• De aanwezigheid van methyl tert-butylether (MTBE) in drinkwater en drinkwaterbronnen

      Morgenstern PP; Korte GAL de; Hogendoorn EA; Versteegh JFM; LWD; IEM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-06-21)
      In 2001 the National Institute for Public Health and the Environment (RIVM) in the Netherlands conducted a drinking water measurement programme in co-operation with the Netherlands Waterworks Association (VEWIN) for methyl tert-butyl ether (MTBE) in drinking water and the corresponding sources. This study, consisting of two sampling periods, shows a generally low concentration of MTBE in drinking water at the selected drinking water plants. The selection of sampling locations was based on the vulnerability of the water catchment area. Measurements in the June/July period showed a concentration of <0.01 ug/l in 22 samples of raw water; the average concentration was 0.07 ug/l and the highest 0.42 ug/l. The average concentration in drinking water in September/October was 0.09 ug/l and the maximum 2.9 ug/l. This maximum concentration was unusual, considering that the second highest value was 0.14 ug/l MTBE. The raw water (both groundwater and surface water) samples registered a concentration of <0.5 ug/l; the highest concentration in surface water was 3.2 ug/l. However, at one location a relatively high concentration (11.9 ug/l) was found in an individual groundwater well. This contamination could be attributed to a local source. The main conclusion here is that MTBE occurs in drinking water, although the concentrations are generally very low (<0.14 ug/l), with a maximum value of 2.9 ug/l. There are no effects on health expected. It is, however, recommended to screen for MTBE in groundwater at locations with a history of or experience with soil contamination. Taking precautions for future spills at petrol stations remains priority number one.
    • De aanwezigheid van methyl tert-butylether (MTBE) in drinkwater en drinkwaterbronnen

      Morgenstern PP; de Korte GAL; Hogendoorn EA; Versteegh JFM; LWD; IEM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-06-21)
      Het RIVM heeft in samenwerking met VEWIN in 2001 een meetprogramma uitgevoerd voor de stof methyl tert-butylether (MTBE) in drinkwater en drinkwaterbronnen. In de periode juni/juli 2001 is een orieenterend meetprogramma uitgevoerd. De concentratie MTBE in ruwwater van 22 pompstations (in totaal werden 63 pompstations bemonsterd) was lager dan de rapportagegrens (0.01) ug/l. De overige ruwwatermonsters hadden waarden tussen 0.01 ug/l en 0.42 ug/l. De gemiddelde concentratie was 0.07 ug/l. Naar aanleiding van deze resultaten werden in de periode september/oktober de pompstations met een waarde boven de rapportagegrens bemonsterd. De concentratie MTBE in ruwwater was gemiddeld 0.13 ug/l. In totaal werden 51 pompstations bemonsterd. De concentraties in de monsters oppervlaktewater waren relatief hoog, met als hoogste waarde 3.2 ug/l (oppervlaktewatermonster uit het Lekkanaal bij Nieuwegein). De hoogste concentratie in de grondwatermonsters was 11.9 ug/l in een individuele grondwaterput nabij een benzinestation in Zutphen. De overige ruwwatermonsters (zowel grondwater als oppervlaktewater) bevatten oncentraties MTBE lager dan 0.5 g/l. De gemiddelde concentratie MTBE in reinwater (drinkwater) was 0.09 ug/l. De hoogste waarde was 2.9 ug/l bij het pompstation in Zutphen. Hiervoor is een aanwijsbare oorzaak, namelijk een verontreiniging in het waterwingebied. De gevonden waarde is lager dan de uit de literatuur bekende geur- en smaakgrens (range: 5 - 40 ug/l). De concentratie van 2.9 ug/l wordt uit gezondheidsoogpunt als veilig beschouwd. In alle overige reinwatermonsters was de concentratie MTBE lager dan 0.2 ug/l. Uit het onderzoek blijkt dat de concentratie MTBE in het Nederlandse drinkwater in het algemeen erg laag is. Voor de gevonden concentraties zijn, op basis van verschillende studies, geen gezondheidskundige effecten te verwachten.<br>
    • De aanwezigheid van Pseudomonas aeruginosa in circulatiebaden in relatie tot de controle volgens de Wet Hygiene en Veiligheid Zwemgelegenheden

      Schijven JF; Havelaar AH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1989-05-31)
      Door 8 externe laboratoria werden 133 buitenbaden en 340 binnenbaden onderzocht op aanwezigheid van Pseudomonas aeruginosa. Het betrof circulatiebaden, die periodiek volgens de eisen van het Besluit Hygiene en Veiligheid Zwemgelegenheden (BHVZ) werden gecontroleerd. Pseudomonas aeruginosa bleek slechts incidenteel voor te komen. Een concentratie vrij beschikbaar chloor groter dan 2 mg/l bij gebruik van cyanuurzuur en groter dan 0,5 mg/l zonder gebruik van cyanuurzuur bleken voldoende veiligheid te bieden tegen de aanwezigheid van Pseudomonas aeruginosa. Aanbevolen wordt geen meetverplichting voor Pseudomonas aeruginosa in circulatiebaden in te stellen, maar wel een norm of een streefwaarde, namelijk "niet aantoonbaar in 100 ml". Tevens wordt aanbevolen de ondergrens voor de concentratie vrij beschikbaar chloor te stellen op 0,5 mg/l, onafhankelijk van de pH. Ook wordt aanbevolen de nu geldende eis aan bacterien van de coligroep te laten vallen.<br>
    • Aanzet tot de ontwikkeling van een methode voor een kwantitatieve evaluatie van Gebiedsgericht Beleid

      Soest F van; LBG; CIM (1998-10-26)
      In dit onderzoek is een aanzet gegeven tot de ontwikkeling van een methode voor een kwantitatieve evaluatie van gebiedsgericht milieubeleid. De voorgestelde methode is gericht op de ontwikkeling van een adequate prestatiemonitoring. De effecten van de te monitoren maatregelen worden met behulp van eenvoudige rekenregels en modellen worden vertaald in effecten op de milieudruk en de milieu- en natuurkwaliteit. Het gebiedsgerichte beleid bevindt zich in een groot aantal gebieden inmiddels in het uitvoeringsstadium. De monitoring van het beleid is echter nog nauwelijks op gang gekomen. Dit geldt zowel voor de prestatiemonitoring, als voor de kwaliteitsmonitoring. Er bestaat weinig inzicht in de relatie tussen de maatregelen en het effect op de milieukwaliteit. Aan de andere kant is uit de kwaliteitsmonitoring geen eenduidige terugkoppeling naar de maatregelen te maken. Om inzicht te krijgen in het milieurendement en de kosteneffectiviteit is het wenselijk deze relaties te leggen. Voor twee ROM-gebieden zijn eenvoudige schattingen of berekeningen van de emissiereducties als gevolg van de maatregelen gemaakt. Aan de hand van kwaliteitsmonitoringsgegevens is bekeken welke informatie er uit de meetnetten gehaald kan worden. Hierbij wordt echter nog steeds geen inzicht verkregen in de direkte relatie tussen de maatregelen en de milieukwaliteit. Het resultaat van de prestatiemonitoring, emissiereducties, en het resultaat van de kwaliteitsmonitoring, concentraties, zijn niet met elkaar te vergelijken. Het gebruik van eenvoudige modellen kan hiervoor een oplossing bieden. Door modellen in te zetten die voor de gebieden gekalibreerd en gevalideerd zijn, kunnen de afzonderlijke maatregelen doorgerekend worden naar hun effect op de milieukwaliteit. Wanneer de modeluitkomsten voldoende betrouwbaar zijn kan een deel van de kwaliteitsmonitoring vervangen worden door modellering van de resultaten. Het regelmatig controleren van de modeluitkomsten blijft wel noodzakelijk.
    • Aanzet tot een bevestigingsmethode voor de detectie van residuen van sulfonamiden in vlees

      Wijnands LM; Janssens H; Engel HWB (1991-06-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Aard en omvang van complicaties van gastrostomata bij ernstig meervoudig gehandicapten

      van Tienhoven EAE; Hilbers ESM; van Halteren AR; BMT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2003-08-28)
      Gastrostomy is a procedure that involves placing a tube into a person's stomach through the abdominal wall to provide long-term nutritional support. While the procedure increases the quality of life, it is also associated with several complications. A survey among members of the Netherlands Society of Physicians for Persons with Intellectual Disabilities (NVAVG) has been performed to identify the incidence and nature of the complications in intellectually disabled persons in the Netherlands. A total of 77 questionnaires were completed, representing about one-third of all the questionnaires sent out. Eighty per cent of the respondent physicians who work with severely intellectually disabled persons had to deal with complications in the last five years. Two hundred complications, which reflects about 200 patients, were observed in this period. Most complications can be classified as minor. The most frequently observed are obstruction of the tube and granuloma formation. However, major complications, such as peritonitis and aspiration pneumonia, were reported frequently. In addition, in the last five years 13 physicians had observed deaths that were most likely related to gastrostomy. Due to the design of the study, the low response to the questionnaire and the lack of information on the total number of intellectually disabled persons with a gastrostomy, it was not possible to calculate the percentage of persons who experienced a complication. A prospective follow-up study is necessary to examine how the different complications are caused. It would also be advisable to develop a national, harmonised protocol to try to slow down the rate of complications.
    • Aardappelverwerkende industrie

      Etman EJ; Post JG (1994-01-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • De aarde als onze provisiekast, een inventarisatie van voorraden en hun onderlinge samenhang

      Annema JA; Hoek PWM van den; Ros JPM (1993-03-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Absence of Trichinellosis in the Netherlands

      Knapen F van (1991-09-30)
      Abstract niet beschikbaar
    • Acceptatie- en statustesten van radiodiagnostische apparatuur. Aanbevelingen voor te inspecteren parameters

      Bijwaard H; Brugmans MJP; LSO (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2004-10-29)
      In afwezigheid van Nederlandse richtlijnen voor kwaliteitscontroles van moderne (digitale) radiodiagnostische apparatuur, is aangegeven welke apparatuurparameters in ieder geval gecontroleerd moeten worden bij ingebruikname en periodieke controles (zogenaamde acceptatie- en statustesten). Acceptatie- en statustesten vormen een essentieel onderdeel van de kwaliteitsborging van radiodiagnostische apparatuur. Deze kwaliteitsborging moet bijdragen aan een goede beeldkwaliteit ten behoeve van een accurate diagnosestelling en een lage stralingsdosis voor de patient. Voor de Inspectie voor de Gezondheidszorg is in dit rapport de inhoud van acceptatie- en statustesten onderzocht. Deze blijkt in de huidige Nederlandse praktijk vaak nogal beperkt. Daarom is, grotendeels op basis van internationale richtlijnen en literatuur, een lijst gemaakt van te testen parameters, waarbij parameters zijn geidentificeerd waarvan bekend is dat ze regelmatig tekort schieten. Een groot deel daarvan heeft betrekking op de beeldkwaliteit en is daarmee essentieel voor een accurate diagnosestelling. De parameters die direct van invloed zijn op de patientendosis zijn van speciaal belang voor de patientveiligheid. Voor een aantal van deze parameters kunnen normen zoals beschikbaar uit de internationale literatuur worden gehanteerd, totdat actuele Nederlandse richtlijnen zijn opgesteld.
    • Acceptatierapport FAG FH62 I-N beta-stofmonitoren

      Venema J; Meulen A van der; Elzakker BG; Regts TA (1992-10-31)
      Abstract niet beschikbaar
    • Acceptatierapport van 17 SX200 zwarte rook monitoren

      Hijink BM; MON; LLO (2002-04-05)
      De resultaten worden gepresenteerd van een acceptatie onderzoek van 17 nieuwe ETL SX200 Black Smoke monitoren. De nieuwe monitoren zijn vergeleken met de LML methode EEL43. De nieuwe monitor is een geautomatiseerde en stabielere uitvoering van de LML methode. De LML methode had nog veel onderhoud nodig. De nieuwe monitoren blijken de LML methode goed te volgen. Het gemiddelde verschil tussen de nieuwe methode en de LML methode is ongeveer 1.4 microg/m3 waarbij de SX200 lagere concentraties geeft dan de LML methode. De verklaring voor het verschil tussen beide methoden is voornamelijk te vinden in flow verschillen. De LML flow in het onderzoek is circa 5% hoger dan de SX200 flow. Hierdoor is de concentratie ook 5% hoger. De gemiddelde concentratie is 12 microg/m3. Er is zeker 0.6 microg/m3 te verklaren door flowverschillen. Daarnaast is uit de directe vergelijking van de meetkoppen een verschil van 0.2 microg/m3 gevonden. Verder is de precisie van de SX200 tien keer beter dan die van de oude LML methode. Hierdoor is ook een verschil te verklaren van enkele tienden microg/m3. Daarnaast lijkt de vaststelling van de LML waarde niet altijd goed te gebeuren en in deze gevallen vaak te hoog te worden vastgesteld. Dit komt onder andere door de persoonsgebonden wijze van meten. De monitoren blijken ten opzichte van elkaar een standaard deviatie te vertonen van 0.5 microg/m3. Aangezien de LML methode een resolutie heeft van 1 microg/m3 voldoen de nieuwe monitoren in dat opzicht ruimschoots aan de eis. De SX200 monitoren blijken stabieler te meten en menselijke fouten worden tot een minimum beperkt.
    • Accessibility measures: review and applications. Evaluation of accessibility impacts of land-use transportation scenarios, and related social and economic impact

      Geurs KT; Ritsema van Eck JR; LAE (Universiteit Utrecht-URU, 2001-06-09)
      In een uitgebreide literatuurstudie worden drie case studies beschreven met als doel het beoordelen van de geschiktheid van bereikbaarheidsmaten voor het evaluateren van de bereikbaarheidseffecten van ruimtelijk-infrastructurele scenario's, en de daar aan gerelateerde sociale en economische effecten. Verschillende op actiteiten en nut gebaseerde bereikbaarheidsmaten zijn berekend om de bereikbaarheid van werkgelegenheid per auto en openbaar vervoer te analyseren. De maten zijn toegepast voor (1) het (basis)jaar 1995, (2) een 'Trend scenario' voor de periode 1995-2020, waarin het ruimtelijke (AcVinex) beleid en historische ruimtelijke trends zijn doorgetrokken, (3) een 'Tolerant scenario' voor de periode 1995-2020 waarin de woningvoorkeuren van consumenten de ruimtelijke ontwikkeling sturen. De hoofdconclusie van het rapport is dat de huidige (voornamelijk op infrastructuur gerichte) beoordeling van de bereikbaarheidseffecten van (ruimtelijk-)infrastructurele plannen, projecten en/of scenario's kan worden verbeterd, gebruik makende van bestaande ruimtelijke en verkeersgegevens en/of -modellen. De op activiteiten gerichte benadering is zeer geschikt om de bereikbaarheidseffecten te beoordelen, waarbij de verschillende componenten van bereikbaarheid (de transport-, ruimte, tijds- en individuele componenten) op bevredigende wijze kunnen worden meegenomen, en is bovendien geschikt om sociale effecten ('equity') te beoordelen. De op nut gerichte benadering van bereikbaarheid kan als basis worden gebruikt voor de economische waardering van bereikbaarheid.
    • Accumulatie van metalen in planten, een bijdrage aan de evaluatie van de interventiewaarden en locatiespecifieke risicobeoordeling van verontreinigde bodem

      Versluijs CW; Otte PF; LBG (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2002-02-25)
      De inschatting van de gemiddelde gehalten aan verontreinigende stoffen in gewassen geteeld op verontreinigde bodem is een onderdeel van de standaardberekening van de interventiewaarden. Bij metalen bepaalt de blootstelling via de consumptie van gewassen voor een belangrijk deel het humaantoxicologische risico van verontreinigde bodems. In dit rapport zijn de gemiddelde accumulatiefactoren vastgesteld voor gewassen geteeld in moestuinen op verontreinigde bodems. Hiertoe is een dataset opgebouwd van literatuurgegevens (n=2260). De data zijn beperkt tot velddata van bestaande verontreinigingssituaties, gewassen voor menselijke consumptie en de geconsumeerde delen van deze gewassen. Potproeven en kunstmatige verontreiniging zijn hierbij uitgesloten. De bioconcentratiefactoren (BCF-waarden) zijn berekend voor afzonderlijke gewassen en voor een gemiddeld consumptiepakket. De velddata zijn bepaald bij verschillende bodemeigenschappen en om vergelijkbaar te zijn moeten ze bewerkt worden. Om de correcties naar de standaardbodem te kunnen maken, die gebruikelijk zijn bij de berekening van interventiewaarden, zijn per gewas relaties afgeleid voor de variaties van de BCF-waarden van As, Cd, Cu, Hg, Ni, Pb en Zn met het totaalgehalte in de bodem, zuurgraad en gehalten aan organisch koolstof en lutum. Deze kunnen ook gebruikt worden bij een locatiespecifieke benadering. Bij de berekening resteren nog een aantal onzekerheden: het gewenste traject van totaalgehalten en bodemparameters werd niet altijd afgedekt door de data. In dit geval is niet geextrapoleerd maar is een 'worst case' inschatting gedaan. Ook konden op het bekende traject van data soms geen significante relaties afgeleid worden. In dat geval is uitgegaan van geometrisch gemiddelden. De resultaten van verschillende rekenwijzen zijn vergeleken.
    • De accumulatie van sporen metalen in groenten geteeld op verontreinigde bodems. Een literatuurstudie

      Bockting G; van den Berg R (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1992-12-31)
      In the frame of a revision of the Dutch Guideline for Soil Protection a review of the literature concerning trace element contents of vegetables grown on polluted soil is presented. The elements considered were arsenic, barium, cadmium, cobalt, copper, mercury, lead, molybdenum, nickel, tin, and zinc. The content of each of these elements in a vegetable may vary widely. Furthermore, different vegetable species may differ in trace element uptake. Even if we consider the accumulation of only one element in one kind of vegetable, it is difficult to predict plant contents from soil contents, because of the great number of factors that influence accumulation. These factors may be distinguished into soil and plant bound factors. The factors that appear to be important from the literature are summarized. Furthermore, all available data with respect to trace elements contents of vegetables grown on polluted soils (preferably under field conditions), are brought together in this report. Finally, biological concentration factors (BCFs) for the transfer of trace elements from soil to vegetables were proposed. Here a distinction was made between BCFs for potatoes, that make up a large part of our diet, and other vegetables. The content of a number of elements in vegetables appeared to be limited due to phytotoxicity.<br>
    • De accumulatie van zeldzame aardmetalen in planten. Een literatuurstudie

      Rikken MGJ; ACT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-12-31)
      This report summarizes literature data on the accumulation of rare earth metals (RE) in plants, as a part of the investigation of data on the transfer of rare earth metals in the chain artificial fertilizers - soil - crops - livestock and man. The concentration and accumulation in plants can differ as a consequence of both plant factors and soil factors. The concentrations in plants (dry weight) of RE are in general low: < 0.2 mg/kg for root- and leaf vegetables, < 0.05 mg/kg in most fruits and < 1 mg/kg in herbs/grasses. Bioconcentration factors (BCF) for RE are usually within the range of 0.001 to 0.1 for feed crops and 0.0001 to 0.01 for food crops, indicating a low accumulation potential, especially in food crops.
    • De accumulatie van zeldzame aardmetalen in planten. Een literatuurstudie

      Rikken MGJ; ACT (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1995-12-31)
      Dit rapport bevat de resultaten van een literatuuronderzoek naar de accumulatie van zeldzame aardmetalen (ZA) in planten, als onderdeel van een inventariserend onderzoek naar de overdracht van ZA in de keten kunstmest - bodem - plant - vee en mens. De gehalten in planten kunnen sterk verschillen, waarbij zowel plantfactoren als bodemfactoren het gehalte bepalen. De gehalten (drooggewicht) van zeldzame aardmetalen in planten zijn over het algemeen laag: < 0,2 mg/kg voor wortel- en bladgroenten, < 0,05 mg/kg in de meeste vruchten en < 1 mg/kg in kruiden/grassen. Verder blijkt dat ZA in geringe mate worden geaccumuleerd in gewassen. De op grond van de gegevens voor (vee)voedergewassen bepaalde bioconcentratiefactoren (BCF) liggen meestal tussen de 0,001 en 0,1. Voor voedingsgewassen liggen de meeste BCF-waarden tussen de 0,0001 en 0,01, een factor 10 lager dan die voor voedergewassen.<br>
    • Accumulation of phytosterols in food. Evaluation of the adverse effects following the intake of high dose of phytosterols

      van Amsterdam JGC; Opperhuizen A; Jansen EHJM; TOX (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2005-07-14)
      Op de markt verschijnen steeds meer producten, die verrijkt zijn met plantensterolen (fytosterolen). De gecombineerde consumptie van dergelijke producten kan leiden tot overdosering, zodat er mogelijk aanvullende maatregelen nodig zijn om overdosering te voorkomen.Fytosterol-verrijkte voeding verlaagt het plasma LDL-cholesterol. Een dagelijkse inname van 1-3 g plantensterolen verlaagt de LDL-cholesterolconcentratie met 5-15%; een hogere inname geeft geen extra effect. Door hun slechte absorptie geven fytosterolen geen systemische toxiciteit. Fytosterolen verlagen echter wel de absorptie van beta-carotenoiden, die van belang zijn voor de aanmaak van vitamine A. De consumptie van (margarine verrijkt met) 3 g fytosterol per dag gedurende een jaar leidt tot een 33% afname van de beta-caroteenspiegel, die echter (alleen) zorgelijk is bij risicogroepen met een hoge vitamine A behoefte, zoals zwangeren, moeders die borstvoeding geven en jonge kinderen. Er is overigens geen indicatie voor fytosterolgebruik door deze groepen, maar het gebruik kan niet worden uitgesloten.De beschikbare data over schadelijke effecten bieden geen basis voor het stellen van een maximaal toelaatbare dagelijkse dosis voor fytosterolen. Evenals de Gezondheidsraad en SCF, wordt thans aanbevolen om niet meer (meer dan 3 g per dag) van deze plantensterolen in te nemen, omdat a. hogere doseringen niet effectiever zijn, en b. langetermijnstudies ontbreken. Op termijn zijn beleidsmaatregelen nodig ter voorkoming van overdosering in gebruikers- en risicogroepen
    • The accumulation of soil contaminants in crops, location-specific calculation based on the CSOIL module. Part I Evaluation and suggestions for model development

      Versluijs CW; Koops R; Kreule P; Waitz MFW; LBG (1998-04-30)
      Voor de humane blootstelling aan bodemverontreinigende stoffen via de consumptie van planten is een verkenning uitgevoerd naar de mogelijkheid van locatie-specifieke risico-inschattingen. Deze inschattingen van het actuele risico zijn nodig voor beslissingen om te saneren. In het rapport wordt voortgebouwd op de module voor plantenopname van verontreinigende stoffen in het CSOIL model (v. 7.1) voor de berekening van de Nederlandse interventiewaarden op basis van potentiele risico-inschattingen. Voor ongeveer de helft van de onderzochte verontreinigende stoffen blijkt de route via consumptie van planten 80% of meer bij te dragen aan de totale blootstelling. In dit rapport wordt de aandacht in de eerste plaats gericht op de invloed van het bodemtype op de accumulatie van bodemverontreinigende stoffen in planten en er wordt ingegaan op de consequenties van de keuze van gewassen in het model. Er is een onderzoek gedaan naar alternatieve modellen. Voor metalen lijkt het Duitse UMS model een goede aansluiting te geven. Voor organische stoffen is de beschrijving van het transport van de verontreinigende stoffen door de stengels en bladeren een zwak punt in de CSOIL module. Dit onderdeel zou voor de opname door bladgewassen kunnen worden verbeterd met behulp van het model van Trapp en Matthiess. Dit model is ook ingebouwd in het EUSES-model (Europees Uniform Systeem voor de Evaluatie van Stoffen), maar is nog niet gevalideerd.