van de arm. Hiervan classificeerde gemiddeld 16% van de melders de reactie als heftig. Verschijnselen als spierpijn, moeheid of hoofdpijn, kwamen voor bij gemiddeld 83% van de deelnemers.
    • Human risk assessment of single exposure in chemical incidents : Present situation and emerging chemical incident scenarios

      Bos PMJ; Ruijten MWAM; Gundert-Remy U; Bull S; Nielsen E; Tissot SM; Wood MH; Cassel G; Russel D; Leffler P; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMCrisisTox ConsultBfRHPADTUInerisJRCFOIFIOH, 2013-07-05)
      Het vrijkomen van chemische stoffen, ten gevolge van een incident of een doelbewuste (terroristische) actie, vormt één van de belangrijkste risicoscenario's binnen Europa. Een nauwkeurige inschatting van de gezondheidseffecten in relatie tot de concentratie en de duur van de blootstelling is hierbij van belang. Europese richtlijnen en geharmoniseerde Acute Exposure Reference Values (AERVs) zijn hiertoe een vereiste. Op dit moment bestaan er binnen Europa geen geharmoniseerde richtlijnen voor de risicobeoordeling, -beheersing en -communicatie gericht op eenmalige blootstelling bij chemische incidenten noch wordt deze op korte termijn verwacht. Een toenemend aantal Europese lidstaten ontwikkelt op dit moment eigen methodologieën voor het vaststellen van AERVs. Tevens dienen deze AERVs vaak verschillende doelen en zijn daardoor niet uitwisselbaar. In de praktijk worden ze wel als zodanig gebruikt, wat leidt tot inconsistenties en onjuistheden bij het beoordelen van risico's bij chemische incidenten. Uit een internetenquête blijkt dat binnen Europa grote behoefte bestaat aan overeenstemming en harmonisatie van AERVs. Het ontbreken hiervan staat een consistente en uniforme respons bij (grensoverschrijdende) chemische incidenten in de weg, het belemmert een transparante en eenduidige risicobeoordeling, -beheersing en -communicatie en het bemoeilijkt multinationals bij het opzetten van een consistente risicobeoordelingsmethodiek. Nieuwe scenario's voor de risicobeoordeling bij chemische incidenten zijn geïdentificeerd. Aanbevolen wordt om actief regelmatig en vroegtijdig nieuwe trends in ontwikkeling van chemische stoffen en risicoscenario's voor chemische incidenten te signaleren. Blootstelling aan mengsels van stoffen alsmede het ontwikkelen van richtlijnen ter bescherming van hulpverleners, verdient hierbij specifieke aandacht.
    • Human studies on urinary 1- and 2-hydroxynaphthalene as biomarkers for inhalatory PAH exposure

      Jansen EHJM; Schenk E; den Engelsman G; van de Werken G; TOX; LOC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-12-31)
      Gehalten van 1- en 2-hydroxynaftaleen in de urine van niet-beroepsmatig blootgestelde personen worden gerapporteerd. Deze metabolieten van naftaleen zijn voorgesteld als biomarkers van blootstelling aan vluchtige PAK's. Het blijkt dat deze controleniveaus ongeveer 10 maal hoger liggen dan de detectielimiet van de GCMS methode en daarom uitstekend te bepalen zijn. De verhoogde blootstelling aan naftaleen bij rokers blijkt te resulteren in een verhoogde uitscheiding van zowel 1- als 2-hydroxynaftaleen met een factor van respectievelijk 5,9 en 14. Het groter verschil bij 2-hydroxynaftaleen geeft aan dat deze biomarker mogelijk gevoeliger is voor kleine veranderingen in de blootstelling aan naftaleen. De intra-individuele variatiecoefficienten liggen in de orde van 15-25% zowel bij rokers als niet-rokers. Geconcludeerd wordt dat de huidige methode geschikt is voor verdere studies voor inhalatoire PAK blootstelling in de algemene bevolking.<br>
    • Human-Toxicological Criteria for Serious Soil Contamination: Compounds evaluated in 1993 &amp; 1994

      Janssen PJCM; Apeldoorn ME van; Koten-Vermeulen JEM van; Mennes WC; ACT (1995-08-31)
      Dit rapport geeft een overzicht van het humaantoxicologische werk uitgevoerd door het Adviescentrum Toxicologie in de jaren 1993 en 1994 in het kader van het RIVM-project betreffende bodeminterventiewaarden. De methode voor afleiding van het Maximum Toelaatbare Risico (MTR), zoals beschreven in het eerdere RIVM-rapport van Vermeire et al. (1991), werd met slechts geringe wijzigingen toegepast voor een set van 26 stoffen. Binnen het project worden deze stoffen aangeduid als de tweede en derde serie van stoffen (de in het rapport van Vermeire et al. behandelde stoffen vormen de eerste serie). Voor elk van de in het huidige rapport opgenomen stoffen kon een MTR worden afgeleid. Voor een aantal van de stoffen is de afgeleide waarde een voorlopige vanwege beperkingen in de voor deze stoffen beschikbare datasets.
    • Humane blootstelling aan dioxinen en furanen en bijdrage van afvalverbrandingsinstallaties aan deze blootstelling door depositie van vliegstof

      Theelen RMC (1989-04-30)
      Met literatuurgegevens kan de humane belasting met dioxinen en furanen in Nederland geschat worden op 12 pg 2,3,7,8-TCDD en op 116 pg 2,3,7,8-TCDD equivalenten (TEQ) per persoon per dag. Dat is 50% van de Tolerable Daily Intake (TDI) van 4 pg 2,3,7,8-TCDD per kg lichaamsgewicht. 98% van deze belasting blijkt via de voeding plaats te vinden, terwijl de overige 2% van inhalatie, dermale bloostelling en ingestie van dioxinen en furanen uit lucht of uit gecontamineerde bodem komt. De bijdrage aan dioxinen en furanen uit vliegstof van afvalverbrandingsinstallaties in Nederland kan geschat worden op 4-5% voor plantaardige produkten en 10-30% voor melk, vlees en eieren. Lokaal kan deze belasting met dioxinen en furanen ten gevolge van vliegstof via gecontamineerde groenten en melk resulteren in een geschatte maximale extra opname van 240 pg TEQ per persoon per dag. In deze gevallen bedraagt de totale belasting 5.5 pg TEQ per kg lichaamsgewicht per dag, waarmee de TDI circa 1.4 maal overschreden worden.
    • Humane risico's van gewasbeschermingsmiddelen in zwemwater : Analyse van metingen in Provincie Zuid-Holland

      van der Ree J; te Biesebeek JD; Wolterink G; Smit E; van Vlaardingen P; IMG; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-06-23)
      Zeven officiele zwemwateren in Zuid-Holland zijn onderzocht op de aanwezigheid van gewasbeschermingsmiddelen. Zwemmen in deze wateren heeft geen nadelige effecten op de gezondheid. Hetzelfde geldt voor de consumptie van vis afkomstig uit deze wateren. Dit blijkt uit een risicobeoordeling van het RIVM die in opdracht van de Provincie Zuid-Holland is uitgevoerd. Aanvullend is geconcludeerd dat een zwemmer tijdens het zwemmen in omgewoeld water (kano-in/uitlaadplaatsen) geen wezenlijk hogere blootstelling ondervindt dan in standaard oppervlaktewater. In het onderzoek zijn ook mogelijke risico's/effecten van de combinatie van gewasbeschermingsmiddelen onderzocht. In de metingen vanaf 2010 zijn in totaal zestien gewasbeschermingsmiddelen een of meer keren aangetroffen in concentraties hoger dan de drinkwaternorm van 0,1 microgram per liter. Uitgangspunt van de risicoschattingen is de "Acceptable Daily Intake" (ADI). De ADI is de hoeveelheid van een stof die een mens gedurende zijn hele leven dagelijks mag binnenkrijgen zonder dat dit nadelige gevolgen heeft voor de gezondheid. Er is een risicoschatting voor een zwemscenario voor een volwassen man en voor een kind uitgevoerd, met onder meer de aanname dat zij een leven lang dagelijks meerdere uren zwemmen en veel water inslikken, in oppervlaktewater dat dagelijks de hoogst gemeten concentratie bevat. Voor de visconsumptie is een risicoschatting uitgevoerd voor een volwassen man, met onder meer de aanname dat hij zijn levenslang dagelijks een grote portie vis eet die afkomstig is uit oppervlaktewater dat dagelijks de hoogst gemeten concentratie bevat. Om de blootstelling tijdens het zwemmen te kunnen schatten, is gekeken naar blootstelling via de huid, het inslikken van water en daarin zwevend stof en het inademen van gewasbeschermingsmiddel dat uit het water verdampt.
    • A Hundred Year (1890 - 1990) Database for Integrated Environmental Assessments (HYDE, version 1.1)

      Klein Goldewijk CGM; Battjes JJ; CIM (1997-02-28)
      Het testen met historische gegevens is een belangerijke stap tijdens de validatie van simulatiemodellen. Vanwege de brede strekking en omvang hebben 'global change' modellen een enorme behoefte aan historische data. Dit rapport presenteert een update van het eerste HYDE-rapport, met een verbeterde en uitgebreide verzameling historische gegevens. De database bestaat niet alleen uit algemene onderwerpen zoals bevolking, nationaal product, toegevoegde waarde van industrie en diensten, maar bevat ook specifieke data wat betreft de energie/economie sector, de atmosfeer en de oceanen, en de terrestrische biosfeer. Waar mogelijk zijn de data op landenbasis verzameld voor de periode 1890 - 1990. Sommige data zijn geografisch expliciet.
    • A Hundred Year (1890 - 1990) Database for Integrated Environmental Assessments (HYDE, version 1.1)

      Klein Goldewijk CGM; Battjes JJ; CIM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1997-02-28)
      Testing against historical data is an important step in the validation of simulation models. Because of their wide scope and coverage, global change models require a large amount of data for testing. This update of an earlier version of a hundred-year database used to test global change models reports on data on population, gross domestic product, added value of industry and services, land use and, livestock, as well as on specific data categories for the systems: energy/economy, atmosphere/ocean and terrestrial environment. Where possible, data are organised according to country for the period 1890 - 1990. Some of the data show geographic detail.
    • Hydrobiologisch toxicologisch onderzoek met methylbromide

      Canton, J.H.; Wegman, R.C.C.; Mathijssen-Spiekman, E.A.M.; Wammes, J.Y. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1980-08-31)
    • Hydrogeologie van Boven-Palaeozoische en Mesozoische laagpakketten in de ondergrond van Noordoost- en Oost-Nederland

      Beekman; H.E. (1986-04-30)
      Inventarisatie van hydrologische en hydrogeochemische gegevens van laagpakketten in de ondergrond van Noordoost- en Oost-Nederland, die in het Boven-Palaeozoicum en Mesozoicum zijn afgezet.
    • Hydrologische effecten van beregening uit grondwater in een studiegebied in midden- en west Noord-Brabant ; model verzadigde grondwaterstroming

      Mulschlegel; J.; Thunnissen; H.; (1986-12-31)
      Door het RIVM is een studie uitgevoerd om het inzicht in de hydrologische effecten van beregening in de landbouw te vergroten. De gekozen rekenmethode gaat uit van een losgekoppelde benadering van de verzadigde en onverzadigde grondwaterstroming. Om tot consistente resultaten te komen is een iteratie procedure uitgevoerd. In dit rapport wordt ingegaan op de ontwikkeling van een niet stationair super-positiemodel van de verzadigde stroming. De berekeningen zijn uitgevoerd voor de groeiseizoenen in de periode '71-80 en voor het groeiseizoen van '49. Een drietal beregeningsscenario's m.b.t. de omvang zijn in beschouwing genomen. De belangrijkse resultaten betreffen de verandering van de grondwaterstand de kwel/wegzijgingsintensiteiten, de afvoer naar/toevoer vanuit opp. water en de verdamping. Duidelijk zijn de verschillen te onderkennen in de klimatologisch uiteenlopende jaren. Uit een gevoeligheidsanalyse blijkt dat de resultaten verreweg het sterkst worden beinvloed door de waarden van de freatische bergingscoofficient.
    • Hygienic Cleaning Products used in the kitchen; Exposure and risks

      Weerdesteijn MCH; Bremmer HJ; Zeilmaker MJ; Veen MP van; LBM (1999-10-31)
      De laatste tijd zijn een aantal hygienisch reinigende producten op de markt gebracht, waarvan gesuggereerd wordt dat ze groei en verspreiding van micro-organismen tegengaan. Geinteresseerd in de werking is binnen het project Risicoschatting voor de consument onderzoek gedaan naar de samenstelling en het gebruik van deze producten. In dit onderzoek is bestudeerd hoe mensen blootgesteld zijn aan stoffen in deze producten. De vraagstelling van het onderliggende rapport is hoe consumenten blootgesteld worden aan hygienisch reinigende producten en de stoffen daarin en of, op grond van een voorlopig overzicht van de toxicologische profielen van de stoffen, enig risico is te verwachten. Om de blootstelling te kunnen karakteriseren is literatuuronderzoek verricht, zijn enkele pilot-experimenten gedaan om blootstellingsfactoren te meten en zijn met behulp van wiskundige modellen uit CONSEXPO 2 blootstellingen berekend. Het rapport toont aan dat op grond van de blootstellingsschattingen weinig risico te verwachten is bij het gebruik van de onderzochte middelen. Er kan ten hoogste een lichte dermale irritatie optreden bij het gebruik van een van de producten.
    • Hygienic Cleaning Products used in the kitchen; Exposure and risks

      Weerdesteijn MCH; Bremmer HJ; Zeilmaker MJ; Veen MP van; LBM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-11-00)
      In this study it was examined how people are exposed to compounds contained in hygienic cleaning products used in the kitchen. The products for which exposure was assessed are dishwashing liquids, hygienic cleaning napkins, spray cleaners and bleach containing products (abrasive, all purpose cleaner and bleach). For each product type, exposure was assessed for one sample compound while performing one or two cleaning tasks in the kitchen. The exposure assessments were performed using the computer application, CONSEXPO. The calculated exposures were compared to the toxicity of the assessed compounds in order to assess risk. Exposure to didecyl dimethyl ammonium chloride is concluded to be a possible cause of slight dermal irritation when using a hygienically cleaning trigger spray. On the basis of a first toxicological screening, exposure to the assessed compounds when using the products for cleaning tasks in the kitchen is not expected to cause adverse health effects.
    • Ice sheet mass balance in central West Greenland

      Greuell W; Denby B; NOP (Institute for Marine and Atmospheric ResearchUtrecht University, 2001-05-21)
      Abstract niet beschikbaar
    • De ICRU dosisequivalent grootheden in de stralingshygiene

      Grimbergen TWM (1990-09-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Identificatie en kwantificering van Escherichia coli door bepaling van de beta-glucuronidase-activiteit

      Schets FM; Havelaar AH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1990-09-30)
      The determination of E.coli as a fecal indicator for surface- and drinking water according to NEN 6261 is based on the ability of E.coli to produce indole from tryptophane. E.coli is also able to use the constitutive enzyme beta-glucuronidase to produce the fluorescent methylum-belliferyl from the substrate 4-methylumbelliferyl-beta-D- glucuronide (MUG). This report describes research on the possibility to use the beta-glucuronidase-activity as an identification- characteristic for E.coli. 14% of the isolated E.coli strains was found to be beta-glucuronidase-negative at 44 degr. C. 24% of these strains showed a positive beta-glucuronidase-reaction at 37 degr. C. Two percent of the isolated E.coli strains was indole-negative and four percent of strains other than E.coli gave false positive reactions in this test. There were no false-positive beta-glucuronidase reactions. It is concluded that the indole-reaction gives better results than the beta-glucuronidase-reaction. The interpretation of the beta- glucuronidase- reaction is more difficult and it gives more false- negative results.<br>
    • Identificatie van belangrijke beroepsgroepen en stoffen bij het ontstaan van gezondheidseffecten en ziektelast door blootstelling aan stoffen onder arbeidsomstandigheden

      Dekkers S; Preller EA; Baars AJ; Marquart J; Raaij MTM van; SIR (TNO Kwaliteit van Leven, 2006-12-18)
      De ziektelast als gevolg van astma, chronische bronchitis en longemfyseem (COPD), contact-eczeem en longkanker zal naar verwachting afnemen, wanneer arbeidsgerelateerde blootstelling aan een aantal stoffen (chemicalien) binnen bepaalde beroepsgroepen wordt teruggedrongen. In een eerder RIVM-rapport werd voor negen aandoeningen de ziektelast als gevolg van blootstelling aan stoffen op de werkplek geschat. In dit vervolgonderzoek is voor de vier genoemde aandoeningen onderzocht bij welke combinaties van beroepsgroep en stof een relevante gezondheidswinst zou kunnen worden bereikt bij vermindering van de blootstelling. Relevante gezondheidswinst lijkt met name te behalen in de volgende combinaties van beroepsgroep en stof: - meelstof bij bakkers, isocyanaten in de bouwnijverheid, latex in de gezondheidszorg, en dierlijke allergenen in de landbouw voor astma; - anorganisch stof in de bouwnijverheid, meelstof bij bakkers en werkers in de voedselproductie, en organisch stof in de landbouw voor COPD; - nat werk, ontvetters, zepen, en detergentia bij diverse beroepen in de gezondheidszorg, schoonmakers, kappers en schoonheidsspecialisten voor contact-eczeem; en - kwartsstof in de bouw en passief roken in de horeca voor longkanker (uitgezonderd asbest als oorzaak van longkanker). De bovengenoemde opsomming geeft een indicatie van de belangrijkste combinaties van beroepsgroepen en stoffen in het Nederlandse bedrijfsleven. Echter, ook in andere beroepsgroepen en branches kunnen werknemers genoemde aandoeningen ontwikkelen door blootstelling aan bepaalde stoffen op de werkplek.
    • Identificatie van belangrijke beroepsgroepen en stoffen bij het ontstaan van gezondheidseffecten en ziektelast door blootstelling aan stoffen onder arbeidsomstandigheden

      Dekkers S; Preller EA; Baars AJ; Marquart J; Raaij MTM van; TNO Kwaliteit van Leven; SIR (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-12-18)
      In a previous RIVM report the burden of disease due to exposure to chemicals at the workplace was estimated for nine investigated diseases. This follow-up study further investigates the determinants occupation and chemicals. For the diseases asthma, COPD, contact dermatitis and lung cancer (excluding lung cancer caused by asbestos) the most important occupations in which the diseases occurs relatively often are determined first. Then the most relevant chemicals associated with each of these diseases are identified. Finally, the occupation and chemical combinations that are actually present in meaningful magnitude in the Netherlands are selected. In spite of many uncertainties in the selection of important occupational-substance combinations, it is nevertheless predicted from which occupational-substance combinations it can probably be expected that a reduction in occupational exposure may lead to substantial health profit for each of investigated diseases. For asthma, the following occupational-substance combinations are probably important: flour dust at bakers, isocyanates in the construction industry, latex in health care, and animal allergens in agriculture. For COPD, inorganic dust in the construction industry, flour dust at bakers and workers in food production, and organic dust in the agriculture are relevant. Wet work, grease removers, soaps and detergents in several professions in the health care, cleaners, hairdressers and beauty specialists play an important role in the development of occupational contact dermatitis. For lung cancer, quartz dust in construction work and passive smoking in the hotel- and catering industry are likely to be relevant. However, this does not mean that there is no risk to develop the diseases due to occupational exposures within occupations and branches which are not mentioned in this inventory. But the occupational-substance combinations mentioned above do give an indication of the most important combinations within the entire businesses activities of the Netherlands.