• HIV-surveys bij hoog-risicogroepen in Rotterdam 2002-2003

      Veen MG van; Beuker RJ; Brito O de; Goetz H; Koster M de; Al Taqatqa W; Zwart O de; Laar MJW van de; GGD Rotterdam e.o.; CIE (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-06-07)
      There is a potential risk for further spread of HIV and STI from high risk groups into the general population in the Netherlands. These are the main conclusions of the first HIV survey among high risk groups in Rotterdam. Among commercial sex workers (CSW) the HIV prevalence is 7%, 10% among injecting drug users (IDU), 1% among Cape Verde migrants and among Surinamese and Antillian migrants 0%. Sexual risk behaviour is high in these groups. The objectives were to assess the HIV prevalence, related risk behaviours among CSW , IDU and migrants from HIV endemic countries, and the potential of HIV transmission into the general population. This survey is part of the national HIV-surveillance.HIV prevalence among CSW in Rotterdam is higher in street-based prostitution (12%) than in establishment-based prostitution (2%). HIV prevalence among transgender sex workers is 20%. Condom use with customers is high (88%), although condom failure is reported regularly (49%). Condom use with steady and casual partners is low (15% and 25%, respectively). Therefore there is a potential for further spread of HIV in the general population. Number of years in prostitution, transgenders and injecting of drugs were associated with HIV. Substantial sexual risk behaviour is reported in the migrant groups, more in males than females: many sexual partners, concurrent partnerships and less frequent condom use with steady and casual partners (10% and 44%, respectively). Sexual contacts during visits to their countries of origin were reported by 19-32% of the respondents. Due to unsafe sex practices, concurrent partnerships, multiple partners and mixing between ethnic groups, further transmission of HIV and STI in the general population is a potential risk. HIV prevalence among IDU did not change significantly in comparison with prior studies in 1997. IDU shared less needles and syringes over time; however inconsistent condom use remained high: 85% with steady partners, 43% with casual partners. The potential for further spread is considerable due to the high HIV prevalence, the reported unsafe sex behaviour and the sexual mixing between IDU and non-IDU. Results of this survey will be used to target future prevention activities of the Municipal Health Service in Rotterdam. Repeated HIV-surveys are needed to monitor trends in sexual behaviour in high risk groups.
    • HIV-surveys bij hoog-risicogroepen in Rotterdam 2002-2003

      Veen MG van; Beuker RJ; Brito O de; Goetz H; Koster M de; Al Taqatqa W; Zwart O de; Laar MJW van de; CIE (GGD Rotterdam e.o., 2005-06-07)
      Er bestaat een potentieel risico op verspreiding van HIV en SOA vanuit hoog-risicogroepen naar de rest van de bevolking in Nederland. Dit blijkt uit de eerste HIV-survey die is uitgevoerd in Rotterdam. Hierbij is gevonden dat de HIV-prevalentie onder prostituees 7% is, onder injecterende druggebruikers 10%, onder Kaapverdianen 1%, en onder Surinamers en Antillianen 0%. Het seksueel risicogedrag bij deze groepen is hoog. Doel van de survey was inzicht te verkrijgen in het voorkomen van HIV, seksueel risicogedrag en de potentie tot verspreiding hiervan bij prostituees, druggebruikers en migranten afkomstig uit HIV-endemische gebieden. De surveys zijn een onderdeel van de HIV-surveillance in Nederland.De HIV-prevalentie onder prostituees op de tippelzone (12%) is hoger dan bij prostituees in clubs (2%). Prostituees gebruiken vaak condooms met klanten (88%), echter deze condooms gaan regelmatig stuk (49%). Het aantal jaren werk in de prostitutie, transgenders en het spuiten van drugs waren geassocieerd met een HIV-infectie.Het seksueel risicogedrag onder migranten is hoog en hoger bij mannen dan bij vrouwen: dat wil zeggen veel partners, meer gelijktijdige partners en weinig condoomgebruik met vaste en losse partners. Door de vele seksuele contacten onderling en tussen de verschillende etnische groepen bestaat de kans op snelle verspreiding van HIV binnen deze groep migranten en naar de rest van de bevolking. De HIV-prevalentie onder injecterende druggebruikers is ongeveer hetzelfde gebleven ten opzichte van eerder onderzoek in 1997. Het spuitgedrag is minder risicovol geworden, echter het seksuele risicogedrag is hoog gebleven.De resultaten van de HIV-surveys worden gebruikt voor het preventiebeleid in Rotterdam
    • Hoe gezond zijn de zorguitgaven?. Zorg voor euro's - 6. De kosten en opbrengsten van gezondheidszorg bij infectieziekten, kankers en hart- en vaatziekten

      Meerding WJ; Polder JJ; de Hollander AEM; Mackenbach JP; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-01-14)
      Ieder jaar wordt in Nederland veel geld uitgegeven aan de gezondheidszorg. In 2003 ging het om een bedrag van 57,5 miljard euro. De serie Zorg voor euro's beschrijft waaraan dit geld werd uitgegeven, hoeveel gezondheid we ervoor hebben teruggekregen en ook hoe de zorguitgaven zich in de toekomst zullen ontwikkelen. In dit rapport worden de volksgezondheid en de gezondheidszorg in 2003 vergeleken met een situatie waarin er geen gezondheidszorg zou zijn geweest. Op die wijze is gekeken naar de effecten van medische zorg bij infectieziekten, kankers en hart- en vaatziekten. Aangetoond wordt dat de levensverwachting door verbeteringen in de gezondheidszorg aanzienlijk is toegenomen. Gelet op de kosten van de medische en preventieve zorg die daarvoor nodig was, zijn er sterke aanwijzingen dat de zorguitgaven gezond zijn.
    • Hoechst

      Huizinga K; Hoogenkamp AWHM; (1993-09-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Hoge resolutie typering van Coxiella burnetii : Definitieve versie

      Janse I; Bossers A; Roest HJ; van Rotterdam B; LZO; cib (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVMCVILelystad, 2011-11-29)
      Coxiella burnetii is een intracellulaire bacterie die Q-koorts veroorzaakt. De genoomsequenties van een aantal isolaten die verkregen werden tijdens de Nederlandse Q-koorts uitbraak werden opgehelderd. Deze genoomsequenties dienen als basis voor verbeterde typeringsmethodes die nauwkeurigere bronopsporing en epidemiologische studies mogelijk maken. Daarnaast zijn de sequenties uiterst waardevol voor allerhande overig onderzoek, zoals naar de samenhang tussen de Nederlandse uitbraken en veranderde virulentiekenmerken. Als resultaat van dit project zijn er nu 19 C. burnetii isolaten van de Nederlandse uitbraak in kweek. Deze isolaten zijn voornamelijk afkomstig van veterinaire bronnen, maar er zijn ook enkele stammen van humane en omgevingsbronnen verkregen. De genomen van 3 isolaten zijn grotendeels opgehelderd en enkele voorlopige analyses zijn erop uitgevoerd. De ruwe sequentiedata van nog 4 isolaten komen binnenkort beschikbaar. De isolaten en genoomsequenties spelen een essentiële rol spelen in meerdere vervolgprojecten van de deelnemende onderzoeksgroepen. De ervaring die opgedaan is met het opwerken en sequencen van de C. burnetii genomen is van grote waarde voor lopend en toekomstig onderzoek naar C. burnetii en andere intracellulaire micro-organismen.
    • Hoogrisicogroepen: onderzoek naar de mogelijkheden voor implementatie van de leidraad van de Gezondheidsraad binnen enkele wettelijke kaders : Aluminium als casus

      Nijkamp M; Sprong C; van de Ven B; Wolterink G; Mengelers M; VVH; V&Z (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2015-05-28)
      Sommige groepen mensen lopen een grotere kans om ziek te worden door blootstelling aan chemische stoffen. Dit komt doordat zij óf een grotere kans hebben om met een stof in aanraking te komen, óf gevoeliger zijn voor een stof dan de rest van de populatie. Deze groepen worden hoogrisicogroepen genoemd. Bekende voorbeelden zijn zuigelingen, ouderen en zwangeren. De Gezondheidsraad (GR) heeft in december 2011 een leidraad opgesteld met een stappenplan om deze hoogrisicogroepen systematisch te identificeren en te beschermen. Het RIVM heeft deze leidraad getoetst en hij blijkt goed bruikbaar om relevante hoogrisicogroepen te identificeren. Ook kan op basis van de leidraad worden afgewogen of maatregelen nodig zijn. Voor deze toets zijn vijf wettelijke kaders voor de risicobeoordeling van chemische stoffen doorlopen om te kijken of hoogrisicogroepen daarin expliciet worden benoemd. Als voorbeeldstof is aluminium gebruikt. De wettelijke kaders waarin aluminium is beoordeeld zijn: cosmetica, voedseladditieven, voedselcontactmaterialen, drinkwater en verontreinigende stoffen in voedsel (contaminanten). Veel factoren kunnen het risico op ziekte of gezondheidsschade beïnvloeden, zoals geslacht, leeftijd, gezondheidstoestand, roken, voedingspatroon maar ook de woon- en werkomgeving. Hoogrisicogroepen kunnen worden geïdentificeerd door systematisch te beoordelen in welke mate deze kenmerken van invloed zijn op het risico op gezondheidsschade of ziekte als gevolg van een blootstelling aan een chemische stof. De identificatie bestaat uit vijf stappen: eerst wordt gekeken om welk stof en/of ziekte het gaat, vervolgens wat de karakteristieken daarvan zijn en wie in theorie blootgesteld kan worden aan de desbetreffende stof. In de laatste twee stappen wordt bekeken welke factoren van belang zijn en wordt een mogelijke hoogrisicogroep benoemd. Uit het onderzoek van het RIVM blijkt dat binnen alle wettelijke kaders hoogrisicogroepen zijn te identificeren; wel kunnen ze per kader verschillen (zuigelingen, nierpatiënten, mensen met een ijzertekort en mensen die antitranspiratiemiddelen gebruiken). Er bestaan meerdere beleidsmatige opties om al dan niet met hoogrisicogroepen rekening te houden. Het is mogelijk om algemene maatregelen voor de gehele bevolking te bepalen (productnormen of eisen voor de etikettering van een product), of specifieke voor de wettelijke kaders maatregelen benoemd of daar wordt aan gewerkt. Het RIVM stelt enkele aanvullende maatregelen voor.
    • Hoogspanningslijnen en fijn stof : Update van het literatuuronderzoek uit 2007

      Kelfkens G; Pruppers MJM; LSO; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-10-03)
      Conclusie uit 2007 staat nog steeds. Het is niet aannemelijk dat bovengrondse hoogspanningslijnen de schadelijke gezondheidseffecten van fijn stof beïnvloeden. Hoogspanningslijnen kunnen fijn stof soms wel extra opladen, maar dat is te weinig om extra schadelijke effecten te veroorzaken. Dat concludeert het RIVM in een update van eerder onderzoek. De publicaties die sinds 2007 zijn verschenen, geven geen aanleiding deze conclusies te herzien. Maatschappelijke kritiek was aanleiding update. Het ministerie van Infrastructuur en Milieu (voorheen VROM) heeft het RIVM om een update verzocht omdat er vier jaar zijn verstreken en vanwege kritiek op het onderzoek uit 2007, onder andere van omwonenden. Het RIVM heeft de recente publicaties onderzocht en op de kritiek gereageerd. Ook zijn de standpunten van enkele nationale en internationale organisaties die zich met dit onderwerp bezighouden verzameld. Geen gezondheidseffecten te verwachten. Het literatuuronderzoek 'Hoogspanningslijnen en fijn stof' uit 2007 analyseerde de wetenschappelijke literatuur op het gebied van opgeladen fijn stof in de buurt van bovengrondse hoogspanningslijnen en de mogelijke gezondheidseffecten daarvan. Aanleiding hiervoor was bezorgdheid onder mensen die bij een drukke verkeersweg én een hoogspanningslijn wonen. Deze was ingegeven door wetenschappelijke publicaties waarin werd beweerd dat elektrische ontladingen bij de hoogspanningsdraden fijn stof kunnen opladen. Hierdoor zou meer fijn stof in longen, luchtwegen of op de huid blijven 'plakken', en daarmee de effecten van fijn stof (hart- en luchtwegaandoeningen) versterken.
    • Hoogspanningslijnen en fijn stof. Een literatuuronderzoek

      Kelfkens G; Pruppers MJM; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-11-20)
      Voor zover nu bekend beinvloeden bovengrondse hoogspanningslijnen de schadelijke effecten van fijn stof niet. Hoogspanningslijnen kunnen fijn stof soms wel elektrisch opladen, maar dat is te weinig om het meer dan normaal aan longen, luchtwegen en de huid te laten 'plakken'. Dit concludeert het RIVM uit een literatuuronderzoek in opdracht van het ministerie van VROM. Aanleiding voor het onderzoek was de bezorgdheid over hun gezondheid van mensen die bij een drukke verkeersweg en bij een hoogspanningslijn wonen. Die bezorgdheid is het gevolg van wetenschappelijke publicaties waarin wordt beweerd dat elektrische ontladingen bij de hoogspanningsdraden fijn stof kunnen opladen. Hierdoor zou er meer fijn stof in longen, luchtwegen of op de huid blijven 'plakken'. Dit zou er toe kunnen leiden dat de effecten van fijn stof (hart- en luchtwegaandoeningen) versterkt worden. Het mechanisme kent vier stappen. De eerste drie stappen - het ontstaan van elektrische ontladingen bij hoogspanningslijnen, opladen van fijn stof en verspreiden van het extra geladen fijn stof door de wind - zijn met metingen aangetoond. De vierde, beslissende stap - extra neerslag van fijn stof in longen luchtwegen of op de huid - is niet aannemelijk gemaakt. Veel extra lading op fijnstofdeeltjes leidt wel tot extra neerslag in de luchtwegen, maar daar is zeker een tien keer hogere lading voor nodig dan bij een hoogspanningslijn kan ontstaan. Een onderzoek met een metalen mal van luchtwegen lijkt wel op extra neerslag te wijzen, maar die resultaten kunnen zonder nader onderzoek niet naar effecten op de mens worden vertaald. Ook extra neerslag op de huid is tot nu toe niet aannemelijk gemaakt.
    • Hoogspanningslijnenbeleid in de praktijk : Een pilotonderzoek

      Kelfkens G; Pruppers MJM; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-10-30)
      Uit een quick scan van het RIVM onder twaalf gemeenten met hoogspanningslijnen in de provincie Utrecht blijkt dat de helft van deze gemeenten niet op de hoogte is van het VROM-advies voor hoogspanningslijnen. Gemeenten waar de hoogspanningslijnenproblematiek speelt, zijn over het algemeen wil van het beleid op de hoogte. Onder druk van verontruste burgers nemen zij vaak strengere maatregelen dan wordt geadviseerd, bijvoorbeeld door maatregelen voor bestaande situaties te treffen of door een vastgesteld woningbouwplan uit te stellen. Geen van de geonterviewde gemeenten heeft een duidelijk aanspreekpunt om hun inwoners over hoogspanningslijnen te informeren. Internationaal epidemiologisch onderzoek wijst op een mogelijk verhoogd risico op leukemie bij kinderen die in de buurt van bovengrondse hoogspanningslijnen wonen. Eind 2005 heeft VROM een beleidsadvies hierover naar gemeenten, provincies en netbeheerders gestuurd. Het ministerie wil voorkomen dat kinderen in nieuwe situaties langdurig aan magnetische velden van bovengrondse hoogspanningslijnen worden blootgesteld. VROM adviseert daarom in nieuwe situaties een zone bij de hoogspanningslijnen vrij te houden van woningen, scholen en kinderdagverblijven. Het advies richt zich op het opstellen of wijzigen van bestemmingsplannen. Omdat een dergelijke procedure jaren duurt, kan nu, ruim twee jaar nadat het advies is ingevoerd, nog niet worden beoordeeld of het succesvol is. De quick scan vond plaats in opdracht van de VROM-Inspectie Regio Noord-West, die wil achterhalen welke rol het VROM-advies binnen gemeenten speelt en welke invloed burgers op het hoogspanningslijnenbeleid uitoefenen.
    • Hoogwater januari en februari 1995: Kwaliteit en risico's van het door Rijn en Maas aangevoerde rivierslib

      Bruggen M van; Stortelder PBM; Guchte C van de; Hooft WF van; IEM; RIZA (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM; Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterbeheersing RIZA, 1995-03-31)
      De kwaliteit van het tijdens hoogwater van 1995 met Rijn en Maas meegevoerde rivierslib blijkt goed vergelijkbaar te zijn met de kwaliteit van het hoogwaterslib van 1993. De gemiddelde dikte van de in het winterbed en de uiterwaarden afgezette sliblaag varieert van enkele mm's tot enkele cm's. Uit de blootstellingsanalyse blijkt dat de lokale bevolking nagenoeg niet wordt blootgesteld aan contaminanten in de recent afgezette sliblaag. Dat geldt ook voor jonge kinderen, die, zoals bekend, een belangrijke risicogroep vormen voor de zware metalen die zich in het slib bevinden. Bij het voorkomen van blootstelling hebben de door de gemeentes geadviseerde maatregelen (zoals schoonmaken verharde oppervlakken, zand in overstroomde zandbakken vervangen etc.) een belangrijke rol gespeeld. Aangezien de kwaliteit van het afgezette slib ongeveer gelijk is aan, en in sommige gevallen beter is dan, de oudere bodemlagen, wordt ervan uitgegaan dat de kwaliteit van gewassen en dierlijke produkten als gevolg van de recente depositie gemiddeld genomen niet zal verslechteren. Geconcludeerd moet worden dat de depositie van slib tijdens het hoogwater van 1995 niet tot een relevante extra opname van contaminanten leidt of zal leiden. Het kan echter niet worden uitgesloten dat tijdens het hoogwater enkele particuliere drinkwaterwinningen microbieel verontreinigd zijn ; dit zal nader moeten worden onderzocht. De kwaliteit van het afgezette slib brengt weinig of geen verandering in de al bestaande risico's voor flora en fauna in de uiterwaarden. Die zijn er met name voor worm-etende vogels en zoogdieren en, in mindere mate, voor enkele soortgroepen ongewervelde dieren. Duidelijk waarneembare effecten op het uiterwaard ecosysteem worden op grond van de gemeten gehaltes in het recent afgezette slib echter niet verwacht.
    • Hoorhulpmiddelen; historische ontwikkelingen en toekomstverwachtingen

      Drongelen AW van; Peters-Volleberg GWM; Berg Jeths A van den; LGM; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-08-22)
      This study, forming part of the Public Health Status and Forecast 2002 produced by the National Institute of Public Health and the Environment in the Netherlands, describes the state of the art on hearing aids and implants, as well as future possibilities for their use. The number of people using a hearing aid is expected to rise 40 % over the next 20 years. Present hearing aids are limited in their capacity for allowing the wearer to hear in noisy surroundings, and in directional hearing and feedback reduction. These features will be available in 20 years time using digital technology and taking advantage of improvements in audiologic expertise. Deaf people can regain sound perception using a "cochlear implant", which directly stimulates the nerve cells in the cochlea, showing good results. For people who are hearing impaired with a well-functioning cochlea, but unable to use a conventional hearing aid, there is a bone-conduction hearing aid. A bone-conduction implant has been used in the Netherlands for 12 years with good results. Another implant, directly connected to the ossicles, is being tested clinically on people with a functioning inner ear but cochlear loss. The last part of this report focuses on the health status and care of the hearing impaired.
    • Hoorhulpmiddelen; historische ontwikkelingen en toekomstverwachtingen

      van Drongelen AW; Peters-Volleberg GWM; van den Berg Jeths A; LGM; VTV (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2000-08-22)
      Dit rapport naar de stand van zaken en toekomstige medisch-technologische ontwikkelingen vormt een onderdeel van de Volksgezondheid Toekomst Verkenning 2002 van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. De luchtgeleidings-hoortoestellen, de bekende hoortoestellen in of achter het oor, zijn de afgelopen tien jaar kleiner geworden. Winst valt nog te halen als het gaat om richtingshoren, het voorkomen van rondzingen en het onderdrukken van achtergrond-geluiden. Dit wordt vooral mogelijk gemaakt door de opkomst van de digitale techniek. Het aantal dragers van hoortoestellen zal de komende 20 jaar met 40% toenemen. Een extra stijging van enige tientallen procenten is niet uit te sluiten. Sinds 10 jaar worden in Nederland cochleaire implantaten toegepast, waarmee doven via de afgifte van pulsen in het slakkenhuis (cochlea) weer geluid kunnen waarnemen. De resultaten van een dergelijke implantatie zijn goed. Bij slechthorenden met een goed functionerend slakkenhuis die geen luchtgeleidingshoortoestel kunnen dragen worden sinds twaalf jaar met goed resultaat beengeleidingsimplantaten aangebracht. Voor slechthorenden met een functionerend binnenoor maar met een cochleair verlies wordt momenteel een implantaat ontwikkeld, dat direct de gehoorbeentjes aandrijft. In het laatste deel van het rapport wordt aandacht besteed aan de aspecten gezondheid en de zorg.<br>
    • Horizon scan of medical technologies : Technologies with an expected impact on the organisation and expenditure of healthcare

      van der Maaden T; Dam-Deisz WDC; Vonk R; Weda M; Broek I van den; Broek I van den; EVG; GZB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-10-08)
      Medical technology is developing rapidly. Promising new technologies could offer benefits for the quality and organisation of healthcare. However, in practice innovations do not always fully match with medical and societal needs. Healthcare professionals, patients, health insurers, industry and the authorities all agree it is important to improve this. To achieve this, it is important that relevant stakeholders start to join forces already in early stages of development. This is a message from a 'horizon scan' of medical technologies performed by the RIVM at the request of the Dutch Ministry of Health, Welfare and Sports. The 'horizon scan' identifies technologies with a potentially major impact on the society. eHealth, robotics to support care for the elderly, and the 3D printing of for example implants or of organ models to be used for the preparation of surgery, may offer major potential benefits. These technologies are expected to affect the organisation and costs of care, either in a positive or negative sense. The precise impact of these technologies is difficult to predict. Other technologies may also have major impact. Nanotechnology, for example, is considered a technology that enables other innovative developments, such as early diagnosis and treatment of cancer; personalised medicine (customized care) as a development that is enabled by promising medical technologies. In addition, non-medical technologies such as 'big data' and artificial intelligence can have major impact on healthcare. Bringing together stakeholders is the first, important, step to better connect technological possibilities with medical and societal needs. This may provide direction to developers of technology. It can also help healthcare organisations to take full advantage of promising medical technology.
    • Hormonen in importvlees. Een evaluatie van recente gegevens over gehalten aan van nature voorkomende hormonen

      Kootstra PR; Rossum HJ van; Zoontjes PW; Schwillens PLWJ; Wubs KL; Herbold HA; Stephany RW; Sterk SS; Ginkel LA van; ARO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-06-30)
      Consumption of meat imported from South America, mainly Argentina and Brazil, does not result in the intake of exogenous hormones. In addition, there are no indications for the intake of elevated amounts of endogenous (natural) hormones. Testing for the illegal use of growth promoting compounds within the European Union is conducted within the framework of national residue control programmes, based on European legislation. Such testing takes place "on farm" and after slaughter. Most of the tests are conducted on excreta like urine and manure and on organ tissues. However, in case of import only the muscle tissue intended for consumption is available. Systematic testing of this material, however, has been very limited. Consequently limited information on the actual intake by consumers is available. This report describes the results of the analyses of approximately 300 samples of bovine and porcine meat for the presence of xenobiotic and endogenous hormones. None of the xenobiotic hormones analyzed for was detected in these analyses. In six samples of pork meat nortestosterone and boldenone were detected. The presence of these hormones indicates that boar meat was exported too. In one sample the level of 17beta-oestradiol exceeded the provisional reference value of 0.1 microg/kg.
    • Hormonen in importvlees. Een evaluatie van recente gegevens over gehalten aan van nature voorkomende hormonen

      Kootstra PR; Rossum HJ van; Zoontjes PW; Schwillens PLWJ; Wubs KL; Herbold HA; Stephany RW; Sterk SS; Ginkel LA van; ARO (2005-06-30)
      Consumptie van vlees, geimporteerd uit Zuid-Amerika, met name Argentinie en Brazilie, leidt niet tot inname van lichaamsvreemde hormonen. Bovendien zijn er geen aanwijzingen voor inname van verhoogde hoeveelheden lichaamseigen hormonen. Onderzoek naar het illegaal gebruik van groeibevorderende stoffen vindt binnen de Europese Unie plaats in het kader van Nationale residu controleprogramma's, uitgevoerd in het kader van Europese regelgeving. Zulk onderzoek vindt plaats zowel gedurende de boerderijfase als ten tijde van de slacht. Veelal richt dit onderzoek zich op excreta zoals urine of mest, of op orgaanvlees. Bij import van buiten de Europese Unie is als regel uitsluitend het voor consumptie bedoelde spiervlees beschikbaar. Het systematisch onderzoek van dit materiaal heeft tot op heden slechts zeer beperkt plaatsgevonden waardoor gegevens over de blootstelling van de consument nauwelijks beschikbaar zijn. Dit rapport beschrijft de resultaten van onderzoek van ca. 300 monsters rund- en varkensvlees op lichaamseigen en lichaamsvreemde hormonen. Geen van de lichaamsvreemde hormonen waarop onderzoek is verricht werd aangetroffen. In zes monsters varkensvlees werden nortestosteron en boldenon aangetroffen. De aanwezigheid van deze hormonen betekent dat ook vlees van beren (niet gecastreerde mannelijke varkens) wordt geexporteerd. In een monster rundvlees overschreed het gehalte aan 17beta-oestradiol de voorlopige grenswaarde van 0,1 microg/kg.
    • Houdbaarheid en conservering van grondwatermonsters voor anorganische analyses

      Cleven RFMJ; Gast LFL; Boshuis-Hilverdink ME; LAC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-12-31)
      The storage life and the possibilities for preservation of inorganic analyses of groundwater samples have been investigated. Groundwater samples, with and without preservation with acid, from four locations in the Netherlands have been analysed ten times over a period of three months on six components, viz. dissolved organic carbon (DOC), ammonium (NH4), total-phosphorus (Total-P), chloride (Cl), nitrate (NO3) and sulphate (SO4). It appears that, under the regular conditions for storage of samples, only for low concentrations of nitrate a significant decrease with time in the nitrate content occurs. For the samples with added preservation acid, differences between 'preserved' and 'not preserved' are only absent for chloride. In all other cases differences between 'preserved' and 'not preserved' are small, except for nitrate, and predominantly located in the range of very low concentrations. The magnitudes of the differences between 'preserved' and 'not preserved' are strongly matrix dependent.
    • Houdbaarheid en conservering van grondwatermonsters voor anorganische analyses

      Cleven RFMJ; Gast LFL; Boshuis-Hilverdink ME; LAC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-12-31)
      Houdbaarheid en conserveringsmogelijkheden voor anorganische analyses van grondwater zijn onderzocht. Grondwatermonsters, wel en niet geconserveerd met zuur, van vier meetpunten uit het Landelijk Meetnet Grondwaterkwaliteit zijn daartoe tien keer in de loop van drie maanden geanalyseerd op een zestal komponenten, te weten opgelost organisch koolstof (DOC), ammonium (NH4), totaal-fosfor (Totaal-P), chloride (Cl), nitraat (NO3) en sulfaat (SO4). Alleen voor lage concentraties nitraat in de niet geconserveerde monsters wordt een significante vermindering van het gehalte in de tijd gekonstateerd. Alleen voor chloride zijn verschillen tussen 'geconserveerd' en 'niet-geconserveerd' geheel afwezig. Voor ammonium, totaal-fosfor en sulfaat zijn verschillen tussen 'geconserveerd' en 'niet geconserveerd' vrijwel afwezig, behalve bij zeer lage concentraties, rondom de desbetreffende aantoonbaarheidsgrenzen, waar geringe verschillen waarneembaar zijn. Ook voor nitraat is het verschil tussen 'geconserveerd' en 'niet-geconserveerd' afwezig bij de gemeten concentratie van 1.2 mmol/l, maar substantieel bij concentratienivo's lager dan ca. 60 mumol/l. Bij de monsters van een meetpunt traden voor DOC verliezen op bij conserveren, gemiddeld 10%. Bij sulfaat trad in de geconserveerde monsters van een sulfide-rijk meetpunt een toename in de tijd op, wellicht als gevolg van oxidatie van sulfide. De kwaliteit van de meetresultaten is over het algemeen goed: RSD-waarden voor duplobepalingen zijn vrij algemeen < 10%, behalve voor de gemeten nitraat- en sulfaat-concentraties in het gebied rondom de betreffende aantoonbaarheidsgrenzen. De grotere spreiding wordt in deze gevallen mede toegeschreven aan matrix-effekten. Algemeen wordt gekonkludeerd dat het effekt van de toegepaste zuur-conserveringen sterk matrix- en komponent-concentratie-afhankelijk is. De eindkonklusie is dat aanzuren van het monster het meest zinvol lijkt voor monsters met een lage nitraat concentratie. Omdat chloride, nitraat en sulfaat in de huidige praktijk in een analysegang worden gemeten, wordt aanzuren voor dit trio komponenten niet aanbevolen. Het nadeel van niet-aanzuren, nl. dat er twijfel kan bestaan aan de betrouwbaarheid van de metingen in het lage concentratiebereik van nitraat, kan ondervangen worden door zo spoedig mogelijk na monsterneming te meten, en extra meting(en) met aangezuurd monstermateriaal uit de fles voor de DOC-bepaling uit te voeren. De beste manier om betrouwbare resultaten van de onderzochte komponenten te verkrijgen blijft (zoals nu al wordt gepraktizeerd) zo spoedig mogelijk na monsterneming meten, voornamelijk met het oog op eventuele effekten in de lage concentratiebereiken voor de komponenten, in het bijzonder voor nitraat.<br>
    • How can information on oral bioavailability improve human health risk assessment for lead-contaminated soils? Implementation and scientific basis

      Oomen AG; Brandon EFA; Swartjes FA; Sips AJAM; SIR; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-06-27)
      he human body, the risk assessment of soil contaminants for humans can be improved. Insight into the uptake process is obtained by simulating the human digestion process (in vitro digestion model). In this report a concrete proposal is given for using the knowledge on the uptake of lead in the human body in procedures to assess the soil quality according to the new soil policy (Dutch Soil Protection Act). In addition, risk assessors and policy makers are advised on the situations where performing tests with the in vitro digestion model is desirable. Besides the application in soil policy, the scientific basis of the in vitro digestion model has been described. The experimental results of the experimental model have been compared to human and swine data for the contaminant lead to demonstrate the correctness of the model. In future, international harmonization on the application in soil policy and the methodology to obtain knowledge on the uptake process will become important.
    • How can information on oral bioavailability improve human health risk assessment for lead-contaminated soils? Implementation and scientific basis

      Oomen AG; Brandon EFA; Swartjes FA; Sips AJAM; SIR; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-06-27)
      Door kennis over het opnameproces van stoffen in het menselijk lichaam beter te benutten, kan de risicobeoordeling van bodemverontreiniging voor de mens verbeterd worden. Inzicht in het opnameproces is verkregen door de nabootsing van het menselijk verteringsproces (in vitro digestiemodel). In dit rapport wordt een concreet voorstel gedaan om de kennis over de opname van lood door het menselijk lichaam in te passen in het nieuwe bodembeleid (Wet bodembescherming). Daarnaast wordt voor risicobeoordelaars en beleidsmakers inzichtelijk gemaakt in welke situaties het zinvol is om met het in vitro digestiemodel testen uit te voeren. Naast de toepassing in bodembeleid staat tevens de wetenschappelijke basis van het in vitro digestiemodel beschreven. De resultaten van het experimentele model zijn vergeleken met data van de mens en van varkens voor de verontreinigende stof lood om de juistheid van het model aan te tonen. Voor de toekomst is het van belang dat er internationale harmonisatie plaatsvindt over de toepassing in bodembeleid en de methodiek om kennis over het opnameproces te verkrijgen.
    • How much does a 30% emissionreduction cost? Macroeconomic effects of post-Kyoto climate policy in 2020

      Bollen JC; Manders AJG; Veenendaal PJJ; CPB; KMD; CPB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-09-21)
      This study analyzes the macro-economic impacts of a climate policy that aims to reduce emissions of greenhouse gases by industrialized countries to 30% below the level of 1990. Such an effort is consistent with the policy target of the European Union to limit the rise of the average world temperature compared to pre-industrialized level to 2 degrees Celsius. The economic consequences of such a climate policy may vary widely. In 2020 the loss to the Netherlands of such a strategy is assessed to be 0.8 percent of National Income, provided all countries will engage in the climate policy and efficient international emissions markets will be in place. However, if the developing countries do not join the abatement coalition, and only industrialized countries are engaged in climate policy, the costs to the Netherlands may rise to 4.8 percent of National Income. The costs also depend on economic growth in the underlying scenario. In a low economic growth scenario with a global abatement coalition the costs will amount to 0.2 percent of National Income.