• De invloed van een stille zijde bij woningen op gezondheid en welbevinden : Literatuur en aanbevelingen voor beleid

      van Kempen EEMM; van Beek AJ; ILG; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2013-11-04)
      Hinder door verkeersgeluid neemt af als mensen beschikken over een stille zijde bij hun woning, oftewel een kant van een woning waar geen lawaaibronnen zijn. Dit vermindert ook het risico op ernstige slaapverstoring. Hinder bestaat uit gevoelens van onder andere afkeer, boosheid en onbehagen die kunnen optreden wanneer geluid iemands gedachten, gevoelens of activiteiten beïnvloedt. Door geluid kunnen ook gezondheidseffecten optreden, zoals slaapverstoring, hoge bloeddruk en hart- en vaatziekten. Beleid dat de aanwezigheid van een stille zijde bij woningen stimuleert kan het risico op hinder en slaapverstoring enigszins verminderen. Dit zijn de belangrijkste resultaten en aanbevelingen van onderzoek van het RIVM naar de invloed van een stille zijde bij woningen op gezondheid en welzijn. Het aantal studies naar dit onderwerp is beperkt, maar de beschikbare resultaten wijzen eenduidig naar een positieve invloed van een stille zijde op hinder en slaapverstoring. De mate van invloed van stille zijden op hinder komt ruwweg overeen met een verlaging van het geluid aan de meest belaste zijde van woningen - doorgaans de voorkant - met 2 tot 8 decibel. In Nederland bestaat er vanwege ruimtegebrek en economische motieven een druk om woningen te bouwen op locaties waar veel verkeersgeluid voorkomt. De geluidregelgeving bevat enkele mogelijkheden om van voorkeursnormen af te wijken, waarvoor het gemeentebestuur doorgaans de belangenafweging maakt. Een geluidbelasting aan de straat of spoorzijde van woningen rond de voorkeursnormen of lager voorkomt gezondheidsklachten door geluid in grote mate. Omdat de voorkeursnormen niet altijd haalbaar worden geacht is het daarnaast aan te bevelen om, stille zijden bij woningen te bevorderen. Hiervoor zou niet alleen aan regelgeving moeten worden gedacht, want wettelijke verplichtingen kunnen niet meer dan een minimale kwaliteit vereisen. Door meer informatie te geven aan gemeenten en projectontwikkelaars over de positieve invloed van stille zijden en de akoestische kwaliteit die daarbij hoort, zullen ook projecten met hoge ambities voor de kwaliteit van de leefomgeving beter worden ondersteund. RIVM beveelt daarom aan om in geluidbeleid geharmoniseerde termen te gebruiken voor verschillen in kwaliteit van een 'stille zijde'. Momenteel gebruiken gemeenten eigen termen met een eigen kwaliteitseis.
    • De invloed van geluidsisolatie en ventilatiegedrag in woningen rond Schiphol op de kwaliteit van het binnenmilieu

      Strien RT; Douwes J; Brunekreef B; LBM (Universiteit WageningenGezondheidsleer, 2001-01-31)
      In dit onderzoek is door middel van metingen in 92 woningen rondom de luchthaven Schiphol getracht inzicht te krijgen in de invloed van geluidsisolatie van woningen en eventueel veranderd ventilatiegedrag wegens geluid van buiten, op de concentraties luchtverontreiniging in woningen en het gehalte microbiele componenten in huisstof. In de lucht van de woonkamer werd de concentratie fijn stof (PM2.5), de concentratie roet, de concentratie Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK), de concentratie Vluchtige Organische Koolwaterstoffen (VOK) en de concentraties NO2 bepaald. Verder werd in huisstof afkomstig van de woonkamervloer van deze woningen het gehalte endotoxinen (afkomstig van gram-negatieve bacterien), het gehalte EPS(pen/asp) (afkomstig van schimmels), het gehalte beta(1,3)glucaan (ook afkomstig van schimmels) en het gehalte huisstofmijtallergeen (Der p 1) bepaald. Voor alle gemeten componenten werden geen statistisch significant aantoonbare verschillen gevonden tussen woningen met en woningen zonder aangebrachte geluidsisolatie. In het onderzoek was ook gevraagd of mensen minder gebruik maakten van ventilatiemogelijkheden wegens geluid van buiten. Voor geen van de gemeten componenten was een statistisch significant verschil aan te tonen tussen mensen die hun ventilatiegedrag aanpasten aan geluid van buiten en mensen die dat niet deden. Op basis van dit onderzoek kan geconcludeerd worden dat geluidsisolatie of verminderde ventilatie (zoals ervaren door de bewoners) wegens geluid van buiten niet zal leiden tot hogere concentraties van de hier onderzochte stoffen in de binnenlucht en in het huisstof.
    • De invloed van geluidsisolatie en ventilatiegedrag in woningen rond Schiphol op de kwaliteit van het binnenmilieu

      Strien RT; Douwes J; Brunekreef B; Universiteit Wageningen, Gezondheidsleer; LBM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2001-01-31)
      The effects on the homes' indoor environment of sound insulation and changed ventilation behaviour of the residents due to noise annoyance from road- and air traffic, was assessed in 92 homes in the vicinity of Schiphol Airport. Air concentrations of particulate matter (PM2.5), soot, polycyclic aromatic hydrocarbons and volatile organic hydrocarbons were measured in the living room. In collected house-dust from the livingroom floor the content of endotoxins (from gram-negative bacteria), EPS(pen/asp) (from moulds), beta(1,3)glucane (from moulds) and house dust mite allergen (Der p 1) were measured. No statical significant differences in measured levels were found between homes with and homes without sound insulation. In addition, no statical significant differences in levels were found between homes of residents who had changed their ventilation behaviour and houses of residents who did not change. It is concluded that in the houses that were investigated, sound insulation or changed ventilation behaviour due to noise annoyance from road- and air traffic, did not result in different levels of contaminants in indoor air or house dust.
    • De invloed van grondwaterverontreiniging op terrestrische ecosystemen

      van Beelen P; Lieste R; LER (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2008-07-10)
      De kwaliteit van het Nederlandse zoete grondwater is sterk beinvloed door menselijke activiteiten. Deze kwaliteit is belangrijk voor de bodemkwaliteit en de plantengroei in kwelgebieden (waar het grondwater omhoog welt). Zelfs onder natuurlijke omstandigheden veroorzaken kwaliteitsverschillen in het grondwater, lokale verschillen in de vegetatie. Doordat er veel grondwater wordt weggepompt zakt het grondwaterpeil. Dit kan aanleiding geven tot allerlei problemen zoals verzuring, inklinken van veengrond en uitdroging van gevoelige plantensoorten. De plantengroei is sterk afhankelijk van mineralen uit het grondwater. De bestrijdingsmiddelen en andere chemische stoffen die in lage concentraties in het grondwater kunnen voorkomen lijken over het algemeen geen grote invloed te hebben op de plantengroei. De Dochterrichtlijn Grondwater van de Europese Kaderrichtlijn Water vraagt aan de lidstaten om criteria vast te stellen voor de grondwaterkwaliteit. Deze criteria moeten onder andere voorkomen dat er ongunstige effecten optreden in van het grondwater afhankelijke bodemecosystemen. Op dit moment worden de criteria voor de grondwaterkwaliteit afgeleid uit waterkwaliteitscriteria omdat het nog niet goed mogelijk is om rekening te houden met de gevoeligheid van grondwaterafhankelijke bodemecosystemen.
    • De invloed van klimaatverandering op de grondwaterkwaliteit

      Hooijboer AEJ; de Nijs ACM; LEV; mev (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2011-09-26)
      Het is mogelijk dat klimaatverandering van invloed is op de kwaliteit van het grondwater omdat veel processen die de grondwaterkwaliteit beïnvloeden afhangen van temperatuur en vochtigheid. Of de grondwaterkwaliteit zal veranderen bij een veranderend klimaat en in welke mate is onduidelijk omdat eenduidig wetenschappelijk bewijs hierover ontbreekt. Dit blijkt uit een literatuurstudie van het RIVM, waarin een overzicht is gemaakt van de beschikbare wetenschappelijke literatuur over de invloed van klimaatverandering op de grondwaterkwaliteit. Grondwater is belangrijk voor de drinkwatervoorziening en de ecologie. Het is daarom van belang invloeden van klimaatverandering in een vroeg stadium te signaleren, zodat maatregelen kunnen worden genomen om deze invloeden tegen te gaan, indien deze veranderingen een verslechtering betekenen. In het literatuuronderzoek is ook de invloed van klimaatverandering op de bodemkwaliteit, de grondwateraanvulling en de oppervlaktewaterkwaliteit meegenomen. Er zijn op dit moment namelijk nog te weinig artikelen verschenen die specifiek de invloed van klimaatverandering op de grondwaterkwaliteit beschrijven. Aan de hand hiervan is onderzocht wat de klimaateffecten zijn op verzilting, nutriënten, pesticiden en zware metalen. De beschikbare wetenschappelijke artikelen over de effecten van klimaatverandering op de bodem en de grondwaterkwaliteit spreken elkaar tegen. Zo zou een hogere temperatuur bijvoorbeeld volgens sommige onderzoeken tot een lagere grondwaterstand leiden, omdat er meer water verdampt. Volgens anderen zullen planten door de toegenomen concentratie CO2 juist minder water verdampen waardoor de grondwaterstand zal toenemen. Uit het onderzoek blijkt ook dat modellen die de verandering van grondwaterkwaliteit als gevolg van klimaatverandering simuleren nog niet aanwezig of niet nauwkeurig genoeg zijn. Het RIVM beveelt daarom aan meer onderzoek te doen en de bestaande modellen te verbeteren.
    • De invloed van landbouwactiviteiten op bijzonder resistente bacteriën in oppervlaktewater: ESBL en AmpC-producerende E. coli.

      Blaak, H; Kemper, MA; Mannoesingh, R; de Rijk, SE; Schijven, JF; Schmitt, H; de Roda Husman, AM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2019-12-09)
      In het algemeen komen door landbouw weinig resistente bacteriën in oppervlaktewater, zoals sloten en rivieren. Toch kunnen op sommige momenten en plaatsen grote hoeveelheden resistente bacteriën in het water terechtkomen. Dat hangt af van de hoeveelheid regen en het type landbouwactiviteit. Vooral in gemeenten met veel leghennen zijn vaker en meer resistente bacteriën in het oppervlaktewater aangetroffen dan in gemeenten met minder leghennen. De aanwezigheid van andere dieren dan leghennen of het uitrijden van mest blijken geen merkbare invloed te hebben. Lozingen van rioolwater hebben meer effect op het aantal resistente bacteriën dan landbouwactiviteiten. Dit blijkt uit onderzoek van het RIVM. Resistente bacteriën kunnen in de bodem terechtkomen vanuit de ontlasting van landbouwhuisdieren. Dat kan gebeuren wanneer de mest over het land wordt verspreid of de stallen worden schoongemaakt. Het kan ook via de uitwerpselen van dieren in de wei, zoals koeien en schapen, of van vrije uitloopdieren, zoals leghennen. Door regen kunnen de bacteriën vanuit de bodem in het oppervlaktewater terechtkomen. Hoe meer regenwater, hoe meer dat gebeurt. Rioolwater wordt op oppervlaktewater geloosd nadat rioolwaterzuiveringsinstallaties (RWZI's) het hebben gezuiverd. Als er heel veel regen valt, is er te veel rioolwater en wordt een deel van het rioolwater ongezuiverd geloosd. Eerder RIVM-onderzoek toonde aan dat lozingen van zowel gezuiverd als ongezuiverd rioolwater de aantallen resistente bacteriën in het oppervlakteater vergroten. Dit keer zijn 51 wateren in landbouwgebied, verspreid over Nederland, onderzocht. In deze wateren komt geen rioolwater, waardoor de invloed van landbouw goed kon worden onderzocht. Elke maand zijn twee soorten resistente bacteriën (de ESBL-producerende E. coli en de AmpC-producerende E. coli) gemeten. Deze aantallen zijn gecombineerd met gegevens over het aantal dieren in het gebied en de hoeveelheid mest die over het land is uitgereden. Ook is gekeken naar de het seizoen, omdat niet in alle seizoenen mest wordt uitgereden. Ten slotte zijn gegevens over de hoeveelheid regen gebruikt.
    • De invloed van licht op de stabiliteit van aflatoxinen

      Paulsch WE (1987-11-30)
      Onderzoek werd (en wordt nog steeds) verricht naar de eigenschappen van enkele UV-werende folies en naar de stabiliteit van aflatoxine B1 standaardoplossingen, in verschillende soorten licht. Verder onderzoek hield in: de stabiliteit van aflatoxine B1 gedurende kolomchromatografie, de stabiliteit van waterige aflatoxine oplossingen en n.a.v. de eerste resultaten de stabiliteit van chloroform, zodat er meer inzicht in de werking van licht op aflatoxine oplossingen verkregen wordt en adequate maatregelen getroffen kunnen worden. Naar aanleiding van de resultaten kan gesteld worden, dat filter folie (NR55Br) op de ruiten de ontleding van aflatoxine B1 vertraagt, maar dat deze UV-werende folie geen absolute bescherming geeft. Afscherming van aflatoxine B1 van licht blijft aan te raden, speciaal bij kolom-chromatografie. Het gebruik van alufolie en eventueel gebruik van een soort schermen op tafel tegen direct zonlicht lijkt een adequate maatregel, die minder hinderlijk is dan gebruik van gordijnen o.i.d.
    • De invloed van lozingen van radioactieve stoffen door nucleaire installaties op de bossterfte

      Stoutjesdijk; J.F. (1985-12-19)
      Naar aanleiding van steeds weerkerende berichten over een verhoogde bossterfte in de omgeving van kerncentrales werden door LSO op verzoek van de Ministers van VROM de beschikbare rapporten en publikaties aan op a) het verifieren van de directe waarnemingen van bossterfte en b) het verifieren van de theoretische beschouwingen. Wat de directe waarnemingen betreft, de mening dat bosschade veroorzaakt wordt door kerncentrales, blijkt op uiterst onzekere gronden te berusten. Bij onderzoekingen door Westduitse en Zwitserse overheidsinstanties is niets gevonden dat de genoemde mening bevestigt. Voorts tonen theoretische berekeningen aan dat een effect ook niet te verwachten is. De additionele stralingsbelasting in de omgeving van kerncentrales is zoveel lager dan de natuurlijke stralingsbelasting, dat effect onwaarschijnlijk zijn.
    • Invloed van matrix en eluens op de sporenanalyse van enkele anionen met ionchromatografie

      Neele J; Cleven RFMJ; Wiel HJ van de; LAC (1997-03-31)
      De mate van beinvloeding van diverse matrices op de resultaten van een ionchromatografische methode voor de bepaling van onder andere chloride, nitraat en sulfaat is onderzocht. De berekende overspraak van de methode is nihil. De variatiecoefficient voor 2 mumol/l nitraat en sulfaat is 2%. Onbehandelde monsters kunnen leiden tot een snel vervuilde guardkolom, een hogere pompdruk en een sulfaatniveau van 0,5 mumol/l in blanco's. De methode bleek gevoelig voor sterke ionogene matrices. In deze matrices elueren naast sulfaat ook chloride en nitraat als verontreinigingen van het eluens. Bij hoge anionenconcentraties in monsters is snel een 'on column eluent change' effect bereikt. Deze hoge monstermatrices beinvloeden de retentietijden, door verbreding de piekoppervlak/hoogteverhouding en de analytische respons van sporen van anionen. Redu- ceren van deze hoge ionsterkten door verdunning of ionenuitwisseling in de monstermatrix voorkomt fouten in de identificering en in de kwantificering van meetresultaten.
    • Invloed van morfine en methadon op het afweersysteem. Resultaten van een zesweekse studie bij de Riv:TOX rat

      van der Laan JW; van Loveren H; Krajnc-Franken MAM; de Groot G; Loeber JG; Krajnc EI (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1988-12-31)
      Drugsverslaafden hebben door hun levensstijl een grotere kans op virusziekten zoals Hepatitis-B en AIDS. Drugs, zoals heroine en methadon, zouden hierbij een bevorderende invloed kunnen hebben door de weerstand voor infecties te verminderen. In dit rapport worden de resultaten samengevat van een studie naar de invloed van morfine en methadon op het afweersysteem bij de rat. Het onderzoek is opgezet volgens het "two tier" model zoals gebruikelijk in de immuuntoxicologie. In tier I worden de dieren nog niet gecompromitteerd door immunisaties of infectieprocedures. Ratten die gedurende zes weken werden behandeld met morfine en methadon vertoonden vanaf de laagst geteste dosering een toename in het gewicht van de mesenteriale lymfklieren, terwijl histopathologisch een toename van de celrijkdom van de mergstrengen werd gezien. Dit wijst op een effect op de humorale immuniteit. Op de overige onderzochte organen, lever, nieren, testes, hypofyse, milt, thymus en popliteale lymfklieren werden geen effecten waargenomen die aan stimulatie van een opiaatreceptor toegeschreven konden worden. Deze resultaten geven aan dat verder onderzoek in de Tier II fase, gebruikmakend van gerichte immuunfunctietests is geindiceerd.<br>
    • Invloed van procesintensificatie op omgevingsveiligheid

      van de Ven, MF; Geus, ECJ (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2020-09-01)
      In de industrie worden in het proces- en installatieontwerp innovatieve benaderingen bedacht om grondstoffen en materialen efficiënter te gebruiken. Dat kan resulteren in aanzienlijk kleinere, schonere en meer energie-efficiënte technologie. Deze zogeheten procesintensificatie kan ook een manier zijn om industriële processen met gevaarlijke stoffen veiliger te maken. Het RIVM beschouwt 14 van deze procesintensificatie-technologieën als 'kansrijk' om omgevingsrisico's te verminderen. Het heeft hiervoor 69 wereldwijd ontwikkelde procesintensificatie-technologieën bekeken. De technologieën worden nog weinig in de praktijk gebruikt. Procesintensificatie kan op verschillende manieren de omgevingsrisico's verminderen. Het zou de kans op een ongeval kunnen verkleinen door de installatie veiliger te ontwerpen. Door de hoeveelheid gevaarlijke stoffen in de installatie te verminderen zijn de effecten van een ongeval op de omgeving bovendien kleiner. Verder zouden met procesintensificatie kleinere installaties kunnen worden gebouwd dicht bij producent of afnemer van de gevaarlijke stoffen. Door gevaarlijke stoffen minder te vervoeren, nemen de risico's voor de omgeving af. Een mogelijk nadeel van procesintensificatie kan zijn dat de procesvoering complexer wordt, waardoor risico's ook groter kunnen worden. Beleidsmakers kunnen de resultaten uit dit onderzoek van het RIVM gebruiken om instrumenten te ontwikkelen die risico's voor de omgeving voorkomen of verkleinen. Dit kan bijvoorbeeld door procesintensificatie-veiligheidsstudies te ondersteunen, of door eerste toepassingen in de praktijk te stimuleren. Ze kunnen bedrijven en toezichthouders er op wijzen dat procesintensificatie een manier is om de veiligheid bij risicovolle bedrijven continu te verbeteren. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW).
    • De invloed van rijping op verontreinigingen in havenslib

      Lagas P; Gast LFL; Gerringa LJA (1987-11-30)
      Een lysimeter werd beplant ter bestudering van de invloed van beplanting op rijping. De eerste doelstelling van het onderzoek heeft geen resultaat opgeleverd omdat het rijpingsproces niet goed op gang gekomen is in verband met onvoldoende afwatering. Desalniettemin zijn enkele conclusies te trekken. M.b.t. beplanting werd geconstateerd dat kenmerkena van fysische rijpingsverschijnselen zoals ontwatering, scheurvorming en oxidatie eerder werden waargenomen in de beplante bak. In het poriewater van ongerijpt havenslib worden As, Ni, Cu, Cd en Ba-concentraties aangetroffen die boven de B-waarde van de Leidraad Bodemsanering liggen. Na chemische rijping kan een toename van de concentraties van de genoemde elementen plaatsvinden, omdat havenslib hoge concentraties metalen bevat die vrijkomen na oxidatie en/of verzuring. In het poriewater van het havenslib werden PCB concentraties aangetroffen, die een factor 10 boven de in de Leidraad Bodemsanering vermelde C-waarde liggen.
    • Invloed van vegetatie op stikstofdioxideniveaus. Een orienterend onderzoek

      Bloemen HJT; Uiterwijk W; Wesseling J; LVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-12-14)
      Adsorptie van stikstofdioxide door bomen (Hollandse lindes) blijkt geen meetbare invloed te hebben op de concentraties in een typische straat in een stedelijke omgeving. In een onderzoek, uitgevoerd door het RIVM gedurende een klein jaar (42 weken) zijn de concentraties stikstofdioxide op een aantal locaties op de Maliebaan te Utrecht gemeten als 14-daagse gemiddelde waarden. De Maliebaan is een brede laan met een hoofdrijbaan en aan beide zijden een fietspad en een ventweg en enkele rijen Hollandse lindes hiertussen. De variatie van de NO2-concentraties in de tijd volgden die van andere locaties in Utrecht en bleven ongewijzigd nadat het blad van de bomen was verdwenen tijdens de herfst van 2006. Tussen de verschillende locaties op de Maliebaan, zowel aan de muren van de huizen langs de Maliebaan, als onder het bladerdak nabij de rijbaan, bleken slechts geringe concentratieverschillen te bestaan die zowel tijdens het groeiseizoen als daarna instant bleven. Op grond van dit orienterend onderzoek kan geconcludeerd worden dat de invloed van begroeing in de vorm van bomen op stikstofdioxideconcentraties in een stedelijke omgeving gering zullen zijn. De resultaten van dit onderzoek kunnen een bijdrage leveren aan verder onderzoek naar de ontwikkeling van maatregelen voor de reductie van luchtverontreinigingniveaus in steden.
    • Invloed van veldmethoden op de gemeten waterkwaliteit : Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid

      Boumans LJM; van Elzakker BG; Fraters B; Masselink NJ; LGW; M&V (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2016-10-18)
      In dit technische rapport beschrijft het RIVM meerdere onderzoeken naar methoden die voor het Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid (LMM) worden gebruikt om de waterkwaliteit te bepalen. Deze onderzoeken zorgen ervoor dat de monitoring in het LMM efficiënt en up-to-date gebeurt. In de onderzoeken staat beschreven wat de onderzoeksdoelen zijn, welke methodische keuzes daarin te maken zijn en wordt onderbouwd waarom voor een bepaalde methode wordt gekozen. Deze onderbouwing is van belang om de invloed van het mestbeleid op de waterkwaliteit en de trend daarin goed te kunnen bepalen. Ook moet duidelijk zijn welk effect een aanpassing in de methode heeft op de meetresultaten. Aan bod komt onder andere het onderzoek dat is uitgevoerd naar de grootte van filteropeningen, het effect van het voorspoelen van een tijdelijke monsterput en naar de manier waarop genomen monsters worden geconserveerd. Het LMM is een meetnet dat sinds 1992 op landbouwbedrijven zowel de bedrijfsvoering volgt, als de kwaliteit van het water dat uit de bewortelde laag van de bodem naar het grondwater spoelt en van het oppervlaktewater. De achterliggende gedachte is dat het landelijke mestbeleid van invloed is op de bedrijfsvoering, en daardoor de waterkwaliteit verbetert. Het meetnet omvat in 2014 circa 450 landbouwbedrijven. Rapportages met achterliggende informatie zijn te vinden op de website www.rivm.nl/lmm.
    • De invloed van veroudering van installaties ('ageing') op de oorzaak van ongevallen met gevaarlijke stoffen

      Geus ECJ; Kieskamp KK; ABI; VLH (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2018-07-10)
      Er zijn verschillende oorzaken voor incidenten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven die met grote hoeveelheden van deze stoffen werken. In Nederland is bij ongeveer 30% van de ongevallen bij dit type bedrijf veroudering van de installaties (mede)oorzaak van de incidenten. Dit concludeert het RIVM op basis van een analyse van incidentenrapportages van incidenten bij Brzo-bedrijven (Brzo; het Besluit risico's zware ongevallen). Aanleiding voor dit onderzoek is de Europese richtlijn Seveso-III, die bedrijven verplicht om aandacht te besteden aan veroudering van hun installaties. De richtlijn is in Nederland via het Brzo van 2015 ingevoerd. Deze regelgeving bevat geen definitie van veroudering. De Europese Unie hanteert een brede definitie van veroudering, die het RIVM voor dit onderzoek heeft gebruikt. Behalve door slijtage van materiaal kunnen incidenten bij dit type bedrijven ook zijn veroorzaakt door veroudering van de procedures, de organisatie en de kennis om veilig met de installatie te werken. Er is nog niet veel onderzoek gedaan naar veroudering. De geconstateerde 30% komt overeen met het percentage dat Engels onderzoek uit 2008 heeft aangetoond.
    • Invloed van vier alpha2-adrenerge agonisten op het metabolisme van noradernaline-, dopamine- en serotonine in hersenen van de rat

      Eigeman L; Bost M; Schonewille F; van Wezel E; van der Laan JW (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 1987-01-31)
      Clonidine wordt toegepast teneinde opiaat onthoudingsverschijnselen te onderdrukken, maar bij de rat potentieert clonidine het symptoom van springen tegen de wand. Het doel van het onderzoek is na te gaan hoe dit excitatoir effect van clonidine tot stand zou kunnen komen. Uit gedragsobservaties is gebleken, dat de werking van clonidine berust op stimulatie van de alpha2-receptor. Dit onderzoek is erop gericht de effecten van vier alpha2-agonisten, clonidine, azepexole, B-HT920 en UK14.304 niet alleen op het noradrenerge- maar ook op het serotonerge- en het dopaminerge systeem te onderzoeken in een aantal hersendelen van onbehandelde dieren. Uit onze waarnemingen blijkt, dat clonidine, azepexole en UK-14.304 zich als alpha2-agonisten gedragen eren. B-HT920 reduceert alleen het dopamineverbruik in overeenstemming met de karakteristiek van eenpresynaptische dopamine-agonist. Clonidine en UK-14.304<br>
    • De invloed van weersomstandigheden op de microbiologische kwaliteit van hemelwater toegepast voor toiletspoeling en schoonmaken

      Schets FM; Italiaander R; van den Berg HHJL; de Roda Husman AM; Schets FM; MGB (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu RIVM, 2007-04-25)
      Onderzoek naar de microbiologische kwaliteit van opgevangen regenwater dat bewaard werd in reservoirs toonde aan dat dit water altijd fecaal verontreinigd was en soms ziekteverwekkende micro-organismen zoals Campylobacter, Legionella, Cryptosporidium of Giardia bevatte. De mate van fecale verontreiniging van het water werd beinvloed door de hoeveelheid neerslag en de neerslagintensiteit. Als vervolg op een in 2005 uitgevoerd inventariserend onderzoek naar de microbiologische kwaliteit van opgevangen regenwater werd in 2006 het effect van omgevingsfactoren op de microbiologische kwaliteit van opgevangen regenwater onderzocht. Uit drie regenwaterreservoirs werden onder verschillende omstandigheden monsters genomen, zodat de mogelijke invloed van droogte, (hevige) neerslag, al dan niet na een periode van droogte, en temperatuur bestudeerd kon worden. De aanwezigheid van Campylobacter, Salmonella, Vibrio, Legionella, Cryptosporidium, Giardia en enterovirussen werd onderzocht. Bij een hoge neerslagintensiteit na een periode van droogte steeg het aantal fecale indicatorbacterien in het water in de reservoirs en werden ziekteverwekkende bacterien zoals Campylobacter gevonden. Door afspoeling van vogelfeces vanaf de daken kunnen hoge aantallen Campylobacter in de reservoirs terechtkomen, waardoor het denkbaar is dat bij gebruik van het opgevangen regenwater voor toiletspoeling niet aan het in het Waterleidingbesluit gestelde infectierisico van 1 per 10.000 personen per jaar wordt voldaan.
    • De invloed van zaagselbodem- of draadbodemkooien op de kinetiek van benzo(a)pyreen bij de rat

      Klaassen R; Olling M; Lusthof KJ; LBO (1996-01-31)
      Ter ondersteuning van een chronisch carcinogeniteitsonderzoek bij de rat, werd een onderzoek verricht naar de invloed van het gebruik van draadbodemkooien of macrolonbakken met middelgrof zaagsel op de kinetiek van benzo(a)pyreen in de rat na orale toediening. Bij de experimenten werden 12 ratten, 6 mannetjes en 6 vrouwtjes, gebruikt. De ratten werden onderworpen aan drie behandelingen: verblijf in draadbodemkooi en intraveneuze benzo(a)pyreen toediening (behandeling A), verblijf in draadbodemkooien en orale toediening van benzo(a)pyreen (behandeling B) en verblijf in macrolonkooien met middelgrof zaagsel bodembedekking en orale toediening (behandeling C). Het experiment werd als een drieweg gekruiste gerandomiseerde proef opgezet met uitwasperioden van een week. Aan het einde van elke behandelingsperiode werd bloed afgenomen. Na centrifugatie van het bloed werd het verkregen plasma vervolgens bij -20 C opgeslagen totdat de monsters met behulp HPLC werden geanalyseerd. Op grond van de verkregen benzo(a)pyreen concentraties werd een aantal farmacokinetische kengetallen (AUC 0-t C-max t-max F en MRT) berekend. Het blijkt dat er alleen bij de C-max een statistisch significant verschil optreedt tussen behandeling B en C. Tussen mannelijke en vrouwelijke ratten bleken voor de genoemde farmacokinetische kentallen geen significante verschillen op te treden. Er kan tenslotte geconcludeerd worden dat het voor de biobeschikbaarheid niet uitmaakt of de ratten op draadbodem- of op zaagselbodemkooien met middelgrof zaagsel verblijven.
    • Invloed van zeeschepen op luchtkwaliteit

      Mooy M; Mennen M; IMD (2008-04-02)
      Uit deze literatuurstudie blijkt dat de zeescheepvaart substantieel bijdraagt aan de uitstoot van zwaveldioxide, stikstofoxiden, fijn stof en nikkelverbindingen naar de lucht op nationaal niveau. Niettemin is alleen een verhoogde concentratie stikstofdioxide waargenomen in de directe omgeving van grote vaarwegen en havens in Nederland. Niet uitgesloten wordt dat ook de uitstoot van fijn stof door zeeschepen nadelig kan zijn voor de gezondheid. Voor beide stoffen geldt dat zij klachten kunnen verergeren bij mensen met ademhalingsproblemen en luchtwegenklachten. Dit concludeert het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) in een verkennend onderzoek naar de effecten van de uitstoot van stoffen door zeeschepen op de luchtkwaliteit. De opdrachtgever is de VROM-Inspectie. Aanleiding voor het onderzoek is de afwezigheid van een duidelijk inzicht in de invloed van zeeschepen op de luchtkwaliteit en leefomgeving in Nederland. Zeeschepen zijn een van de minst gereguleerde type bronnen van luchtverontreiniging. Alleen voor het zwavelgehalte in brandstoffen zijn normen opgesteld (Besluit zwavelgehalte brandstoffen). Er zijn enkele Nederlandse onderzoeken hieromtrent uitgevoerd, maar een compleet beeld over de invloed van zeeschepen op luchtkwaliteit en leefomgeving ontbreekt. Om een beter inzicht te krijgen op de precieze invloed van zeeschepen op de leefomgeving wordt een gerichte meetcampagne of grondige analyse van bestaande meetdata aanbevolen.