• The IMAGE 2 Hundred Year (1890 - 1990) Data Base of the Global Environment (HYDE)

      Klein Goldewijk CGM; Battjes JJ; MTV; RUG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-05-31)
      Testing against historical data is an important step for validating simulation models. Because of their wide scope and coverage, global change models require intensive amounts of data for testing. This report provides details for a hundred year data base that can be used to test global change models. It covers both general topics, such as population, land use, livestock, gross domestic product, and value added of industry and/or services, as well as specific data categories concerning energy/economy, atmosphere/ocean and the terrestrial environment. If possible, data are organized according to country and the period 1890 to 1990. Some data are also available with geographic detail, but these data are very preliminary.
    • The IMAGE 2.2 implementation of the SRES scenarios. Climate change scenarios resulting from runs with several GCMs

      IMAGE team; Eickhout B; CIM; MNV; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-10-17)
      IMAGE is een geintegreerd ketenmodel dat wordt gebruikt voor mondiale assessments, met name betreffende klimaatverandering. De belangrijkste doelen van IMAGE zijn om bij te dragen aan het wetenschappelijke begrip van klimaatverandering en om de besluitvorming te ondersteunen met kwantitatieve analyses van de belangrijkste processen en interacties van het socio-economische, biosfeer-klimaat systeem. IMAGE 2.2 beschrijft en analyseert de volledige milieu-effectketen van druk tot toestand en gevolg, inclusief feedbacks. Deze Cd-Rom toont IMAGE 2.2-resultaten op basis van verschillende klimaatpatronen, afkomstig van 5 verschillende GCM's (General Circulation Model). Het doel van deze Cd-Rom is om de onzekerheden in kaart te brengen die voortkomen uit regionale klimaatverschillen. Deze Cd-Rom kan niet zonder de Main Disc van IMAGE 2.2 worden gebruikt (RIVM publicatie 481508018.<br>
    • The IMAGE 2.2 implementation of the SRES scenarios; A comprehensive analysis of emissions, climate change and impacts in the 21st century

      IMAGE team; Eickhout B; CIM; MNV; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-07-27)
      IMAGE is een geintegreerd ketenmodel dat wordt gebruikt voor mondiale assessments, met name betreffende klimaatverandering. De belangrijkste doelen van IMAGE zijn om bij te dragen aan het wetenschappelijke begrip van klimaatverandering en om de besluitvorming te ondersteunen met kwantitatieve analyses van de belangrijkste processen en interacties van het socio-economische, biosfeer-klimaat systeem. Deze Cd-Rom toont IMAGE 2.2 en haar implementatie van de 6 SRES scenario's van de IPCC (Intergovernmental Panel on Climate Change). IMAGE 2.2 beschrijft en analyseert de volledige mileu-effectketen van druk tot toestand en gevolg, inclusief feedbacks.<br>
    • Image analysis of electrophoresis gel patterns. I. General principles and possibilities

      Jansen EHJM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1988-12-31)
      Een beeldanalyse systeem voor de kwalitatieve en kwantitatieve analyse van elektroforese gels wordt beschreven. Dit nieuwe systeem met krachtige beeldverwerkings software is snel, goedkoop en geschikt voor zowel ontwikkelingswerk als routinematige metingen. Het is onder andere mogelijk om een plaatselijke achtergrondcorrectie toe te passen en om zwakke eiwitbanden of -vlekken in Coomassie blauw gekleurde gels goed zichtbaar te maken. Indien gewenst kan het oplossend vermogen sterk verhoogd worden door geavanceerde filtreertechnieken toe te passen. Eenvoudige toepassingen worden getoond van de analyse van complexe SDS-polyacrylamide gels, iso-elektrische focussering gels en twee-dimensionale gels, inclusief automatische herkenning van spots en drie dimensionale afbeeldingen.<br>
    • The IMAGE LAND USE MODEL to analyze trends in landuse related emissions

      Bouwman AF; Staalduinen L van; Swart RJ (1992-06-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • An IMAGE of the Future

      Kram T; KMD (2003-02-19)
      In 2001 is het IMAGE 2.2 model afgerond als afsluiting van een meerjarig ontwikkelingstraject. Naast een binnen RIVM gestarte discussie over de verder te volgen strategie t.a.v. het mondiale Integrated Assessment instrumentarium, heeft het Directoraat-Generaal Milieubeheer (DGM) van VROM de vraag opgeworpen of de IMAGE lijn nog voldoende uitzicht biedt op adequate bijdragen aan de huidige en toekomstige beleidsthema's en vragen. Deze notitie bevat de uitkomst van die twee discussies en geeft aan hoe de daaruit gedestilleerde plannen van het IMAGE team voor 2002 en tentatief voor de volgende jaren eruit zien. Een coherent pakket modelaanpassingen, verbeteringen uitbreidingen richt zich op: een verbeterde capaciteit om state-of-the-art analyses voor de klimaatdiscussie te kunnen leveren; een verbreding naar belangrijke thema's rond Duurzame Ontwikkeling; versterken van de samenwerking binnen Europa in de richting van een gemeenschappelijk ontwikkeld, beheerd en toegepast instrumentarium. Door een stapsgewijze, modulaire aanpak kan parallel aan het ontwikkelingstraject voldoende capaciteit voor belangrijke MNP beleidsadvisering geleverd worden.
    • The IMAGE User Support System. Global Change Scenarios from IMAGE 2.1

      Leemans R; Kreileman E; Zuidema G; Alcamo J; Berk M; van den Born GJ; den Elzen M; Hootsmans R; Janssen M; Schaeffer M; et al. (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1998-11-13)
      The IMAGE User Support System contains scenarios from the IMAGE-2.1 or global environmental change model with extensive HTML documentation. The tool is used to interactively explore global change and analyse future developments of the Earth system. IMAGE 2.1 is designed to evaluate cross-linkages in the society-biosphere-climate system.<br>
    • The IMAGE-2 Model: Policy and Scientific Analysis

      Leemans R; Kreileman E; NOP (1999-11-15)
      Abstract niet beschikbaar
    • IMAGE: An Integrated Model for the Assessment of the Greenhouse Effect

      Rotmans J; Boois H de; Swart RJ (1989-02-28)
      In dit rapport wordt beschreven hoe het RIVM-simulatiemodel IMAGE (an Integrated Model for the Assessment of the Greenhouse Effect) is opgebouwd. Het model beoogt een geintegreerd overzicht te geven van de broeikasproblematiek alsmede inzicht te verschaffen in de wezenlijke drijfveren van het probleem. Met het model uitgevoerde simulaties tonen het belang aan van andere sporegassen dan CO2. Tevens wordt aangetoond dat het Montreal Protocol inzake de beperking van de uitstoot van CFC's van belang is teneinde de relatieve bijdrage van CFC's aan het broeikaseffect te stabiliseren. Een verdere reductie van CFC's door verdere aanscherping van het Protocol is met betrekking tot de broeikasproblematiek effectief.
    • Immissie-, gewas en depositieonderzoek in de omgeving Van Voorden Gieterij BV te Zaltbommel

      Mennen MG; Putten EM van; Krystek P; IMD; LAC (2004-09-10)
      In de leefomgeving rond het bedrijf Van Voorden Gieterij BV in Zaltbommel is een immissieonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek maakt deel uit van een studie naar de blootstelling van omwonenden aan stoffen, die door de gieterij worden geemitteerd, en naar de gezondheidsklachten en hinder van omwonenden. Het immissieonderzoek bestond uit metingen van de concentraties aan schadelijke stoffen in de lucht, bepaling van de depositie aan stof en metalen en analyses van gras- en bodemmonsters uit de omgeving van het bedrijf. Uit de resultaten blijkt dat op werkdagen benedenwinds van het bedrijf verhoogde concentraties aan schadelijke stoffen in de lucht voorkomen, met piekwaarden tot 10 a 50-maal het achtergrondniveau. Ook kan er geurhinder optreden, met name in de winterperiode. De gemiddelde luchtkwaliteit in de omgeving van het bedrijf ligt op het niveau in regionale en onbelaste stedelijke gebieden, behalve voor isopropylalcohol en metalen, waarvan de gemiddelde concentraties een factor 2 tot 5 boven het achtergrondniveau liggen. Ook de depositie aan metalen in de omgeving van het bedrijf is verhoogd en in grasmonsters uit de omgeving zijn verhoogde gehalten van enkele metalen gevonden. De blootstelling van omwonenden door inademing van stoffen in de lucht ligt onder de gezondheidskundige grenswaarden. De orale blootstelling aan metalen ligt onder de Toelaatbare Dagelijkse Inname, mits er geen intensieve consumptie van zelf gekweekte gewassen plaatsvindt ('dagelijks eten uit eigen tuin'). Intensief consumeren van zelf gekweekte gewassen geeft een risico op te hoge blootstelling aan lood en barium, met name voor zeer jonge kinderen.
    • Immissie-, gewas en depositieonderzoek in de omgeving Van Voorden Gieterij BV te Zaltbommel

      Mennen MG; Putten EM van; Krystek P; IMD; LAC (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-09-10)
      A study commissioned by the Inspectorate of the Netherlands Ministry of Spatial Planning, Housing and the Environment and the municipality of Zaltbommel was conducted by RIVM on the living environment in the surroundings of the Van Voorden Gieterij BV foundry in the city of Zaltbommel in 2003. The measurements collected were used to study both the exposure of residents to compounds emitted from the foundry and the health effects and annoyance experienced by the residents. This was done through air quality measurements, determination of the particle and heavy-metal deposition, and analyses of grass and soil samples taken in the surroundings of the foundry. The results showed that concentrations of several compounds were enhanced during working hours, with peak values up to 10-50 times above the background level. Annoyance due to bad odours was also thought to occur, particularly in winter. The long-term average rural and urban background concentrations in this area did not, however, exceed the normal levels, except for isopropyl alcohol and heavy metals, for which the average concentrations were 2 to 5 times the normal level. The deposition of heavy metals in the surroundings of the foundry was also found to have increased. Further, elevated levels of some heavy metals, particularly copper, were found in the grass samples. The exposure of residents through inhalation of toxic compounds in the air did not exceed the tolerable limit values. Furthermore, oral exposure to heavy metals was below the Tolerable Daily Intake, provided that residents did not intensively consume produce from their own gardens, i.e. on a daily basis. Daily consumption of self-grown vegetables implies a risk of exposure to lead and barium at levels above the Tolerable Daily Intake, particularly for young children.
    • Immune effects of inhalation exposure to fragrance allergens

      Ezendam J; de Klerk A; Vermeulen J; Fokkens PHB; van Loveren H; GBO; MGO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2010-04-01)
    • Immune effects of Lactobacillus casei Shirota

      Ezendam J; Baken K; Loveren H van; TOX (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-07-28)
      Exploratory studies on the effects of probiotics indicate a potential hazard with regard to induction of autoimmunity. Advertisements for probiotics claim their beneficial effects on gut flora, resistance and allergies. Although no legislation is currently in place, probiotics are generally regarded as safe bacteria. Studies in laboratory animals described here focused on effects of probiotics on the immune system. Probiotics were found to possibly have both beneficial and adverse effects, depending on the model used. Inhibition of inflammatory responses was noted in an allergy model, whereas stimulation of autoimmune effects was observed in a model for autoimmune disease. Effects noted were small. Further studies will be required to investigate whether these observations are relevant for humans.
    • Immune effects of Lactobacillus casei Shirota

      Ezendam J; Baken K; van Loveren H; TOX (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2006-07-28)
      Verkennend onderzoek naar de effecten van probiotica geeft aan dat er een mogelijk risico bestaat voor het ontwikkelen van auto-immuunziekten. Probiotica worden in reclameboodschappen ook wel aangeduid als 'goede bacterien'.Fabrikanten claimen een positief effect op darmflora, weerstand en mogelijk preventie van allergieen. Momenteel is er nog geen regelgeving op het gebied van probiotica en worden deze producten als veilig beschouwd. Om inzicht te verkrijgen in de effecten van probiotica op het immuunsysteem zijn verschillende proefdiermodellen gebruikt. De studies tonen aan dat toediening van probiotica zowel positieve als negatieve effecten kan hebben, afhankelijk van het model dat werd gebruikt. De effecten op deze immunologische responsen zijn gering. In een studie met proefdieren werd een vermindering van ontsteking in de longen waargenomen, terwijl in een auto-immuniteit model de symptomen verergerden. Verder onderzoek om de betekenis hiervan voor de mens vast te stellen is nog nodig.
    • Immune effects of probiotics in humans. Evaluation of efficacy and safety

      Ezendam J; van Loveren H; GBO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-05-30)
      Er is momenteel onvoldoende wetenschappelijk bewijs dat probiotica een positief effect hebben op het immuunsysteem. Evenmin is wetenschappelijk bewezen dat gebruik van dit type product veilig is. Er komen steeds meer producten op de markt die probiotica bevatten, zoals voedingssupplementen, zuiveldrankjes en zuigelingenvoeding. Van probiotica wordt beweerd dat ze een positief effect kunnen hebben op de darmflora, op de weerstand en dat ze allergieen kunnen voorkomen. De meeste van deze geclaimde effecten zijn echter niet wetenschappelijk onderbouwd. Om de werkzaamheid en veiligheid van probiotica in kaart te brengen heeft het RIVM een literatuurstudie uitgevoerd. Momenteel vindt veel onderzoek plaats naar de effecten van probiotica, bijvoorbeeld bij obstipatie of diarree. In deze studie ligt de nadruk op effecten op het immuunsysteem, ontleend aan klinische studies bij mensen. Uit het onderzoek is gebleken dat er geen of onvoldoende bewijs is dat probiotica helpen bij hooikoorts, reuma of de ziekte van Crohn. Er zijn gegevens bekend over positieve effecten van sommige probiotica op de weerstand, atopisch eczeem en de chronische darmontsteking ulceratieve colitis. Meer onderzoek is nodig om deze effecten met wetenschappelijke bewijzen te staven. Het beste onderbouwd is momenteel de positieve uitwerking van probiotica bij twee darmaandoeningen, te weten diarree veroorzaakt door antibiotica en 'pouchitis' (een complicatie die optreedt nadat patienten met colitis zijn geopereerd). Er is nog weinig bekend over mogelijke negatieve effecten als mensen dit soort producten consumeren. Een recente publicatie heeft aangetoond dat gebruik van probiotica bij zuigelingen tot een ongewenste stimulatie van het immuunsysteem kan leiden. Het is aan te bevelen om zowel de veiligheid of werkzaamheid van dit soort producten nader te onderzoeken.
    • Immune effects of respiratory exposure to fragrance chemicals

      Ezendam J; de Klerk A; Cassee FR; Fokkens PHB; van der Zee Park M; van Loveren H; de Jong WH; GBO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-11-23)
      Inademing van de geurstoffen isoeugenol en cinnamal leidt bij muizen tot een immuunreactie in de ademhalingswegen. Dat blijkt uit experimenten uitgevoerd door het RIVM. Deze resultaten geven aan dat inademing van sommige geurstoffen zou kunnen leiden tot ongewenste effecten op het immuunsysteem. Geurstoffen komen voor in verschillende consumentenproducten, zoals cosmetica en geurproducten. Van verscheidene geurstoffen is bekend dat ze via de huid allergie kunnen veroorzaken, maar het is onbekend of ze ook allergische klachten of andere ongewenste immuunreacties kunnen veroorzaken via inademing. Tot nu toe is aangenomen dat inademing van geurstoffen niet schadelijk is voor de mens, omdat er geen blootstelling was via de ademhaling. De toepassing in geurproducten binnenshuis heeft hierin verandering gebracht. Het RIVM onderzocht in experimenten de effecten van inademing van isoeugenol en cinnamal, geurstoffen die huidallergie kunnen veroorzaken. Muizen werden via inademing blootgesteld aan de geurstoffen. De effecten op het immuunsysteem werden gemeten met de respiratoire lymfkliertest, die celdeling als reactie meet in de lymfeklieren van de ademhalingswegen. Inademing van zowel isoeugenol als cinnamal resulteerde in een stimulatie van het immuunsysteem van de ademhalingswegen. De effecten van isoeugenol waren sterker dan die van cinnamal. Dit is een verschil met blootstelling via de huid, waarbij beide geurstoffen eenzelfde potentie hebben om huidallergie te veroorzaken. Dit kan betekenen dat de effecten van geurstoffen op het immuunsysteem afhangen van de toedieningsroute. Om het gevaar van inademing van deze stoffen te kunnen voorspellen, zal de relevante blootstellingsroute moeten worden gebruikt. Voor cosmetica is dat via de huid, voor geurproducten via inademing. Om meer inzicht te krijgen in de risico's van geurstoffen in geurproducten, raadt het RIVM aan om meer geurstoffen te testen met de respiratoire lymfkliertest.
    • Immune effects of the probiotic Bifidobacterium breve

      Ezendam J; van Loveren H; TOX (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-03-06)
      Bifidobacterium breve, een probiotische bacterie, heeft gunstige effecten op zowel allergieen als autoimmuniteit - een afweerreactie op lichaamseigen bestanddelen - bij proefdieren. Probiotica worden in reclameboodschappen ook wel 'goede bacterien' genoemd. Fabrikanten claimen een positief effect van probiotica op darmflora, weerstand en preventie van allergieen. De meeste van deze effecten zijn echter niet wetenschappelijk onderbouwd. Het is bekend dat de effecten van probiotica afhangen van de soort probiotica die wordt toegepast. Eerder onderzoek naar het probioticum Lactobacillus casei Shirota leidde tot geringe verergering van allergie en autoimmuniteit bij proefdieren en toonde aan dat het gebruik van probiotica, afhankelijk van de stam, op een potentieel risico duidt. In dit rapport worden de effecten van het probioticum Bifidobacterium breve op het immuunsysteem beschreven. Om dit te onderzoeken zijn proefdiermodellen voor allergie en autoimmuniteit gebruikt. Toediening van Bifidobacterium breve leidde tot een vermindering van zowel allergische als autoimmuun reacties. Bifidobacterium breve heeft dus een positief effect op het immuunsysteem, dit in tegenstelling tot Lactobacillus casei Shirota. Effecten van probiotica op het immuunsysteem zijn dus duidelijk afhankelijk van de soort probiotica die wordt toegepast. Om de invloed van beide probiotica op mensen te bepalen, zijn nieuwe studies nodig. Deze studies dienen zich te richten op zowel de werkzaamheid als de veiligheid van probiotica bij mensen.
    • De immuniteit van de Nederlandse populatie tegen bof; evaluatie van het Rijksvaccinatieprogramma

      Beaumont MTA; Hof S van den; Berbers GAM; Conyn-van Spaendonck MAE; CIE LVO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-06-14)
      Antibodies against mumps were measured in the Dutch general population and in municipalities with low vaccine coverage, where religious groups that refuse vaccination are clustered socially and geographically. The overall prevalence in the general population was high (95,2%, 95% confidence limits (CL) 94,5-95,7%); the seroprevalence (91,0%, 95%-CL 89,9-92,2%) and geometric mean titer (GMT) (129 RU/ml, 95%-CL 122-136 RU/ml)) of age groups with vaccine induced immunity were significantly lower than those of age groups with naturally acquired immunity (97,5%, 95%-CL 96,8-98,1% and 180 RU/ml, 95%-CL 171-189 RU/ml respectively). The seroprevalence and GMT (97,5%, 95%-CL 88,8-100,0% and 147 RU/ml, 95%-CI 83-263 RU/ml) for 5-9 year old orthodox reformed participants suggest that wild mumps virus may still circulate in municipalities with low vaccine coverage; due to the lower seroprevalence of the 20-24 year olds (94,5%, 95%-CL 92,2-96,9%) compared to the 25-79 year olds (97,5%, 95%-CL 96,8-98,1%), the circulation in the general population seems to have decreased right after the introduction of mass vaccination.)
    • De immuniteit van de Nederlandse populatie tegen bof; evaluatie van het Rijksvaccinatieprogramma

      Beaumont MTA; van den Hof S; Berbers GAM; Conyn-van Spaendonck MAE; CIE LVO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1999-06-14)
      Antistoffen tegen bof werden gemeten in de algemene Nederlandse populatie en in gemeenten met een lage vaccinatiegraad, waar religieuze groeperingen die vaccinatie weigeren sociaal en geografisch geclusterd zijn. De overall seroprevalentie in de algemene populatie was hoog (95,2%, 95% betrouwbaarheidsinterval (BI) 94,5-95,7%); de seroprevalentie (91,0%, 95%-BI 89,9-92,2%) en de geometrisch gemiddelde titer (GMT) (129 RU/ml, 95%-BI 122-136 RU/ml) van de leeftijdsgroepen met een vaccin-geinduceerde immuniteit waren significant lager dan die van de leeftijdsgroepen met een natuurlijk verworven immuniteit (97,5%, 95%-BI 96,8-98,1% en 180 RU/ml, 95%-BI 171-189 RU/ml respectievelijk). De seroprevalentie en de GMT van de 5 tot 9-jarige orthodox gereformeerde participanten (97,5%, 95%-BI 88,8-100,0% en 147 RU/ml, 95%-BI 83-263 RU/ml) doen vermoeden dat het bofvirus nog steeds circuleert in gemeenten met een lage vaccinatiegraad; gezien de lagere seroprevalentie van de 20 tot 24-jarigen (94,5%, 95%-BI 92,2-96,9%) vergeleken met die van de 25 tot 79-jarigen (97,5%, 95%-BI 96,8-98,1%), lijkt de viruscirculatie in de algemene populatie meteen na de introductie van massavaccinatie te zijn afgenomen.<br>
    • Immunochemische detectiemethoden na western blotting van cytochroom P-450 iso-enzymen

      Laan CA; Jansen EHJM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1992-06-30)
      In this report a number of staining techniques on Western blots have been compared with respect to sensitivity, background staining, practical applicability and cost aspects. After electrophoresis of a rat microsomal liver sample followed by blotting, an incubation was performed of a primary antibody against a purified cytochrome P-450 fraction. Enzyme-labelled second antibodies with horseradish peroxidase, alkaline phosphatase and xanthine oxidase were used for detection. Both colorimetric and chemiluminescent methods were investigated. It appeared that chemiluminescence detection of horseradish peroxidase was the most sensitive method. followed by chemiluminescence detection of xanthine oxidase. Horseradish peroxidase with colorimetric detection was also fairly sensitive and easier to use than chemiluminescence detection. Alkaline phosphatase gave the least sensitive method with both colorimetric and chemiluminescence detection. Both horseradish peroxidase and especially alkaline phosphatase showed heavy background staining, in contrast to xanthine oxidase, where no background was observed even after overnight exposure. A number of blot experiments on nylonmembrane, for a more sensitive detection of alkaline phosphatase, did not give better results in sensitivity. Both colorimetric and chemiluminescence detection showed heavy background staining on nylonmembrane. The heavy background staining after chemiluminescence detection of horseradish peroxidase was less by using the second antibody in smaller concentration. The colorimetric detection of horseradish peroxidase gave better photographic reproduction when a substrate of diaminobenzidine and chloronaphthol was used for staining.<br>